(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Tijdschrift voor Indische taal-, land-, en volkenkunde"

Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http: //books. google .com/l 



Google 



Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automaüsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



I 



i L_ 




5> s 

(o l I -» 



i 

t 



TIJDSCHRIFT 



INDISCHE 



TAAIr, LAND- EN VOLKENKUNDE, 



VXrOBGBTUr DOOS HIT 



BATAVUISCH GENOOTSCHAP VAM KUSSTEN 

EN WETENSCHAPPEN, 

OIBIB XSDAOTIB 
YAM 

Dr. jr. BBAHDESt 



P. jr. F. I^OIJW. 



Diffly. 



BATAVIA. 


's HAGE. 


ALBBICHT * BU8CHE. 


H. NIJHOfF. 


1893. 





/ . 



f 



\ . 



' ♦ 



* 



.•' 



I lVIIOX7I>t 



BUJNI* 

Todjo, Potwo en Saoesoe, door G. W. W. C. Baboiv yah 

UOÊYELL : 

Todjo 1 

Powo. 18 

Saoesoe 3T 

BeschriJYing van de Boeddhistische bouwwerken te Moeara 
Takoes, door J. W. Yskbhan (met zesplafen), ... 48 

Lijst ran eenige woorden der Manggaraische taal, yerza- 
meld door J. W. Mebbburq 75 

Nog eenige Jayaansche piagëm's uit het Mohammedaan- 
sche tijdTak, afkomstig van Mataram, BantSn en Pa- 
lembang (tweede vervolg)^ door Db. J. Bbandbs. . . 110 

Bkdvulliog. Eenige foutieve eigennamen in de door 
MiuiSSMA uitgegeyen proza-bewerking yan den Babad 
tanah Jawi 127 

Eenige opmerkingen oyer het dialect yan Sikka, geyolgd 
door eenige bemerkingen op de yorige lijstjes, eenige 
spreekwijzen, enz. yerzameld door L. F. Calon ... 129 

Woordenlijst yan het dialect yan Lio (West-Flores), door 
L. F. Calok 200 

Nog eenige Jayaansche piagfim'g uit het Mohammedaansche 
tijdyak afkomstig yan Mataram, BantSn enPalembang, 
(df-rde f>ervolg\ door Db. J. Bbandes 209 

Aanteekeningen omtrent het Diëng-gebergte en zijn merk- 
waardigheden (met kaart)j door J. J. Yebwijk ... 215 

Kort begrip der beteekenis yan de tarekat, naar het Ma- 
leiich yan Sajid Obsxav ibn Abdoellah ibn Aeil ibb 
Jahja, adviseur honorair yoor Arabische zaken, door 
A. F. yoN DE Wall 223 

Aanyullingen en yerbeteringen op de Maleisch-Neder- 
landsch Enganeesche Woordenljjtt (Tifdschr. Ind, T, L. 
en Vk., deel XXXIV^ hl 539 en volgg.\ door O. L. 
Hblfbioh 228 



387712 



IV 

Bladx. 

Bgdnige tot de kennis yan den Bapoedi Archipel (met 
kaarf)j door J. J. Ybbwiik 234 

De Eoranische yerhalen in het Maleisch, door D. Okbth 
TAH Wijk 249 

Stadiën oyer Atjehsohe klank- en schriflleer, door Da. 
C. Snoück HuaoRONJE 346 

Een yerslag yan Professor A. C. Yrbbdb omtrent eene 
yerzameling Jaraansche en Madoereesche handschriften, 
door Dr. J. Brandes 443 

Menambahi deri kaoel dan perdjandjian diboeat penga- 
koewan dan di bertegoehken segala hal-hal diantara, 
oleh akoe padoeka radja Job an mis üanuel Menopo. . 481 

De Kongsi's yan Montrado. Bijdrage tot de geschiedenis 
en de kennis yan het wezen der Chineesche yereeni- 
gingen op de westkust yan Bomeo (met' eene schets^ 
kaart) door S. H. Sghaank 498 

Bataksche spreekwoorden en spreekwijzen, door C. A. 

yAN Ophüijsen (vervolg) 613 

De uitwatoring yan het Tobameer en de Batoe Bongbong, 

door P. A. L. E. Vah Dijk 640 



f 



TODJO, POSSO EN 8A0ES0E 

DOOR 

G- W. W. C. BARON VAN HOËTELL. 



I. GRONDGEBIED. 

Het rgk Todjo strekt zicb uit langs liet zuidelijkste ge- 
deelte der bocht yan Tomini, over eene kiistlengte van ±13 
geographische mijlen . 

Ten oosten yormt Tandjong Api de grens, terwijl westwaarts 
de D^orij Taraoe^ liggende aan het riviertje Malee, als zoo- 
danig wordt aangemerkt. In het zuiden moet volgens zeggen 
de booge bergketen van centraal-Celebes de grens zgn. Wat 
betreit de grenzen van ai Tandjong Api en het riviertje Ma- 
lee tot de hooge bergketen van centraal-Celebes, hieromtrent 
konden geene zuivere inlichtingen gegeven worden. 

2k>oveel is echter zeker, dat het westelijk gedeelte grenst 
aan Loeinan en het oostelijke aan het rijk Posso. 

Het land is zeer bergachtig. 

Langs de geheele kuststrook vindt men nederzettingen, meest 
van Boegineezen, die zich door huwelijken met de meer bin- 
nenlands wonende alfoeren hebben vermengd. 

Eene eigenlijke negorij Todjo bestaat niet. 

Waar op de zeekaart die naam staat vermeld, liggen twee 
negoryen: n. 1. Toli-bo-i westelijk, en kampong Baharoe oos- 
telijk. 

De rivier ter plaatse is ondiep en alleen bij vloed door 
prauwen binnen te komen. 

T^iehr. lod. T. L. en Vk., deel XXXV. 1. 



Ongeyeer 1 ^j^ paal binnenlands ligt nog het kleine gehncht 
Berana, zijnde de verblijfplaats der vroegere vorsten en waar 
hnnne graven gevonden worden. 

Alleen de negorijen Tali-bo-i en Boogka zijn eenigszins 
belangrijk; de andere vestigingen bestaan zelden uit meer 
dan 8 è, 10 huizen, terwijl het zielental van 30 tot 100 va- 
rieert. 

De alfoersche bevolking woont volgens ingewonnen berich- 
ten thans niet meer in geregelde kampongs, maar leidt een 
zwervend leven; daar, waar zij vruchtbare gronden vindt, 
bouwt men een tuinhuisje en legt ladangs aan. 

Verder worden tot Todjo gerekend de Toglan of Schildpad- 
eilanden, ongeveer 3 geograpliische mijlen noord-oostwaarts 
van Tandjong Api gelegen. Deze groep bestaat uit een der- 
tigtal grootere en kleinere eilanden. De inlanders echter 
beweren, dat zij zoo talrijk zijn als een kati djagong kor- 
rels bevat. De voornaamste zijn: Binang-Oenang, Togian, 
Masapi, Lcbiti, Batoedata, Malinggi^ Walea-kiki en Wa- 
lea-daa. 

Het geheel is een laag, heuvelachtig land, niet veel hooger 
dan 2 a 300 voet, waarboven slechts enkele toppen uit- 
steken. 

Van alle eilanden zijn alleen Togian en Binang Oenang 
blijvend bewoond. Laatstgenoemd eiland is bepaald van 
vulkanische formatie. In 't midden van het eiland is een 
ingestorte uitgebrande vulkaankegel, waar de inlanders zwavel 
verzamelen. 

Het is het vruchtbaarste der eilandengroep pn wordt in 
de laatste jaren meer en meer bebouwd. 

Stroomend water vindt men op de Togian groep bijna 
niet; men moet zich behelpen met water uit gegraven putten. 

Noch in het rijk Todjo, noch op de Togian eilanden vindt 
men behoorlijke wegen, alleen zeer moeilijke, haast onbegaan- 
bare voetpaden. 

Alle negorijen zijn zonder eenige orde aangelegd; de huizen 
staan door elkander, afgewisseld met rijstschuren van een 



Tierkjudten yorm. De boawtrant is Boegineesch; — hoog op 
palen. 

Hier dient nog yermeld te worden, dat in het rijk Tudjo 
geen rersterkte kampongs worden gerenden. 



II. BEVOLKINGSCIJFERS. 

Terwijl men het bevolkingseijfer der Boegineezen of at- 
atammelingen daarran, die langs de kosten van het rijk Todjo 
in de yerschillende gehuchten en kampongs gevestigd zgn, 
Tri) nanwkenrig schatten kan, is het aantal alfoeren, die het 
binnenland bewonen slechts bij benadering op te geveu. 

Verschillende lieden, die jaren lang handel gedreyen had- 
den in het rijk Todjo, gaven steeds op een vraa^ naar het 
zielental ten antwoord: rnim 90,000. 

Maar de vorst naar het zielental gevraagd, zeide slechts 
± 10,000. 

Daar nog geen Europeaan de binnenlanden van Todjo be- 
zocht heett, en het van algemeene bekendheid is, dat nimmer 
door eenigen vorst alhier eene volkstelling is gehouden, en 
dat zij, wanneer men naar het zielental vraagt, altijd een zeer 
gering aantal opgeven, zoo kan wel met zekerheid aange- 
nomen worden, dat het aantal zielen zoo gesteld verre be- 
neden het ware cijfer is. 

De alfoeren van Todjo worden in 4 stammen verdeeld, 
n. I. de Ampana, Tolalajoe, Tolage en Taraoe alfoeren. 

De Ampana-alfoeren bewonen het oostelijk; de Taraoe- 
alfoeren daarentegen het westelijk deel van Todjo, terwijl 
de Tolalajoe en Tolage stammen in de binnenlanden van 
het middengedeelte van dat rijk gevestigd zijn. Volgens 
opgave van den vorst van Todjo is de Tolage stam het 
sterkst, dan volgt Ampana, vervolgens Tolalajoe, en eindelijk 
Taraoe. 

Al deze alfoeren zijn van een vreedzaam karakter. 

Het zielental der Togian eilanden wordt geschat op ongeveer 



2000 zielen. Het is een mengelmoes van Boegineezen, 60- 
rontaleezen, Parigiers^ Todjo'ers en oorspronkelijke berol- 
king. 

Van waar de oorspronkelijke bevolking afkomstig is, wordt 
Terscbillend opgegeven; de een zegt van Loinan, een ander 
van Todjo; zich zelven noemen zij To Bobongka. Ten slotte 
zij hier nog het volgende vermeld. De verdeeling van het 
rijk van Todjo in het reisrapport van den controleur A. K. 
Debx gemaakt en opgenomen in bet Koloniaal verslag van 
1879 is geheel willekeurig en berust op geen enkelen grond. 
Ja, zelfs zijn de namen zoo verbasterd, dat zij moeilijk zijn 
weer te vinden. Hij spreekt van drie landschappen n. 1. 
Toraradja, Todjo en Wambawa. Niemand weet evenwel den 
eersten en den laatsten naam tehuis te brengen. Ik vermoed, 
dat met Toraradja Taraoe, en met Wambawa Ampana be- 
doeld wordt. Ook de namen der kampongs in bedoeld rap- 
port voorkomende, zijn eveneens verminkt. Zoo noemt ge- 
noemde controleur Tjempo voor Tjempa, Bongko voorBong- 
ka, Matoengi voor Moetangi, enz. 



III. MIDDELEN VAN BESTAAN. 

Het voornaamste middel van bestaan van de bewoners 
van Todjo is de inzameling van gomkopal, welke in de laatste 
jaren zeer is toegenomen, nadat de aandacht van den han- 
del op den rijkdom van deze streken aan dat boschprodnct 
gevestigd werd. In 1887 bedroeg de uitvoer 3000, terwgl 
in 1888 3800 pikols werd verkregen. 

Evenwel is het product niet van zoo superieure kwaliteit 
als dat van Tapajatoe en Tagoeat (Gorontalo) en staat het 
dan ook lager genoteerd, hoewel het in 1887 nog tegen f 18, 
in 1888 daarentegen, bij de zoo gedrukte marktprijzen, slechts 
tegen f 12 per pikol koopers vond. 

Verder wordt te Bongka was ingezameld tot eene hoe- 
veelheid van ± ICO pikols 's jaars, die evenwel zeer on- 



\ 



zuiver is en daarom slechts eene waarde beeft van f 45 per 
pikol. ^) Van eigenlijke bijenteelt is geen sprake; de insecten 
nestelen in hooge boomen. Als de zwerm het nest verlaten 
heeft, of door rook verjaagd is, wordt het nest afgenomen, 
de raten uitgekookt en alzoo onzuivere was verkregen * ). Ook 
de honig wordt ingezameld. 

De tabak van Bongka is door de geheele Tomini-bocht 
bekend en van vrg goede kwaliteit, hoewel ze door de 
primitieve bereiding slechts voor de inlandsche markt ge- 
schikt ia. 

In de nabijheid van de negorij Bato wordt veel rotan 
gevonden, doch nog weinig ingezameld. Zg is van minder 
goede kwaliteit. 

De vgf riviertjes, die bij Rato in zee vallen, bevatten 
stofgoud, doch niet in groote hoeveelheid. -) 

De vrouwen weven zeer lange sarongs, waartoe Europeesch 
rood en blauw garen gebezigd wordt, en vervaardigen mede 
foeja. 

Deze laatste stof, geklopte boomschors, die in groote lappen 
gemaakt wordt, ziet er uit als Chineesch papier, doch is veel 
sterker en bijna niet te scheuren. Vroeger werd ze veel 
door handelaren opgekocht en naar Java uitgevoerd om bij 
het koperen van schepen gebezigd te worden. Foeja maakt 
de voornaamste kleeding der Altoeren van de Tomini bocht uit. 
Later bij de behandeling van het rijkje Poso zal de wijze 
van bewerking uitvoerig worden besproken. 

De landbouw stond in vroegere jaren in Todjo hooger in 
aanzien dan tegenwoordig, en sedert de inzameling van 
boschpioducten is toegenomen, wordt ook in het ryk van 
Todjo de landbouw eenigszins verwaarloosd, evenals zulks 
te Gorontalo het geval is. 

Was er in 1882 en 1883 nog uitvoer van rijst, thans 



>) Eer het voor verzendiog naar Java geschikt i8, moet het geheel worden 
omgesmolten. 

? Van de gondwaischerij wordt dan uok nog weinig werk gemaakt. 



moet er van uit de rijkjes Posso en Saoesoe rijst ingevoerd 
worden. M 

Van den aanplant van djagong daarentegen wordt nog 
veel werk gemaakt. 

Uitgestrekte klapperaanplantingen zijn langs de stranden 
te vinden en de bereiding van kopra geeft aan vele handen 
werk. 

Zout wordt langs het strand overal aangemaakt, doch 
niet in zoo groote mate als zulks te Saoesoe, Tambaranaen 
Mopané bet geval is. 

De veestapel bepaalt zich voornamelijk tot schapen (vet- 
staarten] en geiten, die er zeer talrijk zijn. Karbouwen en 
paarden zijn er maar schaars te vinden. 

Van de visohvangst wordt weinig werk gemaakt van 
wege de diepte der zee langs de kusten. 

Hij den handel worden, evenals overal elders in deTomi- 
ni boclit, de artikelen tegen elkander ingeruild en alleen bet 
eventneele verschil in waarde in geld vereffend. 

Nederlandsche standpenningen en Spaanscbe matten zijn 
zeer gewild, koperen of zilveren pasmunt is evenwel niet 
gangbaar. 

Voor pasmunt wordt nog veel gebruik gemaakt van ond- 
Uollandscbe dubbeltjes of dubbele stuivers dragende de 
stempels van West Frisiae 1727, 1767, 1791, Zeelandia 1745, 
Gelria 1786 en Trajectum 1786. 



>) Toch bieden de zacht glooiende hellingen, Toond in het meer weitel^ke 
gedeelte, gelegenheid te over asu voor het planten van verschilleiide gewaaaen en 
nooden als het ware tot bebouwen uit. In dit opzicht is Todjo beter bedeeld 
dan b\jv. hel naburige Parigi eu Mooeton, waar de hellingen der bergen veel 
«teller en dus moeilijker te bebouwen zijn. Al mocht dan ook de tegenwoordige 
bron van iukomtten (het inzamelen van boschprod neten), als de vindplaatsen z\jn 
uitgeput, weder opdroogen, uok dan nog heeft Todjo eene toekomst en zal de 
bevolking door zich weder geheel aau den landbouw te wijden, een voldoend middel 
van bestaan kunnen vinden. Zeker is het dat thans door den handel in bosch- 
roducten een zeker waas van welvaart, is het dan ook eene tijdelijke, over het 
ri)kje Todjo ligt verspreid. De landbouw wordt zeer primitief beoefend, en 
ploeii^ eu egi£e z^jn onbekend. De rijst wordt alleen op drooge velden verboawd 
«n sawahcoltuar wordt nergens gedreven. 



Als kopergeld doen dienst oude koperen haantjes-duiten, 
even groot als de oude dubbeUjeS; met opschrift in Arabische 
karakters: tanah Malajoc en Engelsche duiten met opschrift: 
Tsland of Sumatra 1804. De koers is gewoonlijk 900 stuks 
op den rijksdaalder. ^) 

Van eigenlijke marktplaatsen ' of pasars is nergens eenig 
spoor te vinden. 

De middelen van bestaan der bewoners van Togian zijn 
voornaamlijk gelegen in de visch -, tripang -, en schildpad- 
vangsty waaraan de zee rijk is. Ook verzamelt men de 
zoogenaamde flora-schelpen, een slechte soort kleine parel- 
schelpen. 

Kijst en miloe worden niet of zeer schaars op Togian 
verbouwd. 

Sagoe is hier het hoofdvoedsel en dichte sagoebosschen 
bedekken dan ook de moerassige stranden, afgewisseld door 
rhizophoreën. 

Het voornaamste handelsartikel, zoowel van Togian als 
Binang-Oenang is kopra, die van zeer goede kwaliteit is. 

De productie neemt jaarlijks toe. Thans wordt er jaarlijks 
ongeveer 400 pikols uitgevoerd. Het eiland Walea levert 
jaarlijks ± 50 pikols was. 

Op Binang-Oenang worden malëo eieren ingezameld. 

IV. INRICHTING VAN HET BESTUUR. 

Gerust kan gezegd worden, dat de tegenwoordige vorst 
van Todjo^ Larioe genaamd, die den titel van Makolé voert, 
daar alle gezag in handen heeft. 

Hoewel zijn geslacht van Boegineeschen oorsprong is en 
bij dus eenigszins als usurpator is te beschouwen -), beeft 



* ) Met een denkbeeldige mnnt, de reaal, gelijkstaande roet twee gulden koper, 
wordt ook gerekend. Wel het ▼oornaamste ruilmiddel is evenwel ongebleekt 
katoen, per stuk of per vadem berekend. 

*) Volgens de legende zouden reeds zes geslachten vau deu tegenwoordigen 
vont in To^jo geregeerd hebbeu. De eerste, wiens naam eyenwel verloren is 



zijne lamilie in den loop der tijden meer en meer invloed 
gekregen, zoowel op de nederzettingen aan de stranden als 
op de alfoerscbe stammen in het binnenland* Hij maakt 
van dezen invloed een verstandig gebmik en tracht door 
den handel te bevorderen zijn rgk in welvaart te doen toe- 
nemen. Jammer maar, dat hij ook, alhoewel nog matig» 
van opuim gebruik maakt. 

De waardigheid is erfelgk in zijn geslacht en bij het 
overiyden van den makolé beraadslagen de familieleden 
over de aanstelling van een nieuwen titularis. 

In den regel echter wordt reeds bij het leven van den 
vorst de aanstaande opvolger aangewezen. Thans was als 
zoodanig gedesigneerd een jongere haltbroeder van den vorst, 
doch, daar deze onlangs krankzinnig is geworden, werd 
weder naar een ander uitgezien. 

Aan enkele familieleden heeft de makolé een gedeelte van 
zijne macht gedelegeerd. Zoo voert zyn jongere broeder, 
Sambaloré geheeten (aan een oog blind), met den titel van 
kapitan, in zijn naam gezag te Bongka, doch is geheel en al 
aan den makolé ondergeschikt. 

Aan een anderen broeder is de geestelyke betrekking van 
kalim opgedragen. 

Te Taliboi, de residentie van den vorst, waar uit den 
aard der zaak de meeste handelaren komen, heeft hij een 
shabandar aangesteld, Logogo genaamd, die geheel en al door 
den vorst uit zijn inkomsten bezoldigd wordt en die de be- 
langen van den handel behartigen moét en voor de inning 
der uitvoerrechten zorgt. 

In vroegere jaren was er een poenggawa (zoo veel als 
legerhoofd), die te Podi verblijf hield, doch na den dood van 
den laatsten titularis is deze betrekking onvervuld gebleven. 

gegaan, kwam rechtstreeks tsd Boni eo zoa een tweeliagsbroeder geweest lyn 
▼an dea toen aldaar regeerenden Torst eo» omdat hij een horreUoet had, van de 
regeering van Boni uitgesloten z^nde, herwaarts a^n gekomen. Van desen stam- 
men in reehte linie af Djoepandau, Lasaera, Latondo, en Ra^jatodjo (die reeds 
als kind dezen titel droeg en onder ^een anderen naam bekend is.) Deze laatste 
was de oom vaq den legenwoordigen titalaris Larioe. 



De Yoortdarende rnst^ die het land geniet, en de Trede, waar- 
in de vorst ran Todjo, zoowel met zijn nabaren als met'zijn 
eigen aUoersehe bevolking, leeft, doen de beboette aan een 
legeraanvoerder dan ook niet gevoelen. Bij uitzondering 
zgn de negorijen van Todjo ook niet versterkt, terwijl dit 
overal elders in de Tomini bocht gebruikelijk en noodza- 
kelijk is. 

Eene andere betrekking in het rijk Todjo is die van andé 
goeroe, zooveel als zendeling van den vorst, en voornamelijk 
door hem gebezigd om de verschuldigde belasting te innen. 
Ook deze betrekking is tegenwoordig vacant. 

Voor het overige zijn er geen machthebbenden in Todjo, 
behalve de zoogenaamde tomatowa, thans zekere Lamama, 
waaronder verstaan wordt de oudste levende afstammeling van 
den oudsten bewoner der negory Taliboi, die in grens- en 
grondkwesties moet worden gehoord en dus als de eigenlijke 
toewan-tanah te beschouwen is. Deze waardigheid is erfelijk, 
ook in de vrouwelijke linie. Gezag oefent de tomatowa 
niet uit. 

De aUoersche stammen hebben hunne eigene stam- of liever 
familiehoofden, die door den makolé worden aangesteld en 
geheel aan hem ondergeschikt zijn. 

Onder deze hoofden is er iu iederen stam één, die over 
de anderen een zekere suprematie uitoefent. 

Zoo woont het voornaamste hoofd van den stam Ampana 
te Ligisi (eene plaats diep in het gebergte achter Bongka 
gelegen) en voert den titel van Bonto. 

Het eerste hoofd van den stam Tolagé is eene vrouw met 
den titel van Makolé véa (koningin), Palitei genaamd; zij 
woont in kampong Baharoe. 

Onder de Tolalajoe alfoeren is zekere Basoë het voornaamste 
hoofd, die te Pantjoema verblgf houdt. 

Yan den stam Taraoe is het voornaamste hoofd te Mowomba 
gevestigd, eene plaats zuidwaarts van Toejawa in het bin- 
nenland gelegen. 

Al deze alfoersche hoofden evenwel zijn mede aan den 



10 

makolé van Todjo ondergeschikt en beschouwen hem geheel 
eu al als hun opperheer. 

De inkomsten van den vorst bestaan vooreerst uit een 
kati rijst 's jaars van ieder huisgezin. Deze belasting v^ordt 
zoowel door de strandbewoners als door de alfoeren opge- 
bracht. Verder geniet hij / 1 van iederen pikol gomkopal, 
die door de handelaren wordt uitgevoerd en f 0,25 per pikol 
van hetgeen wordt ingezameld. 

De eerste belasting^ die als een uitvoerrecht te beschouwen 
is, wordt door de vreemde handelaren betaald, terwijl de 
f 0,25 door de inzamelaars van boschproducten wordt opge- 
bracht. 

Terwijl de shabandar en de andégoeroe door den vorst per- 
soonlijk worden bezoldigd, heeft de kapitan van Bongka bet 
recht, om na een goed geslaagden rijstoogst, zooveel rijst aU 
hij voor eigen gebruik behoeft, tegen de hellt van den prys 
van de bevolking tegen ruilgoederen in te koopen. Vroeger 
had de makolé ook dat recht, doch hij heeft het later gecon- 
verteerd in de bovenomschreven helBSng van ieder huigezin. 

Verder laten de hoofden hunne tuinen door hunne onder- 
hoorigen bewerken en ontvangen zij kleine geschenken als 
huldeblijken bij huwelijken hunner familieleden. 

Een ieder is verplicht bij feesten, door den vorst bij ge- 
legenheid van een huwelijk, begrafenis, besnijdenis etc. te 
geven, iets bij te dragen, hetzij spijzen, brandhout, olie, of 
ook wel een geschenk van 1 reaal (± A 2) in geld, doch 
niemand mag met ledige handen komen. 

De Togian eilanden, die geheel en al als eene onderhoo- 
righeid van Todjo te beschouwen zijn, verkeeren dan ook 
in eene geheel afhankelijke positie. 

Over de Boegineesche bevolking dier eilanden is echter 
een door den Resident aangesteld hoofd, die in de voornaamste 
kampong Lampa op het eiland Togian verblijf houdt. 

Van oudsher ontvangt hij bevelen rechtstreeks van Qoron- 
talo en neemt dus tegenover den makolé van Todjo een 
eenigszins onathankelyke positie in. 



11 

De tegenwoordige titularis heet La Papela en werd na den 
dood Tan zijnen vader Madoeloenga, alias Oewa Gaoe, alias 
Intake; als zoodanig aangesteld Hij geniet geen inkomsten. 

Over de eigenlijke inbeemsche bevolking van Togian voert 
een radja bet bestuur. Deze wordt door den vorst van Todjo 
aangesteld, hoewel de waardigheid in bet geslacht erfelijk is. 
Thans is als zoodanig door den vorst van Todjo aange- 
wezen zekere Zakaria, de zoon van de eenige jaren geleden 
overleden vorstin, Sirihboea genaamd. 

Als eenige inkomsten heeft bij recht op een aantal van 44 
pakken (bantjoe, de bantjoe gerekend op + 20 kati's) sa- 
goemeel 's j aars, door de gezamelijke bevolking op te brengen. 

Aan den makolé van Todjo worden mede 44 bantjoe's 
sagoemeel als schatting opgebracht. 

De radja van Togian wordt in zijn bestuur bijgestaan 
door twee personen, die den wijdschen titel van djoegoegoe 
of rijksbestierder voeren, doch niet veel meer dan kampong- 
hoofden zijn, die over twee onbeduidende kampongs Lojaen 
Malajoe, niet ver van Lampa gelegen, ieder uit 4 huizen 
bestaande, gezag voeren. 

Bijzondere inkomsten hebben deze hoofden niet en vinden 
ook al in sagoekloppen, in de visch- en tripangvangst een 
sober middel van bestaan. 



V. INRICHTING VAN HET RECHTSWEZEN. 

Aan de verschillende stam- of familiehoofden der alfoeren, 
die de binnenlanden van Todjo bewonen, is de regeling hun- 
ner inwendige belangen en de beslissing in rechtszaken over- 
gelaten. 

De makolé van Todjo wordt evenwel in gewichtige kwesties 
als opperrechter ingeroepen en zijne uitspraak is dan beslis- 
send. Ditzelfde geldt voor zaken, die op de Togianeilanden 
mochten voorkomen. 

Wat de Mohammedaansche bevolking aan de stranden van 
het rijk van Todjo betreft, geldt het volgende: 



12 

In alle zaken, die den godsdienst raken, als buwelgk en 
echtficbeiding, doet eene geestelijke rechtbank, bestaande uit 
den imam en kalim, uitspraak. 

Bij kwestiën over de verdeeling van erfenissen worden 
aan de geestelijkheid nog twee personen, de andégoeroe en de 
sbabandar, toegevoegd, die namens den vorst zitting hebben. 

Voor de uitspraken in erfeniskwestien wordt 5 7, van het 
zuiver bedrag van den boedel door de erfgenamen opgebracht 
en onder de rechters verdeeld. 

Overigens worden in civiele kwestiën geen proceskosten 
betaald. Het recht is dus niet dunr en voor ieder gemakkelijk 
te bekomen. 

Dat bij de afdoening van grens- ot grondgebiedkwestiën 
de tomatowa steeds moet worden gehoord, is boven reeds 
vermeld. 

In alle andere zaken is de makolë de opperste en de 
eenige rechter, hoewel hij, als het zaken van Bongka betreft, 
aan zijn jongeren broeder, den kapitan aldaar, de beslissing 
overlaat^ behoudens hooger beroep op hem. 

Bij de strandbevolking is algemeen de Mohammedaansche 
eed op den Qoran in gebruik, terwijl de alfoeren nog hun 
toevlucht nemen tot godsoordeelen of tot vervloekingseeden. 

Het voornaamste ordalium, bij de alfoeren van Todjo ge- 
bruikelijk, is het in den grond steken van aangepunte stokken - 

De partij; die den stok het diepst in den grond doet door. 
dringen^ wordt in het gelijk gesteld. 

Ais vervloekingseed verbrijzelen zij een kippenei onder 
het inroepen van allerlei rampen en onheilen; bijaldien zy 
valsch zweren. 

Bij ontdekking van overspel en flagrant délit heeft de belee- 
digde partij het recht, zoowel zijne vrouw als den overspeler 
met den dood te straffen. Weten de schuldigen evenwel te ont- 
komen, en in het huis van den vorst te vluchten, dan wordt 
deze plaats als een asylum beschouwd 

De zaak wordt dan verder met boete afgedaan, die 2 X ^^ 
realen bedraagt; door ieder der schuldigen voor de helft te 






1^ 

betalen ten voordeele yan den beleedigden eebtgenoot. Kan* 
nen zg de boete niet betalen, dan betaalt de vorst voor ben, 
doch in dat geval vervallen zg tot den slavenstand. 

Bi) moord geldt het jus talionis^ doch ook in dit geval kan 
de schuldige vluchten in het huis van den vorst en wordt 
de zaak met eene boete van 88 realen ten voordeele der fa- 
milie van den of de vermoorde afgedaan. 

Verwonding wordt, zoo er de dood op volgt, als moord 
gestraft, anders wordt eene boete opgelegd van 5 zaken (lima 
perkara) zooals het heet; b. v. een stuk wit goed, een kar- 
bouw, een hoofddoek, een sarong en een koperen schenkblad. 

Deze voorwerpen zgn van meer of mindere waarde al 
naar mate van de graviteit der verwonding, doch altgd moe- 
ten er 5 stuks zijn. 

Bij diefstal moet tweemaal de waarde van het gestelene 
vergoed worden, zooals ook elders bij Indische volken ge- 
bruikelijk is. 

Beleedigingen en het toevoegen van scheldwoorden worden 
gestraft met eene boete van 4 realen ten voordeele van de 
beleedigde partij. 

Hoogst zelden wordt de doodstraf in het ryk van Todjo 
ten uitvoer gelegd en zij wordt bijna altijd in boete gecon- 
yerteerd. Verminkende straffen zijn onbekend. 

Hoewel dus zelden in Todjo het recht in al zijn zwaarte 
wordt toegepast, bestaat er evenwel in één geval geen pardon 
n. 1. wanneer iemand beschuldigd wordt van toovery ^). 

Zoo iemand, die met de booze geesten in connectie staat, 
en dikwijls, om zich op iemand te wreken, zijn toevlucht 
neemt tot vergif, is dan ook een gevaarlijk element. 

Een dergelijke heks, hier ponggo genaamd, wordt aan een 
proef onderworpen, die ons de heksenprocessen der middel- 
eeuwen Toor den geest roept. 

Zij of hij moet n. 1. de hand doopen in kokende damar, 
en wordt slechts van de verdenking vrijgesproken, als de 

>) ZooaU zulks byna OTeral in het oottel^k deel van den Arehipel het geral 
\Sy il de betcknldigmg van soeanggi te zyn de xwaante, die iemand treffen kan; 



14 

band ongeschondeD weder te voorschyu komt. Is zalks het 
geval niet^ dan wordt de heks zonder genade onmiddellijk 
met stokken doodgeslagen of ook wel in /.ee verdronken. 



VI. HISTORISCH OVERZICHT. 

Historische berichten omtrent het rijk Todjo zijn zeer 
schaarsch, eensdeels^ omdat de goiiyernementsarchieven daar- 
omtrent weinig licht verspreiden, anderdeels omdat ook bij 
de bevolking zelve zoo goed ais niets omtrent de geschiedenis 
dezer streken bekend is. Zeker behooren dan ook de ver- 
schillende rijkjes aan de bocht van Tomini gelegen tot de 
minst bekende gedeelten van Nederlandsch-Indië. 

De geschiedschrijver Valentijn, de Resident Jansen en 
de vroegere Assistent-Resident van Gorontalo Riedel, heb- 
ben allen getracht een historisch overzicht te geven der lan- 
den gelegen aan de Tomini-baai^ waarin de rijken Qoron- 
talo en Limbotto een hoofdrol innemen^ doch geen hunner 
gelukte het eeu samenhangend geheel samen te stellen. 

Volgens de Gorontaloschc kronieken vertrok in het begin 
der 14® eeuw de oppervorst van Gorontalo, liahoedoe ge> 
naamdy met een aantal volgelingen en krijgslieden naar de 
Tominilanden, om die ten onder te brengen, hetgeen hem 
gelukte. 

Zijn kleinzoon Walango tuchtigde de landen Tomini, Am- 
pibaboe en Parigi, omdat de bevolking in de betaling van 
schatting achterlijk bleef. 

Tijdens dit voorviel ging zijne echtgenoote Molie buiten 
zijne voorkennis de landen van af Boalemo tot Saoesoe be- 
oorlogen en ten onder brengen. 

Toen de beide echtgenooten elkander te Saoesoe ontmoetten, 
werd er besloten, dat de landen van af Saoesoe tot Pogoeiama 
aan Gorontalo en van Saoesoe tot Bongka alsmede de To- 
geaneilanden aan Limbotto zouden behooren. Volgens deze 
overeenkomst werd het tegenwoordige rijk Todjo gebracht 



15 

onder de saprematie van Limbolto. Saoesoe merkte men ais 
onzijdig gebied aan. 

Onder de opvolgers van Wolango en Molie wordt niets 
meer van de veroverde landen vermeld en daar de rijken Go- 
rontalo en Limbotto herhaaldelijk met elkander in oorlog 
waren, komt het mij voor, dat die veroverde landen weder 
hunne onafhankelijkheid erlangden^ welke echter door Lim- 
botto en Gorontalo niet erkend werd. 

Omstreeks het jaar 1450 /.ond de vorst van Gorontalo 
een gezantschap naar TernatC; om een verbond met dien 
vorst te sluiten. Wat er tot stand kwam, ben ik niet te 
weten kunnen komen. 

Eenige jaren later zond de vorst van Limbotto zijn zoon 
Ditoebia naar Temate met geschenken^ om hulp te erlangen 
tegen Gorontalo. 

Na aankomst der Ternatanen werden de Gorontaleezen ver- 
slagen. 

In 1647 werden Limbotto en Gorontalo door de Terna- 
tanen met behulp der vereenigde Oost-Indische Compagnie 
geslagen en onderworpen. 

Hier wordt het eerst van onderwerping gesproken. Of 
nu de landen in de Tomini-baai gelegen nog onderworpen 
waren aan het gezag van Gorontalo en Limbotto moet be- 
twijfeld worden, zooals later zal blijken. 

Toen Temate in 16G7 de souvereiniteit der Compagnie er- 
kende, was zijn invloed in de bocht reeds afnemende en 
waren de Makasaren daar heer en meester^ totdat Speelman 
hun macht fnuikte en bi) het Bangaaische tractaat het bezit 
der landen aan de bocht van Tomini gelegen weder aan Ter- 
nate verzekerde. 

De heer Riedel schrijft (zie Tijdschrift Bataviaasch Genoot- 
schap, Deel XlXy zevende serie, deel I, afdeeling 2.) 

„Na de regeling van de politieke verhouding tusschen Go- 
rontalo en Limbotto en de vereenigde Oost-Indische Com- 
pagnie, onderwierp de Gouverneur en Directeur der Moluk- 
ko's R. Padtbbuggs in 1678 de landschappen: Tomini, Ti- 



16 

üombo^ Ampibaboe, Parigi, Posso eo Todjo en yerklaarde 
deze landen rechtstreeks aan genoemde Compagnie onder- 
geschikt. Op welke wyze de onderwerping van het land- 
schap TodjO; welke plaats door genoemden GtouYernenr in 
het geheel niet werd aangedaan, tot stand is gekomen^ heeft 
men niet kunnen nagaan. 

„In 1730 beklaagden de vorsten van Limbotto en Goron- 
talo zich, dat de Mandharezen de baas speelden in de To- 
mini bocht, doch de Vereenigde Oost-Indische Compagnie 
wilde zich niet in die zaken mengen. 

„In het jaar 1765 sloot de Vereenigde Oost-Indische Com- 
pagnie met den vorst van Limbotto een contract, waarin 
voorkomt dat: 

„de bergvolken van Togian tot Saoesoe onder Limbotto 
en van Saoesoe tot Tamalatta onder Gorontalo's gehoor- 
zaamheid zonden blijven, doch de negorij Saoesoe aan geen 
hunner behooren''. 

Volgens dit contract behoorden Todjo, Togian en Posso 
weder onder de suprematie van Limbotto. 

Den 9'° Januari 1828 werd weder een nieuw contract 
gesloten met Limbotto. 

In artikel 5 daarvan komt voor: 

„Het gezag van de radja's van Limbotto zal zich alleen- 
lijk uitstrekken over de naturelle onderdanen van het Lim- 
bottosche rijk''. 

Todjo, de Togian eilanden en Posso herkregen dus hunne 
onafhankel ij kheid. 

Boni liet zich al meer en meer gelden in het rijk van 
Todjo. 

In het begin der 18*^ eeuw zond de vorst van Boni aan 
Todjo een opperhoofd van vorstelyken bloede, van wien nu 
nog de regeerende vorst van Todjo afstamt. 

Ook bleef Todjo cijnsbaar aan Boni en jaarlijks zond 
laatstgenoemd rijk zijn shabandar daarheen om schatting te 
innen, hetgeen dikwijls tot bloedigen stryd aanleiding gaf, 
het laatst in 1847, toen zekere Daeng Timommang zich als 



17 

achattengaarder aldaar door zijne geweldenarijen berneht 
maakte. Dit trok de aandacht van het Nederlandsch-In- 
discb Goavernement, dat na het overlijden yan de Vereenigde 
Oost-Indische Compagnie hare erfenis had aanvaard^ en gaf 
aanleiding tot eene scherpe briefvrisseling met het rijk van 
Boni, evenwel zonder afdoend resultaat, want in 1852 maakte 
dit rijk wederom aanspraak op Todjo, en werd deze ver- 
meende aanspraak mede een der redenen van den met Boni 
gevoerden kr^g. 

Nadat Boni overwonnen was, werd bij artikel ö van bet 
op 5 Februari 1890 gesloten contract bepaald, dat de leenvorst 
en de hadat voor zich en hunne opvolgers ten eeuwigen 
dage afzagen van alle vermeende rechten op landen buiten 
de kusten van het rijk iu de golt van Boni. 

Bij speciale publicatie van 23 Juli 1860 werd dit artikel 
door den toenmalingen resident vau Menado C. Bosbchir 
nader in de bocht van Tomini bekend gemaakt en alle vor- 
sten en volkereu aldaar gelast voortaan alle aanmatiging 
van gezag van de zijde van het rijk van Etoni met krachi 
tegen te gaan. 

Niettegenstaande dit, wilde Todjo zich niet van Boni los- 
rukken, zelfs in 1878 verklaarde de poenggawa van To 
djo bij het bezoek van den controleur Dsrx (vide het Ko- 
loniaal verslag van 1879) dat Todjo nog tot Boni behoorde, 
ofschoon hij bekende, dat sedert jaren door dit rijk geen 
schatting meer was geeischt Eerst in de laatste jaren is 
dit anders geworden, is de band met Boni geheel verbroken 
en voert Todjo een zelfstandig bestaan. 



T^didir. Ind. 1. JL. eu Vk., deel XXXV. 



p o s s o. 



I. GRONDGEBIED EN GEOGRAPHISGHE 

bESCHRIJVlNG 

Onder het rijkje of liever het landschap Posso wordt Ter- 
staan de strook gronds, die zich uilstrekt Jangs den ooste- 
lijken oever der Posso-rivier en liet noordoostelijke gedeelte 
van het meer van dien naam. Maakt dus westwaarts ge- 
noemde rivier de grens uit. oostwaarts wordt het landschap 
bepaald door het rivieilje Malee, dat het van Todjo scheidt. 
In het zuiden wordt Posso, behalve door het meer, begrensd 
door de bergvolken, die 't rijk Loewoe bewonen. 

Aan het straod zijn maar zeer weioig kampongs gelegen; 
men viudt daar slechts enkele gehuchten voor de zout- 
bereiding, als van oost naar west Tongko, Tonipa en Na* 
boente. Alle vestigingen liggen meer landwaarts in, of de 
rivier op en aan het meer. De geheel e streek wordt door 
alfoeren van den stam Tolage bewoond, terwijl westwaarts 
van de rivier en van het meer, zich andere oorlogzuchtige 
stammen als TobaHa, Tonapo, Tokolabi en Tofebatoe ophouden. 
Hoewel 'al deze stammen in zeden en gewoonten veel over- 
eenkomst met elkander hebben, zoo zeUs, dat tot dezelfde 
verwantschap en afstamming moet worden besloten, munt de 
stam Toluge boven allen uit door zijn vreedzaam en rustig 
karakter, doch dit is tevens een der redenen waarom de 
Tolage aiifocroe zooveel van de andere meer krijgs/uchtige 
stammen te lijden hebben, die hen steeds uiikiezen als een 
gemakkelijk doel voor hunne snel- en rooftochten. De Gou- 
verneur R. PADTBRuaQü: vermeldde in zijne memorie van 
overgave aan den heer Lqbbs in 1682 reeds ,,dat de Alfoeren 



13 

▼au P088O in aard, inborst en vele gewoonten niet ongelijk 
waren aan de Menadosche bergboeren (A'ioercn)". 

De rivier van Possa, die de uitwatering is van hetgroote 
meer van dien naam, is ongetwijfeld de belangrijkste van 
de geheele Tominibocht. Zij loopt, afgescheiden van iiare 
tallooze bochten en kronkelingen, in eene richting ^au zoid 
naar noord, met sleclits eene geringe buiging naar het noord- 
oosten. Zij heeft een lengte van + 17 geograph^che mijlen 
bij eene breedte aan de monding van + 90 meter; doch 
die hoogerop gelijkmatig tot + 50 meter afneemt. De diepte 
bedraagt van 3 tot 7 vadem. Ze zon dus zelfs voor kleine 
stoomers van geringen diepgang te bevaren zijn, ware aan 
de monding geen groote zandbank gelegen^ die het opvaren 
belet. N. O. van deze bank kan in 30 vadem geankerd 
worden. 

Hoewel een massa kleine spruitjes zich zoowel op den lin- 
ker- als op den rechteroever in de rivier ontlasten, is de 
eenige zijrivier van ecnige beteekenis de Tomasa-rivier, die 
bij hare samenvloeiing met de Posso-rivier eene breedte van 
40 meter heeft en voor kleine blotto's tot op een 15 palen 
stroomopwaarts bevaarbaar is. Het meer van PossO; waar- 
uit de rivier van dien naam gevoed wordt, heeft eene opper- 
vlakte van zeker 12 Q geographische mijlen bij eene eenigs- 
zins driehoekige gedaante, liet is ongetwijfeld een krater- 
meer en ligt zeker 1000 voet boven de oppervlakte der zee, 
zoodat in de uitwatering ervan, de rivier van Posso, een snelle 
stroom gaat. Het opvaren der rivier wordt hierdoor zeer 
bemoeielijkt en is slechts mogelijk met zeer kleine blotto's 
(uitgeholde boomstammen), die zeer lang, OV^ meter, doch 
slechts 40 centimeter breed zijn, zoodat een man er niet 
dan met moeite in zitten kan. Door mij werd beproefd met 
eene kleine vlet op te roeien, doch niettegenstaande ik 8 man 
op de korte riemen had, moest ik den tocht na 8 uur roeiens 
opgeven, daar het onmogelijk was verder tegen den sterken 
stroom op te werken. Voor zeer kleine blotto's blijft de 



20 

mier bevaarbaar tot Tomasa, wat men na V/^ dag roeien 
bereiken kan. 

Hoogerop is de rivier eene aaneenschakeling van kleine 
watervaijen, en begint de bedding ook sterker te klimmen. 

Ongeveer ICO meter van de monding der rivier ligt de 
kampong Tabongan met de daarachter op een steilen heuvel 
gelegen, goed versterkte kampong Saiwose. Van at dit punt 
kan men de rivier een dag opvaren zonder eenig spoor van 
menscheiijk wezen meer te zien. Niets dan ondoordriogbaar 
nrwald op beide oevers tot men bij de kampong I^ebano ^) 
komt. Van hieruit evenwel treft men in oost- en znidooste- 
lyke richting loopeude verscheidene dichtbevolkte kampongs 
aan. Het geheele terrein is zeer geaccidenteerd, doch afge- 
wisseld met hoogvlakten. 

Het noordelijkste gedeelte, bepaald van tertiaire formatie, 
onderscheidt zich door zeer scherpe toppen van kalksteen. 
Zuidelijker in den omtrek van het meer zijn de heuvels meer 
afgerond en schijnen zij van andere formatie te zijn. Ijzererts, 
voornamelijk ijzerglans en bruinijzersteen, wordt daar veel 
aangetroffen. Ook steenkolen moeten langs de rivier voor- 
komen, tenminste ik vond aan den benedenstroom brokken 
steenkool, die wel is waar verweerd en als rolsteen waren 
atgeslepen^ doch die roet zekerheid de aanwezigheid van deze 
brandstof aanduiden. 

De kampongs zijn allen o|> de steilste heuvels gelegen, 
vijl k zes honderd voet boven het omliggende terrein en in 
den regel omzet met dichte bamboestruiken, waarbinnen nog 
een sterke houten palisadeering wordt aangetroffen. Op eenigen 
afstand gelijken zij volkomen op groote kraaienesten Voor 
den alfoer bestaan evenwel geen terreinhindernissen en hg 
beweegt zich met het grootste gemak langs de moeielijkste 
bergpaden over allerlei chicanes heen. die vooreen Europeaan 
niet te passeeren zouden zijn. 

Eene opsomming «l^r verRch il lende kampongs, voor zoo- 

») Niet te yerwarrm mei hel iaudbchup IaIjutjo, gflevrci» op den wei^telijkeii 
oever der Pos^o- rivier, dal tot den stam Tonapo behoort 



21 

verre die lot dasrerre bekend zijn, zal ^Qgercu worden on- 
der IV. 

II. BEVOLKINGSCIJFER EN ETHNOGRAPHISCHE 

BIJZOSDERHEDEN. 

Het landschap Posso is sterk bevolkt. Hoewel de mede- 
deeling van den heer Padtbruggg: „en zoude 't land zoo 
volkrijk wezen dat tot vele plaatsen zelfs brandboutgebrek 
zoude zijn, zoodat ze drooge mest tot hunne brand moeten 
gebruiken'', overdreven mag heeten, zoo is het evenwel een 
feit, dat Posso een dichte bevolking heeft. 

Zooals onder hoofstuk IV blijken kan, zijn reeds een vijf- 
tigtal kampongs met name bekend en mag men veilig aan- 
nemen dat er nog een gedeelte vergeten of verzwegen is. 

Ledere kampong kan gemiddeld op minstens 400 zielen ge- 

« 

schat worden, wat reeds 20,000 zielen geeft, zoodat men 
den stam Tolage zonder overdrijving op 25 a 30,000 zielen 
stellen kan. 

De heer Riedel schat in zijne hierocder genoemde verhan- 
deling liet zielental der 21 stammen der Topantoenoeaso ot 
hondeneters, waarvan de stam Tolage, die Posso bewoont, er 
één is op ruim 100,000 zielen. Neemt men evenwel in aan- 
merking, dat de Tolagie^ het talrijkst zijn, dan mag men 
toeh voor dezen stam alleen niet meer dan 25 k 30,000 zielen 
stellen. 

Het komt mij bij de groote onbekendheid die, nog omtrent 
dezen volkstam bestaat, niet ondienstig voor (hoewel zulks 
niet rechtstreeks wordt verlangd) onder deze rubriek iets aan 
te teekenen omtrent zeden en gewoonten der bevolking, het- 
geen misschien strekken kan tot aanvulling en deels ook ter 
bevestiging van hetgeen door den heer Rikdbl werd mede- 
gedeeld in de eerste aflevering deel XXXV, van het tgd- 
schrift van het koninklyk Instituut voor de Taal-, Land- en 
Volkenkunde van Nederlandsch-Indië. 

De huizen binnen de kampongs zijn zeer primitief op palen 



22 

gebontrd en staan zonder eenige orde door elkander, afge- 
wisseld door rijstschnren van een vierkanten vorm. Soms 
treft men wel 80 a 100 personen in eene woning aan; de 
grootste kampongs tellen evenwel nooit meer dan hoogstens 
10 & 12 huizen, in den regel echter minder. De grootste 
onzindelijkheid heerscht onder de buiden, wijl alle faecale 
stoffen door den vloer, die nit gespleten bamboe of niboeng 
bestaat, naar beneden vallen en daar blijven tot ze door 
honden en varkens, die er in groote menigte gevonden wor- 
den, worden verteerd, welke dieren door hun drckstoffen de 
onreinheid nog vermeerderen. 

Tn het midden van iedere voorname negorij is het raad- 
huis of de lobO; waaraan wat meer zorg besteed wordt. Het 
is van zwaar hout gebonwd en versierd met allerlei snijwerk 
dieren als krokodillen, varkens, honden,^) enz. voorstellende. 
Verschillende groote trommen zijn er opgehangen, waarop 
geslagen wordt, als er gevaar dreigt en bijv. een naderende 
vijand de aanwezigheid van alle weerbare mannen nood- 
zakelijk maakt. 

In den middelsten vloerbalk is eene nitholling waarin na 
een genomen besluit onder oOrverdoovend geschreeuw met 
een stuk hout wordt gestampt en waardoor de beslissing 
onherroepelijk is vastge<^teld. 

De schedels en scalpen der verslagen vijanden worden 
mede in de lobo opgehangen. Van gewone lieden, die in 
den oorlog gedood worden, wordt allen de scalp bewaard, 
van aanvoerders echter de geheele schedel, na met kalk be- 
smeerd en in de zon gedroogd te zijn. Bij tee.steIijUe gele- 
genheden of hij het drinken van eedeu, wordt ook sagoeweer 
uit deze schedels gedronken. 

In 't laatste geval worden de geesten of angga's der ver- 
slagen vijanden als booze geesten aangeroepen om den mein- 
eed te straffen. 

De scalpen worden in den regel aan de klewangs vastge- 
hecht. 



^) WttraehQniyk de totem't Tan den stam. 



23 

De Toornaamste aanleiding tot bet snellen van koppen is 
de dood van den een of anderen kaboeseiia. Aan de be- 
vriende stammen worden dan witte hofJdoeken (het teeken 
van rouw) gezonden en daarmede de verplichting opgelegd 
een of meer koppen Yoot de begrafenis te leveren. 

De scalpen worden dan aan de doodkist van den over- 
ledene bevestigd. 

Behalve dat de lobo voor nachtverblijf van vreemdelingen 
dienty worden kier de jaarlij ksche groote festiviteiten, na af- 
loop van den oogst, gevierd. 

Hun godsdienst bestaat ait animisme met pantheisme ge- 
mengd, 't Mohammedanisme heeft onder hen nog geen wortel 
geseboten. De beschermgod van den stam wordt vereerd 
onder den naam van Lamoa. Van Lamoa worden evenwel 
geen beelden vervaardigd, hij huist in hoomen of groote 
aleenen en wordt bij eedsaflegging aangeroepen, bij ziekten 
en verder daar, waar 't er om te doen is door zijn hulp de 
booze geesten te verjagen. Andere goede geesten zijn de 
xielen, angga, der atgestorvenen ; booze g.esten daarentegen, 
die den mensch kwellen en ziekte berokkenen, zijn de zielen 
der verslagene vijanden. 

Van iederen afgestorvene, het/^ij man oi vrouw, wordteen 
beeldje van bout vervaardigd, pemia geiieeten. Deze wijken 
in Toriii evenwel af vap de gewone beeldjes in hurkende 
bonding die men elders in den Archipel (Zuidooster- en Zuid* 
westefti landen, Nieuw Guinea, enz ) voor dat doel vervaardigt. 
De pemiabeciden zijn niets anders dan houten maskers van 
een handvat voorzien. 

Bij de mannelijke beelden steekt boven op het hoofd een 
knopje nit; natuurlijk een zinspeling op den phallus, wat bij 
de vrouwelijke ontiireckt; doch anders gelijken de peniia- 
beelden van beide geMlachten volkomen op elkander. Zij 
worden in afzonderlijke kleine huisjes bewaard, doch bij feesten 
in de lolio bijeengebracht, er wordt dan aan geofferd. 

De dooden worden gekleed als bij het leven, in foeja, de man- 
nen mei honne wapenen en toebehooren, de aanvoerden in 



24 

ToUen krijgsdoBy de vrouwen met hare sieraden aan in een 
kist gelegd en voorloopig onder afdaken buiten de kampongs 
nedergezet. 

Na verloop van een jaar ot langer (hetgeen er van at'hangt 
ot de kosten voor het doodenfeest reeds bijeen zijn) worden de 
kisten weder geopend, de beenderen bij elkander gezocht in 
kleinere kisten gedaan en dan begraven. Kort na den dood 
wordt evenwel eerst een gericht over den doode gehouden, 
waaraan het geheele volk in de lobo deelneemt; iedereen heeft 
het recht zijn gevoelen te uiten omtrent de vraag, of den over- 
ledene al dan niet eene eerlijke begrafenis ten deel mag 
vallen. Valt dit gericht ongunstig uit, dan wordt het lijk 
zonder ceremonieel als een dier (zooals het heet) onder den 
grond gestopt. 

Zeer zelden is dit evenwel het geval, hoewel de minste 
oneerlijkheid daartoe reeds voldoende zou zijn. Niemand mag 
erven van iemand, wien eene eerlijke begrafenis ontzegd is, 
en de nagelaten goederen worden vernietigd. Nooit mag 
evenwel tot de begrafenis worden overgegaan, voordat alle 
schulden van den overledene zijn voldaan 

De alifoeroe van Posso zijn, behoudens enkele individueele 
uitzonderingen, lang zoo robust en forsch niet gebouwd als 
die van Seram en Halmaheira 

De kleeding van mannen en vrouwen is al bijzonder een- 
voudig en bestaat voor de eersten uit een lap geklopte boom 
bast als tjidako en uit een dito lap die als hoofddoek ge- 
bezigd wordt. Kunnen kaboesena's eene korte Boegineesche 
broek en een baadje machtig worden, dan zijn zij op deze 
schatten niet weinig trotsch. (n krijgsdos dragen zij van 
rotan gevlochten mutsjes met apenhaar overtrokken en boven- 
dien nog met kippeveeren versierd, smgko boti genaamd en 
een stuk van het vel van den sapi hoetan (anoa depressicor- 
nis) met den staart er aan op hunne posteriores, wat van 
verre een zonderling gezicht oplevert. 

Alleen de yoorvechters hebben het recht den koperen helm 



25 

met horens versierd te drageu. ceo gebruik, dat ^ben ik wel 
onderricht) ook in 't rijk van Loewoe bestaat. 

üunne wapenen zijn vooreerst de klewang of koppensneller, 
goema of soemara geheeten. waarvan het gevest een eigen- 
aardigen vorm. eenigszins gelijkende op een wijdgeopenden 
kaaimanbek, heeft. 

Verder de lans (tobala) luet bokkehaar versierd ^ iietwelk 
soms rood of zwart is geverwd. Zoowel de lansen^ als de 
greep der klewangs zijn kunstig met bladtin opgelegd Ver- 
der een langwerpig smal houten schild^ paleawOy kunstig met 
kleine schelpjes ingelegd en eveneens met rood, zwart of wit 
bokkehaar versierd. 

De vrouwen dragen iu huis dikwijls alleen den tjidako, 
doch zijn zij gekleed dan baadjes en sarongs, eveneens van 
foeja vervaardigd. 

De sarongs zijn van strooken voorzien, zoodal ze meer 
op rokken gelijken Ook dragen de vrouwen allen hoofd- 
doeken van dezelfde stof. 

Besnijdenis d. w. z. t kloven van t praeputium, is alge- 
meen in zwang en alle jongens ondergaan deze operatie te- 
gen 't tiende jaar. Mutilatie van den penis door een ring 
achter den glans te leggen en dien te laten vergroeien is 
alleen in gebruik bij den stam Tobada. Zoo ook is niet bij den 
stam Tolage, doch bij de stammen Tonapo, Tobada, Tokolabi 
en TotebatoC; het gebruik in zwang de vrouwen de pijnlijke 
kanstoe werking te doen ondergaan van alle snijtanden van 
onder- en bovenkaak, na 't tandvleesch te hebben openge- 
sneden, uit te breken, ten einde eene herhaling te voor- 
komen van 't atbijten van den penis, waaraan zich eens 
eene vrouw in iiefdesvervoering moet hebben schuldig ge- 
maakt. 

De huwelijken hebben er zouder veel omslag plaats Op 
verschil in stand wordt echter ook hier streng gelet. De 
vrouw volgt den man als de bruidschat geheel is betaald en 
treedt daardoor uit den stand, terwijl in 't andere geval de 
man dienstplichtig blijft aan de ouders der vrouw. 



26 

VcelwiJTerij is geoorloofd, doch komt zelden voor, en al- 
leen de hoofden veroorloven zich meerdere vrouwen te nemen. 
Ook de vrouwelijke kaboesena's hebben wel eens 2 of meer 
mannen. 

Echtscheiding is ook f>eoorloot'J. Ligt de scimid bij de 
vrouw, dan moet door hare familie de bruidschat worden 
terugbetaald De meeste huwelijken worden gesloten na de 
oogstfeesten, waarbij de beide sexen in de lobo met elkan- 
der in aanraking komen en liefdesverklaringen toezingen. 

III. MIDDELEN VAN BESTAAN. 

't Voornaamste middel van bestaan is ook hier de land- 
bouw, doch ook hier bestaat er geen sawahcultuur, maar alleen 
rijstbouw op drooge velden, die evenwel op zeer groote schaal 
gedreven wordt. Zelfs bij de nog primitieve wijze van grond- 
bewerking (ploeg en egge zijn onbekend) is een I20voudige 
oogst zeer gewoon. 

Miloe wordt eveneens aangeplant, doch hoofdzakelijk voor 
varkensvoeder gebe/Jgd, of bij wijze van versnapering ge, 
geten. Hoewel sagoe aan de stranden ook gevonden wordt- 
er wordt hiervan evenmin als in 't naburige Saoesoe gebruik 
gemaakt. Rijst maakt overal het hoofd voedsel uit. 

Sagoeweer wordt veel bereid en gedronken, andere sterke 
dranken vinden er evenwel nog geen aftrek. 

Kat bouwen en varkens zijn er in groeten overvloed, en 
hun vleesch wordt veel door de bevolking genuttigd. 

Nog niet lang geleden kon men voor een stuk ongebleekt 
katoen ter waarde van / 2 50 te Posso een karbouw van bij- 
zondere grootte koopen. Meer vraag heeft echter in den 
laatsten tijd de waarde dezer dieren zeer doen stijgen en er 
wordt nu wel / 20 per stuk gevraagd. Vooral lieden van 
Todjo komen die dieren hier inruilen. 

De prijs der paarden werd mij opgegeven te zijn 4 stukken 
ongebleekt katoen of 10 gulden. liet ras is evenwel klein 
en slecht. 



27 

Van de zeeyisscherij wordt geen werk gemaakt. 

Alleen wordt drak in 't meer gevischt^ lietzij met kleine 
werpnetten, hetzij door gebruik te maken van den bedwel- 
menden wortel of de bast van millettia sericea. 

Als tak van industrie moet in de eerste plaats genoemd 
worden de zoutbereiding, die aan de stranden uier geheel op 
dezelfde wijze plaats vindt als in het rijkje Saoesoe. Aange- 
zien wij de bewerking evenwel bij de behandeling van dat 
rijkje uitvoerig beschrijven, zoo behoeft zulks thans hier niet 
te geschieden. 

In het smeden van wapenen, lanspunten en kicwangszijn 
de alfoeren van Posso zeer bedreven, en hunne wapenen hebben 
eene zekere vermaardheid in de geheele Tominibocht. 

De grondstof wordt, zooals buven reeds is aangestipt, in den 
Aorm van ijzerglans en bruinijzersteen, in groote hoeveelheid 
aan 't meer gevonden. Toch schijnt de kunst, om de ijzer- 
ertsen te verwerken, slechts aan enkele bepaalde families 
bekend te zijn. 

Voor zoover kon worden nagegaan, worden de ertsen aan 
stukken gestooten ter grootte van een kippenei, waarna 
men die stukken verwijdert, welke op het oog veel vreemde 
stoffen en weinig ijzererts bevatten. Zij worden daarna op 
hoepen geroost; waardoor reeds schadelijke bestauddeelen 
als zwavel en arscnik ontwijken. Daarna worden ze onder 
ri)kelijkcn toevoer van lucht, die door primitieve, doch prak- 
tische blaasbalgen toestroomt, boven hontvuren uitgesmolten. 
Om de koolstof aan het ijzer te onttrekken, wordt eene me- 
thode gevolgd, die met het verouderde „frisschen'' overeen- 
komt, en het zoodoende tot smeedijzer omgezet. 

Steeds worden de hardste houtsoorten als ijzerhout en eb- 
benhout voor brandstof bij de ijzerberciding gebezigd, 't fs 
verwonderlijk, hoe deze lieden, alleen door de ondervinding 
geleid, zonder hoogovens of andere middelen, die de weten- 
schap aan de hand doet, nog zulke waarlijk goede wape- 
nen weten te vervaardigen. 

Een andere tak van nijverheid, die op groote schaal ge- 



28 

dreven wordt, is de bereiding van geklopte boombast of foeja. 
De boom, waarvan deze stot verkregen wordt, is de Brousso- 
netia papyrifera (Miq. ]^ 280) eene Artocarpeae soort. De 
Alifoer noemt hem oemajo. Men ontdoet jonge stammen ot 
takken van de schors en bereidt de vezelstof van de daar- 
binnen liggende bast. 

Nadat deze bast eenige dagen in water geweekt is, wordt . 
zij op een stuk hard hout gelegd en dan met steenen en 
hamertjes altijddoor geklopt, hetgeen door de vrouwen steeds 
buiten de kampong geschiedt Deze hamertjes, ikek geheeten. 
bestaan uit een vierkant stuk harden steen, waarin groeven 
zijn gemaakt, en die omsloten wordt door een band van 
rotan, door de veerkracht waarvan de hamer een goeden 
slag verkrijgt. Zij hebben nu verschillende van deze ha- 
mertjes met meer of minder fijne groeven, die opvolgend 
worden gebruikt, totdat eindelijk de bast zoo dun en 
fijn geworden is als chineesch papier. In de taal der al- 
foeren wordt deze stof inodo genoemd. Niettegenstaande de 
stukken bast, die gebezigd worden^ niet groot zijn, weten 
zij toch aan de lappen toeja eene groote oppervlakte te ge* 
ven door telkens de uiteinden aaneen te kloppen. Later 
wordt de bereide foeja nog met een penseel van bamboe 
beschilderd en is dan voor het gebruik gereed, 't Schijnt 
dezelfde stof te zijn als het tapa van Polynesië, hoewel het 
daar eenigszins ruwer bereid wordt. 

Aan de inzameling van boschprodukten wordt nog weinig 
gedaan; de rotan, die er gevonden wordt, is van zeer in 
ferieure kwaliteit. 

Was wordt tot eene hoeveelheid van 120 pilLols 'sjaarti 
uitgevoerd. 

Zwarte suiker wordt veel uit sagoeweer bereid, doch alleen 
voor eigen gebruik l)6Stemd. 

IV. INRICHTING VAN HET BE8TUUK. 

De groote alfoersche stam Tolage, die het landschap Posso 



29 

bewoont, is weder in verscheidene onderdeelen of families 
te splitsen, welke bestuurd worden door hoofden, kaboesena 
gefaeeten. 

Deze kaboesena's hebben allen verscheidene kampongs 
onder zich. Tot voor weinige jaren oefende zekere kaboesena 
genaamd Taroa, over al de anderen snprematie uit. Hij 
stierf ongeveer 6 jaren geleden, doch zorgde bij %ijn leven ^ 
dat alle andere stamhoofden aan hem door aanbuwelijking 
verwant raakten, of hij wist zijne bloedverwanten door de 
verschillende familiën tot hoofd te doen verkiezen, zoodat nu 
alle kaboesena min of meer aan hem verwant zijn. Zekere 
Garoeda, een neef van kaboesena Taroa, is hem opgevolgd 
en Yoert bestuur over de kampongs Tabongan, Saiwose, To 
masa, Makoepa en Toragi I. Deze zijn de meest noordelijk 
gelegen kampongs Van het vroeger aan het strand gelegene 
Loemboegian en van Pototrod, dat de residentie was van 
kaboesena Taroa. h niets meer over, deze dorpen zijn door 
de Tonapoers verwoest en gedeeltelijk uitgemoord 

Garoeda zelf houdt zich meest te Tabongan en te Saiwose 
op, terwijl zijne moeder Karebo (eene zuster van wijlen Taroa) 
in de kampongs Tomasa, Makoepa en Toragi toezicht houdt 

Meer oostwaarts en niet aan de rivier is het gebied van 
kaboesena Bengka (een neet van Garoeda) gelegen, bestaande 
oit de kampongs Bomba, Peloeboe, Taudobiaga, Tamoenggoe, 
Langadopi, Saladjaja^ Petiiotodjo, Kasimoend)oe. Bembodja, 
Wana, Seroroboe. Perabajoetoe, Wawongtolo en Pakanbo- 
hoenga. 

Aan 't gebied van Bengka grenst westwaarts dat van ka- 
boesena Oelek. hetwelk bestaat uit de kampongs Teoemba, 
Bagoe, Lianggi, Pa'alinga'a, Lebauo en Kandoedoe. 

Zuidelijker dan het bovengenoemde Tomasa liggen de kam- 
pongs Tobanggo, Taliboi, Ijanginetoa, Mangojoh, Pendek- 
boelawa, Kawadi en Nalinggoelangi, waarover kaboesena Boe- 
ogesawah gezag uitoefent 

Een andere broeder van Garoeda, genaamd kaboesena Tar 
moenkoendjoe. voert bestuur over de nog hooger de rivier op 



30 

gelegen k&nripongs Bowaloe; Bandoa, Towinggoe, Lepati, 
EaradjO; Taboloe, Peladija en Toragi II. 

Kog zaidelijker liggen de kampongs Poka, Batoenantjoe, 
Boembilo en Tanono, waarover kaboesena Teiindeh gezag voert. 

Het diebtst aan het meer d. w, z. aan de noordoostzijde 
ervan, zijn gelegen de kampongs van kaboesena Telaiagi ge- 
naamd Pomboela, Kaloekoe, Djora en Tinoë. 

Over 't algemeen beersebt er evenwel uiterst weinig sta- 
biliteit in de namen der verscbillende kampongs en veran- 
deren de verschillende familiën onophoudelijk van woon- 
plaats. 

Herhaaldelijk komt het voor, dat van kampongs, die eenige 
areo geleden bestonden, thans niets meer te vinden is en 
er sedert weder nieuwe zijn bijgekomen. Het uitbreken van 
ziekte, de wisselbouw en vijandelijke overvallen en stroop- 
ochten zijn de voornaamste oorzaken van dit been en we- 
deriiekken der bevolking. 

In het VII Deel, No. 5, van het Tijdschrift van het Aard- 
rijkskundig Genootschap, Januari 18^4, worden o. a. op 
blz. 153 en 154 geheel andere namen opgegeven, waarvan 
ik er slechts enkelen en dan nog zeer verbasterd heb kunnen 
terugvinden. 

De kaboesena's, die hunne betrekking in den regel bij erfop^ 
volging bekleeden. terwijl ook vrouwen tot deze waardigheid 
kunnen geroepen worden, hebben evenwel geen onbeperkte 
macht, daar alle publieke aangelegenheden coram populo in 
het raadhuis besproken worden, en dan ook de oudsten der 
vrije huisgezinnen, lomadago geheeten, mede beraadslagen. ^) 

In bet gebied van iederen kaboesena zijn een oi meer oude 
vrouwen, die nooit gehuwd mogen geweest zijn, en die als 
wichelaarsters dienst doen. 

Aan voorteekenen toch wordt evenveel gewicht gehecht. 



^y ])e verdeeling der itandea door den heer Ktedsl gemaakt is min der jaist. 
Onder ingkoi worden verstaan de üudaten der rrfaiaven of baiora, die Datuiirlijk 
nieta in te brens'en Lebben, liet volk, de «gewone vrije lïei n, wurden met den 
naam iaoeiondo a«ngcaui«i, van wie de oud«tcn ioMüdago heeten. 



tl 

als aan de divinatie (augnria en extispicia) in 't onde Rome. 
Bij opiianden zijnde snel tochten en ook bij 't regelen van 
de tijden van planten en oogsten, raadplegen zij de vlacht 
of het geschreeuw der vogels, de lever en het hart van ge- 
slachte varkens en kippen enz. 

Zoo ook ifjrordt haar hulp bij ziekten als medium inge- 
roepen en wordt dan door ,,shamanisme'' de aard der ziekte 
bepaald en het geneesmiddel opgespoord. Deze vrouwen, 
ladoenja gebeeten, worden evenals de kaboesena door de be- 
volking onderhouden d. w. z. dat hare padi velden door de 
bevolking bewerkt worden en zij bovendien op onbepaalde 
tijden van hen, die hare hulp noodig hebben^ geschenken 
ontvangen in padi, djagong, kippen, klappers, enz. 

De kaboesena's hebben recht op één dag arbeid 's jaars van 
ieder werkbaar man voor de bewerking hunner tuinen en 
genieten 50 bos (sentjoö) ') padi van ieder huisgezin en overi- 
gens l/IO van de geoogste veldvruchten djagong, klappers 
enz. en van heUbereide zout^ geklopte boomschors, foeja, zooveel 
als noodig, en 1/4 gedeelte van ieder geslacht varken. 

In den krijg spelen de voorvechters of tadoelakO; die uit 
de dappersten gekozen worden, de groote rol Die reeds de 
meeste koppen heelt gesneld komt voor deze betrekking in 
aanmerking. Zij alleen hebben het recht koperen helmen 
van horens voorzien op het hoofd te dragen. 

V. INRICHTING VAN HET RECHTSWEZEN. 

De rechtspraak berust geheel en al in handen van de 
koeboesena s en de hoofden der vrije huisgezinnen, tomadago 
geheeten. Deze spreken evenwel geen recht naar hunne 
eigen inzichten, doch zijn bij ieder voorkomend geval aan 
de regelen gebonden, die de oude volksgebruiken voorschrijven. 

Geschreven wetten, zuoals de oendang oendang in' Maleiscbe 
landen of bepaalde wetboeken, zooals het Handels- en Scheeps- 
wetboek der Wadjoreezen, bestaan evenwel niet en dit kan 

o 80 tentjuös 1 pikol. ' 






82 

bi) een volk, dat geeu eigen letterschrift bezit, ook geen ver 
wondering baren. Alles berust op traditie en wat als adat 
van vader op zoon overgaat. 

In criminalibus gelden in hoofdzaak de volgende regelen, 
bijna allen op compensatie van het misdrijf gebaseerd. 

Moord of doodslag van een stamgenoot wordt gestraft door 
bloedwraak op den dader of een zijner familieleden. Sluip- 
moord op leden van een anderen stam, gepaard met kop- 
pensnellen, wordt evenwel als een verdienstelijk werk 
beschouwd; dat in enkele, gevallen, zooals bij den dood 
van hoofden, bepaaldelijk door de oude adat woidt vooige- 
schreven. 

De doodslag van een slaaf door den eigenaar is geoorloofd: 
doodt men dien van een ander, dan moet men er twee voor 
in de plaats geven. 

Verwonding wordt met boete gestraft, die uit eenige per 
kara's (zooals het heet) bestaat. Men spreekt hier van 
eene boete van 2. 3, 5 oi 7 perkara's. Primitief schijnen 
de boeten uit '.\ 3. 5 of 7 karbouwen bestaan te hebben, 
doch later is het gebruik in zwang gekomen^ om slechts een 
karbouw te betalen en voor iederen karbouw, iets anders in 
de plaats te geven bijv: een sarong, een hoofddoek, een lin- 
nen broek, een chitsen baadje of iets dergelijks. 

Alleen bij overspel waarop bij gelijken stand der over- 
spelers een boete van 7 perkara's is gesteld, moeten steeds 
twee stuks karbouwen ouder de goederen worden aangetrofifen. 

Ëen slaaf, die overspel bedrijft met eene vrouw uit den 
stand der kaboesena wordt evenwel onvoorwaardelijk gedood. 

Bij diefstal geldt als regeK dat de waarde van 't gestolene 
moet worden vergoed en bovendien boete moet worden be- 
taald, ten minste als de dader 't feit bekent. Bij ontkentenis 
moet de dader^ als de zaak toch bewezen wordt, twee maal 
de waarde van 't gestolene vergoeden. Het ontvreemden 
van wapenen wordt als de zwaarste diefstal aangemerkt, dan 
volgt veediefstal. Beide misdryven worden bij ontdekking 
op beeterdaad wel eens met den dood geboet In 't alge- 



33 

meen komt diefstal zeer zelden voor, ja is bijna onbekend, 
en er heerscbt groote yeiligbeid wat de goederen betreft. 

Zelfs als een alfoer eene verloren zaak vindt, rust hij niet 
voor hij 't voorwerp aan den rechtmatigen eigenaar heeft 
temg bezorgd. 

Het toevoegen van scheldwoorden of beleedigende uitdruk- 
kingen wordt als moord gestraft; de wetten zijn dus op 
dit stuk zeer streng. 

Ook hier zijn bij ontkentenis ordaliën in zwang, vooral 
het ook elders gebruikelijke duiken. Twee lange palen wor- 
den in den bodem van het meer gestoken, en langs deze 
palen dniken partijen onder. Wie het langst onder blijft, 
wint zijne zaak. 

Cok in criminalibus kan men van partijen spreken, daar 
de beleedigde persoon steeds partij in 't geding is. Onze 
opvatting, dat 't openbaar ministerie aanklager is, en de 
beleedigde partij eerste getuige in de zaak wordt, is een 
begrip, dat geheel en al indruischt tegen 't rechtsgevoel van 
bijna alle Indische volken en wat dan ook bij de alifoeroe 
van Posso nog geen ingang gevonden heeft. 

Op toovenaars, hier topeoelo genaamd, wordt hetzelfde 
godsgericht toegepast als wij in de nota omtrent Todjo be- 
schreven hebben. 

Overspelers moeten zich bij ontkentenis eveneens aan een 
ordalium onderwerpen. Zij worden met een smal schild ge- 
wapend en dan wordt een bepaald aantal pieken van bam- 
boe naar hen geworpen. Gelukt het hun deze pieken met 
het schild af te weren, zonder dat zij gekwetst raken, dan 
is faun onschuld bewezen. 

Tot zoover mijne inlichtingen wat de crimineele rechtspraak 
betreft. 

Wat het civiele recht aangaat zijn mijne informatiën min- 
der volledig. 

Op den voorgrond kan evenwel gesteld worden, dat on- 
der eene bevolking, die nog geheel in hare kindschheid is, 
die nog bijna geen handel met daaruit voortvloeiende trans- 

TgdKhr. lod. T. L. en Vk., de«l XXXV. t. 



34 

actiën kent en waar iedereen als het ware zelf zorgt roor 
en terraardigt wat hij noodig heeft, ook zeer weinig eif iele 
kwestiën zullen voorkomen. 

En dit is dan ook feitelijk het geral bij de alifoeroe ran 
P0880. 

Wat nog wel eens voorkomt, is dat zij zich in schulden 
steken, hetzij om de braidschat bij huwelijk te kunnen be- 
talen, hetzij om de gelden bijeen te brengen, die noodig 
zijn tot het vieren van doodenleesten. 

In verband hiermede heerscht ook hier het pandelingstelsel 
d. w. z. dat de schuldenaar, als hij binnen den bepaalden 
tyd de schuld niet kan afdoen, met zijn lijf borg blijft roor 
de aangegane schuld. 

VI. HISTORISCH OVERZICHT. 

Bij de bevolking zelve is omtrent de geschiedenis van dit 
landschap al zeer weinig bekend. Alles bepaalt zich tot 
duistere legenden, hoe bijv. gedurende den strijd tusschen den 
goeden en boozen geest, waardoor de aarde schudde en beefde 
het meer van Posso zou zijn ontstaan, een sage, die mede op 
den vulkanischen oorsprong van dien waterplas wijst. Ver- 
der zijn mythische verhalen in omloop omtrent den oorsprong 
der bewoners, die deels uit rotansoorten, deels uit dieren, zou- 
den zijn ontstaan, verbalen, die voor de wetenschap alleen 
belangrijk zijn, omdat zij de algemeenheid van 't geloof aan 
dergelijke atstamming nader bevestigen, daar men het bijna 
bij alle primitieve volken terugvindt. 

Zooals in de toelichtende nota omtrent Todjo is medegedeeld, 
vermelden de kronijken van het rijk van Gorontalo, dat in 
de 14d« eeuw eene vorstin van Limbotto de landstreek van 
af Tandjong Api tot Saoesoe zou hebben onderworpen. Vol* 
gens dit bericht zou dus ook Posso tot de onderworpen land- 
streek hebben behoord. Feitelijk heeft deze verovering zich 
evenwel slechts bepaald tot het brandschatten van die enkele 
niets beteekenende gehuchten of tydelijke vestingen jroor de 



■ 



35 

lovtberaidiiig, die aan het zeeatrand gelegen zgn. In de 
binnenlanden waagde zich niemand. 

Zoo ook hadden de zoogenaamde veroveringen in later 
tgd, waarop het rijk van Parigi zich zooveel laat voorstaan, 
zoo zdfs dat dit rijkje wel eens beweerd heeft, dat het zieh 
oostwaarts zon uitstrekken tot Malee (de westelijke grens van 
Todjo) in werkelijkheid weinig te beteekenen. 

Wel is waar rustte Parigi herhaaldelijk strooptochten uit 
naar het landschap Posso en brandschatte dan de aan het strand 
gelegen gehuchten, doch tot eene volkomen onderwerping 
Tan de in het binnenland wonende alfoersche stammen is 
bet nooit gekomen, en Parigi kan er zich evenmin alsLim- 
botto op beroemen deze vrijheid lievende volkeren inderdaad 
ten onder te hebben gebracht. 

De laatste poging daartoe vond plaats in 1868, toen Parigi 
zich, evenwel met even weinig succes als vroeger, trachtte 
te mengen in den strijd, die ontbrand was tusschen eenige 
alfoersche stammen rond het meer van Posso. 

Ook het rijk van Loewoe heeft in den loop der tijden her- 
haaldelijk getracht, steunende op onderlinge stamverwantschap, 
de alfoeroe van Posso ten onder te brengen of zich met de 
huishoudelijke belangen van dit landschap te bemoeien, doch 
ook deze veroveringsplannen hebben steeds schipbreuk gele- 
den op den hardnekkigen vrijheidszin dezer bergvolken. 

De O. I. compagnie, noch later 't Nederlandsch-Indische 
Gouvernement, heeft zich ooit met de aangelegenheden van 
dit landschap ingelaten, grootendeels, omdat de alfoeren van 
Posso (over één kam geschoren met de andere oorlogzuchtige 
stammen, die aan de west- en zuidzijde van het meer wonen, 
Tokolabi, Tonapo, Tobada, enz.) in den regel als woeste en 
wreede koppensnellers werden afgeschilderd, en men zich dus 
niet in 't binnenland waagde. 

Zoover bekend is, heeft alleen in vroegere jaren Jhb. J. C. 
W. D. A. YiLV DER WiJCK, gcwezcn Resident van Menado, 
toenmaals nog ambtenaar ter beschikking, ik meen in 1864, 
tel bet meer weten door te dringen. Daardoor werd bewezen 



36 

dat een dergelijke tocht, uit een oogpunt van persoonlijk 
geraar, betrekkelijk weinig te beteekenen beeft, en men den 
Tolage stam, die Posso bewoont, veeleer als vredelievend en 
goedaardig dan als ruw en woest moet afscliilderen. Ten 
minste genoemden ambtenaar geschiedde niet het minste leed, 
en hij kon veilig overal gaan, waar hij wilde. 

Alleen waren aan deze reis groote lichamelijke vermoeie* 
nissen en ontberingen verbonden. Zeer te bejammeren is het 
evenwel, dat van dien tocht niets is opgeteekend of althans 
de aanteekeningen daaromtrent verloren zijn geraakt, zoodat 
dezo ontdekkingsexpedilie voor de wetenschap geen nut heeft 
opgeleverd. 



I. GRONDGEBIED EN GKOGRAPHISCHE 

BESCHRIJVING. 

Het kleinste rijkje in de Totninibocht is ongetwijfeld dat 
van Saoesoe. Het is gelegen in het zuidwestelijkste gedeelte 
Tan de bocht van Tomini tusscben Parigi en Posso en heeft 
een geringe kustlengte, die niet veel meer dan 3 & 4 geogra- 
phische mijlen bedragen zal. 

Ten noorden wordt de kustlijn begrenst door een strook 
strand, aangeduid met den naam van Patel Kokowo, even 
bezniden den hoek van Pandeiisa^ niet ver verwijderd van 
Tobinoto, de laatste en zuidelijkste kampong van het eigen- 
lijke rijk van Parigi. 

Ten zuiden strekt het rijkje zich uit tot den hoek Batoe 
Mainko. 

Ten oosten wordt het door de zee bepaald, terwijl de kam 
der booge bergen van centraal Gelebes in 't westen de grens 
uitmaakt. 

Langs de kust is eene breede grens grootendeels vlak land, 
slechts hier en daar min oi meer heuvelachtig. Ongetwijfeld 
is Saocboe het laagste gedeelte der Totninibocht. 

He wordt doorsneden door verscheidene riviertjes, waarvan 
de noordelijkste, die bij den hoek van Saoesoe in zee valt, 
vrij breed en bij hoog water bevaarbaar is, terwijl eene an- 
dere, iets minder breed, zich een weinig zuidelijker in zee 
ontlast. De stranden zijn over 't algemeen vrij moerassig en 
dicht met sagoe bezet 

Hoogst zelden vindt men in rapporten van reizen in de 
ToBünibocht den naam van Saoesoe vermeld, en is dit wel 



38 

het geval, dan toch ook niet meer dan de bloote yermelding 
▼an den naam, zonder eenige geograpbische^ etbnographieehe 
of itatistische bijzonderheid. Misschien is de reden hierran 
te zoeken in bet feit; dat Saoeeoe voor etoomacbepen zeer 
moeielijk, roor zeilschepen bijna niet te naderen is. Twee 
4 drie Engelsche mijlen uit den wal ligt namelijk eene dichte 
rg koraalriffen, zoodat men eene geul moet volgen tusschen 
deze riffen en de ondiepte van den wal, hetgeen alleen met 
een zeer goeden loods mogelijk is. Toch levert Saoeeoe goede 
ankerplaatsen op. Vooreerst kan men achter den hoek van 
Saoesoe in den westmoesson veilig liggen, en bovendien is 
er eene kleine baai, die van Tamboe, waar men zoowel in 
den oost* als in den westmoesson op geringen afstand vao 
den wal in 18 vadem ankeren kan. 

Deze baai is ongetwijfeld de beste van de geheele Tomi- 
niboeht. 

De tirade voorkomende in het Koloniaal verslag van 1879 
(reisrapport van den kontroleur Derx) ,,van hier (Parigi) werd 
door gestoomd naar Pose, omdat het tusschenliggende Sa- 
oesoe geen geschikte ankerplaats aanbood", mist dus allen 
grond. 

Er zijn slechts zeer weinig eigenljjke kampongs in het 
rijk van Saoesoe en geen enkele ligt aan het strand. Wel 
vindt men aan de stranden kleine tijdelijke vestigingen voor 
de zoutbereiding uit 2 i 3 huizen bestaande, waarvan Tam> 
boe, Popali en Tambarana Mawaoe de voornaamste zijn, 
doch de eigenlgke kampongs liggen allen meer binnen- 
lands. 

De residentie is tegenwoordig Watoenondjoe, gelegen 3 
palen landwaarts, noordwest van de zoo even genoemde baai 
van Tamboe. De plaats bestaat uit 30 huizen en even zoo- 
vele rijstschuren. 

De tweeile hoofdkampong is Malamsampoea, gelegen on- 
geveer een paal van de monding der Saoesoerivier met on> 
geveer 20 huizen en rijstschuren. 

De derde plaats van eenige beteekenis is Tambarana, me- 



39 

de biiiiieiilaiidf gelegen, een paar palen westwaarts ron het 
100 even genoemde gebucbtje Tambarana Mawaoe, dat aan 
hel strand gelegen is. Veel meer dan 15 buizen telt dit plaatsje 
erenwel niet. Van meer beteekenis is bet meest zuidelijk 
gelegen Mopane, geheel door vreemdeiingen^ Gorontalee- 
zeOy Parigiërs, Todjoërs^ doch vooral door Boegineezen, be- 
woond. 

Hoewel het gelegen is op bet grondgebied van Saoesoe, 
staat het geheel onder den invloed van Sigi en laten de hoof- 
den van Saoesoe zich er niet mede in (vide hetgeen onder 
VI „Historisch overzicht'' omtrent den invloed van Sigi staat 
aaogeteekend). 

Van vroegere kampongs als Tomatontjoe, dat de woon- 
plaats van den vori^en vorst was, en noordelijker dan Ma- 
lamsam|)oea was gelegen, Pejareb en Lokabatoe is niets meer 
over, en de bevolking beett zich voornamelijk in de boven- 
genoemde twee hoofdnegorijen geconcentreerd. 

Deze concentratie was in den laatsten tijd noodig, omdat 
de bevolking beducht is voor invallen van de alfoeren van 
Tonapo, die zich westwaarts van 't meer van Posso ophouden 
en beruchte koppensnellers zijn. Meer dan anders bestond 
er reden om voor hen bevreesd te zijn, omdat, ten gevolge 
van den dood van een hunner hoofden, ze koppen noodig 
hadden voor de begrafenis, en te dien einde op alle omrin- 
gende stammen loerden. 

In December 1888 waren dan ook zoowel Watoenondjoe 
als Malamsarapoea op de gewone in de bocht gebruikelyke 
wgze versterkt en voorzien van zware bouten palisadeeringen, 
waarin aan de voor- en achterzijde dubbele houten valdeuren 
zgn aangebracht. Scherp aangepunte bamboe toeë staken 
overal door de palisadeering heen. 

De huizen zijn meestal ruw, van onbekapt hout, hoog op 
palen gebouwd, geheel naar alfoerscben bouwtrant. De reden, 
dat aan de huizen in de kampongs zoo weinig zorg besteed 
wordt, ligt in het feit, dat zi) de kampongs meer als plaat- 



40 

■en Tan vereeniging en retraite Id tijden van gevaar beschon- 
weO; dan wel als raste woonplaatsen. 

In den regel honden zij zich in hunne tuinhnisjes in de 
ladangs en tninen op. 

Ook aan deze kan niet te veel zorg besteed worden, omdat 
zij herhaaldelijk verhuizen moeten, als de grond, in verband 
met banne wijze van veldarbeid, weder is uitgeput en een 
andere plek moet worden opgezocht. 

Van aangelegde wegen geen spoor, smalle voetpaden leiden 
van de kampongs naar het strand. 

II. BEVOLKINGSCIJFER. 

De bevolking van het rijk Saoesoe wordt gezegd den Mo- 
hammedaanschen godsdienst te belijden. Evenwel zijn de hei- 
densche alfoersche gebruiken er nog niet geheel vergeten. 
Van Mohammedaansch fanatisme is dan ook geen spoor te 
vinden. Men eet er eenvoudig geen varkensvleesch en is niet 
weinig trotsch op dit verschil met de omwonende bevolkingen, 
die met minachting „kafirs'' worden genoemd. In geen van 
de twee genoemde hoofdkampongs is zelfs een moskee of een 
openbaar bedehuis te vinden. Alfoeren zijn er in 'trijkje 
Saoesoe niet. De geheele bevolking van dat rijk wordt door 
de hoofden opgegeven niet veel meer dan 1250 zielen te be- 
dragen, welk cijfer, aldus verkregen is 

Watoenondjoe 30 huizen 90 huisgezinnen of 450 zielen. 

Malamsampoea 25 ^ 75 „ „ 365 „ 

Tambarana 15 „ 45 „ „ 225 „ 



1050 zielen. 

Rekent men nu nog 200 zielen, die in de gehuchten Tam- 
boe, Popali en Tambarana Mawaoe langs het strand verspreid 
wonen, dan komt men tot bovengenoemd cijfer van 1250 zielen. 

Het vroeger genoemde Mopane zal een 400 zielen tellen. 

De bevolking van Saoesoe is van een zeer goedaardig en 
vreedzaam karakter, hetgeen reeds in de zeventiende eeuw 



41 

aan Padtbbügos bekend was, die io zijne memorie ran over- 
gave aanteekende : „dat do menschen van Saoesoe van goeden 
inborst^ vreedzaam en eendrachtig waren/' 

m. MIDDELEN VAN BESTAAN. 

De middelen van bestaan beperken zich bier bijna nit- 
alaitend tot den landbouw, d. w. z. tot den teelt van rijst 
en djagong. 

De grond in deze streken is uiterst vruchtbaar en een 130 — 
voudige opbrengst van padi en miloe is zeer gewoon. 

Ook mislukken de oogsten slechts* zeiden, zelfs niet bij 
langdurige droogte, omdat de veelvuldige beekjes, die het 
land besproeien, genoeg vochtigheid aanbrengen. Slechts 
hoogst zelden behoeft de bevolking dus, bij gebrek aan an. 
dere voedingsmiddelen, haar toevlucht te nemen tot den over- 
vloed van sagoeboomen, die langs de stranden worden 
gevonden. 

De teelt van padi wordt alleen op drooge velden, ladangs, 
gedreven. Sawah's worden nergens aangelegd. Van andere 
kaltnres wordt geen werk gemaakt. Hoewel karbouwen er 
in groote menigte voorkomen, worden deze er toch niet voor 
den landbouw gebezigd, en komt de gedachte bij de inlan- 
ders niet op, dat deze ook voor ploegvee te gebruiken zijn. 
Van doelmatige grondbewerking is dan ook geen sprake, en 
ploeg of egge is onbekend. De grond wordt eenvoudig met 
zeer primitieve patjols, of liever met stokken van een ijveren 
schoen voorzien, omgewoeld, en er verder geen arbeid aan 
ten koste gelegd. 

Is de grond uitgeput, dan wordt geen diepere bewerking 
of bemesting beproefd, doch eenvoudig een andere plek op- 
gezocht. 

Zooals boven gezegd is komen karbouwen, en wel van 
bijzondere grootte, er in menigte voor, en er zijn meer kar- 
bouwen dan menschen in Saoesoe. Overigens bestaat de 
veestapel er uit paarden en geiten, terwijl runderen er niet 



4S 

gevonden worden. Hoewel boachprodnkten als gomkopali 
rotan en was er yeelrnldig roorkomen, wordt aan de inza- 
meling niets gedaan of liever wordt dit door de vorstin 
tegengegaan, nit vrees, en niet geheel zonder grond, dat de 
landbouw er door verwaarloosd zal worden. Waren er al- 
foeren in Saoesoe, men zon de inzameling van boschproduk- 
ten aan ben overlaten, doch alfoersche stammen zyn er, zoo- 
als boven reeds is aangeteekend, in dit rijkje niet. 

Vreemde handelaren, Arabieren en Chineezen, worden angst- 
vallig geweerd, opdat dezen de bevolking niet door 't voor- 
spiegelen van tijdelijke voordeelen zonden verlokken bosch- 
prodnkten te gaan zoeken. Wel worden andere bochtbewoners, 
als Parigiërs en Tacyoërs, er ten handel toegelaten, die er 
komen, de eersten om er zont te halen, de laatsten om er 
behalve dit artikel ook karbouwen en padi intekoopen. In 
mil worden er dan sarongs aangebracht, te Parigi of te To4io 
vervaardigd, want in de knnst Tan weven zijn de vrouwen 
van Saoesoe niet ervaren. Bij dezen handel, die geheel en 
al ruilhandel is, wordt evenwel Tan de zijde der hooiden een 
vaderlijk toezicht uitgeoefend. Er wordt streng opgelet, dat 
de inlander geen padi of miloe verkoopt, die hij zeil voor de 
behoeite van zich en zijn gezin of voor bibit voor den vol- 
genden oogst noodig heeft. Alleen het overtollige mag van 
de hand worden gezet. Wij zouden dit noemen, een wille- 
keurig ingrijpen in de individueele vrijheid van beweging, 
maar toch mag niet ontkend worden, dat dergelijke maatre* 
gelen geheel passen voor den graad van ontwikkeling van 
een nog geheel onmondig volk, dat niet denkt om den dag 
van morgen. Hongersnood behoort daardoor in 't rijk vao 
Saoesoe tot de onmogelijkheden. 

De voornaamste of liever de eenige tak van nijverheid in 
Saoesoe is de zoutbereiding, die hier op vrij groote sehaalin 
de reeds genoemde strandgebnchten plaats vindt. 

De bereiding gesehiedt op de Tolgende wijze. 

In den grond worden vrij diepe langwerpige geulen gegra- 



43 

JtB, wmarin groote hoütvnren worden aangelegd. Onophon- 
deiyk wordt dit brandende bout met zeewater overgoten. 

Waaneer bet gebeel tot ascb verteerd is, en de ruren uit- 
gebrand zijn, wordt deze ascb wederom met zeewater uitge- 
trokken, en de aldus verkregen loog, na gefiltreerd te zijn, in 
lange stokken boomscbors of ook wel in bamboe verdampt. 

Aldns worden lange half cylindervormige stukken zout ver- 
kregen, dat evenwel onzuiver en sterk met kalizouten ver- 
ontreinigd is. 

De inlander schijnt dit zout evenwel bij voorkeur te ge- 
bmiken en bet is zelfs duurder dan bet te Gorontalo in den 
handel aangeboden meer zuivere zont 

Zeide ik boven reeds dat de vrouwen van Saoesoe niet 
ervaren waren in de kunst van weven, des te meer werk 
wordt hier gemaakt van de bereiding van ioeja, geklopte 
boomsebors, dat dan ook voornamelijk de kleeding der vrouwen 
uitmaakt. ' 

De mannen dragen in den regel reeds korte broeken naar 
Boegineeseb model, doch de vrouwen behelpen zieb naar al- 
foerscbe wijze nog bijna geheel met foeja. Zij dragen er 
breede sarongs van, waarvan zij de uiteinden aaneen weten 
te kloppen, zoodat geen naad meer te zien is. Zij beschil- 
deren deze sarongs jnet allerlei fantastische figuren, zoodoen- 
de de gebatikte kains nabootsende. De kleuren, thans voor- 
namelijk van elders aangebrachte aniline kleuren, worden er 
met een penseel van bamboe opgebracht. 

Ook dragen zij baadjes van dezelfde stof, eveneens be- 
schilderd met roode of blauwe ringen, eene mutatie van de 
Enropeescbe chitsen. 

Hnn hoofddoeken, die zoowel door mannen als vrouwen 
gedragen worden, bewerken zij op dezelfde wijze. Zelfs op 
feesten tiet men vrouwen in foeja gedost. 

De baadjes zgn dan met eiwit bewerkt en zoo geglanst, 
dat de stof van verre er geheel als licht geele zijde uitziet 

Van de visehvangst wordt bijna geen werk gemaakt en 
hoewel de lee van viseb wemelt en deze op de 



44 

koraalrifien gemakkelijk zon zijn te vangen, wordt er toeh 
bijna niet geYi8cht. 

Visch maakt dan ook geen bestanddeel van de volksvoeding 
nit. Karbouwenvleesch is bet eenige proteïne houdende voedsel 
dat gdgeten wordt, zoowel versch als tot dendeng bereid. 

Zeevaarder is de bewoner van Saoesoe evenmin en hij 
blijft zich das steeds in zijn eigen nauwen kring bewegen. 
Alleen zeer kleine prauwtjes om langs de kust te varen weet 
hij te vervaardigen. 

IV. INRICHTING VAN HET BESTUUR. 

Het rijkje Saoesoe wordt bestuurd door eene vorstin Tasa- 
henta met den titel van Maradikavea. Zij woont in de kam- 
pong Watocnondjoe. Haar man geuaamd Rampabila, mede 
van vorstelijke afkomst en een neef van den vorigen Radja, 
heeft namens haar het eigenlijke bestuur in handen. Hij 
voert den titel van Radja Matoea en is dus zooveel als Prins 
Regent. De tweede persoon is de kaboesena, Dolopangi 
genaamd, een titel die met dien van djoegoegoe ot rijksbe- 
stierder overeenkomt. Verder is er een Hoekoemi, Bangkeh 
geheeten, die is te beschouwen als de rljksadvocaat. 

Overigens zijn er nog 3 orang toea's of kamponghoofden 
Iwoetoe, Samarinda en Karemoe. 

Wie er zich misschien è, priori over verwonderen zooveel 
waardigheidsbekleeders in zoo'n klein rijkje aan te treffen, 
bedenke dat het ook in de Gorontalo- rijkjes de gewoonte 
was er een ongeëvenredigd groot aantal hoofden op na te 
houden, 't Was er mede gesteld als met het leger in Chili 
dat meer generaals dan soldaten telt. 

Het is evenwel opmerkelijk, dat er in Saoesoe geen eigenlijk 
gezegde priesters, noch imam noch chatib gevonden worden, 
wat zeer zeker bewijst dat 't Mohammedanisme er nog niet 
diep wortel heeft geseboten. 

De inkomsten der vorstin bestaan uit 10 bossen ^) padi 

1) 80 bosMD itaan met eea pikol geiyk. 



45 

Tan ieder hniflgezin of gehuwd persoon en 5 bossen van 
lederen volwassen ongehuwden man. Ook van djagong en 
andere veldvrnehteny klappers, enz. moet 1/10 van den oogst 
aan de vorstin worden afgestaan. Zoo ook van het bereide 
zont en de vervaardigde foeja. Verder heeit zij het recht 
hare velden door hare onderboorigeu kosteloos te doen be- 
werken. Ook aan de mindere hooiden wordt dit recht toe- 
gekend. Bij feestelijke gelegenheden ontvangen de hoofden 
ook hier geschenken in slachtvee, veldvruchten, enz. 

V. INRICHTING VAN HET RECHTSWEZEN. 

Alle mogelijke geschillen in het rijk van Saoesoe, zoowel 
civiele als crimineele, worden beslist door eene rechtbank^ 
bestaande uit den Prins Regent, echtgenoot der vorstin, den 
kaboesena of rijksbestierder, en den hoekoemi of rijkbadvo- 
eaat. 

Slechts in hoogst enkele gewichtige zaken neemt de vor- 
stin zelve zitting. 

Het zal wel geeü betoog behoeven; dat men hier geen recht 
spreekt volgens de praecepten van den Islam, doch dat nog 
altijd de oude alloersche of polynesische adat aan de recht- 
spraak ten grondslag ligt. 

liet geheele strairecht is voornamelijk gebaseerd op een 
compensatiestelsel, waarin bijna alle misdrijven of vergrijpen 
door boeten kunnen worden goedgemaakt. 

Zoo vinden wij op overspel een boete gesteld van 200 rea- 
len, hetgeen 4 maal de koopprijs der vrouw bedraagt, die 
anders bij huwelijk betaald moet worden. Deze boete moet 
opgebracht worden, de heltt door den overspeler en de an- 
dere helft door de familie van de schuldige vrouw ten voor- 
deele van den beleedigden echtgeooot. 

Moord wordt met den dood gestraft, tenzij er eene geldige 
reden voor bestaat, als wanneer ook eene moordzaak met 
eene boete van 100 realen kan worden afgedaan. 

Zware verwonding wordt naar omstandigheden gestraft, het- 



46 

zij met den dood of met boete, hetgeen afhangt van de gra- 
riteit der verwonding. 

Bij diefstal wordt de dief zonder genade gedood, tenmin- 
ste wanneer de dief op beeterdaad betrapt wordt en de waarde 
van 't gestolene eenigzins belangrijk is, terwijl anders twee- 
maal de waarde als vergoeding wordt opgelegd. 

Over 't algemeen komen vergrijpen of misdrijven in Sa- 
oesoe uiterst zelden voor; diefstal behoort bijna tot de onbe- 
kende zaken, misschien meer een gevolg van de goede ge- 
aardheid der bevolking, dan wel een uitvloeisel van de dra- 
conische straf op dit misdrijf gesteld. Het volk van Saoesoe 
schijnt een uiterst rustig, vreedzaam en patriarchaal bestaan 
te leiden. 

Ook civiele kwestien worden zelden overgebraoht, grond- 
geschillen bijna nooit, daar er grond te over gevonden word- 
voor de zoo luttele bevolking, en men elkander bg de bet 
bouwing van gronden dus niet behoeft te verdringen. 

De eenige geschillen, die nog wel eens rijzen, zijn bisbilles 
over de verdeeling van erfenissen, die dan aan de beslissing 
der hoofden worden onderworpen, en waarvoor hun 1/10 van 
het bedrag der erfenis door de erfgenamen wordt uitgekeerd. 

Schuldkwestiën worden uitgemaakt door goederen vanden 
schuldenaar in garantie tot pand te geven. Zyn de schul- 
den aanzienlijk en bedragen die meer dan 50 realen (de 
waarde van een mensch, zooals het hier heet) wat in deze 
streken reeds een aanzienlijk bedrag vertegenwoordigt, dan 
geldt ook hier „qui non habet in aere luat in pelle'', en de 
schuldenaar wordt alsdan de pandeling van den crediteur, 
tenzij de familie, wat zij evenwel niet verplicht is, voor hem 
in de bres springt en betaalt. 

VI. HISTORISCH OVERZICHT. 

Uit een historisch oogpunt is van het rijkje Saoesoe al 
zeer weinig te zeggen, omdat men nooit in historische bron- 
nen den naam vindt genoemd, en zooals ik reeds onder 



47 

't hoofd yyOrondgebied" mededeelde^ ook in officieele stukken 
er slechts hoogst zelden van gewag gemaakt wordt. Wat de 
inlanders zelf ran vroegere tyden weten is zoo duister en 
rerward, dat er geen verband in te vinden is, en bestaat ge- 
heel en al uit sagen en legenden omtrent het ontstaan der 
eerste bewoners, sagen die wel is waar belangrijk zijn voor 
de bestudeering van hunne begrippen omtrent animisme en 
totemisme, doch voor de geschiedenis hoegenaamd geen waar- 
de hebben. 2k>oals reeds in de nota van toelichting op het 
met Todjo gesloten contract werd medegedeeld, heeft Saoe- 
soe nooit de suprematie erkend noch van Ternate, noch van 
een der'Oorontalorijken, maar is steeds als neutraal terrein 
aangemerkt. Ook de O. I. compagnie heeft er zich nimmer 
mede ingelaten, zoodat het in den volsten zin des woords 
onathankelijk gebleven is. 

Evenmin deden Mandhar, Goa of Boni, die in vroeger of 
later tijd al de rijkjes in de bocht van Tomini overheerschten^ 
ooit eenigen invloed op Saoesoe gelden. Saoesoe kwam wei- 
nig met vreemdelingen in aanraking en zocht steeds in isole- 
ment zijn kracht, en als een gevolg hiervan bestaan er dan 
ook nog oorspronkelijke, aarts vaderlijke toestanden, zooals 
wg die boven beschreven hebben. Evenwel blijft het een 
raadsel hoe Saoesoe steeds zijne onafhankelijkheid heeft kun- 
nen handhaven, daar het toch voor de hand lag dat zulk 
een rijk allicht eene gemakkelijke prooi zou worden voor 
den een of anderen machtigen nabuur. 

Primitief schijnen de bewoners van Saoesoe alioeren van 
de binnenlanden van Sigi, Palos en Towaëli geweest te zijn, 
die door den invloed der strandnegorijen aan de Palosbaai 
in naam den Islam hebben omhelsd, en toen langs den an- 
deren kant van het centraal gebergte zijn afgedaald en zich 
in Saoesoe gevestigd hebben. 

Nog altijd blijkt deze verwandschap met Sigi en Towaëli 
uit huwelijken door lieden van deze rijkjes onderling geslo- 
ten, en zoowel de vorstin als de kaboesena zijn door aan- 
httwelijkiDg verwant met Towaëli en Sigi. 



BESCHRIJVING 



VAN DB 



BOIiDIISTlSCilBOIlWWEIKEI 



TE 



DOOK 



LITERATUUR, 

C. DB Groot. Kota Tjaodi (Samatra's Westkust) met 

eeoe plaat. Tijdschrift voor iDdiscbe Taal-, 
Land- en VolkenkuDde. Deel IX 1860. 
blz. 531—533. 

G. DU Rut vak Beest Holle. BescbrijviDg van de Hin- 

doe-oadheden te Moeaia Takoes, XII kotta 
Kampar. Met eene plaat. Tijdschrift voor 
Indische Taal-, Land- en Volkenkunde. 
Deel XXV, 1879, blz. 217—220. 

R. D. M. Verbeek en E. Th. tan Delden. De Hindoe- 
ruinen bij Moeara Takoes aan de Kam- 
par-rivier, met aanteekeuingon van W. P. 
Groknkveldt. Met eene plaat. Verhan- 
delingen van het Bat. Genootschap. Deel 
XLI 1881. 

l. INLEIDING. 

Sedert hare ontdekking,, dertig jaren geleden, door den 



49 

Diijnin^cuieur G. de Groot, hebbeu de ondlieden van Moeara 
Takoes herhaaldelijk de aandacht van belangstcllendeQ ge- 
trokken. De bezwaren verbonden aan ccn reis naar en een 
verblijf in dit afgelegen oord zijn zeker oorzaak geweest, 
dat de wensch naar een nader onderzoek van deze bouw- 
werken in IHHi) door den Heer vV. P. Groeneveldt uit- 
gesproken, niet vroeger in vervulling is gekomen. Aan zijo 
herhaalde aansporing is het te wijten, dat schrijver dezes tot 
den tocht naar de Kam par besloot. 

Al zijn de verwachtingen vermeld aan liet slot van het 
opstel der Heeren Verbeek en van Delden omtrent de be- 
teekenis dezer ruïnes als bronnen voor de kennis der Boed- 
dhistische kloosters en tenipels niet verwezenlijkt, thans kan 
een uitgebreider en nauwkeuriger beschrijving van de oude 
vestiging aan den rechteroever der Kampar-kanan worden 
gegeven en de sluier die over de Tjandi's Toea en Boengsoe 
lag, worden opgeheven. 

Bij de opmetingen werd ik krachtdadig bij gestaan door 
den ingenieur Tii. A. F. Delprat en den opzichter H. L. 
Leijdie Melvïlle; de eerste belastte zich tevens met het 
vervaardigen der noodige photographiën ; terwijl onze tocht- 
genoot de controleur J. van Zon ons in alle opzichten, ook 
bij het onderzoek der oudheden, op de meest welwillende 
wijze beliul))zaam was. De ingespannen arbeid van deze 
heeren maakte het mogelijk in enkele dagen de voorgeno- 
men laak ten einde te brengen 



In het opstel van Dr. Verbeek wordt kort uiteengezet op 
welke wijze tien jaar geleden de reis van Pnjakoemboe naar 
Mocara Takoes werd gemaakt. Sedert dien tijd is door den 
aanleg van nieuwe rijpaden in de te volgen route cene kleine 
wijziging gekomen. 

Men gaat tegenwoordig van Pajakoemboe niet zooals vroe- 
ger over Locbocq I^impatoe door de trotbche kloof van Ilarau, 

TijiUclur. luU. T. L. en Vk., deel XXXV. 4. 



50 

maar slaat bij Sari Lamaq rechts at Daar hel niet minder 
Bchilderachtig dal der Ajer Poeti. 

Tot Loeboeq Bankoeang (paal 34 van Fort de Kook) doet 
men de reis per as^ maar van daar kan geen voertuig ge- 
bruikt worden. 

Bij Oeioe Ajer (paal 38) komt men op den ouden weg 
en dezen volgt men tot Kota baroe (paal 50), standplaats 
van den controleur. 

Terwijl vroeger slechts een hoogst moeilijk bergpad van 
Kota baroe naar Batoe Besoerat liep, is in den laatsten tijd 
een zeer moeilijk rij pad langs den linkeroever der Mahi aan- 
gelegd. Dit blijft tot Tandjocng Baliq in de onmiddelijke 
nabijheid der rivier, buigt zich dan meer landwaarts in (warme 
bron bij de Parandaman), raakt te Tandjoeng Paoeh de Mahi 
weder, om zich terstond op nieuw daarvan te verwijderen en 
dicht bij Moeara Mahi (paal 74) uit te komen op het oude 
pad langs de Eampar. 

Men kan dus naar verkiezing de reis van Kota Baroe 
tot Moeara Takoes (paal 90) te land of te water maken. 

Omtrent den tijd van het ontstaan der Hindoe nederzet- 
tingen langs de groote rivieren van Sumatra's Oostkust, zoo- 
mede omtrent den omvang en de macht der daar gestichte 
staatjes, verkeert men in het duii^ter. 

Hoogstwaarschijnlijk waren ze van weinig beteekenis, om- 
dat de handel door de gebrekkige gemeenscliapswegen slechts 
een zeer beperkte vlucht kon nemen en evenmin als thans 
groote winsten afwerpen. 

De overgebleven sporen van hun aanwezen aan de Boven 
Kampar zijn dan ook niet vele en nietig in vergelijking 
met die van Java. 

In het gebied der Kampai Kanan worden of werden op 
drie plaatsen restes van oude bouwwerken aangetroffen en 
wel benedenstrooms te beginnen te Baugkinang, te Moeara 
Takoes en te Doerian tinggi. 

Tjandi Bangkinang, gelegen in de onafhankelijke V Kota'S; 



61 

U Yolgens inlichtingen van verschillende personen, die de 
plaats bezochten, geheel door den stroom weggeschaard. Die 
van Doerian tinggi aan de Kapoer gadang kon niet bezocht 
worden, maar schijnt nader onderzoek te verdienen. 

Tot dezelfde groep kan gerekend worden de niet ver ver- 
wijderde ruïne te Batoe gadja aan de Tapoeng kiri; vol- 
gens inlandsche berichten weinig meer dan èen puinhoop 
van baksteen. 

De Heer tan Dbldrn heeft uit den mond des volks de 
overlevering opgeteekend omtrent den val van het rijk van 
Moeara Takoes. 

De teleurgestelde minnaar eener vorstendochter zou de 
Bataks te hulp geroepen en een inval dezer wilde horden 
den ondergang der kolonie veroorzaakt hebben. 

Bij die gelegenheid zouden ook de heiligdommen niet zijn 
gespaard. 

De Heer van Dklden verwijt den Bataks in het sloopen 
daarvan gedeeltelijk de hand te hebben gehad en zegt o. a. 
sprekende over Tjandi toea: „dat enkele nissen wellicht beel- 
den inhielden, want de overlevering gewaagt van een aan- 
tal steenen afgoden, die bij de verwoesting van Moeara 
Takoes verbrijzeld of in den stroom geworpen werden/' 

Ik geloof dat de Bataks of welke andere stam dan ook 
die de Hindoevestiging verwoestte, hier ten onrechte beschul- 
digd worden. 

Neen, het is niet noodig, dat beeldstormerij of woeste ver- 
nielzucht te hulp wordt geroepen, ter verklaring van den 
ontredderden toestand dezer bouwvallen. Wanneer honderde 
jaren onder den evenaar de tand des tijds zijn werk heeit 
kunnen doen, en er ia dan nog zooveel overgebleven als hier 
het geval is, dan moet met dankbaarheid worden vermeld, 
dat noch Bataks, noch Maleiers, zich belangrijk aan de schep- 
pingen van vroegere geslachten hebben vergrepen. 

Voorzeker de omstandigheden hebben tot behoud van deze 
zoo kwetsbare werken veel bijgebracht. Er wordt weinig 
of niets in de nabijheid gemetseld; alle gebouwen zijn uit 



52 

hout eD bladeren saineDgestcld ; men had dns geen steen- 
groeveo noodig. 

Op de Bataks moeten de toen nog ongeschonden monu- 
menten diepen indruk hebhen gemaakt. Is de ontruiming 
van Moeara Takoes aan hun zwaard te wijten, dan /al hier 
iets van denzeliden aard hebben plaats gehad, als Willkr 
omtrent de tempels van Fertibi mededeelt. Hij zegt dat 
de Bataks aan de Baroemoen rivier eenige ruïnes van ge- 
bakken steen aantroffen, waaromtrent bij niemand eenig naricht 
kon worden ingewonnen, zoodat zij ze voor tooverwerk ge- 
houden en haar nabijheid altijd geschuwd hebben. 

Thans nog zal geen Maleier de hand tot schending dezer 
heiligdommen uitstrekken ; * rustig staat boven iedere tjandi 
een stok met een daaraan gebonden wit vlaggetje, liet ken- 
merk der heilige plaats. 

Volgens de ovei levering was Moeara Takoes onder het 
bestuur van den laatsten vorst Kadja Bitjau zoo groot^ dat 
„een kat drie maanden achtereen van nok op nok had kun 
nen voort wandelen " 

Omtrent de waarde dezer oustcrëche beeldspraak kan men 
zich een nauwkeurig denkbeeld vormen door de beschouwiug 
der schets van Oud-Moeaia Takoes, vervaardigd door den 
ingenieur Th. Üelprat (plaat i lig. 1.) 

Uit die schets (schaal i : lOOüO) blijkt dat de kolonisten 
zich hebbeu nedergezet op den uitspringendcn oever bij een 
sterke bocht der Kami)ar en dat de oude stad geheel om- 
geven was door een aarden wal en daarvoor gelegen gracht 
(profiel A en B, Plaat I fig. 2 en 3). Het noordelijk deel van 
dien wal is in deit loop der tijden door de rivier aangetast 
en verdwenen; het oveiige is nog ongeschonden aanwezig. 

De ingesloten oppervlakte bedraagt omgeveer 1 V4 G K. 
M , en is geheel met dichte wildernis bedekt. De tijger en 
de olifant dwalen nu rond op de plek, welke eens een zij 
het dan ook bescheiden middelpunt was van het leven eu 
verkeer in deze streken. 



ö3 

Midden door de vestiging loopt het voetpad van Moeara 
Takoes naar Tandjocng. 

In de nabijheid daarvan liggen de oude bouwvallen. 
Ze zijn gevat in een vierkante afsluiting, oogenschijnlijk 
niet meer dan een aarden wal van ongeveer een Meter hoogte. 
Door afgraving van den bovenliggenden grond werd de fun- 
deering van een ringmnur blootgelegd, geheel in zandsteen 
opgetrokken (Plaat I fig. 4 en 5) 

Of er op die luudeering een muur van gebakken steen heeft 
gestaan, is niet nader onderzocht. 

De zijden bleken 74 Meter lang te zijn, zoodat de muur 
een oppervlak insluit van ± 5470 M-. Volgens Dr. Verbkek 
is de richting der zijden 75® en 165^ tevens die der kanten 
van alle gebouwen. De richting wijkt dus 15® van W. O, 
en evenzoo van het N. Z. at. 

Uet geheele binnenplein is naar schatting 50 k 60 c. M. 
opgehoogd 

Becht tegenover het midden van den reliektoren ligt de 
hoofdingang van de afgesloten ruimte. 

Ook aan de oostzijde werd nog duidelijk een ingang be- 
speurd, waarvan de juiste ligging niet is opgemeten. 

Aan de achterzijde scheen de ringmuur gesloten; terwijl 
aan de westzijde dicht houtgewas een oordeel over het al of 
niet aanwezig zijn van een ingang zonder nader onderzoek 
onmogelijk maakt. 

Binnen de euceinte hebben belialve de nog aanwezige steenen, 
waarschijnlijk ook verscheidene houten gebouwen gestaan, 
bestemd voor woningen van priesters en tot andere doeleinden . 
Het is mogelijk dnt daarvan bij het opzoeken van den ouden 
bodem sporen worden gevonden. 
Thans zijn alleen zichtbaar: 
1®. de stoepa (c. fig. 4). 

2®. een verhoogd terras, ten oosten der stoepa (d. fig 4). 
3®. de Tjandi Boengsoe met aangrenzend terras (6. fig. 4). 
4r de Tjandi Toea (a. fig. 4). 
Hoewel de stoepa bet schoonste eo best bewaarde der 



54 

boawwerken is, zal de beschrijving daarvan tot verkrijging van 
een beter overzicht tot het laatst worden uitgesteld. Van het 
minder volkomene zal dan geleidelijk tot het meer volkomene 
worden opgeklommen. 

Een paar woorden over den aard der materialen, waaruit 
de gebouwen zijn opgetrokken, mogen voorafgaan. 

De Heer Verbeek zegt omtrciït de stoepa: 

„Het monument bestaat, met uitzondering van enkele ver- 
sieringen, geheel uit roode gebakken steenen, die zonder kalk 
op elkander zijn gestapeld. Intusschen schijnt het mij toch 
dat een of ander klevend vocht moet zijn gebruikt om de 
steenen eenigen samenhang te geven. Aan den voet van den 
toren vond ik verscheidene stukken metselwerk, die van den 
muur naar beneden waren gevallen, waarvan de steenen zeer 
vast aan elkander hingen, en alleen van elkaar waren te 
splijten door op de voegvlakken een kapmes te zetten en 
hierop een korten, sterkeu hamerslag aan te brengen. Het 
bleek dat de kanten der steen zeer glad en vlak, waar- 
schijnlijk glad geslepen, waren. 

„En dat dergelijke gladde steenen alleen door drooge op- 
stapeling zouden kunnen dienen om een hoogen toren, dik- 
wijls met overhangend metselwerk, op te bouwen is wel zeer 
onwaarschijnlijk. 

„Van de roode gebakken steenen werden er verscheidene 
gemeten, de dikte is altijd even groot, maar breedte en lengte 
variëeren een weinig. 

„De lengte werd gemeten 23, 24, 25 en 26 centimeter. 

„De breedte „ „ 14, 15 en 15,5 „ 

„De dikte „ „ 4 „ " 

De door ons gevonden steenen hebben in hoofdzaak de 
bovengenoemde afmetingen; ze gelijken meer op tegels, dan 
op gewone baksteenen, door hun betrekkelijk groote breedte 
bij geringe dikte. Er zijn er echter ook van andere afme- 
tingen, ook dunnere; aan de overige monumenten ook dik- 
kere. 

De steenen zijn met bijzondere zorg behandeld; de voe- 



5b 

gen bij het vaste metselwerk in den regel zoo fijn, dat ze 
enkele bijna niet te onderscheiden zijn; soms echter zijn ze 
millimeters dik, en dan is een deeg aanwezig grootendeels 
bestaande uit fijn gestampten steen (brikkenmeel) '). 

De profielsteenen, die in groote hoeveelheid bij lijsten en 
randen voorkomen, zijn keurig bewerkt, zoodat de lijsten, 
voor zoover ongeschonden, geheel het voorkomen hebben van 
nit natuurlijken harden steen gehouwen te zijn. 

Op den top van den toren worden steenen aangetroffen, 
waarin halt ovale bladeren in vlak relief zijn gebakken of 
gesneden. 

Het geheel vertoont een meesterschap over het vervaar- 
digen van steenen en het uitvoeren van metselwerk, dat men 
thans te vergeefs in Indië zoekt. Er is een schat van ge- 
dold en arbeid aan dit bouwwerk besteed. 

Buiten de zuidoostzijde der vestiging wijst men de plaats 
aan^ waar de steenen gevormd en gebakken werden, nog 
kenbaar door de afgraving van den bodem. 

Omtrent de gebruikte natuurlijke steenen deelt Dr. Ver- 
BSBK het volgende mede. 

^Het materiaal dat voor de (d. i. voor sommige) versie- 
ringen is gebruikt, is een geelgrijze, fijne, niet zeer harde, 
kleiachtige zandsteen, die waarschijnlijk ergens uit de om- 
streken afkomstig is. 

„Het omliggend terrein behoort namelijk tot eene afdee- 
ling der eocene (oud- tertiaire) formatie, die de „mergelzand 
steen étage'' genoemd wordt en die gewoonlijk, behalve mer- 
gelachtige, ook kleiachtige zandsteenen van verschillende 
hardheid bevat. De juiste vindplaats van de bij den bouw 
gebruikte zandsteenen is echter niet bekend." 

Behalve voor sommige versieringen werd ook zandsteen in 
massa gebruikt o. a. voor het lichaam van Tjandi Boengsoe. 
Het schijnt dat vooral in lateren tijd dit gemakkelijk te be- 
werken materiaal werd aangevoerd 

') ESeD w«iaig Tan deza tpeoie werd naar het mofeum te Batam opgt- 
■ondeiL 



50 

Do geringe liardlicii maakte liet eclitcr minder gescliikt 
▼oor beeldhouwwerk, dat aan weer en wind moest worden 
blootgesteld; geen enkel godenbeeld of bnsrelitf wordt op of 
nabij do gebouwen aangetn-ffiih ; slechts ceniicc min of meer 
gedroelitelijke figuren stonden hier en daar bij de trappen en 
op do bekroning des torens. 

Volgens inlandscho vorlialcn zouden de oude steengroeven 
gelegen xijn in een nu afu:e.snedon arm der Kampnr i»ij Poeng- 
kai. Ilct vervoer van daar Ie water was met weinig be- 
zwaren vtrbonden. Toch weet men te vertellen dat het 
transport over l:ind zou zijn gesohlod c:i wel op dc/.elldc 
wijzo als dit later bij Üondjol plaats had '). 

II UKSCURIJVING DEU BOUW WERKEN. 

Op plaat II is de betrekkelijke li;;ging der oudlieden ten 
opzichto van elkander op de sehaal van 1 : 100aangewe/.cn. 

Het beoosten de stocpa gelegen terras heelt den vorm 
van een rcelithock, f).70 M. lang en 5.10 M. breed, waar- 
tegen aan do noordzijde een kleinere rechthoek, 1.02 M. bij 
2.6H, Ih aangebouwd Een trap, LMO M. breed, geelt toegang 
tot bet platform (plaat V fig. G en 7). 

liet lichaam dezer palangka is geheel uit baksteen opge- 
trokken. De kroonlijst van het 1.4 M. ho')go nutselwcrk 
(behalve 50 e. M. fundeering) is afgevallen, en daarom met 
stippellijnen aangegeven « 

De fcToon- en de voetlijst hebben bij alle terrassen den- 
zelfden vorm en springen evenveel voor, zooiat de restauratie 
niet veel bezwaar heeft (plaat UI fig. S). 

Op bet vlakke gedeelte van den buitenwand zijn pilaster- 

I) Memorie van Tocanko:: Imam. 

DB Stu£rs. l)c vcitr^mg en uitbpiildin* der NeJcrlanJerj Ur Westkuit van 

Somatra, lU. II, blz. 22i. «Xa vcHuü[» van tijJ werd bcciluUn ccn ^ruotcro 

TeriterkiuK cii ecu grootcr bcJuhui:! te boiiwea -, ter uitvoi-riu:; vati dit pbii krec;; 
men op uitnoodii^ing een aantal van cirra loODD man van du u:nli;;4en h plu U:>sn 
te hulp en onmidJeiijk werden alle liaulon nan liet werk uc^tuld, de bcnujdizdi: 
stceni'D op een halve myl aPataudj van clmi ^^roülc rivier uehaaKl en hctvukiaa 
daar (ot aan de vcUigin;; op ccn rij gq^laaUt om do «tccucu düorovjircikiui; aau 

tf TOCKD»'* 



57 



tjc8 van 24 c. M. brcedto en 3 c. M. voorsprong aangebracht* 
Te vergeels zoekt men op het hovenvlak van het terras naar 
eenige aanwijzing omtrent de besteraming van dit bouwwerk. 



De palangka bewesten den rcliektoren had oorspronkelijk 
denzeli'den vorm als de zooeven beschrevene, maar in later 
tijd is het voetstuk van Tjandi Boengsoc daar tegenaan gezet 
(plaat II fig. 9 en 10). Bestaat de palangka uit gebakken 
8teen, de tjandi is geheel van zandsteen opgetrokken. 

De palangka is 2.91 M. hoog hoven den onderkant der 
fnndccring; de breedte bedraagt G.GG M. en de lengte met 
inbegrip van Tjandi Hoengsoc^s voetstuk 1 i.6 II 

Rondom het geheel werden waarschijnlijk weder pilaster- 
tjc8 aangetroffen^ die echter alleen bij de palangka konden 
worden opgemeten. 

Het terras is van boven nagenoeg vlak en slechts aan de 
zm<lzijdc cenigs/ins afgezakt 

Bij het voorzichtig wegncraci» van gras en struiken trokken 
drie zandstecncn, die in den vorm van een cirkclscgment ge- 
legd waren de aandacht (zie i)laat II figuur 10 gedeelte aft). 

Langzaam verder onderzoekend werd een laag twintig- 
hoekig voetstuk gevonden. De eerste band is 18 c. M. hoog, 
dan volgen twee andere van 5 e. M. ieder en daarboven 
een schuin oploopend vhik, een gedeelte van een ojief. 

Naar alle waarschijnlijkheid vormde het segment van zand- 
steen een gedeelte van den lotusrand eens dagobs^ zooals 
zulks in den platten grond is aangegeven. 

De twintighoek, welks lange zijden l.GO M en welks 
korte 8 M. lang zijn, kan 1 ngs drie kanten gevolgd wor- 
den; alleen het zuidelijk deel is geheel vermeld. 

Heeft bij ah een dagob gestaan, dan is er waarschijnlijk 
een krans geweest van dezelide monumenten, met een dagob 
in het midden. Men denke aan het boventerras van Boro- 
boedoer. 

De broosheid van dergelijke kleine zonder mortel opge- 



58 

stapelde dagobs van bakoteeu behoeft niet nader te worden 
aangewezen. 

Tot juiste waardeering van het bovenstaande herhaal ik, 
dat thans niets aanwezig is dan een groot gedeelte der twiu- 
tighoekigc verhooging met drie zandsteeneu. Het overige 
der teekening neme men voor hetgeen het is; een poging 
om weer te geven, wat naar mijne meening hier kan gestaan 
hebbcD; een poging, die mij minder gewaagd voorkomt dan 
men oppervlakkig wel zou deuken. 

Tjandi Boengsoe's soubassenient is een vierkant van 0.66 
M. zijde, waarvan de zuidzijde aan de palangka sluit. 

Het was zeer moeilijk een nauwkeurig protiel van het oor- 
spronkelijk monument samen te stellen, omdat de verschillende 
lijstwerken slechts hier en daar uit de puinhoopen te voor- 
schijn kwamen en dus broksgewijze moesten worden opge- 
meten. Toch mocht dit voldoende nauwkeurig gelukken (plaat 
III fig. 11). 

De vervaardiging van den platten grond ging met nog 
meer beswaren gepaard en hierbij was het niet mogelijk de 
lengte der zijden van de verschillende veelhoeken alle te 
meten, zoodat voor de absolute juistheid der afmetingen niet 
kan worden ingestaan. 

Hoewel niet gelijk aan het bovengedeelte der kleine tem- 
pels van Tjandi Sewoe heeft Tjandi Boengsoe in vorm daar- 
mede veel overeenkomst. 

Aan de oostzijde voert een trap van gewone constructie 
naar boven. 

Op het vierkant voetstuk is een 20-hoek opgetrokken en 
daarboven een 36-hoek. De laatste draagt een fraaien en 
keurig bewaarden lotusrand, overblijfsel van een dagob, welks 
bovenstuk geheel verdwenen is 

Ik heb vermeend dezen dagob op de teekening te moeten 
aangeven en heb daarbij een der vele dagobs van Boroboe- 
doer tot voorbeeld genomen (plaat II fig. 10). 

Zoodra de lotusrand bij het afkappen van kreupelhout en 
struikgawas zichtbaar werd en dos tot het vroeger bestaan 



59 

van een dagob kon worden besloten, werd overgegaan tot 
een nader onderzoek van den inhoud. 

Na het wegnemen van weinige steenen werd in den lotus- 
rand een holte aangetroffen lang 2b, breed 22 en diep 36 
c. M., een holte die aarde, waarschijnlijk met asch ver- 
mengd, bevatte. 

Tnsschen die aarde vond men eenige (drie) stukjes goud- 
knipsel en op den bodem van het putje een gouden plaatje, 
waarvan de langsranden omgevouwen waren. 

Aan de boven- en onderzijde zijn daarop trigoela's gegrift en 
in het midden volgens Dr. Brandes drie heilige mystieke sylla- 
ben in nélgari type (zie plaat I, in den rechter benedenhoek. 

De bodem van het putje werd afgesloten door een nage- 
noeg vierkanten (50 c M.) steen, dik 13.5 c. M., met twee 
schuin afgesnoten kanten. 

Op het eerste gezicht deed die steen aan het deksel van 
een urn denken, maar spoedig bleek dat de asch zonder 
verder omhulsel tusscheu de steenen besloten was. 

Bij voortgezet wegnemen der steenen in den vorm van een 
put werd ter hoogte van den bovenkant des twintighoekseen 
vierkante (47 X 48 c M.) steen gevonden, die met de be- 
schreven zijde naar beneden gelegd, in het midden der vier 
zijden een trigoela en verder 9 syllaben te zien gaf. 

Drie dezer 9 geheimzinnige letterteekens komen met die 
van het gouden plaatje overeen (plaat I, naast de vorige figuur). 

Hoewel het onderzoek nog meer dan twee Meter dieper 
werd voortgezet, is niets belangrijks meer aangetroffen. 



Evenmin als Tjandi Boengsoe is Tjandi Toea een tempel met 
een vertrek, waar men kan binnengaan. 

Ze maakt bij oppervlakkige beschouwing den indruk van 
een puinhoop, maar een vluchtig onderzoek brengt haar hoofd- 
vormen aan het licht. 

Het blijkt dan, dat ze even als Tjandi Boengsoe (?) bestaat 
uit een dagob rustende op een driemaal verhoogd voetstuk 
(plaat II fig. 14 en 15). 



60 

De afmetingen van dit bouwwerk zijn veel belangrijker 
dan die der overige, de grootste lengte bedraagt 31, 65 M., 
de grootste breedte 20, 20 M 

De drie terrassen hebben een onregelmatig 36-hoekig 
grondvlak. 

De dagob is niet in het midden geplaatst, maar bijna 2 
M. uit de as. 

Het profiel over dit monument is voorgesteld in plaat III 

fig. n. 

Bi) het beneden terras is het duidelijk zichtbaar, dat nen 
met de oorspronkelijke afmetingen daarvan geen vrede heeft 
gehad, maar deze door aanbouwen a, die slechts aan het 
zuidoostelijk deel geteekeud zijn, vergroot heeft (plaat III 
fig. 17). Aangezien dit zonder eenig verband heeft plaats 
gehad zijn enkele nieuwe gedeelten naar beneden gestort, 
waardooi het oude lijstwerk zichtbaar is geworden. 

Zoo ver kon worden nagegaan bestaat het gedeelte cd (plaat 
II fig. 16) uit zandsteen, w*aartegen op bepaalde afstanden 
platte zandsteenstukken als pilasters zijn geplaatst. 

Yele dier pilastcrtjes zijn atgevalleu. 

Het processiepad der eerste étage beeft een zeer onregel- 
matige breedte. 

De omwanding van het tweede terras is lager; daarbij zijn 
alleen de lijsten c en /*, benevens de |)ilastertjes van zandsteen. 

Wat er van het derde terras met den daarop geplaatsten 
dagob is overgebleven, 1)1 ij kt uit tignur 17. De voorstelling 
van het bovengedeelte in figuur 15 moet men weder met de 
noodige léserve aannemen, omdat ze niet op opmetiugeu kon 
berusten. 

Bij nader onderzoek van den lotusrand werd ook hier een 
holte gevonden en wel van 23 bij 34 c. M, terwijl ter hoogte 
van den bovenkant van bet derde terras een groote steen 
(50 X 5^ X i'*^ c« M.) werd aangetroffen. In die holte 
werd te vergeefs naar iets anders dan aarde gezocht, terwijl 
de steen, die veel zachter was dan die van Tjaudi Boengsoe 



61 

onbesclireveu bleek. Naar alle vYaarschiJnlijkheid is de ruimte 
waarin de ascb werd bijgezet reeds vroeger geopeod. 

üp bet rnime vlak van bet tweede terras^ dat mede door 
bet herbaaldelijk .scboou maken geleden lieeit, werd ondanks 
zorgvuldige nasporiug niets gevonden^ dat een aanwijzing 
omtrent bet doel van dezen breeden aanleg kan geven. 

Naar de terrassen voeren aan de oost- en aan de westzijde 
trappen (plaat II figuur IGj. Van twee sinba's die oorspron- 
kelijk tegen de borstwering der benedentrappen stonden, lig- 
gen de stnklen nu verspreid nabij den tegen woordigen in- 
gang in de enceinte. Het bleek zeer eenvoudig ze weder 
op te bousven en daarom werd niet geaarzeld, ze in de figuur 
met zwarte lijnen voor te stellen. 

Van de nissen door den beer van Deldën gesebetst in 
een gedeelte van bet soubasseuicnt van Tjandi Toea is geen 
spoor aangetroffen; evenmin als van den deksteen der door 
bem getcekeude boekpilastcrs. 

Het komt mij niet onwaarscbijnlijk voor, dat bij de steeneu 
waarin de pooten van de sinba's zijn uitgehouwen voordek- 
Hjbten beeit aangezien, ten minste nergens werd iets anders 
gevonden, dat aan den aangegeven vorm berinnert. 



Tbans zijn wij genaderd tot bet schoonste en best bewaarde 
van Moeara Takoes' oudheden. Het is de stoepa of reliektoren. 

Uit den aard der zaak beeft dit sierlijk bouwwxrk bet 
uieest de aandacht der bezoekers getrokken. 

Er bestaan daarvan dan ook niet minder dan drie tee- 
keningen met beschrijving, waarvan die van Dr. Vkrbëek 
alleen waarde heelt. 

Tocb werd het niet overbodig geacht op grond van nieuwe 
opmctiiïgen een nieuwe voorstciliug der stoepa te geven. 

De beschrijving zou bij de groute duidelijkheid der tee- 
keningen betrekkelijk kort kunnen zijn. 

Het schijnt echter wenscbelijk om daaraan eenige meerdere 
uitbreiding te geven, ten einde enkele punten door den beer 
VsfifiËEK besproken nader te kunnen toelicbteu. 



62 

De stoepa bestaat uit: 

I. een onderbouw. 

II. de eigenlijke toren. 

III. de beitroning. 

Op plaat IVf V en VI is de stoepa voorgesteld op de 
schaal van 1:50^ de détails op 1:20. 

De heer Verbbbk beschrijft den onderbouw als volgt: 

^Het soubasseraent heeft den vorm van een rechthoek 
A6DG; de afmetingen zijn: 

AB = CD = 10.60 M. 

AC = BD = 9.44 M. (9 37 M.) 

,,De achterkant van het monument is een weinig aan het 
verzakken ; de toren staat eenigszins scheef en de muur CD 
is op verschillende punten gescheurd en uit elkander gegaan : 
daardoor is de oorspronkelijke afstand CD van 10.60 M. 
uu 10.70 M. (10.70) geworden. In de teekening is deze 
onregelmatigheid met opzet niet aangegeven, 

„Aan den voorkant (noordzijde) bevindt zich een breede trap, 
die met uitspringende muren aan den voormuur van het sou- 
bassement aansluit. Merkwaardigerwijze zijn deze muren 
aan beide zijden van den trap niet even breed. 
Aa = 2.36 (2.35) hh = 2.39 (2.37) 

cd = 1.02 (1.00) ef =0.98 (0.97) 



som Ad = 3.38 (3.35) som 13e = 3.37 (3.34) 

„De trap bevindt zich dus wel in het midden^ maar cd 
is grooter dan ef. Waartoe deze onregelmatigheid dient, 
die zeker niet toevallig is, heb ik niet kunnen ontdekken. 
Misschien is het gedeelte cd met opzet een weinig breeder 
genomen, om ruimte te winnen voor de smalle rechthoe- 
kige opening a, die in het metselwerk is uitgespaard. De 
bedoeling van deze ruimte is niet duidelijk. Een nis, om 
een beeld in te plaatsen, is het zeker niet, want daartoe is 
de luimte te smal, te ondiep en te laag. 

„Ook zoude er dan als pendant wel een nis in ef aange- 
bracht zijn. Ëen dergelijke, maar grootere ruimte B; vindt 



63 

men alleen nog in den aciitermuur CD; deze is 0.40 Meter 
breed en ongeveer even hoog en diep. Van acbteren is bet 
gat door gewoon metselwerk gesloten. 

;;De trap is, inclusive de zijmureD, breed 3.85 Meter, en 
dus zooals bet beboort: Ae/ + trap + Be = 3.38 + 3.85 + 
3.37 = 10.60 Meter = AB. 

;,Tu88cben den trap en den reebtboek ABGD bevindt 
zich op dezelfde hoogte als bet overige soubassemeut, een 
rechthoekig gedeelte ahcfy lang 5. 85, breed 1,50 Meter, een 
soort van voorportaal/' 

Hierbij kan het volgende worden opgemerkt. 

Wanneer men den trap nader beziet dan blijkt het, dat 
in den loop der tijden tweemaal een beklamping tegen de 
zij wangen is aangebracht; die losaangeboiiwde muren zijn 
dik met de buitenste te beginnen 2l en 48 c.M., terwijl 
de oorspronkelijke borstweringgmuren GO c.M. dik zijn Voor 
de breedte der trappen blijft dus ongeveer 1.15 Meter over. 
Geen wonder dat na dit geknoei, gevoegd bij het nu vol- 
gende een klein verschil in de afmetingen cd en e f over- 
gebleven is. 

Om het geheele soubassement is een ring van nieuw met- 
selwerk, dik 52 cM. koud aangebracht (plaat IV fig. 18 en 
plaat VT fig. 19.) 

De uitsprong ahcj was oorspronkelijk smaller en wel niet 
grooter dan ab'cf\ 

Op 31 . cM. afstands van den ouden wand a'c heeft men 
een muur gemaakt van 44 c M. dikte en de holle ruimte 
met brikkenmeel gevuld De oude lijstwerken loopen nog 
langs de lijn ac' door en zijn terstond zichtbaar. Want 
door het afvallen van een deel van het dunne sluitmuurtje 
bij c\ dat slechts een steen (15 c.M.) dik is, ontstond een 
gat, de onverklaarde nis a van Dr. Verbeek. 

De nis B is een gat van 40 c.M breed, 50 c.M. hoog en 
18 k 20 c.M. diep, alleen gevormd door het uitvallen van 
eenige steenen. 

Zooals uit enkele bovenbijgeschreven cijfers reeds blijkt 



64 

verscliillen oDze opmctingeu weinig of uiet niet de reeds be- 
kende. 

De verdere beschrijving Inidl: 

„Het gehecle soabassemeut, dus ook de inspringende maren, 
maar niet de zijwanden van de trap, zijn met een zeer ge- 
compliceerd lijstwerk vojrzien". 

Dit lijstwerk is voorgesteld op PI. VI fig. 1*J; alleen liet 
bovenste gedeelte moest gestippeld worden, omdat dit is at- 
gebrukon. Het geheel is viij eenvoudig van vorm en de- 
zeilde combinatie wordt allerwegen op de verschillende bouw- 
werken aangetroffen. 

Merkwaardig is het dat de pilastertjes, die op den tegen- 
wourdigen buitenwand ontbreken, wel op den vroegeren wer- 
den gevonden. 

.,Men kan rekenen dat het soubassement begin bij het 
punt li\ op enkele punten is boven den grond ook nog een 
gedeelte van den veitikalen wand (jk zichtbaar, zooals in de 
figuren is voorgesteld; door uitgraving vond ik de hoogte 
gfA = 0,18 Meter (0,30 11.); daaronder schijnt geen metsel- 
weik meer voor te komen Ik reken gU tot de lundeering 
onder den grond, en bet gedeelte ld dat een hoogte heelt 
van 1,7b Meter, tot het eigenlijke soubassement; het lijst- 
werk spiingt het meest naar binnen bij den vlakken wand 
m ongeveer even ver als bij m'm\ Aangezien dus de lengte 
en breedte van het soubassement verschillend moet uitvallen, 
al naarmate die bij m of / wordt gemeten, moe^ hier nog 
aangegeven worden, dat de lengten AB =10,00 en AA = 
9,44 gemeten zijn langs den vlakken wand m en wel voor- 
namelijk omdat de hoeken van het vooruitstekende lijstwerk 
bij / zeer dikwijls zijn afgebroken en men dus langs den 
wand Ml veel zuiverder meten kan". 

De hoogte ld werd volgens plaat \'l'g. 19 gevonden l.bG5 
Meter; het verschil is gemakkelijk te verklaren als men weet, 
dat het moeilijk is de juiste hoogte van den vloer des om- 
gangs te bepalen; die vloer is natuurlijk beschadigd door 
het wegnemen der bovenlagen. 



65 

Omtrent het juiste peil van het oude maaiveld kan men 
slechts gissingen maken. 

Door ontgraving werd gevonden dat de oude kern van het 
metselwerk 3.525 Meter onder den bovenkant des omgangs en 
de nieuwe voorbouw 0.86 Meter minder diep gefundeerd was. 

^In de horizontale projectie iö de rechthoek ABCD gestip- 
peld aangegeven^ omdat de vooruitspringende lijst //// dien 
rechthoek bedekt. Het lijstwerk is niet overal volmaakt 
gelijk; maar vertoont hier en daar kleine, trouwens onbe* 
duidende, afwijkingen." 

Uit de figuren 18, 20 en 21 (zie plaat IV en V) blijkt dat 
de trap een minder vorstelijk karakter draagt dan men ver- 
moedde en dat ze als alle trappen aan oude tempels be- 
krompen was. 

Bij ontgraving bleek dat de fandeering — rationeel — hooger 
is gelegd dan die van het lichaam van het gebouw. 

Waarschijnlijk had de trap versierde borstweringsmuren; 
het nog aanwezige deel wijst op uitspringende lijsten aan de 
voorzijde, terwijl bij de stoepa versieringen werden gevon- 
den, die waarschijnlijk op die muren thuis behoorden. Zoo 
b. y. de beide steenen, waarop geknielde olifanten zijn uit- 
gehouwen (plaat I fig. 22); wellicht ook de steen, waarvan 
alleen het onderstuk met de manen van een siuba is over- 
gebleven (plaat I fig. 23). Of ook om den omgang een in 
ieder geval laag afsluitiugsmuurtje gestaan heeft, is niet meer 
na te wijzen. Mogelijk behoorden daarbij de ornamenten plaat 
I fig. 24, waarvan alleen het onderstuk gevonden werd. 



„De as van den toren staat juist in het midden van den 
rechthoek ABDC en valt dus samen met het snijpunt der 
diagonalen AD en BC; zooals hierboven reeds werd opge- 
merkt, is de toren een weinig naar achteren verzakt en is 
de as dus niet geheel vertikaal meer. 

„De geheele bovenbouw, de toren en ook het gedeelte AB 
DC van het soubassement zijn symmetrisch ten opzichte 
yan deze as. 

T^diohr. Ind. T. L. en Vk., deel XXXV. 6, 



66 

^De toren begint met een fraaien 281ioek bestaande uit 
4 lange kanten ww, die door 4 X 6 == 24 kortere rechthoe- 
kig inspringende dwarsmuurtjes wx, xx, plaat IV fig. 18, 
verbonden zijn. 

„De 28-hoek is rondom met lijstwerk voorzien, dat een 
herhaling is van het lijstwerk van het soubassement, echter 
eenvoudiger en wat kleiner^ daar de hoogte van den 28-hoek 
1.42 Meter bedraagt." (plaat VI fig. 19). 

„De lange kanten wWy gemeten langs den vlakken wand 
l, hebben een lengte van 2 25 Meter, de dwarsmuren wx en 
XX, gemeten op dezeltde plaats, een lengte van 0,66 Meter. 

„In den platten grond is de omtrek ww xx xx xw gestippeld 
aangegeven, omdat de bovenste rand van het lijstwerk vvvv 
vooruitspringt en hem dus overdekt. 

„In den vlakken wand treffen wij de eerste versieringen 
aan; het zijn kubusvormige gele zandsteenblokken ter lengte 
van 22 c.M; van deze steenen zijn er 4 in lederen langen 
kant WW aangebracht, twee op de hoeken en twee daar- 
tusschen op afstanden van 48 cM. Zij springen alle een weinig 
vooruit, zooals in fig. 19 duidelijk is te zien, en zijn voor 
het grootste gedeelte in den muur ingelaten " 

Verder zijn in lederen inspringenden hoek van de kleine 
muurtjes xx gele zandsteenen (ö) aangebracht van 5 c.M. 
dikte en 22 c M. breedte. 

Ook het boven vlak van den 28-hoek is moeilijk te bepa- 
len; van daar, dat vich verschillen voordoen tusschen de 
vroegere en latere hoogtemetingen. 

„Op den 28-hoek ligt ccn dunne plaat ijij hoog 7 (18) 
centimeter; het is een ó2 liock, de vier lange kanten zijn 
2.38 Meter, de 4X12 = daartusscheniiggende in en uit- 
springende hoeken ieder 32.5 centimeter lang. 

„De uitspringende hoeken van deze plaat liggen een weinig 
over de inspringende hoeken van het bovenvlak (vvv) van 
den 28-hoek heen, zooals uit den plattegrond te zien is." 

Het was ons niet mogelijk den bovenbeschreven 52-hoek 
te herkennen; wij namen echter op de teekening de opge- 



67 

geven maten over. Daar nog kon gecouBtateerd worden, dat 
de dek- en voetlijst denzelfden voorsprong hebben, is het 
daidelijk dat de uitspringende lioeken van den 52-hoek ge- 
heel vallen binnen den omtrek van den 28-hoek (fig. 18). 

„Daarop volgt een regelmatig 8-hoekig lichaam z, ter 
hoogte van 0.37 (0.15) Meter (plaat VI fig. 25); het is niet 
prismatisch; maar een weinig pyramidaal, aangezien het grond- 
vlak iets grooter dan het bovenvlak is. Het grondvlak valt 
overal binnen de inspringende hoekjes van de 52-hoekige plaat. 

,,Met den 8-hoek wordt de hoekige bouw van den toren 
besloten, het daarboven volgende gedeelte van den toren is 
rondbouw." 

„De eerste cirkelvormige ring £ springt met krommelgn 
naar buiten uit". 

„Op den ring E volgt de cylinder F en dan de eerste 
ring van gelen zandsteen 6; de hoogte bedraagt lö (il) 
C.M.; de vierkante zandsteen blokken hebben dezelfde grootte 
maar zijn aan den buitenkant halfcirkelvormig afgeslepen; de 
vooruitstekende ronde rand is bij de meeste steenen afgebroken. 

„Nu volgen twee zeer merkwaardige ringen ü en K, waar- 
van de eerste met bevallig gebogen vorm naar binnen^ de 
tweede naar buiten loopt. De hoogte van den ring H is 
0,43 (0,48), van K 0,56 (0,535) Meter. 

„De ringen II en K stellen samen blijkbaar het lotuskussen 
voor, waarop de Hindoegoden zittende afgebeeld worden. 
Beide ringen zijn bewerkt; op den ring ü is de teekening 
der bloembladen nog duidelijk te zien, ofschoon de randen 
zeer veel geleden hebben, en daardoor niet scherp meer zijn. 
In den ring K zijn bijna alleen vrij diepe groeven te zien, 
de afronding is slechts op enkele plaatsen en flauw, waar 
te nemen." 

Het gedeelte EK vertoont niet den oorspronkelijken vorm 
van den toren; bij wegneming van een loszittend vooruit- 
geschoven stuk van den lotusrand werd een tweede daar- 
achter gelegen zichtbaar. 

Het oude profiel is voorgesteld in plaat VI fig. 25, terwijl 



68 

plaat IV fig. 21 de geheele toren zonder zijn latere aanbou- 
wen te zien geeft. Het zijn waarschijnlijk alleen aesthetische 
gronden die tot verbreeding van het bouwwerk hebben geleid. 

De bewerking van de kern is meesterlijk. Het was een 
gewaagd stuk van den arebitekt om een zoo dunne schaal 
daaromheen te plaatsen, doch het voetstuk, de 28-hoek, liet 
niet toe, die schaal belangrijk dikker te maken. Het brooze 
van het omhulsel in aanmerking genomen, is het in den loop 
der tijden betrekkelijk goed bewaard gebleven. Valt het 
langzamerhand af, dan zal de oude vorm als van onder een 
versleten kleed te voorschijn komen. 

Boven het lotuskussen verheft zich het met lijsten en ran- 
den versierde lichaam van den toren; dit heeft veel geleden 
en is daardoor moeilijk te herkennen. Hoewel geen absolute 
zekerheid bestaat omtrent den vorm van beide lijsten L en 
M, in zooverre betreft het ontbreken van een plat bandje 
daarboven, werd toch geen aanleiding gevonden iets te stippelen. 

Het meest verjongde gedeelte van den toren heeft een mid- 
dellijn van 3,07 a 3,08 Meter. 

Dan wordt hij langzamerhand dikker en is hij weder met 
lijstwerk omgeven, waarvan het bovenste halfrond in zand- 
steen is uitgevoerd. 

Het bovendeel van den toren is cylindervormig. Het is 
zwaar beschadigd omdat het verband tusschen de steeneu 
niet groot was^ een stuk van het buitenwerk is afgevallen. 

Omtrent den overgang van het conisch oploopend gedeelte 
tot den cylindervorm is niets met zekerheid te zeggen, om- 
dat die geheel onherkenbaar is geworden. 

Bij looding langs het vlak Z aan de oost- en aan de west- 
zijde van den toren vond men den voorsprong ten opzichte 
van O 0,39 Meter. 

De cylinder heeft dus een belangrijk geringer middellijn 
dan Dr. Verbeek aangeeft en wel 3,86 in plaats van 4,33 
Meter. Het geheel krijgt hierdoor een slanker aanzien 

Ongeveer 15 c.M. boven H was vroeger een nu geheel 
afgevallen lijst aanwezig, waarschijnlijk bestaande uit een 



69 

a/wiaseling van zand- en gebakken steen. Ten minste aan 
de znidweatzijde vau den toren zijn nog 4 zandsteenen zieh- 
baar, op regelmatige afstanden van elkander geplaatst. Hoe 
die lijst gevormd was en wat zich daarboven bevond, is niet 
meer na te gaan, zoodat op de teekening slechts een veron- 
derstelling in stippellijnen aangegeven is. 

Aan de bovenzijde wordt de toren eveneens door lijstwerk 
begrensd De ojiefvorm der vooruitgeschoven steenen was 
nog daidelijk aan de. westzijde kenbaar. 

De bekroning eischte bijzonder zorgvuldige waarneming 
vóór met zekerheid over de oorspronkelijke constructie beslist 
kon worden. 

Op het cirkelvormig plateau is een veelhoekige bouw op- 
getrokken, die na zijn voltooiing geschonden werd om ruimte 
te krggen voor het plaatsen der nader te vermelden sinha's. 
Het schijnt een 36-hoek geweest te zijn. 

Daaromheen loopt een 12 c.M. voorspringende voetlijst. 

De vier lange zijden hebben een breedte van 64 c.M; aan 
de hoeken ziju versierde pilasters geplaatst, breed 21 c.M., 
waarop balasters zijn uitgehouwen zooals men die o. a. aan* 
treft op de kleine tempels van Tjandi Sewoe (photographie 
No. 209 TAN Kifsbergen) *). 

Boven bet 28 c.M. hooge vlak volgen drie uitspringende 
platte banden, hoog ö, 7 en 16 cM. 

Dit lijstwerk is boven de lange zijden niet meer aanwezig; 
wel boven de korte. Veilig mag worden aangenomen dat 
het geheel rond liep. De band van 7 c.M. is versierd met 
fraaie half ovale, platte bladeren. 

Een gedeelte van het voetstuk werd aan het oog onttrok^ 



*) De Heer Vxrb££K zegt bieromtreni : »De figuren zija aangebrRcht op 
luar buiten gebogen steenoa io den vorm van dakpannen, merkwaardig i» het dat 
de twee naast elkaar staande fignren ongelijk zijn". De pilasters staan op de 
hoeken, zijn vlak en waren gel\jk; natuurlijk is de eene in den loop der mden 
wai meer besebadie^d dan de andere, maar dit is met alle versieringen het 



70 

keD door tiit isandsteen gehouwen sinlia's, nan vier kanten 
daar tegen geplaatst. Deze beelden zijn grootendeels ver- 
nield; van alle is echter de standplaats nog aan te wijzen. 

Van een exemplaar is de helft met uitzondering van den 
kop overgei>leven. Een naar bcnedcü gestort fragment ligt 
onder het kreupelhout bij den toren. In plaat I figuur 27 
is aangewezen hoc de achterzijde van het beeld spits ter 
dikte van 10 c.M. is bijgewerkt om met de uitstekende graat 
in het metselwerk te wonicn ingekast '). 

Boven het beschreven voetstuk volgt een regelmatige acht- 
boeky waarvan de zijden 83 c.M. lang zijn; de hoogte be- 
draagt 12 cM. 

Dan volgt een 2,5 c.M, uitstekende lijst, over 8 c.M. hoogte 
vlak, maar over 21,5 cM. versierd. De IG vooruitspringen- 
de ornamenten zijn onherkenbaar, maar nièt de heeren Ver- 
beek en VAN Delden meen ik ze voor sinhakoppen te mogen 
houden, als zoodanig zijn ze op de teekening voorgesteld. 
Op de hoeken zijn de koppen geheel in zandsteen uitge- 
houwen, bij het eenig overgebleven kenbaar exemplaar der 
tusschenliggende is het onderste gedeelte in baksteen en slechts 
de bovenheifi; van den kop in zandsteen uitgevoerd. 

Boven dezen versierden band verhief zich de cirkelvor- 
mige top. 

Het spreekt van zelf dat deze het meest heefl geleden, 
omdat hij als het ware de meest kwetsbare plek vormde. 

Ook op Java vindt men onveranderlijk den top der bouw- 
werken het meest beschadigd, zelfs daar waar hij moeilijk 
te bereiken is. 

Als men nagaat boe weinig er van de uit één stuk ge- 
houwen leeuwen is overgebleven, dan is het duidelijk, dat 
er slechts een gedeelte van de vroegere bekroning aanwezig 
kan zijn en dat deze eertijds veel hooger moet zijn geweest. 



>) De heeren Verbeek en tax Deldkn maken melding van een olifantskop en 
beelden dezen min of meer phautastifich af. Een dergelijke verwarring vau oli- 
fanten met lecnwen werd, hoewel naar hst schijnt met weinig grond, aau niemaud 
minder verweten dan aan den vroomen en geleerden Iloeien Thiang. 



71 

Ik vermeen dat de boTenafsluiting geyormd ^erd door een 
dagoby en dat wel om de volgende redenen. 

Op Java komt een dergelijke afsluiting voor Boeddhistische 
bouwwerken veelvnldig voor. 

In het overgebleven bakateenwerk zijn nog duidelijk de 
insnijdingen voor de lotusbladcren zichtl)aar, terwijl aan den 
voet des torens stukken van een lotuskussen in zandsteen 
werden aangetroffen, die moeilijk ergens anders zijn thuis te 
brengen. Die stukken waren 17 c.M. dik en vertoonden 
goed bewaarde 12 c M. brcedo van boven afgeronde bladeren. 

In de as van den toren bevindt zich een gat, dat nu nog 
ongeveer 2 Meter diep is en dat waarschijnlijk heeft gediend 
om een houten mast op te nemen. Die mast droeg eenige 
boven elkander geplaatste zonneschermen. 

De heer Groenkvrldt teekende boven den stoepa een drie 
dubbele pajoeng en zegt: ^overigens kan de spits van dit 
monument honderd andere vormen gehad hebben, behoudens 
de stellige voorwaarde, dat men op de eene of andere wijze 
daarmede een zonnescherm heeft voorgesteld.'' 

De oudste dagobs hebben den vorm van den halven kogel, 
en daarop een altaarvormig voetstuk, tee genaamd. Boven 
dat voetstuk prijkt de pajoeng. 

In den rotstempel van Karli vindt men nog de overblijf- 
selen van een houten zonnescherm. 

Bij de latere dagobs nadert de vorm meer den cylinder 
door een halven bol afgedekt^ en wordt het aantal zon- 
neschermen grooter. Te Sultanpore b. v. vond men een model 
met zes, in Behar verscheidene met zeven zonneschermen; 
in Nepal is het getal van 13 gebruikelijk. 

In plaats van de tee komt op Java dikwijls een glad pyra- 
midaal stuk voor (Boroboedoer), dan wel een altaarvormige 
topsteen (Tjaudi Sewoe), die een pijnakel draagt. 

Ten einde een voorstelling te geven van hetgeen de bekro 
ning des torens kan geweest zijn, werd ze met stippellijnen 
in plaat V fig. 20 geteekend; men boude mij deze zwakke 



72 

pogiogy die geen aanspraak maakt op juistheid of nauwkeu- 
righeid^ ten goede. 



Opmerkelijk is het dat de oudste Boeddhistische stoepa's, 
die van Bharhoet^ Sanchi, en/., afzonderlijke, hoogst belang 
wekkende afrasteringeii hadden en dat deze bij de jongere 
niet meer voorkomen. 

Zoo vermeldt Fergusson o. a. hoe de topes van Gandhara 
deze afsluiting missen, maar hoe daarvoor in de plaats is 
getreden een versiering met dwergpilastertjes om den voet. 

Dergelijke pilastertjes vindt men aan allo bouwwerken 
Tan Moeara Takoes. Wel is het buiten vlak van het nieuwe 
soubassement van den reliekturen glad, maar de oorspron- 
kelijke omwanding was mede daarvan voorzien. 



De heer Groeneveldt wijst in zijn laatste noot behoorende 
bij het opstel der heeren Verbeek en van Dëlden er op, 
dat men bij het ontgraven van Boeddhistische ruïnen bij 
Peshawer platformen gevonden heeft van den aard der beide 
palangka's, zoowel rond als vierkant, die echter niet afzon- 
derlijk stonden, maar op eenigeu afstand door nissen om- 
geven waren. 

Het platform van het klooster te Jamalgiri is versierd met 
zittende Boeddhabeelden; het vierkante te Takht i-Baht is 
een tweemaal verhoogd terras, en heeft dus twee rijen pilasters 
boven elkander. 

Fergusson zegt daaromtrent. ,Jn the fitth volume of bis 
Archaeological Beports": „Gen. Günningh\&c assumes that 
both these were stupas of the ordinary character. They may 
have been so, but both having steps up to them, would seem 
to militate against that assumption. The circular one is only 
22 ft., the square one 15 tt in diameter, and there is con- 
sequently no room on either for a processioupath round the 
dome if it existed ; and if this so of what use could the steps 
be? Lieut. Crompton, who excavated the Jamalgiri monastery» 
is clearly of opinion it was a platform.'' 



73 

Bij een vergelijking der in rots uitgehouwen tempels met 
deze kloostei-s zegt hij verder : ,,The cireular or square altar 
is bowever a feature quite new to us, and takes the place 
of the dagoba in all the rock-cut cliaitya halls. From it 
having steps to ascend to it^ it seeins as it it was intended 
for a platiorm from which either a congregation eould be 
adressed or a prayer oflfeied up to a deity. If however, it 
was really a dagoba, as General Gunninoham supposes, that 
difficnlty disappears, and on the whole I am inclined to belieye 
he may be right in hls decision/' 

Elders werd vermeld hoe bij Tjandi Plaosan in de vlakte 
yan Prambanan verhoogde terrassen worden gevonden, bezet 
met Boeddha-beelden en omgeven door kransen van dagobs^ 
waarvan alleen de cirkelvormige voetstukken overbleven. 
Uier is de plaats om op de groote overeenkomst tusschen 
Tjandi Toea en het platform van Takht-i Babi te wijzen. 
Wanneer men nagaat, hoe weinig er op het zuidelijk gedeelte 
van het terras van Tjandi Boengsoe nog te zien is, dan komt 
de veronderstelling niet gewaagd voor dat de verhoogde ter- 
rassen, met of zonder omgangen, die bij oppervlakkige beschou- 
wing niets merkwaardigs aanbieden, bestemd zijn geweest 
om voorwerpen van godsdienstige vereering te dragen, hetzij 
beelden, hetzy dagobs. 

Uit bovenstaande beschrijvingen van Tjandi Toea en Tjandi 
Boengsoe blijkt dat het monumenten zijn van denzeltden aard, 
omdat beide het stoffelijk overschot van een vereerd persoon 
omsloten. 

De sloepa is waarschijnlijk ook een dagob. Zijn vorm 
nadert meer dien van den linggam. De vroome Boeddhist 
kon aan den voet zijn bloemenoffer nederleggen, maar ook 
de heidensche Indiër zich in vereering buigen voor het zin- 
nebeeld van den leven en vruchtbaarheid schenkenden Qiwa. 

Een gat ter hoogte van den omgang tot in het midden 
van den toren (zie b. v. de stocpa van Maniki&Ia) uitgehakt, 
bewees alleen dat deze geheel massief is en inwendig uit 
denzelfden rooden baksteen bestaat, die buiten zichtbaar is. 



74 

Een tweede poging om langs den koristen weg tot de in het 
metselwerk besloten reliek te komen, zou, in verband met 
het bij Tjandi Toea en Tjandi Boengsoe gevondene, moeten 
geschieden ter hoogte van den ouden lotusraud; maar de 
toren is daar belangrijk zwakker dan beneden. De verwachtin- 
gen omtrent de resultaten van een dergelijk onderzoek zijn 
niet zoo lioog^ gespannen , dat men do beschadiging van het 
sierlijk bouwwerk daarvoor zou toelaten. 

PADANG, December 89. 




VAN EENIGB WOORDEN 



DER 



MANGGARAISCHE TAAL 



VERZAMELD DOOR 



J-. "V^. 3S^CEEI^BX7IlO. 



I. Voornaamwoorden 

A. persoonlijke* 



MAT.EISCH. 


MANGGARAISCH. 


akoe, kita (ik). 


dakoe. 


saja. 


dakoe. 


angkau. 


ditè. 


kowé; kan. 


hau. 


ija. 


ijakitoe. 


kitaorang, kami (wij). 


bami. 


kauorang, kamoe. 


méohitoe. 


marekaitoe. 


métaahitoe. 



B. bezitteiyke. 

kita poeDJa, akoe — . akoe antangaran. 

8ai)a poenja. dakoe antangaran (aloes). 

enz. enz. 
(roemab) koe (mjjn — ) (mbaroe) dakoe. 



76 



(roemah) moe (uw — ). (inbaroe) hau (ditè). 

„ nja (zijn — ). „ ijahitoe. 

enz. enz. 



diri, sendiri. 
kita sendiri. 



ۥ wederkeerige. 

lianakoi. 
dakoe hanakoi. 
enz. enz. 



itoe; itoe dija. 
ini; ini dija. 
itoe djoega. 



kapadakoe. 
kapadamoe. 
kapadanja. 
mana. 



D. aaiin^ijzende. 

hitoe; bitoe ta. 

höü; hööta. 

(stjang) hitoe kau o/* bitoe kau . 

£. betrekkelijke 

ontbreekt. 
onédakoe. 
onëhau. 
onéhijahitoe. 



F. vragende. 

mana. nia (??) bijv, nia ngoi = mana 

soeka. 
apa. apa. 

sapa; sapa itoe. stjé; — hitoe. 

voorbeeld sapa (orang) datang. stjé ata mai. 

II. Voorzetsels. 



sama; bersama. 


sama lain of tjama lain. 


pada; bagei. 


ojilbreekt. 


kapada. 


oné. 


akan. 


oné. 


dari; dari pada. 


pali. 


loewar. 


péa. 



77 



diloewar; kaloewar. 


péa mai; mai péa. 


dengan. 


bai. 


tiada dengan. 


toi hai. 


oleh. 


ontbreekt. 


atas; diatas. 


èta; ëta mai. 


ka atas; dari atas. 


— ; pali èta. 


bawah; dibawah. 


wa; wa mai. 


ka bawah; dari bawab. 


— ; pali wa. 


antara. 


ontbreekt. 


ditengah. 


baréha. 


hadapan; dihadapan. 


ontbreekt. 


serta; beserta. 


agoe. 


bingga. 


ontbreekt. 


kerana (om). 


n 


koeliling. 


léok. 


dibalakang. 


toni. 


disabelah. 


tjetjoepoe (alles wat op zijde is, 




ook van licbaamsdeelen). 


sapandjang. 


tjëléné. 



III. Bijwoorden. 
A. van plaats. 



sini. 




noó. 


sana. 




nió. 


sitoe. 




bio. 


mari; kamari. 




mai; mai nóö. 


kasana. 




ontbreekt. 


dimana-mana. 




nia-nia. 


kamana (pergi kamana). 


ontbreekt (ng6 nia nia). 


boedjoer. 




léléb. 


lintang (dwars). 




labang. 


tida dimanamana. 






kiri. 




léo. 


kanan. 




wana. 


1 didalam; 2 dalam 


(diep). 


1 oné; 2* délum. 



diloewar. 
deket. 
djaoeh. 
teroes. 



78 

pea mal. 
roeni of roej. 
déoe. 
gëloe. 



pergi kamana; datang deri ngo nia mai; mai pali nia. 
mana. 



B. 


van tijd. 


aekarang. 


töö. 


kalamarin. 


mësëng. 


kalamario dboeloe. 


onésoewa. 


besoek; malaoi. 


diang; wijö. 


besoek pagi. 


diaDg goela. 


loesé. 


lëso diang. 


daboeloe. 


olö. 


baharoe. 


wcroe. 


tiada. 


toi. 


tiada lagt. 


toi manga toeoe. 


kapan. 


sepisa. 


beiom. 


onlbreekl. 


peruah; tiada — . 


id. 


lagi; poela. 


doewa; ontbreekt. 


tadi. 


baboe. 


poerbakala (oudtijds). 


taka 61o-oI6. 


sebantar. 1 




nanti sebantar. f 


tö6ng-koi. 


djarang. 


dopo bai. 


kerep. 


ontbreekt. 


séringsériDg. 


id. 


lekas. 


lélang. 


soedah. 


poli. 


kadangkadang. 


ontbreekt. 


pada masa. 


id. 


tibatiba. 


tjaladoi {eigentijk hagëll) 


C. van 


modaliteit etc. 


bagimana. 


tj6-6. 



79 



bagitoe. 


ontbreekt. 




makin. 


id. 




djoega. 


id. 




teroes. 


géloe. 




amat (sangat). 


ontbreekt. 




terlaloe. 


id. 




tantoe. 


tantoe; toe-oe. 


• 


kira-kira. 


kira-kira. 




koerang; lebih 


koerang; rëtji. 




sedikit; banjak 


Bëkoë; d6. 




lebih dari (meer). 


rëtji. 




seperti. 


sama. 




sekali (zeer). 


ontbreekt. 




sempoeroa. 


id. 




lantas. 


id. 




demi. 


ld. 




sasoedahDJa. 


polihitoe. 




aebab (itoe). 


ontbreekt. 




sahabisDJa. 


toeroetjëmö. 




soepaja. 


id. 




soepaja djangan. 


id. néka. 




oepama. 


ontbreekt. 




oleh sabab. 


id. 




karana. 


id. 




kalau. 


id. 




maski. 


id. 




serta dengan (terwijl). 


rémö. 




selama-lamanja; lama. 


sanggé wèhè; wèhè. 




sabelom. 


toi dihitoe (vóór er niet 


enz) 


bahoewa. 


ontbreekt. 




kamoedian. 


id. 




BLJa-sija. 


id. 




pertjoemah. 


id. 




poera poera. 


döp6 lal 




floeDggoeh (betoel). 


toe-oe. 




ija (ja)- 


ijo. 





80 



lain. 


dijo. 


barangkali. 


tjaia. 


tjoba (wel). 


dama. 


boekan. 


dijo ( — lain). 


berapa. 


tjé-apa. 


sekijan. 


tjëdö. 


betapa (hoe). 


ontbreelet. 


saloeroeh. 


doewèn. 


demikijan. 


ontbreekt. 


dengan keras. 


id. 


melainkau (beiiaWe). 


id. 


ketjoewalikan (uitgezonderd). 


nadióhó. 


sekalikali (volstiekt). 


toeoe-toeoe. 


tjoemah. 


ontbreekt (tjemongko satoe) 


hanja. 


id. 


sehadja. 


id 


separo. 


iwon. 


plan-plan (langzaam). 


médjé uiédjé. 


doesta; boliong. 


la-a 


habis; peugabisnja. 


tjëino; tjéuio leï. 


IV, Voegwoorden. 


dan. 


bai. 


atau. 


ko. 


lagi 


doewa. 


djoega. 


ontbreekt. 


serta. 


agoe. 


auipir. 


tantjökoi (oneigenlijk). 


nistjaja. 


toeoe. 


barangkali (tiada bagitoe) 


salahitoe. 


ija itoe. 


kali kijo ta. 


moedah-moedaban . 


tjaia. 


teta))i. 


salah 


saboleh-bolehnja. 


tjc apa pa ngantjè. 


adapon. 


ontbreekt. 


maskipon. 


mana. 



81 



maka. 


ontbreekt. 


i^aliadan. 


id. 


soewatoe pon tiada. 


asa semongko toi. 


sakali pon tiada. 


toi manga toeoe. 


beruioela. 


poeoe. 


melaiDkao. 


ontbreekt. 


baik . . . baik. 


sama tan . . . sama tan. 


man . . • man. 


id. id. 


mendjadi (twt. om). 


wówó. 


djaagan. 


nèka. 



V. Lidwoorden. 

ontbre/cen. 



(ada sa-orang). 






(manga tjang ata). 




VI. 


Tusschenworpsels. 


wah. 






ontbreekt. 


adoeh. 






idi. 


ajoh. 






wadjö. 


tjis. 






ontbreekt. 


liej, ja; (o!). 






ijo. 


gerangan. 


1 




ontbreekt. 


barang. 




optatief. 


id. 


moedall- moedahan. J 




id. (tjala) oneigenlijk 


ki ranja. 1 
facndaklah. | 


optatief 


&p§L kirakira. 
tegi waë. 


sajang. 






moma. 


kasian. 






ba-e. 


faaram. 






oni breekt. 


mari. 






mai. 



VII. Telwoorden. 



A« geheele getallen. 

8atoe. tsja. 

doewa. soewa. 

T^dwhr. Ind. T. L. en Vk., deel XXXV. 



6. 



»2 



tiga. 




teloe. 


ampat. 




pat. 


lima. 




lima. 


anam. 




oêm. 


toedjoeli. 




pitoe. 


delapan. 




allo. 


sembilaD. 




tsjiü. 


sepoeloeh. 




(8em) poeloeh. 


sabelafl. 


enz. enz. 


sempoeloeh tsja. 


saratoe8. 




ratoe. 


sariboe. 




sëseboe. 


salaksn. 




(ontbreekt). 




B. rangschikkende. 


kasatoe (pertauia). 




samongko (??) mola dij 


kadoewa. 




soewa inongko. 


katign. 




teloe mongko. 


kasapoeloeli. 




poeloeh mongko. 


kasaratoes. 




ratoe monffko. 



enz. enz. 
saboewah; sabitab. samongko. 

saboetir. sawëras. 



sapoetjoek. 
sahëlei. 



satjoepoek. 
sataoe. 



C br enken 



saperdoewa. 
sapertiga. 
saperpoeloeli. 
saperseratoes. 



patti soewa. 
patti teloe. 
patti sem (poeloeh) 
patti ratoe. 



enz. enz. 



verzamelende getallen. 



berdoewa-doewa. 
beratoes ratoes. 



soewa tau (teloe — ; pat tan), 
seratoes-ratoes. 



enz. enz. 



83 



E. Termenig^Yiildigende getallen. 


sakali. 


tsja-ng-kali. 


doewakali. 


soewa-ng'kali. 


sembilan kali. 


tsjio-ng-kali. 


doewa lapis. 


soewa lapi. 


koeinpoel (optellen). 


këbóró. 


potong (aftrekken). 


rópo. 


bertambah-tambab (verme- 


tambah-tambah. 


nigv:). 




membabagi (deelen). 


poti. 


beberapa. 


tjëhitoe. 


1890. 


sësèboe allo ratoe tsjiö poeloeh. 


VIII. Byvoegelijkenaa,mwoorclen. 


besar. 


mèsè. 


ketjil. 


koY. 


sedang. 


bareha mèsè. 


bagoes. 


dia. 

1 


aloes. 


aloes. 


kasar. 


kasar. 


moedah. 


uiolas. 


toewah. 


toeah. 


dingin. 


mënës. 


panas. 


kolafa. 


pandjang. 


léwéh. 


pendek. 


wókó. 


lebar. 


lembab. 


tinggi. 


langkas. 


tjctjek (ondiep). 


dèngkè. 


tcrdjal; tjoeran (steil). 


toeké. 


keras. 


tsjira. 


lemafa (zwak). 


bawas. 


malas. 


ngondè. 


radjin. 


moepoc. 


pandéj. 


këdjoe. 


bodoh. 


mbölÖB. 



84 



manis. 




matji. 


asin. 




tjëra. 


asem. 




héjo. 


tawar. 




bi^lè. 


paliit. 




paït. 


pedis. 




mfis. 


marah. 




rinti. 


baik {^ 


bagoes). 


di-a 


boesoek. 


f 


Dgëroeb. 


djahat. 




dal 


roeaak. 




tol di-4. 


nakal. 




gëgah. 


litjiD. 




gëlèk. 


koewat. 




bërës. 


berat. 




mëndo. 


haringan. 




géjan. 


enak. 




minak. 


sedjoek ( 


== dingin). 


mënëfl. 


sakit. 




bëtti. 


febat. 




baïk. 


moerah. 




dÖÖD. 


mahal. 




baï. 


longgar. 




longga. 


kandas. 




dö-6. 


poctih. 




bako. 


merah. 




wara. 


itam. 




mitan. 


biroe. 




oelar. 


koening. 




lèro. 


idjau. 




n^nti. 


sesab. 




ké-o. 


(koeda) belang. 


(djaran) balió 


„ dawoek. 


„ bako 


basab. 




batjab: 


kcriog. 




dangO. 


gelap. 




nëudok. 



85 



teraDg. 


géra. 


bresih. 


8&-fi. 


kotor. 


pita. 


tebal. 


hocmpoe. 


nipis. 


sèng. 


gemock. 


bëtjèk. 


koeroes. 


roetjoe. 


salah. 


salah. 


maloe. 


rita. 


pandej. 


onlbreekL 


poetjak (bleek). 


mantja. 


soekatjita. 


lelak. 


doekatjita. 


toi dia nai (oneigenlgk) 


Djata. 


en (breekt , 


bengkok. 


*Ddökö. 


tadjam. 


b&. 


toempoel (bot). 


bangg6. 


masak. 


tèning. 


braiii. 


rani. 


maboek. 


langoe. 


boender. 


möngkö. 


ampat persagi 


ontbveekL 


gila. 


wödö. 


gatal. 


ra. 


gampang. 


em6. 


soekar. 


niënah. 


sadija. 


mëngkak. 


bina. 


ontbreekt. 


kentjang. 


tëndi. 


kennjang. 


bëtjoe. 


sekagger. 


loedji. 


telandjang. 


latjo. 


kosong. 


kanah. 


penoeh. 


pënnoeb. 


bérakal. 


lain akal. 


pinter. 


pëtji. 



86 



éoak. 


luinak. 


koerang adjar. 


toi pëtjingada(t). 


lëpas. 


lëgó. 


koewasa. 


koewasa. 


djinak. 


méroe. 


lijar. 


mi ba. 


alpa. 


onlbreeliL 


tjantik. 


lömèb. 


kagèt. 


wëtè. 


tjilaka. 


tjilaka. 


kaja. 


bo. 


miakin; papan. 


kasi-asi. 


tjapé. 


bënna. 


baharoeh. 


wëroeh. 


boenting. 


baramèsè (peroet besarj. 


patoet; (pantes). 


ontbreekt. 


boeta. 


boeta. 


berani. 


rani. 


kental. 


tëboe. 


toeli. 


nëntang. 


Boenji. 


limö. 


botjor. 


tiü. 


pintjang (kreapel). 


dènggè. 


tégar. 


ontbreekt. 


ramój. 


raméj. 


roesoeb. 


ng&ngö. 


goemilang. 


'nggöa. 


miring. 


gègè. 


kakoe (styf). 


kadör. 


bisoe (stom). 


'ndingoe. 


banjak. 


dö. 


mali. 


mata. 


hidoep. 


möBè. 


pad&m. 


ontbreekt. 


rfikoes. 


. »^' 


antéro. 


doewé. 



87 



gasil. 


ontbreekt. 


bingoeng. 


uiamoer. 


genap. 


rcmó. 


sengadja. 


ontbreekt. 


doDgké. 


bélég. 


loepa. 


hémo. 


riudali. 


* j A 
rada. 


loateng. 


tèê. 


toeuioeroeo.. 


waoe. 


asing (vreemd j. 


daugga (ata padangga). 


embal (vochtig). 


bëtër. 


oban {gTÏ}8), 


boetoe. 


odob leelijk). 


ontbreekt. 


djaDtCD. 


laki. 


betina. 


kina. 


berahi (verliefd). 


lama. 


bëngang (gapeo). 


üga. 


bougkok (gebocheld). 


rëkoe. 


teram (betrokken). 


ontbreekt. 


tetap. 


ld. 


lapaog. 


béa. 


teratak (viak). 


gëlèk. 


terdjal (steil), 


toekè. 


toenggal (eenig). 


hanakoi (eigenlijk zelf). 


tiroes (spits). 


lólo. 


rata. 


bëa (— lapang). 


tjampoer. 




IX. Zelfstandige naamwoorden. 


maooesia. 


manoesia. 


orang. 


ata. 


„ laki laki. 


„ rona. 


orang perampoewau. 


ata wiua. 


anak. 


anakoi. 


jy laki-laki. 


jj ata rona. 


ff perampoewan. 


„ „ wina. 



88 



orang kat6j. 


ata wökö. 


anak daia (prawan). 


mola koi (?). 


badan. 


i;\ëki. 


moeka. 


ranga. 


roepa. 


maiïgaranga (?). 


baiigkéj. 


ra poe. 


angg.»ta. 


tjötjoepoe. 


kapala. 


fi&i. 


raniboet. 


woo. 


dalii (voorhoofd) 


gfila. 


mata. 


mata. 


kali»epak mata. 


ilip mata. 


W^>ji 


• • • • 


boeloo „ 


woel 00 jf 


kening (wcukbrauwen). 


otilbreelu. 


koeping. 


tiloe. 


hidoeng. 


isoe. 


lijang hidoeng. 


noewa isoe. 


ocdjoeng „ 


tjónö „ 


pipi. 


patjoe. 


ZDoeloet. 


moeoe. 


tahi lahat. 


talii laloe. 


boerèj (tjeratjak). 


boesè. 


bibir. 


Dini (uini èta; niai wa) 


g'gi- 


nïïs. 


goesi (tandvleesch). 


on i breekt. 


lidah. 


lëma. 


anak lidah. 


ngaröp. 


djanggoet (kin). 


patjoe. 


ld. (baard). 


djanggó. 


koemis. 


gipi- 


lèhör. 


wöka. 


batang I6hör (nek). 


tjönggo. 


baboe (schouder). 


töta. 


lengan (arm). 


limöh. 


sikoct. 


tsiikoe. 



89 



taTigaD. 


rémpa. 


djempol; iboe tangan. 


ponggo limih. 


djari. 


t()8Ö. 


djcntck (pink). 


kindè. 


k<)ckoe. 


woekoe. 


dada. 


ramba. 


soesoe. 


tjoetjoe. 


roesok (ribbcTj). 


rat ja. 


bclakang (rug). 


toni. 


pingjcang. 


péga. 


peioet. 


bara. 


paba. 


P&&. 


pantat 


riti. 


kaki. 


vrabi. 


loetoet (knie). 


toeoes. 


djari kaki. 


ponggo wabi. 


betis (scbeen). 


wëlti. 


toetnit (biel). 


tocdé. 


kcelit. 


16ké. 


daging. 


itji (?). 


toelang. 


tökö. 


oerat 


wasa tj61i. 


darab. 


dnrab. 


oetak. 


oetak. 


keringet. 


Dola. 


loedab. 


ipob. 


hm pa. ^ 


dimpa. 


djantoeDg (liart). 


ati. 


bampedal (maag). 


toeka. 


gcmoek (bet vet). 


rawa. 


tabi. 


djamba. 


soeara. 


rëwang. 


kalob (zacht). 


poso. 


tanak. 


8ckai. 


bapa. 


amé. 



90 



iboe (mama). 


éndé. 


iboe bapa. 


ata toewa. 


pemboentoet. 


anak tjemo. 


pembareb. 


r ngaso. 


bini. 


wina. 


Dènèk. 


ëmpó (ata toewa). 


mojang. 


onlbr. (ëmpo taka oio). 


tjoetjoe. 


Ömpo (ata koi) (V). 


soedara laki enz. 


kac ata rona of ata wina. 


kakang. 


ata ngaso. 


„ (neef). 


ana wata. 


„ (nicht). 


,, nara. 


penganten. 


ontbreekt. 


bapa mantoe. 


amé koi. 


aoak ,, 


aua(k)koi (?). 


ipar. 


kèsa. 


bapa tiri. 


ame koi. 


anak soendaK 


ontbreekt. 


anak piatoe. 


ana asi-asi. 


djanda. 


loewa. 


poesaka. 


paï. 


sakit. 


bëtti. 


pedih (pijn). 


laha. 


pening kapala (scheele hoofd- 


bëtti sai — tjëtjoepoe. 


pijn)- 




poesing kapala. 


langoe-wangka. 


demam gili. 


pèmpang wéoe. 


barah. 


witjoe. 


boesoeng (verstopping). 


poentëng. 


parau (heeschheid). 


dëka. 


pétam (toeval). 


möna. 


tjatjar. 


boesir. 


koerap. 


loewi. 


sakit ingoes. 


tëgah. 


nanah. 


noenoe. 


bisoel. 


witjoe. 



91 



sakit kintjing. 


sawang. 


paroet (lidteekenj. 


wake. 


intik (ylek). 


{janoh. 


kentoet. 


pëtjoe. 


het opperwezen. 


morikraëng. 


doenja. 


Iiu6. 


soewarga. 


ontbreekt. 


langit. 


awa. 


boemi. 


linö. 


tanah. 


tana. 


darat. 


masa. 


Degeri. 


béjo. 


oetan. 


poear. 


rimboe. 


„ mèsè. 


oedik. 


tjëmö. 


ilir. 


id. 


poelaa. 


Doentja. 


laat. 


tatji. 


tjer. 


wai. 


télok. 


mëlö. 


pelaboeaD. 


ontbreekt. 


sélat. 


id. 


ombak (gelombang). 


ombak. 


baroes. 


tjoentja. 


awang. 


rewoeh. 


aogin. 


woeroe. 


riboet. 


„ póté. 


oetara. 


laa. 


barat. 


ïialeb. 


selatau. 


lé. 


timor. 


awo. 


timoerlaat. 


antbreekt. 


baratlant. 


id. 


baratdaya. 


id. 



92 



toenggara. 


onhreckt. 


matahari. 


matalcsö. 


boclan. 


woela. 


gerhana boelan. 


onthrcelU. 


bintang. 


'hÜMl. 


sijang. 


géra. 


oedjan. 


oesa. 


,, deraa. 


p mèsö. 


bandjir. 


wft &. 


goefnloer. 


gënggoe. 


kilat. 


bilap. 


api. 


api. 


1 asep — 2 waterdamp. 


1 nae — 2 lana. 


gëinpa boemi (tanali). 


nëpoeh. 


lindoeng. 


nëpocb. 


goenoeug. 


golo en potjo {onbewoond) 


Boengei. 


nanga. 


koewala. 


moe-oe. 


boekit. 


golo rada. 


pantej. 


loepi. 


tepi laat 


1, tatji. 


tel a ga. 


bongki {zeer klein). 


pasir. 


laji. 


loempoer. 


pita. 


karang. 


roentjoe. 


batoe. 


^atoe. 


tandjong. 


tórö. 


kaïnpong (dorp). 


kampong. 


negeri. 


bëjo. 


djalan. 


sala. 


kebon. 


pö6. 


pasar. 


passi. 


atap. 


nu 


roemah. 


'mbaroe. 


bandar. 


ontbreekt. 


djambatan. 


lèta. 



93 



dapoer. 
bilik. 


sapo. 

kilo. 


tangga. 

piutoe. 

kajoe. 


ridl. 

parab: 

hadjoe. 


papan, 
koeda. 


tampa. 
'ndjaré.. 


andjing. 
babi. 


atjoe. 
la. 


koetjing. 
dom ba. 


'mbéki. 
onlbreelcL 


kambing. 
bariman. 


'mbè. 
ontbreekL 


kera. 


kodè. 


mendjangan. 

banling. 

tikoes. 


roetja. 

ontbreekt. 

lawo. 


këlintji. 


ontbreekt. 


bèbëk. 


id. 


ajam. 
„ kébiri. 


manoe. 
ontbreekt. 


gangsa. 
boeroeng. 


id, 
kaka. 


„ mërak. 


ontbreekt. 


peniki (vledermuis). 

gagak. 

sajap. 

ekoer. 


niki. 
ka. 
lëbè. 
ikö. 


lalat. 

penjamoek (kleine). 

tókéj. 

djangkrik. 

tjiijak. 

laba laba. 


lali. 

löbö lantö. 

tëkè. 

kiri. 

rëkëng. 

ranggó. 


oelar. 


oelar. 


oelat. 


'ulfiwA. 



94 



seinoet. 


pëdoefli. 


koetoe. 


hoetoe. 


„ boefloek. 


toemah. 


ÜDtah. 


mantak. 


k&la kala 


tikè. 


biloedak. 


regè. 


kerbo. 


k&ba. 


boewaja. 


wadja. 


biawak. 


wëti. 


kodok. 


*ngërè. 


oedang. 


koesè. 


kapiÜDg. 


roekoes. 


ikaD. 


ikang. 


toelang ikau. 


t(^k(). 


isang (kieuwen). 


ontbreekt. 


sangat (angel). 


latjo. 


telor ikan. 


töló. 


pekakas roemah. 


uiarkanni 'mbaroe. 


kadera (stoel). 


ontbreekt. 


tampat tidoer. 


tókalai. 


ban tal. 


loené. 


kain. 


lipa. 


lilin. 


lili. 


sapoe. 


rowi. 


piring. 


piri. 


gendi. 


téo. 


tampajan. 


goemba 


koekoe4ian. 


ontbreekt. 


kwali. 


tjëné. 


perioek. 


lëwi. 


garam. 


tjie. 


pala. 


boenga lawa. 


tjingké. 


ontbreekt. 


minjak. 


mina. 



95 



lada. 


nggoeroe. 


goela. 


göla. 


koppi. 


kahawa. 


mangkok. 


mangkok. 


roti. 


songko. 


deeg van djagoeogmeel. 


tjobó. 


daging. 


naké. 


bocroeng 


kaka. 


ikan. 


ikang. 


paha ikan. 


tjetjoepoe ikan 


bera8. 


dé-a. 


padi. 


wodja. 


Basi 


ha. 


katjaog. 


woe-è. 


sagoe. 


ontbreekt. 


tepoeng; terigoe. 


«ëwoe. 


soesoe. 


tjoctjoe. 


kwé-kwé. 


ontbreekt. 


oebi. 


tèté. 


boeboer. 


bëlèk. 


laboe. 


tawoe. 


pisang. 


moetoe. 


boeah kalapa. 


woea nió. 


djeroek. 


ndéroe. 


manggistan. 


ontbreekt. 


limon. 


limó. 


mangga. 


mö. 


pepaja. 


padoe. 


pobon (kajoe)' 


poe oe hadjoe. 


daoen. 


saoe. 


batang. 


dangka. 


akar. 


wake. 


tjabang. 


dangka. 


koelit. 


loewi. 



96 



boewah. 


woc-a. 


bidji (pit). 


itji. 


koetoem (knop). 


wèla. 


polioD djati. 


onibreekL 


bamboe. 


tó-é. 


teboe. 


téoe. 


pobon kapas. 


poe-oe kapas. 


„ asem. 


„ maké. 


yf kajoe manis. 


„ 'ndinga. 


radja. 


mori. 


karadjaHn. 


ontbreekt. 


poetri. 


id. 


sultban. 


mori sombah. 


mautri. 


OhtbicclU {ook vücl: daloe) 


makota. 


id. 


kabesaran. 


tatcrapang {inz: kris). 


oetoesan. 


poeiiggawa. 


parentab. 


paren tab« 


gelarrang. 


gëlarr4. 


toewan. 


mori. 


orang ketjil (kleine man). 




toekang. 


onlbreekL 


„ kajoe. 


id. 


„ besi. 


id. 


djoeragan. 


id. 


djoeroebasa. 


djoeroebasa. 


jf nioedi. 


ontbreekt. 


toekang batoe. 


td. 


pekakas. 


markanni. 


][inggi8 (koeroet). 


ontbreekt. 


pabut. 


pantéj. 


badji (wig). 


ontbreekt. 


taU. 


taU. 



97 



atap. 



n-i. 



tijang. 


8in. 


goenting. 


ontbreekt. 


djaroem. 


d)aroe. 


depa. 


dëpa. 


piaa. 


pisa. 


parang. 


kopé. 


g&I&. 


ontbreekt. 


arang. 


asem. 


bakoel. 


bakoe. 


karoeng. 


bëlasé. 


lesoeng. 


'Dgontjoe. 


aloë. 


aloë. 


peisa (tampat tènoeng). 


lëd&. 


besi. 


bëtjL 


tambaga. 


ontbreekL 


emas. 


emas. 


perak. 


oewa. 


timah. 


mëra. 


„ poetih. 


ld. 


kapoer. 


taha. 


taiiah. 


tanah. 


wadja. 


ontbreekt. 


aoewasa. 


id. 


pedingin (wan). 


dókoe. 


tetampah (zeef). 


ontbreekt. 


dedak. 


baho. 


intan. 


ontbreekt. 


moetiara. 


id. 


karang. 


roentjoe. 


doepa. 


ontbreekt. 


ratjoen. 


rasoe. 


biaa (vergif). 


id. 


ÜDgkal (borax). 


ontbreekt. 


nila. 


tao. 


batoe timboel. 


ontbreekt. 


HSydiohr. lAd. T, L. «1 Vk., 


dM XXXV, 



7. 



98 



tawas. 
kain. 



sarong. 



tjelana. 
soctra. 
tjita. 
boeloe (wol). 



rëwó (7). 
lipa 
id. 
dékö. 
ontbreekt. 
gëlë. 
onlbrcekl. 



toelisan. 


ontbreekt. 


moesim. 


tjëköng. 


taliocn. 


'ütahoe. 


boelan. 


woela. 


bari. 


lëso. 


malam. 


wijè. 


pagi. 


gocla. 


koetika. 


ontbreekt. 



satapan. 

pralioe. 

kapal. 

dajoeng. 

baloewan. 

kaïüocdi. 

lajar. 

saoch. 

moeatan. 

DaraDg. 

përang. 

mocsoeb. 

sëtëroc. 

mata-mata. 

sendjata. 

senapang (geweer). 

këlówang. 



sampa. 

wangka. 

kapal 

bihè. 

ocloe. 

ontbreekt. 

ladja. 

mangga. 

locrab. 

id. 
ram pa. 
mocsoe. 
ontbreekt. 

td. 

id. 
bëdi. 
pëda. 



99 



panah. 


pana. 


soempitan. 


fiocmpi. 


pedang. 


pëda. 


peloeroe. 


ana bedi. 


soeniboe. 


tapa. 


toembak (lans). 


toentoe. 


obat pasaDg. 


oebd. 


kcris. 


kiris. 


badjoc rantej (pantserhemd). 


onibrce/U. 


perisi (schild). 


'iiggili. 


lela. 


OU i breekt. 


kata. 


kota. 


tembok. 


id. 


pagar. 


këna. 


pintoe pagar. 


pa a. 


adang (liiuderlaag). 


'iigókó. 


parit 


oiilbreekL 


mêngëpoeng. 


IcwO. 


mënaiig. 


laï (?). 


kalah. 


ro2doo. 


bckal. 


b0k6. 


pasang. 


bO. 


madjoe. 


rocinpa. 


tawaiian (krijgegevangene). 


dökö. 


baliaja. 


paï. 


QJanjiüD. 


dèiè. 


oentocDg. 


dëlè 


roegi. 


roegi. 


pcrmainan. 


gëj;ah. 


kalakocan. 


onibicckl (lakoe 


balasan. 


walé. 


pckerdjaan. 


gori. 


perdjaudjian. 


këiök. 


tipoe. 


la-a. 


béja. 


taki. 


sesal. 


fië&u. 



=këQa). 



100 



kaadaflD. 
arti. 


tanda. 


tanda. 


id. 


denda. 


mendö. 


tfipa. 


antbreekL 


tawaraD (bieden). 


rópó. 


perboeatan. 


naidia. 


kabedjikan. 


dia lai. 


dahaga; aoes. 


masa wai. 


kanjataan. 


go-a. 


paksa. 


paboea. 


kasoedahau. 


tjëmo. 


oepaban. 


goena. 


djamoe. 


ata tjai weroeb. 


perdjamoeau. 


ontbreekt. 


iDgataD. 


baró. 


kapertjajaHu. 


imbi lai. 


persembabau i^gesobenk). 


kasawiang. 


bangsa. 


bangsa. 


baoe (geur). 


'ngëroeb. 


anijaja. 


séja. 


adat. 


fidfi. 


perhimpoenan. 


kaboro. 


peladjar (leerlingj. 


ata adjar. 


peDgadjar. 


„ noengkoe. 


peroesaha (werkman). 


;, remogori. 


pengoesaba. 


tanda gori. 


peroesabaan. 


gori lai. 


pengoesabaau . 


tanda gori lai. 


kalaparau. 


darëm. 


augkatan (bende). 


ofitbreeliL 


pengangkoet. 


id. (angkoet 


kamatian. 


id. 


élat. , . 


lëngës. 


ombak. :• • • • 


omba. 


salah ambilkn: (misverstaud). 


tjala maoe. 



= tèü). 



101 



anting-anting (yersiersel). 


sëngó. 


kapariksallD. 


bitja. 


pamarentahan. 


tanah parenta. 


peaanaD (boodschap). 


woeat (?). 


pangkoe (schoot). 


kapoe. 


përléntei (leeglooper). 


ontbreekt. 


permadani. 


id. 


ampoen. 


somba. 


pelékor (gevolg). 


ontbreekt. 


kabesaraD. 


tatarapan (eig. een soort kris) 


pengharapan. 


ontbreekt. 


piliban (keus). 


pilih. 


warna. 


ontbreekt. 


pelbagei (yerscheidene). 


(manga doewé). 


kabanjakan. 


dö. 


pembitjara. 


ontbreekt. 


kabetoelan (juist yan pas). 


naoe. 


belandja. 


belantja. 


bentji. 


mas-toeka. 


kabijarang (Terwaarlooziug), 


ontbreekt. 


tabé. 


tabé. 


kahendak. 


woeat. 


kakasih. 


natja. 


tingkah. 


gagah. 


pertengahan (middelpunt). 


tjömó. 


tepi. 


loepi. 


tampat. 


bangka. 


teman. 


hai. 


toetoepan. 


tadoe. 


toedjoe (richting). 


teroes. 


pertoeloengan. 


baé. 


toean. 


mori. 


tikar bantal. 


akoe loeni. 


kadjadian. 


radja. 


t|abang (tak). 


tökö. 


tjakrawala. 


géra. 



102 



tjeiah (kloof). 


ké-o. 


pendnpntan. 


ontbreclU (haïng). 


pendcngar (het gehoor). 


döngè. 


sabërang. 


bas! na. 


kasalahan. 


apa salah lai. 


pergalahan (weerstand). 


pampa. 


seboetan (uitspraak). 


tombö. 


sangsara (ellende). 


séja. 


sangkoetan (beletsel). 


? 


sËpah (siribpruim). 


lopat. 


selesei. 


paii-tai. 


sclisih (geschil). 


pötcng. 


koer (soemangat). 


kiri (?) ofilbreeht. 


soembang (bloedschande). 


bikar. 


sempat. 


rémö (?). 


soempah. 


paka. 


kasamoeanja. 


doewé doewé. 


pesoeroeh (last). 


Boesocng. 


gocroehan. 


ata Eoesoeng. 


sirih. 


kalah. 


1* salangkap; 2« pakeian. 


2'» pakcj; 1« pasangi. 


sapasang (paar). 


— riutja. 


perkara. 


bitjar. 


pangkat. 


pangka. 


pelibaia (temmen). 


koniah. 


paiitjoeran. 


6üüÓ. 


poedji. 


ngöri. 


kadjang. 


kadja. 


koetoek (vloek). 


keranga. 


kakoerangan. 


koera. 


kalepasan. 


poli lego. 


garam. 


Uü<i- 


lada. 


n goeroe. 


gendala (voortccken). 


tanda. 


penggoenaan. 


wfitoea. 


kalclahan. 


lahalai. 



hoetang. 



103 
raoe. 



X. Werkwoorden en zegwoorden; 



berdiri. 

beranak. 

berbiui. 

doedoeq. 

tidoer. 

makaD. 

berdjalan. 

djocwal; heli. 

bernjala. 

bendak. 

datang. 

masoek. 

najik. 

toeroen. 

terbit. 

poelang. 

ter bang. 

baring. 

maoo. 

lënujr.p. 

taboe. 

tanja. 

san tap (eten). 

miuoem. 

takoet. 

dapat. 

memanah. 

mengajil. 

menoeüs. 

menjoeroeh. 

menaDgis. 



basé. 

dadi. 

miwina. 

löntó. 

tókö. 

ba. 

lako. 

tika; weli. 

dila. 

lUÖ. 

ngoL 

mai. 

ngonè. 

toekë. 

waoe. 

bö. 

kolé. 

léia. 

wola. 

gori. 

mora. 

pöJJi. 

taoe. 

ba. 

inac. 

ranta. 

baing. 

panab. 

peka. 

on I breekt, 

soesoeng. 

rita* 



104 



berkata. 


rèwang. 


berkalahi. 


wadja-tan. 


menoeloeng. 


baë. 


minta. 


tëgi. 


menjiksa. 


tjökö (oneigelijk) 


mengisi. 


isi. 


melawan. 


pala. 


bernang. 


ODgi. 


meloempat. 


bontjoe. 


menari. 


gëgah. 


pidjit. 


pëtjè. 


bertelor. 


tëló. 


mamah (kauwen). 


mamah. 


mengijoeDg. 


ngaoe. 


mengisap. 


inoe. 


toekar. 


paloe. 


bergerak. 


woeli. 


tijoep. 


poe. 


bermimpi. 


nipi. 


gègèr. 


nga. 


pegaDg. 


tjaoe. 


batoek. 


mikt. 


dengar. 


dëngö. 


boleh. 


tjöö. 


bangoen. 


tö-6. 


bërtërèjak. 


tsjiè. 


meloedah. 


ipoh. 


tjaboet. 


kaëboe. 


djatoeh. 


pa-o. 


mentjeritera. 


tjoeroep. 


merasa. 


do-i. 


aangka. 


bangkö. 


boewang ajer. 


tjio; djamba. 


melibat. 


ita. 


menjanji. 


dèrè. 


tebang (ontginnen). 


pandé 



105 



tëbas (ontginnen). 


pandé. 


taboer. 


wétja. 


tanam. 


wéri. 


potong. 


ropo. 


tampi (wannen). 


tëpi. 


koepas. 


tjotjo. 


gadoeng (klimmen). 


lór. 


tahan. * 


tft-&. 


poengoet-pëtak. 


poe-a. 


berangkat. 


ta. 


siram. 


wora. 


sewa. 


tjöka. 


(mem) pikoel. 


lemba. 


— (aan het voorhoofd). 


èko. 


tambah. 


tambah. 


pindjam. 


Ujölo. 


berangkatkan. 


ta. 


melari; lari. 


lëmpö; 'mboeroe 


berhenti. 


aai. 


memboenoeh. 


ola. 


menikam. 


roengka. 


moendoer. 


mëso. 


merampas. 


wenta. 


memoekoel. 


bolo. 


mengatoer. 


doengka. 


mengamok. 


djëlok. 


mengambil. 


mi. 


mentjabari. 


kawé. 


mampoes. 


bonar. 


meneboes (loskoopen). 


lësi. 


mengiring. 


pödö. 


mendjaga. 


djaga. 


meletoes. 


dila (?). 


mengoesir. 


woer. 


membawa. 


bft. 


mengamat-amati. 


'nggoelè. 



106 



mendataiigi. 


tjai-lai. 


mcmbesarkaD. 


laki (?). 


melarikan. 


wèndó. 


menjatakao. 


baradja. 


meninggalkaD. 


aké wengga 


meniboekakan. 


tsjingka. 


mcmbcrikan. 


tè lai. 


mcmeliliaiakan. 


linoe. 



De transitieve vorm van het werkwoord en zelfs de actieve 
vorm schijnt niet door een bepaald voor- of achtervoegsel ge- 
vormd te worden. liet is de vraag ot hier en daar het achter- 
voegsel lai een overgankelijke beteekenis heelt. Het Bima- 
Dcesch' heelt ook niet een transitieven vorm op de wijze als 
in het Javaansch, Socndaneesch en Maleisch. liet Bimanecsch 
vormt dien overgang soms door gebruikmaking van het achter- 
voegsel wcJGf zooals bij voorbeeld in; naho hocnangi wrja anale =s 
kila mcnanqisi analdoe. In het Manggaraiseh wordt dit: da- 
koe tèla lai and; dus met gebruikmaking van het achter- 
voegsel lai, zooals in het Makassaarsch t. Een merkwaardig- 
heid in dit voorbeeld is nog, dat de bezitting er niet in uit- 
gedrukt wordt; waarschijnlijk omdat anaLhoe meer de be- 
teekenis der betrckLiiiff aangeeft en niet den posscf^sicl. In- 
dien men zou willen zeggen: dat men eens andermans kind 
beweent, dan zou daar den naam van dien persoon bij moeten 
gebezigd worden. Dit laatste pleit dus voor de juistheid 
der bovengenoemde onderstelling, die echter geen zekerheid 
is. Een onderscheid lusschen de vormen t en han^ zooals in 
het Maleisch en Javaansch bestaat, wordt niet gemaakt, want 
mcmhcvihan is bijv: té lai; mcndalangi is ijai lai, en mem- 
bovkakan is tsjingka of tsjingka lai. 

Nog een voorbeeld is: 

naho kocloi wcja djara moe = Idta mengobaii koedamoe, 
hetgeen in het Manggaraiseh wordt: 

akoe hoera lai djara hau. 



107 

* 

En een ander: 

pabélo memai nèja rasa = orang perowpak mendatangi. 

In liet Manggaraiscli is zulks: 

pagora ijai lai bcjo. 



Het scbijnt dat de passicTe rorm, zooals in het Maleiseh 
door di gevormd wordt, door voorvoeging ran het woord 6a/e, 
zooals blijkt uit het voorbeeld: 

lako re lamboe (Bim:) = anJjing dipoekoeL 
hetgeen in het Manggaraiscb wordt. 

aljoe bate hakaL 

oi re vccha (Bim:) = flyir diambil. 
wordt dus 

vuai bate mi. 

oi re vccha iia of re weha ita oi = ajir kau-ambiL 
das in het Manggaraiseb. 

voai balé mi dUé, en ook balé mi ditè wai. 



Het accidentcel passiet wordt soms gevormd of vervangen 
door poli {socdali) als een woord niet vatbaar is om den ao- 
cidenteelen vorm aan te nemen; anders door lai er achter te 
plaatsen, zooals bijvoorbeeld: kalepasan ^= poli lego, waarvoor 
men niet kan zeggen lego lai; daarentegen is kalelahan == 
laha lai en kasakitan = belli lai. Veeltijds wordt echter het 
grondwoord gebezigd, daar het achtervoegsel lai weinig ge- 
bruikelijk is in dezen zin. Ook worden de woorden in 
den zin anders gerangschikt om geen begripsverwarring te 
geven. 

Het passief met (er zooals hieronder: 
(tiada) tepennanai (outelbaar) (/ot) iara-bih. 

tersenjcem iara-imoe, 

(er fa wa (ara- la wa. 

lerkena (ara of balélcena. 



108 

tèrtepas tarolego. 

(érpalintang (verstrooid) tara-netja. 

lerbafcar tara-moentoe, 

terioetoep lara-tado. 

lèrloelis — 

tersèhoet — 

wordt gevormd door den voorslag tara en komt dos geheel 
overeen met het maleische ter. 



De voorslag pè of pèng, zooals in de Maleische woorden 
pléladjar en pengadjar, wordt uitsluitend vervangen door het 
woord ata = mensch {ata adjar 3= leerling). Het voorvoegsel 
pier met achtervoegsel an, zooals in perhimpoenan wordt soms 
vervangen door het voorvoegsel ka, bijv. kabaro. 



Een merkwaardig woord in het Manggaraisch is het woord 
delum, hetgeen diep beteekent; waarschijnlijk is het uit het 
Maleisch overgenomen. Andere woorden met dien klank urn 
bestaan niet in het Manggaraisch. 



Waar bij afgeleide woorden, zooals kasakitan en Icalela- 
kan in het Manggaraisch het achtervoegsel lai gebezigd wordt, 
is dit alleen mogelijk doordien de werking uitgedrukt door 
de beteekenis dier woorden nog niet geheel geïodigd is. 
Er is dus geen sprake van een passief in dezen zin. Ka- 
salcitan is bétti lai en Icalelahan is laha lai: daarentegen 
kalepasan is poli lego = soedah lepas. 

In de beteekenis van dit laatste woord ligt dat de wer- 
king geheel is geëindigd; van daar het gebruik van poli of 
soedah. Soms wordt nog gebruik gemaakt van het woord 
apa vóór met achtervoeging van lai bij grondwoorden, zooals 
bg het woord salah. Wellicht heeft nu de samenkoppeling 
apa'Salah lai =s kasalahan (Maleisch) eene abstracte betee> 



109 

kenis? Zooveel is zeker dat apa in dezen zin niet de be- 
teekenis van een vraagwoord heeft. Het is ook de vraag 
of pati, zooals in pati tai = sèlései (Maleisch) vóór een ander 
woord geplaatst, daaraan eene actieve beteekenis geeft, zooals 
bg bet Maleische me of meng het geval is, dan wel of het on- 
a&cheidelijk daaraan is verbonden, m. a. w. één woord 
vormt? 

Onzeker is het ook of werkwoorden gevormd worden door 
voorvoeging van pa, zooals in het woord paboea =sz paltsa 
(Maleisch), dan wel of het met boea slechts één woord uit- 
maakt. 

Verdubbeling van woorden komt in het Manggaraisch voor, 
zooals bijv. doewé doewè = kasamoeanja (Maleisch); anak 
aai-asi = anak pialoe (Maleisch); — Ijè dpaapa ngantjé^sz 
saboleh'bolehnja. Het woordje ije vervult hier de rol, die 
ia in het Maleisch in dergelijke woorden speelt. Het is de 
vraag of in Ijeljoepoe het woordje Ije in stede van sa wordt 
gebruikt, dan wel de verbasterde verdubbeling van ijoe in 
tjaepoe is. 

Wat de telwoorden, voorzetsels etc. betreft, wordt verwe- 
zen naar de woordenlijst. 



Aanteekening. Daar het Manggaraisch geen litteratuur rgk 
is, hoogstens eenige verhalen of overleveringen kent, kan 
hierbij geen fragment taal worden overgelegd, dat authentiek 
is. Voor het opteekenen van een verhaal ontbraken de tijd 
(slechts 16 dagen vertoefde ik in Manggarai) en de geschikte 
tolken; want intelligent genoeg om een zuiver Manggaraisch 
verhaal te leveren, was er geen enkele; het zoude slechts een 
Bimaneesche vertaling geworden zijn. 

De woordenlijst draagt hiervan ook slechts al te veel den 
stempel en maakt volstrekt geen aanspraak op volledigheid, 
al is de grootst mogelijke juistheid betracht. 

BIMA, 31 Mei 1891. 



NOG EENIGE ÜUmm PliGlU'S 

ÜIT HET 

MOHAMMEDAANSCHE TIJDVAK 

AFKOM&ÏIO VAN 

MATAEAM, BANTÈN en PALEMBANG, 

{tweede vervolg) 

DOOR 



BANTEN. 

{vervolg ) 

Nogmaals bestaat er gelegenlieid den leden van dit tijd- 
ficlirift bekend te maken met een nieuwen jnaghn. Ditmaal 
is bet een stuk uit de Lampongs, dat uitgereikt werd door 
een Bantënsclien siilian, en dus behoort tot de ][« afdeeling 
van bet opstel in Tijdscbr. Ind. T. L. en Vk , XXXII, 557, 
waarvan reeds een vervolg te vinden is ihid XXXI V, bOo. Ieder 
stuk van dezen aard bevat iets be angrijl;s, rectificeert of 
bevestigt van inlandsche zijde wat wij reeds weten omtrent 
de gescliiedenis van Java, en mag voor niet minder aange- 
slagen worden dan de olticiecle stukken der Hollandsebe re- 
geering gedurende denzelfden tijd, al zijn deze zooveel talrij- 
ker en gewoonlijk ook uitvoeriger, ea een ieder die bet zijne 
bijdraagt tot bet bekend maken van deze soort oificieele 



111 

iDlandsche bescheiden heeft aanspraak op den rechtmatigen 
dank van allen, die zich voor Java's geschiedenis interessee- 
ren. Het belang van deze oorkonden zal steeds meer en meer 
gewaardeerd kunnen worden, naarmate zij in een grooter 
aantal bekend zullen zijn, en in den laatsten tijd ziet men 
dit dan ook voortdurend meer in. 

De piagcm, waarvan de inhoud hier wordt medegedeeld, 
werd opgespoord door den Heer J. A. Aeckeulix, secretaris 
der Lampongsche districten. Door het vertrouwen dat hij zich 
bij den eigenaar, Dapok gelar Iladin Déngsawan, den hooid- 
jaksa van den iandraad te Ïelok-Betong, hcjlt weten op te 
wekken, mocht hij het stuk in originali in leen ontvangen, 
met het recht om het, opdat het onderzocht worden zon, naar 
het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen 
op te zenden, zie Not. Dec. 1891. 

De acte, met Arabisch schrift geschreven (pcgon), is gegrift in 
2 bladen koper (43 X 2(> cM.), die met scharnieren aan el- 
kander gezet zijn, zoodat zij tegen elkander kunnen worden toe- 
geslagen (evenals Palembang no. 6), en is zeer goed geconser- 
veerd. Hij bevat, zooals in den brief van den Heer Aëckeulin 
reeds opgemeikt is, „een uitspraak in een kwestie over grond- 
gebied enz. door den sultan van lianten tusschen tweeLam- 
poeiigsche volkshoof Jen, waarvan een de voorvader van ge- 
noemden hooiddjaksa was". 

In de ondervolgendc tabel, die voor een klein gedeelte eene 
herhaling is van wat men reeds vinden kan op bl. 5ü4 Tijdschr. 
Ind. T. L. en Vk., XXXI f, vindt men sub 5^ de gegevens 
door het nieuwe stuk aan de hand gedaan voor zoover het 
betreft den datum, den f^chenker {sulia>i) en den begittigde. 
Daar hier deze zaken ook uit al de overige Banieasclie pia- 
gam^s gereleveerd zijn, geeft het geheel een betrekkelijk over- 
zicht, waaruit evenwel niet blijkt dat in 4^. (v, d. T. uo. 2) 
Stdlan Abu'1 Fatah Mohammad SjiliV Zainu'l-^ariiin, en in 
7o. (v. D. T. no. y) S«//ü;i Abu'üNagr Mohammad *^ArifZaiuu' 
l-'^asjiqin, diens zoon, waar zij een piagcni perpetueeren van 
Sultan hajji Abuu-Na(r ^Abdui-Qahhur, resp. den grootvader 



112 

en overgrootrader van deze beide sullan^s^ met yoorbijgaan 
van de overige sullan's, nl. Sultan Abu'l Fadhl Mohammad 
Yahya, de Rata Sjaryf, en Sultan Aba'i-Ma'^ali Mohammad 
Wfisi^ Zaina'l-hftlimtn, sleehts noemen den naam of de 
namen van die sultan* s, die genealogisch de rechtstreeksche 
verbindende schakels zijn tusschen ben en Sultan hajji; en 
wel in termen, die het vermoeden wettigen dat het met 
opzet is geschied, als om aan te toonen dat die overge- 
slagen sultanes niet mede geteld moeten worden. Het begin 
bijv. van T». (v. d. T. no. 3) luidt fy^^j^f^si) ^a) o^ 

'Jüojh ^ ^^ ^ ^^UlI ^j ^j\c J.*^ j^\ ,>) 

„Geeft acht op het bevelschrift ^) van wijlen Sulian hajji 
Aba'n-Na(r ^Abda'l-Qahh&r, opgevolgd (of gehandhaafd) door 
diens zoon wijlen Sultan Abn^l-Mohasin Mohammad Zainu'l- 
*&bidtn, opgevolgd (of gehandhaafd) door diens zoon (wijlen) 
Sultan Aba'l-Fatah Mohammad Sjifa' Zainu'l-^'aiiliQ, opge- 
volgd (of gehandhaafd) door diens zoon Sulian Abu'n NaQr 
Mohammad <^Arif Zainu'l-^&sjiqtD, den tegen woordigen Sultan 
van Bantën'', terwijl voor v^ji in 4^ (v. d. T. no. 2) de 
variant aJU j (overgaande op) gevonden wordt. In verband 
met hetgeen wg sints 1881 omtrent de periode van Bantën's 
geschiedenis, die voor het nieuwe hier gegeven stuk vooral 
van belang is, weten uit het schoone opstel „DegrooteBan- 
tamsche opstand in het midden der vorige eeuw'^ van de hand 
van wijlen den Heer P. J. B. C. Bobidé vak der Aa, Bijdr. 
T. L. en Vk. v. N. I., 4« volgr., V, bl. 1—127, waarop 
straks teruggekomen zal worden, is het zoo even gereleveerde 
feit zeker niet zonder beteekenis. 



^) Vif^aHff'M»4amg wordt, zooab o. a. hier blijkt, in BaatKnsehe itukkeBige- 
bnikt BMt da wuide Tin jpUghm. 



118 

Hijrah. 
1^ 1073 (A. U. 1662), Wo 3 Rëjép. (Meiksma.) 

Jar. schrift. Uitgereikt door den sultan voor 

den sabrang. 
2\ 1127 (A. D. 1715), — . (Brandks.) Jar. schrift. 

Uitgereikt door den sultan van Bantën aan tu- 

menggung Tanuyuda. 
3^ 1146 O Dal akir (A. D. 1734), 13 Rabi^'u'l-achir. (Hummb.) 

Jav. schrift. Uitgereikt door sultan Abu'l-Mohasin 

[Abu'n-Nagr] Mohammad Zainu'l-'abidïn, te Su- 

rasowan, voor Sukung. 
4». 1150 Je ^' (A. D. 1737), — .(v. d. T. no. 2). Ar. 

schritt. Uitgereikt door sultan Abu'l-Fatah Mo- 
hammad Sjila Zainu'l-^arifin, Sj^^^^ p^ïil) Ji 
^^*3jI&H ^j ^li^, voor Tulung bawang. 
5°. 1166 Ja >V (A. D. 1752), Zo 26 Sawal. (Brandes.) 
Ar. schrift. Uitgereikt door sultan Abn'l-Ma^&U 
Mohammad Wasi*^ Zainn'l-halimin , ^UuJ) o! 

c/i^^ Wj C**''!^ ^y^^^sK^^ aan Arya Tannjaya, Të- 
lak. 

6». 1169 (A. D. 1755), Di 15 Moharram.(v. d.T. 

no. 5,) Ar. schrift. Uitgereikt door .n^//a« Abu'n- 
Nagr Mohammad «^Arif Zainu'l-^'asjiqin, ^ J\ 

^j*SJL\£. ^\ wi.U iU2Ec«, aan Norpatala^). 
1\ 1175 Jim at8tsani(A. D 1761), Vrij 26 Sapar. (v. D. T. 
no. 3) Ar. schrift. Uitgereikt door sultan Abu'n- 
Nagr Mohammad '^Arif Zainn' 1-casjiqin, -löi^j) 

^j^ALiUi^j uJ^U iU»^, aan Purwalaga, Tulung 
bawang. 
80. 1185 Ha 'U (A. D. 1771), Za 35 Sawal. (v. d. T. 

no. 1) Ar. en Jav. schrift. Uitgereikt door «u/ton 

1) Dit moest er staan. Dal akir iseenachtstejaar vaneen wind u. Tasschen 
1160 en 1139 ie slechts 1146 een jaar Dal akir. Ongelukkig ontbreekt b\| den 
datnm de dagnaam. 

*) Er schijnt ^^jlfi ^\ te staan, maar zeer onduidclyk, ▼ D. T. 

Tydachr. Ind, T. L. en Vk„ deel XXXV. 8. 



114 

Abn'n-Nagr Mohammad ^Aiit Zainui-<^&8jiqtn, 
^j^UH ^^j uJ^lc 4X-«.»^^öiI)^j^ aan Jayasioga, 
TuluDg bawang. 
9«. — Jim awal (— ), Wo 2? Dulhijah. (v. d. T. no 4.) 
Uitgereikt door den bumi (ryksbestierder) aan 
Jayasinga^ enz., Talang-bawang. 

Vóór er nu wordt overgegaan tot mededeeling van 5^. 
(den nieuwen piagem) zal het zaak zijn, in het kort, hier 
die feiten uit Bantën's lotgevallen nog eens mede te deelen 
welke over dat stuk licht kunnen verspreiden. Zooals reeds 
is gezegd dient hier in hoofdzaak het opstel van den Heer 
RoBiDÉ VAN DER Aa tot leiddraad. Enkele van zijne, in ver- 
gelijking tot het vroeger omtrent hetzelfde tijdperk geleerde, 
nieuwe mededeel! ngen worden hier van inlandsche zijde, 
door een officieel stuk, bevestigd. 

1Ü51— 1683. Regeeringstijd van Sultan Abu'1-Fath «^Abdu'l- 
Fattah (Sultan agung), die Tirtayasa sticht, door zijn zoon 
Sultan Hajji in 1671 verdreven wordt, en afstand doet in 
1683. Hij overleed in 1692 te Batavia, waar hij sedert ge- 
vangen was gehouden. 

1671—1687. Sultan Abu'n-NaQr ^Abdu'l-Qahhfir (Sultan 
Hajji) volgt zijn vader in 1683 op, overlijdt plotseling in 
1687, na evenwel bepaald te hebben, dat hem opvolgen 
zou zijn zoon de pangeran ratu (de vermoedelijke troons- 
opvolger, kroonprins, tweede regent), onder voogdij van den 
rijksbestierder Dipaningrat. 

1687—1690. Sultan Abul-Fadhl Mohammad. Yahya, gen. 
pangeran ratu, sterft in 1690. Zijn opvolger was 

1690. — 1733. Sultan Abu'l-Mohasin Mohammad Zainu' 
1-^abidtu, evenzoo een zoon van Sultan Hajji, vroeger pa- 
ngeran dipati '). In 1690 aau de regeering gekomen, regeert 
hij tot 1733. De vermoedelijke troonsopvolger, sedert 1708 
pangeran ratu, pangeran Mohammad Qalih wordt in 1730 



*) lu een stuk van Midden- Java zuu dit kroonprins beteekcnen, hier ii dat 
blijkbaar iets anderi. 



116 

door een amoklooper ged<Tod, ten gevolge waarvan in 1731 
tot kroonprins benoemd wordt Ranamanggala, die als 

1733—1748. Sultan Abu^-Fath Mohammad Sjifö' Zainu' 
l-ariitn in 1733^ na zijn vaders dood, aan het bewind 
komt. Reeds vóór zijne benoeming tot kroonprins was hi) 
gehuwd met de dochter van een Arabier, Sayyid Albmad^ 
Fathimah geheeten, de latere ratu sjarii FSthimah^ die het 
straks zoover weet te brengen dat de sultan zijn voorzoon 
Pangeran ^Arif, den vermoedelijken troonsop volger en zijn 
eenigen mannelijken telg uit een vorstelijk huwelijk^ 
nadat deze in 1744 naar Batavia was gevlucht, door de 
Compagnie in 1747 naar Ceylon'liet verbannen. In plaats 
van dien zoon wordt als zoodanig aangesteld een neef, Sjartf 
"^Abdu'llah Mohammad Sjafii; doch zonder dat dat gevolg heeft 
gehad, daar hij in 1750 naar Batavia en in 1751 naar 
Banda geinterneerd is geworden. Na gerezen onaangenaam- 
beden wordt Sultan Abu'1-Fath Mohammad Sjifa' Zainul-^ariffn 
in 1748 naar Ambon gebracht (Sultan Ambon). Sedert wordt 
de regeering in Bantën waargenomen door 

1748-1750. Sultan Sjarif, d. w. z. Ratu sjarif Fathimah. 
Onder haar zelfstandig bestuur breekt de groote opstand uit 
(Oct. 1750) van Ki Tapa en Ratu bagus buwang (de ver- 
bannen pangeran Tubagus), den onechten zoon van den iets 
tevoren te Batavia overleden Panëmbahan Pangeran Pu- 
tra '), die reeds in het begin van de regeering van den nu 
naar Ambon verbannen Sultan derwaarts was uitgeweken. 
Die opstand had ten gevolge dat Fathimah in 1750 naar het 
eiland Ëdam werd gebracht, waar zij, toen zy reeds, even- 
als Sjarif ^Abduliah Mohammad Sjafii naar Banda, naar Sa- 
paroea was verbannen, nog vóór men haar kon vervoeren, 
den 10«° Maart 1751 overleed. 

1750. Als voorloopig bestuurder werd aangesteld de oudste 
der nog in Bantën aanwezige broeders van den verbannen 



') Panëmbahan Pangeran Patra was een zoon van den broeder van Abn'i- 
Moh&sin Mohammad ZainaU-cSLbidin, en bij het volk zeer in aanzien, zie van 
ssE Aa's opatel. bl. 65. 



116 

Sultan, paDgeran Arya Adiséntika. Deze werd niet tot Sul- 
tan benoemd, omdat men ook onderhandelingen wenschte 
aan te knoopen met Ratu bagus buwang; die zich tot Sul- 
tan Abu'n-NaQr Mohammad Yusuf Ahmad ""Adil as-salik fi'd- 
dtn ') had laten uitroepen. 

1751. Ook in 1751 geschiedde dit nog niet. Nadat men 
hem officieel tot prinsregent bad aangesteld^ volgde de be- 
noeming tot Sultan eerst 17 April 1752. Tegelijkertijd 
dat hij onder den naam 

1752—1753. Sultan Abu'l-Ma^ali Mohammad WSsi^ Zai- 
nu'l-halimtn (= Pangeran Arya Adisëntika) gekroond werd, 
werd als aangewezen troonsopvolger (kroonprins, tweede 
regent, pangeran ratu) aangewezen en bevestigd die eenige 
mannelijke telg uit een vorstelijk huwelijk van Sultan 
Abu'lFath Mohammad Sjifa* Zainul-'llriiiu (Sultan Ambon, 
1733 — 1748), Pangeran ^Vrif, die zooals boven reeds gezegd 
werd in 1744 naar Batavia was gevlucht, in 1747 door de 
Compagnie naar Geylon was gebannen, maar door haar van 
daar teruggeroepen, 25 Febr. 1752 weer te Batavia was ge- 
komen. Zijn titel werd pangeran ratu AbulMofachir Mo- 
hammad ^Arif Zainul-'^abidin, en hij was het die reeds den 
25 Sept. 1753 zijn oom, die 22 Sept. van dat jaar van de 
regeering afstand deed, opvolgde onder den naam 

1 753—1777. Sultan Abu'n-NaQr Mohammad '^Arif Zainu'1- 
^fisjiqin, waardoor de regeering weer in den rechten lyn 
terugkwam. 

Sedert October 1751 was, tijdens het bewind van Pangeran 
Arya Adisëntika of den lateren Sultan AbuMMai^ali Moham- 
mad Wasi^ Zainu'l-halimiD, rijksbestierder Pangeran Knsu- 
maningrat, zoon van den vorigen rijksbestierder van den- 
zelfden naam, die in 1751 overleed ^). Dezelfde functie had 
vroeger, onder Sultan Abu'l-Mohasin Mohammad Zainu'1- cslbi- 



') B\j VAN DEB Aa Tindt men ar-Ralyk fiM-dyn, wat zeker een mialezing 
it Toor het in den tekai er roor in de plaata gestelde. 

*) Vgl. TAN DIB Aa, t, a. p, bl. 25, 112 en 75 met de aanteekeningeo* 



117 

d!Dy bekleed Pangeran Parbanëgara ^), en naar het verband 
te oordeéleo yan den straks volgenden piagëm, moet dit ook 
de rang geweest zijn van kyai Aran (Arya?) Pangeran Tana- 
diwangsa, onder Sultan Agung Tirtayasa. Geheel zeker is 
dit echter niet ^). Maar wat wel zeker in, en door vjln der 
Aa duidelijk is gemaakt, is dat de Lampongs met het con- 
tract van 17 April 1752 niet aan de Compagnie zijn afge- 
dragen. „Als onderboorigheid van het leen Bantam kwamen 
deze gewesten natuurlijk onder het oppergezag der Compagnie, 
maar zij bleven toen als voorheen onder het bestuur der 
Sultans"'. Waar dus de Sultan van Bantën nog in 1573 
optreedt als opperste rechter over de hoofden in de Lampongs, 
als in dezen nieuwen piagëm, heeft dit niets bevreemdends 
en is het ook geen ingrijpen in de rechten van een ander. 

De datum van het stuk, dat door Sultan Abu'l-Ma'^ali Mo- 
hammad W^i^^ Zainu'l-halimin is uitgereikt in 1166 Hijrah 
Za (Ja), Zondag 26 Sawal, beantwoordt aan Zondag 26 Aug. 
1753 A. D. % en wijst uit dat het afgekomen is in den tijd 
dat Pangeran Arya Adisëntika werkelijk reeds Sultan was, 
en wel zeer kort voordat hij 22 Sept. 1753 weer afstand 
deed. Daarmede stemt geheel dat men naast hem als pa- 
ngeran ratu genoemd vindt Abu'l-Mofachir Mohammad ^Ani 
Zainu'l-'abidin. 

Daar het stuk zelf overigens op een paar kleinigheden na, 



') Deze, toeamaabi nog Ngabehi Butantaka, waa tijdens do afwezigheid yan 
Sultan b&jji naar Mekkah, de voogd geweest over Abn'l-Mohfisin, toen nog pa- 
ngeran Adipati, t. a. p. bl. 73. 

') In de Hollaad&che contemporaire bescheiden vinden men als rjjksbettier- 
iden onder Sultan Agung genoemd Pangeran Vudaningrat en ki Arya Monjaja 
(d. i. = Manganjaya). De rijkbeslierder van Soltau h&jji heette ki Arya Mangnn 
adaaa. 

') 26 Sawal s 292ste dag iu het loopende jaar. 1166 Hijrah begint (de 
kalender is de Donderdagscbe) op Woensdag 8 Nov. 1752. 8 Nov. a 8128te 
dag in het loopende jaar A.1). Einde 1752 zijn er dus 366 — 311= 54 dagen 
reeds verloopcn van het jaar 1166, zoodat er nog 292 — 54= 238 dageotot26 
Sawal resten, die vallen in A. D. 1753. De 238ste dag van het Christelijke 
jaar is 26 Aug., wat in 1752 een Zondag was, want 8 November 1752= Woens- 
dag, geeft 31 December =3 Zondag, 1 Januari 1753= Maandag, en26Aagastas 
= Zondag. 



118 

een paar woorden waarvan de beteekenis niet zeker is, en 
misschien verkeerd gelezen zijn, volkomen duidelijk is, be- 
hoeft hier verder niets meer te worden opgemerkt. De lezer 
zal zien dat het een belangrijke bijdrage bevat tot de kennis 
der toestanden in het rijk Bantën tijdens het Sultanbestuur; 
belangrijk vooral omdat het stuk authentiek is. 

Bij woorden als ifatenfjy <la\vuh, rfoJuhy pada, dcnda, dihin, 
enz. is in het ai'schrift^ waar dit in het oorspronkelijk niet is 
geschied; niet aangegeven dat zij een liuguale d bevatten. 



*)Ó] im iXm ijSBA 

^^i2i ^)i£^^ «/.ooU)^j ^;^u s-^ ^liujïy) 2. 

^JU- ^UyU ^j\ J) (j^ ^^ jl£cy ^.J «ol^ 
fc?^£^ j^V J^»J U^hfy^ e^!;i^ dj^') vj^**^ 

«y^ÜiOUi"^ ^i\j J ^^^] ^ ^Uf J ^jèifyJ 6. 

^.0 JfUuuJ ^IL- ^UyU ^; JX. *J/if (-^ ^lii 9. 

*Jj-, Ai 4/.Xj^^ ^1^ J t/Vy^' */^' Vi^'» ttT*^ 1^* 

■) Oonpronkelijk; ^Ui 

') Oonpr. ^MAJ 

■) Oonpr. ^ Ju, het rerrolg wijst uit dat het ^JU >»oet xyn. 

') Oonpr. jjSiJ 
>) Oonp*. |puf 



120 

U^3fy^ J^ji^ S-^ *:^y^^ ^J»* é*^ '^^ é** 
!;r' fjé^j^ tj^ify^ Jji^ «.li^ u/i? ^ u; ^^l is. 

1/ i/Vy^* ^5^* e/^ ^^ ^^^^^ ^-» er^ f ^ ^ 

e;^J Ci^ü jyf ^b Jxo ^ ^^ v-^A^ fjtsss^ J/ 
J/ ^ï-i (H^ J^yy ^-^W-y'^ s?j' ^j^"' é^^ c^' ^^' 

S^y^^i:^^*^ g;*^^ *yy é''*^ J^^ J^^ S--^- C/^»^ 



> ) Oonpr. i^^Ui 

*) Oonpr. iWJi»lj 

') Oorspr. fjlx^j^, alsof men schr^ren wilde &Jl«^ 

*) Oorspp. *i 

») Oortpr. (^VV 



I 



121 

rr*^«:;!;i^ sf^y' é^"* «:^' '^Av ê^»*) «iiy^ é^^ *• 

ul;*«* ,j«öc) ^^ixi ^^U». ^0 tt;l (Jb 

Jii^ ^J^) ^ yi^ ^/ ^ é^ sJ'^yV tt/i Lrhfy^ *• 
w'^ s*v^'^ ^r" 6^ c;i^' S^^ Jii; (j^^ ijj •• 

^j *iy ^ ^aT ^^^i ^j/^i^ii' ^j *!y fi>' ^5e^> 11- 

H?!;[>^'^ J ^^^^ sSj^ s/^' t:^'-^ é*^ ^^ ^^* 
*^ ^^' s^^;^ ^^ ^j ü^^"' r' é/ ^ t^ 

> ) Oonpr. JUaA^ 

>) Oonpr, ^y!!t^ 

') Ooripr. ^jli 

*) Oonpr. 4£;)iyAi 

•) Oorspr. ^Ijoil^ 

*j Oonpr, /jaJUm 



122 






jiój ^jOj,». yy ^) uJX^ ^UJ yM ^1S J**i» ^ 18. 

^) ^/y' «>'ƒ»» cS"Vyl» uf;' 

f^ jiaJ J!yi t/"^ «i^^ lif****^' (»*V ^j'"* ^'^^ 
*) Oonpr. ^Uo. 



\ 
\ 



Hijrah sannat 1166 Ja. 

Let op! Piagem van Z. M. den Sultan Abu'l-Ma<^S.li Mo- 
hammad Wasi^ Zaiuu'l-balimïn, die regeert over Bantën, in 
overleg met Z. H. den pmgeiwi ralu Abiri-Mofachir Moham- 
mad <^Arif Zainu'l-^abidtn, den schrager van Bantën, voor de 
punggawa's in bet gebied van Tëlok (Bëtong) in de Lam- 
pongs en Arya Tanujaya. 

Zij krijgen dezen piagem^ omdat bet geding van Arya 
Tanujaya met Pangeran Kusamav^angsa, mede-punggawa in 
de Lampongs, beslist is in bet voordeel van den eerste. 

De oorzaak van bet geding was dat men zicb meester 
maakte van bout; van (andermans) grond, van den baven en 
van de eilanden Gondong '), met bet gevolg dat bet tot 
veebten kwam. Dit gescbiedde ten tijde van de RatnSjaitf 
(1748 — 1750). Beiden werden daarop naar Bantën gebaald, 
en daar werd over ben recbt gesproken door Pangeran Ka- 
samaningrat (den rijksbestierder vóór 1751), kyai Pëkib (den 
Ofptr-jaksa) Munajjimu'd-dtn , en Raden Wakyadiningrat. 
De uitslag was dat Pangeran Kusumawangsa bet verloor en 
Arya Tanujaya bet won. Het laatste daarom, omdat deze 
erteiyk in het bezit was van een koperen piagem -) van wege 
kyai Arya ^) Pangeran Tanudiwangsa , en dat een stuk 
was uitgereikt door Z M. Sultan Agung van Tirtayasa; 
voorts bad bij ook nog een piagem van wege Pangeran Pur- 
banëgara. Diensvolgens beeft Arya Tanujaya het gewon- 
nen. Maar door Z. M. werd tevens bepaald dat Pange- 

') Z\j liggen in het noordoosten der Lampong-baai, vóór de knat Tan Tanhan. 
Zij worden onderscheiden als Cop^ong darat, — lant, en — tinggi. Het eerste 
ia rotsachtig, terwijl de twee andere uit koraal en zand bestaan. Z\j zijn Yoor 
zooTor mogel^k beplant met kokospalmen. Zie Aardr. en stat. wdb. van N. 1. 1. v, 

') Er staat kuUt ttmbaga. Dit is in tegenspraak met zich zelf. Sr moet 
mede bedoeld zijn een »blad koper**, in den zin van piagem, 

*) Ex staat Aram 



124 

ran Kasnmawangsa in Telok zou blijven op bet gebied van 
Arya Tanujaya ^). 

Intnsscben had Arya Tanujaya, die het geding wel ge- 
wonnen bad; nog geen vorstelijken piagem ontvangen, uit 
oorzaak van den grooten Bantënschen opstand, en nadat beiden 
(eerst) naar de Lampongs teruggekeerd waren, is Arya Ta- 
nujaya, toen de opstand was gedempt, weer naar Bantën 
op audiëntie bij den Sultan gekomen, om te vragen (JUi) ?) 

om een piagëm als bewijs dat hij het geding had gewonnen, 
maar dat heeft zijn beslag niet gekregen, omdat Fangeran 
Kusumawangsa niet evenzoo gekomen was. De laatste is 
daarop per brief door Fangeran Kusumaningrat naar Bantën 
opontboden. Vóór hij echter daaraan gevolg bad gegeven, 
is Arya Tanujaya met 's vorsten toestemming weer huis- 
waarts gekeerd, onder afspraak dat, als Fangeran Kusuma- 
wangsa naar Bantën komen zou, hij gelijktijdig (^jUc.U 
= ^[cj[i, dubbele afleiding ?) met hem zou komen. 

Na zijn terugkeer in de Lampongs zijn zy beiden weder 
in strijd geraakt, en wel zoo dat er dooden zijn gevallen- 
Daaiop heeft Z. M. ki Arya Utamanëgara tot hen gezonden om 
na te gaan wat de oorzaak van den strijd was geweest. 
Bij het onderzoek van den gezant bij Fangeran Kusuma- 
wangsa, zeide deze: „Ik heb gestreden (/uk»ü ?), omdat 
er een rivier, die tot mijn grondgebied behoort, verstopt is 
geworden, mijn julmng (of julcunq's) geroofd (of afgeloopen) 
en 30 Ikëbo^B van mij door Arya Tanujaya weggenomen 
zijn", Arya Tanujaya zeide: „Ik heb gestreden (^u^sui?)» 
omdat mijn {Jj^, die naar Fulo Condong ging, door Kusu- 
mawangsa afgeloopen is'\ 

Beide zijn op bevel van ki Arya Utamanëgara naar Bantën 
gebracht. Daar hebben zij aan den bumï (mangicubumi, den 

*) Wat er staat is onduidelijk. Jnt/tpfk ana arya Tanujaya of ingepekan 
arya Tanujaya. In het eerste geval, waarnaar de vertaling is, zou men ver- 
wachten ana ing of ana ing enggone of iets dergelijks; in het tweede %orf de 
vertaling moeten luiden: dat Arya Tanujaya woonachtig blijven zou op het ge- 
hied van Pangerau Kusumawangsa. 



II 

k 



126 

rijksbeslierder) *) (ook zelf) verslag gedaao. Dat verslag 
van den oorzaak van den strijd kwam overeen met (de uit- 
komsten van) het onderzoek in de Lampongs, maar (bracht) 
nog iets meer (aan bet licht) over hetgeen er tijdens den 
strijd was voorgevallen. Arya Tanujava zeide: ^van mijn 
mannen zijn er vijf door Fangeran Kusumawangsa gedood, 
en drie gewond"; en Fangeran Kusumawangsa verklaarde dat 
er één van de zijnen door Arya Tanujaya gedood was. 
Arya Tanujaya ontkende niet wat hem ten laste werd ge- 
legd door den ander, evenmin Fangeran Kusumawangsa. 

De beslissing van den bumi was, in overeenstenming met 
den wil des Sultans, dat beiden veroordeeld werden voor twist 
en beboet naarmate zij beiden hadden gedaan. Fangeran 
Kusumawangsa werd beboet voor 1000 reyalen, omdat hij 
vijl man had gedood, en 300 reyaal omdat hij drie man had 
gewond, en nog 200 reyaal als boete aan den bumi, omdat 
zulks was naar 's konings wet, in het geheel dus met 1500 
reyaal, hij en zijn volgelingen, die medegevochten hadden; 
Arya Tanujaya met 200 reyaal voor dien éénen gedooden 
volgeling van Fangeran Kusumawangsa en 100 reyaal om- 
dat hij de rivier had opgestopt, een juhung (oijukung's) had 
gestolen (of afgeloopen), en hij moest als vergoeding {üi-ili) 
voor de 30 kebó's van zijn tegenstander uitbetalen hun volle 
waarde, geschat op 100 reyaal, benevens 200 reyaal als boete 
aan den humiy tezamen dus voor hem en zijne volgelingen^ 
die mede gevochten hadden, 600 reyaal. 

Beiden hebben zich nedergelegd bg het vonnis, zooals het 
in dezen piagem is beschreven. 

Omtrent den haven en het gebied van de afdeeling Tëlok 
in de Lampongs werd vastgesteld dat dat zou blijven in de 
macht van Arya Tanujaya. De eilanden Condong daaren- 
tegen zouden rechtstreeks onder den Sultan komen, maar in 
bruinleen bij Arya Tanujaya. De punggawas in de Lam- 
pongs, wie ook, die daar een gebied hadden, zouden blijven 



^) Volgens Dr. van oer Tunk zou de èumi de stadhoader van den SulUn 
van Bantén in de Lampongs zijn. 



126 

in hun vroegeren staat. Zoo heeft de Saltan vastgesteld, 'hlen 
passé wel op dat men met ouderling overleg bandele. 

Voorts beveelt de vorst dat Arya Tanajaya, als er pung- 
gawa's of ook van den kleinen man zijn, die van de eilanden 
Condong kelapa moeten of willen halen, het han niet lastig 
te maken (anukerla), maar als men dat doet om ze te ver- 
koopen, han dat te beletten. 

Wat de boeten betreft, die in dezen piagem vermeld zijn, 
die zijn aangeteekend in het boek (^Uid tekënan, aanteeken- 

boek?), dat door den bumi gehouden wordt 

Gegeven werd de piagem op Zondag 26 Sawal. 



WELTEVREDEN, Nov. 1891. 



BLADVULLING. 

EeUIGE FOUTIEYS EIGENNAMKK in de door MeIKSMA. UITGEGE' 
YBK PROZABEWERKING VAN DEN BABAD TANAH JaWI. 



De verwijziDgen zijn naar de bladzijden van de uitgare 

yan 1874. Die der nieuwe uitgave verschillen van deze maar 

zeer weinig. 

BI. lOy reg. 7; leze uieu v^njuutaju in plaats van^rutAn«>ux 

BI. 52, 1<^ regel van de nieuwe alinea, leze men voor 

«cMü^noc^x zooals elders bl. 67, reg. 14, goed staat, mim 



. o* 



Bl. 71, reg. 13, moet tAurt^* veranderd worden in «mirm 

«^-nx want van daar had hij de aarde medegenomen, zie bl. 68. 

Bl. 212, reg. 6 van onderen. Ër staat «o}«nci , men leze 

i5i. Jois, reg* Oy moet tun^stKutam^itjinKnni^nMAjiêjuy Iniden 

^^jw^ct-n^oMAjiêJuimji^ Pangeran alit was grootgebracht door 
pangeran Danupaya, en is omgekomen vóór hij zijn kin- 
dernaam met een andere verwisseld had. 

Bl. 292, reg. 5, ^iJlt(^J,&^^ heet op dezelfde bladzijde 
en op bl. 301, 306, en 339, terecht 4^£»t<M&«^x 

i5l. óO\)^ regel o, n^mêXAntjt*i9\jt ^\ zal wel nkm*^^n»Jtn<njt^\ 

gelezen moeten worden, want op bl. 528, 544, en 548 is 
iSpeelman, «2&^«*n|x verward met Herman de Wilde; en wat in 
den babad van ^t^nn^i^^j»*^^^ verteld wordt, werd juist door 
Speelman verricht. 

Bl. 442, reg. 7, «èit^fmofx moet zijn akw^êotiok^ (==«#rfl^i>i» 
«^#oic|i). Deze soort van verkorting was in den Mataramschen 
en KartasuraBchen tijd zeer gewoon. 



128 

BI. 519, reg. öv. o., ,^^^M^^^,M&n»ji (sic), lees &&«i^. 

zooals de naam der panëmbahaDS van Adilanga; naar bekend 
is, luidt, iuk&n^ beteekent ,,dwerg"! 

BI. 558 en verder passim, ^Ji^aSim»Jf^ kan goed zijn, maar 
elders, ook in Javaansche teksten, beet deze welbekende zoon 
van Wiranëgara (= Untung == Surapati), die het na zijn va- 
ders dood nog zoo lang tegen de Compagnie op OostJava 

VOillieiCl, Avn f «m «yn e>t « \ 01 a.zn'najnmaj 

BI. 559, regel öy.o.f AMtatMcm-r^ en *j»Kw2i'rï«5ïi^ in plaats 

van c4wn*o<m-n en <M*njSiTi«CT^x zooals deze beide pangeran's 
elders in dezen babad Iieeten, is niet fout; gedurende een 
zekeren tijd is in eigennamen «mk» en i;,,rn voor de Ja- 
vanen volkomen gelijkwaardig geweest. Onderscheid is er 
eerst weer gemaakt na het ontstaan van het rijk Yogyakarta. 
BI. 565, regel 11, .mSw^-?!»^ hier, is een vergissing; 
het moet ténQiM zijn. 



I 



PLAAT 1. 




pilo 



^^.. 



I 



L 



)\ 



.1 L. 



1. 

rJAKt 



TÜEa. 



i^Ufit . 



-"\ 



Sx<xi^ 



^ 






i 



T 
J 



1 
I 
I 
t 
I 



! 




) 




\ 



i 



^ 



fE 



f-'-*- 



«1 



rEMOEi 



v'cafitt 



I 
I 



deitoa^ IdiS 



.2' 411 



S 



féj 



f- 
I 









^ 

"/X^- 






1 



^UmTlü^^ /^/^aAT 



I 



I 



t 

f; 

V/ 

f' . 



1 



/TA KOE 



i 

m 



KAK0E5. 



PLAAT V. 



n 



i 



v^^4j^ ^>:i<'^''^''^'^é^j^^^'^^^ 



„ -.-j 



PALANd 



H 






•i-v-- 



'■, «Bas ■ ■• •«• •«■«*■•■■*> 



«MAAAÉtHÉAUÉÉiAiÉwariaBHMiHBlBBa^ 




r-^^^t 




?' vf^^^?^ ? ^^v^-^4^vHy^<^'-^'^-'?'^<''^-^'^^-v-^ 



L-- 







m"^ ï 



E 3 




\ 



I 






I 



!( 



J 



EENIÖE OPMERKINGEN 



OYIR HET 



OEYOLOD DOOR 

EENI6E BEMERKINGEN 

op de vorige lijstjes, eenige spreek- 
wijzen, enz. 

YIRZAMSLD DOOR 



VOORBERICHT. 

Evenals de beide lijstjes worden ook deze „opmerkingen'* 
te vroeg in het licht gegeven. 

Het grooter gemak om met behulp van „gedrukte'' lystjes 
en aanwijzingen eene taal aan te leeren, de grootere zeker- 
heid om op deze wyze spoediger verbeterde en veel vermeer- 
derde bouwstof voor de taal te erlangen^ en vooral het voor- 
uitzicht op belangrijke bemerkingen en nuttige wenken van 
deskundigen mogen deze voorbarige uitgaven billijken. 

De beoefenaars der taal zullen een nuttig werk verrichten , 
als zij alUs aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpeui hoe 
bevestigend de vorm ook moge klinken, waarin het aange- 
bodene geschreven is. 

Waar sprake is over „Maleisch'' is dat altijd genomen uit 
de „Spraakleer der Maleische taal'' door D. Okrth tak Wuk. 
(Batavia. 6. Kolff & Co. 1890.) 

Tydwhr. Ind. T. L. en Vk., XXXY. 9. 



i3:> 

DE UIZfl^llSEESs^ 

K é. f- f. *. j. C 1. i*, «, ff. f. r. «. f. m. 

i ftt asA btt !M:;ra <i^ v»:ir? nr eess Bas-ve'gkt hoor- 
hflur. dan w«r w^a-j: zj rTrrfx.kea al« de H V.^aAistbe iL* 

W/rt^etlita aaiw L.*>riixr il: ff'.^. uuLb.cssaajd: M- 
Imk^ dt» L.k bcb^tra: aj de H.Ha£dv.be 4 ia k:«eu»f^ rien 
A'vro*j, leg-jen. Tc-v-bea :we« k'.iLker» w«ii de A nit- 
g^iT'Aunk i/^ja\% ia bet Hv'.'^Liw.a. b. t r«»f fro^ btsi: «Aic, moe- 
tea. Eigenaardig U de cit^praik a;« de A. btUü rero^jiL belzg 
TO'/ra^i^egaaa wordt d^^>r d:r t. b. t 62/.J. acbearta: A:si.ioat; 
M4i /i4, tKn keer: lA'. aidoro Bi) gomjuigeD kiiakt de k 
daa aU de Duiisebe <h ia .we>b". Hij auderea meer acuter 
Qit de keeL 

j klicikt zeer coDS<'jnaDt:»cb: tot an toe is zy decbu aaage* 
troffea in de woordea «vyVr water: nijcr^ walgia^: oi **;>, 
•oort iaseet. 

k wordt op het eiad vaa eea woord dikwgis aiet aitgeqHO- 
kea; soms acbter ia de keel balf oitgesproken, haU achter* 
geboadea. 

r wordt op bet eiad raa eea woord dikwijls zacht broawead 
altgesprokea . 

i is altijd scherp; de r-klaak bestaat niet ia bet Sikkaaeesdi. 

w klinkt zeer consonantiscb. 

ng aan bet begin vaa een woord is Toor dea vreemdeliag 
zeer moeilijk uit te spreken; de nasaal- en de gnttnraalklank 
zijn beiden duidelijk hoorbaar. 

In woorden als plari^ hard loopen ; plebbeng^ drempel; braoe, 
vreezen; bróéf mak, tam; hoort men tosschen de /i en /; & 
en r de korte ê-klank niet. 

Velen erenwel hebben moeite met de r en zeggen dan 
bijy. blaoe met /. 



131 
DE KLINEEBS 

zijn: a e, t, o, oe en de toonlooze e, welke klinkt als de 
Hollandsche 6 in: ze, de, te. 

In het algemeen kan men zeggen, dat ze niet zoo vol klinken 
als in het HoUandseh; maar ongeveer zooals in het Ma- 
leisch. 

De open a, hetzij op het einde, hetzij in het midden, hetzij 
in het begin van een woord, klinkt zooals de a in koeda. 

Hierbij zij aangemerkt, ook voor de andere klinkers, dat 
men daarbij evenveel nuances aantreft als in de verschillende 
provincialismen eener Europeesche taal. 

De gesloten a klinkt zooals de Hollandsche a in nat b. v. 
narafy nat; 

of als in dwang b. v. harang^ berispen. 

Wegens het vlugge spreken der inlanders (of hun zang- 
toon bi) het spreken;^ en wegens hun accent, klinkt de a 
dikwijls als de korte e, b. v.tx;a;a/<f)f, korrel; /o/7/7a = djangan 
klinken als wcrang^ loppe. 

Zoo zou ook het woord kenneha moeten geschreven wor- 
den kennaha. 

De open e klinkt zooals de eerste e in regen, b. v. /eia, 
dragen (aan een stok op schouder). 

De gesloten e klinkt nooit (misschien ellang uitgezonderd) 
zooals in de Hollandsche woorden bel, vel, snel, maar: 

1*. gevolgd door een dubbelen medeklinker (zie „Bemer- 
kingen'') als de Hollandsche e in ze, de, te, b. v. ep- 
pang, goed; iebbong, lichaam; kewwo, graf; telloe, drie, 

2^, zooals in het Hollandsche woord pet, doch iets korter 
b. V. klapet, aan elkaar vast; regget, kleven. 

3^. als de eerste e in het Fransche woord père, b. v. beller, 
vermoeid. 

4^. als de Hollandsche e in streng, b. v. doneng, toonen. 

ö^. geheel eigenaardig, als in rèng, sèngj prèng, waarin de 
klank meer gerekt wordt dan de e in het Fransche 
woord père. 



132 

In demméng klinkt de laatste e bijna ala de ai iji het 
Fransche woord demain. 

De lange t klinkt als ie in diep. 

De gesloten t zooals in bet Duitsche woord Ding, nn eens 
wat langer, dan wat korter. Ook als de korte Hollandsche • 
in dit, ik, b. t. iessik, klein; bikiet, slaan. 

In kessik hoort men te Sikka en Manmeri de Vlaamsohe 
t zooals in dik, ik. 

De open o spreekt men nit zooals in het HoUandseb, b. y. 
lani, hoofdkussen. 

De korte o zooals in het Hollandsche kot, b. y. meiiot, in 
orde brengen; ot zooals in long, b. y. olong^ tortel; of zooals 
de Fransche o in fort, b. y. dóór, antwoorden. 

De o is zeer gerekt in blong, lang; (oikinong, s. reiger, 
ongeyeer zooals de Limburgers de Fransche woorden long 
en dont uitspreken. 

Soms is de o als eene gerekte doffe o, b. y. /ó, lachen; 
móf lekken. 

De oe klinkt zooals in het Hollandsche moeder; is dik- 
wi)ls zweyende tusschen den o- en den oe-klank. 

De oe is dikwijls zeer gerekt, waarschijnlijk samengetrok- 
ken uit oeoe, b. y. höëk^ denken; waioe pöékf s. steen. 

De tweeklank ai bestaat niet. 

Za%\ raik\ at zijn tweelettergrepig. In baimoering (wat bij 
velen beimoering klinkt) hoort men toch ook enkele malen 
den tweeklank at. Bei (te), wat waarschijnlijk ook bai ge- 
weest is, klinkt meestal als de ei in het Hollandsche beitel. 

De ei in lahein (wat alleen te Sikka en Manmeri gehoord 
wordt) klinkt eyeneens als ei in beitel. De bergbewoners 
zeggen lahing met den klemtoon op de yoorlaatste letter- 
greep. Sei, sinds, klinkt meestal als het Hollandsche beitel, 
doch men hoort toch ook sèï, tweelettergrepig. 

Den tweeklank aoe hoort men in daoe, dragen; paoej dra- 
gen; laoe, yechten; braoe, y reezen enz., en klinkt ongeyeer 
als aw of de oude Hollandsche woorden blaanw, paauw, maar 
de vu er af. 



133 

Den tweeklank 000 hoort men in rooe, soort van tabaksmand- 
je en klóoe, walgelijk. 

De eerste o in 00e is lang, de a in daoe enz. is kort. 

HET ZELFSTANDIG NAAMWOORD. 

Het adjectief wordt ook als zoodanig gebruikt, b.y. gahar 
nimoeng^ zijn hoogte; geile nimoeng, zyn grootte. 
Het werkwoord ook? Kennaha ea{ng)j iets eetbaars. 
Byzóndere uitgangen ter aanduiding van geslacht, getal en 
naamval zijn er niet. 

Bg menschen wordt het geslacht aangeduid door achter- 
voeging van ala lai of /ai, mannelyk, en ala doea of doea, 
vrouwelijk. 

B.v. mè ala lai of mé lai^ een zoon, een jongetje. 

mè ala doea of mè doea, een dochter, een meisje. 
Bg dieren door achtervoeging van lameng, amay mannelijk; 
tuil, inang, moehoen, vrouwelijk. 
B.v. djaran lameng, hengst; 
djaran inang, merrie; 
djaran waing, merrie; 
manoe ama, haan; 
manoe inang kip 
manoe moehoen kip; 
manoe waing, kip; 
Het getal wordt zeer enkele malen uitgedrukt door ver- 
dubbeling van het naamwoord. 

B.v. mèmè schola, de schoolkinderen. 
Het getal moet meestal blijken uit het verband of gekende 
omstandigheden. 

B.V. v/iè ilang kan beteekenen: 
1*. ons kind, 
2*. onze kinderen, 
8*. mgn kind, 
4*. mgne kinderen. 
Het meervoud blykt dikwgls uit de bepalende woorden, 



134 

die een meervoud aandaiden^ zooals de getallen, de werk- 
woorden in meervoudsYorm enz. 

Hierbg worden evenals in het Maleiscb elassificeerende 
woorden gebruikt ; zooals voor menseben, bia = persoon ; voor 
levenlooze voorwerpen: woea, (emmang, wikiry blong^ poeöer 
enz. ons Hollandscbe ^stuk''. 

Het eigenlijke gebruik van deze elassificeerende woorden 
kon nog niet voldoende onderzocht worden. 

HET BIJVOEGLIJK NAAMWOOKD. 

Het adjectief ondergaat geene verandering bij geslacht, 
getal of naamval; en staat altijd (zooals in bet algemeen elke 
bepaling) achter het zelfstandig naamwoord 

VERGELIJKING. 

Kent men een hoedanigheid in dezelfde mate aan twee 
voorwerpen toe, dan geschiedt dat door de woorden: ganoe, 
evenals; hama-hama, hetzelfde; hama-hama nora, betzelfde 
als (met). 

B.v. Djaran ei teggór ganoe moang ratoe djarang. 
Dit paard is even sterk als dat van den radja. 
Moang raloe djarang teggór hama-hama nora djaran ei. 
Het paard van den radja is even sterk als dit. 

Moang ratoe nora moang Iki djarang tcggor hama-hama, 

Meneer de radja en meneer Iki 's paarden zijn even sterk. 

De vergrootende trap wordt gevormd: 

lo. door bet werkwoord tot achter het adjectief te voegen. 

Voorbeelden : 
Djaran hoera gahar tot Het witte paard is hooger dan 

paard wit hoog overwonnen het zwarte. 
leoe djaran mi tang 
heeft paard zwart. 

Aoe getle ganoe woeè aeen? Zijt gij zoo groot als uw oudere 
gg groot zooals oudere uwe. broer? 



135 

Aöe gahar ioi leöe Ik ben grooter. 

ik hoog overwonneD heb. 

2: door tegenstelliDg. 
Aöe gnngan poi haè Klimmen doe ik liever dan dalen, 

ik bemin slecbtB klimmen 
lore enne gringan. 
dalen niet graagdoen. 

Loeheng boera weling Keper is goedkooper dan zwart 

goed wit prijs goed. 

eppangy loeheng miiang 
goed(koop), goed zwart 
weling ioi. 
prijs overwint. 

En 3<». door woorden die een comparatieve beteekenis heb- 
ben, zooals: woeëy oudere, wan^ jongere, mawe^ later. 
Aöe ata woeë moang Ik ben ouder dan de radja, 
ik mensch oudere meneer 
raloe a'a wari. 
radja mensch jongere. 

Balli manoe geile ha nova Slachtkippen een groote en een 
slachtkip(pen) groot een met mindere (jongere, latere). 
ha mawe 
een mindere. 
Van drie broers, die verschillen in leefttijd, zegt men: 

ala woeë^ de oudste 

ala lorang, de middelste 

ala wan, de jongste. 

De overtreffende trap wordt ook gevormd met toï. 
Nimoe gahar Ioi Hij is de grootste van allen. 

hij hoog overwonnen 
leoe rimoe sawe, 
heeft hen allen. 

Een zeer hooge graad wordt ook uitgedrukt door het adjec- 
tief te herhalen met di^sook er tusschen. 
Bakio gahoe di gahoe nora (Deze) tabak is zeer zwaar en 
tabak heet ook heet en zeer geurig. 



136 

mennik di mennik. 
geurig ook geurig. 

De absolute superlatief wordt uitgedrukt door de woorden 
bei, te; rakkan, erg, zeer; gelte gawang, zeer veel; (ofi, heel- 
enal enz. 
B.T. reta woeiae tosi heelenal op het eind. 
bei getle te groot. 

gahar rakkan zeer hoog. 

DE TELWOORDEN. 



De hoofdgetallen zijn: 




Aa 




één. 


roea 




twee. 


telloe 




drie. 


hoetoe 




vier. 


lima 




vgf. 


enna 




zes. 


pitoe 




zeven. 


waloe 




aeht. 


hiwa 




negen. 


poeloe {ha) 


tien. 


poeloe 


roea 


twintig. 


n 


telloe 


dertig. 


n 


enz. 




hangasoe of ngasoe ha 



honderd. 
ngasoe roea twee honderd. 
^ telloe drie honderd. 
91 enz. 

Aa riwoe of riwoe ha duizend. 

riwoe roea twee duizend. 
r, enz. 

nbo rabo ? 

Ribo rabo is wellicht een uitdrukking die te kennen geeft 

ontelbaar. 
De getallen Tan 11 tot 19, 



137 

van 21 tot 29, 
,, 101 „ 199; enz. enz. 
drukt men aldus uit: 

11 ssspoeloe ha wóot ha. 

12 = „ „ „ roea. 
n =^ „ ), )9 pitoe. 
25=B/7oe/oe roea wóót lima, 

101 = ngasoe ha vuódl ha. 
157 = ngasoe ha poeloe lima woót pitoe, 
1891 = ha rtvuoe ngasoe waloe poeloe hiwa wóót ha, 

Bg het opnoemen van personen of voorwerpen is hetsier* 
lijker aldus: 

Zij kwamen met 23 man. 

rimoe booe poeloe roea bia telloe 

zij kwamen tientallen twee personen drie 

Er zijn 39 viertallen maïs (klossen). 

Narang adja poeloe telloe liwoet hiwa 

er zijn maïs tientallen drie viertallen negen 

Zes klappers, kabor liwoel ha ha tale^ klappers viertal één 

één tweetal enz. 

Gebroken getallen zijn onbekend. 
Moang belli dmi roeang tali Meneer geef ons tweeën (dat) 
meneer geeft ons tweeën touw rood lintje, knip (het) mid- 
merak goeti tibang den door. 

rood knip weeg (meet) 
hama-hama 
hetzelfde. 

Adja ha woea anti boga Wy breken (verdeelen) samen 

mais één stuk (klos) wg breken één klos maïs, hij de helft 

wiïng nimo ha oepoe en ik. 

(voor) elkaar hy een helfl (stuk) 
aoe ha oepoe 
ik een helft (stuk). 

Adja bUmg ha ami moa Wij verdeelen met ons drieën 
maïii klos een wij verdeelen (4, 5, 6 enz.) een klos matt. 



138 

wwig bia teUöe(4f5f6tnz,^ ik eeo alik, hg ee& stiikp 

elkaar persooeo drie (4, 5, 6 eoz.) eaz. eox 

aoe poeoer ha nimoe poeoer wa 

ik itak een bg stak een enz. 

pappa = midden, door, slaan 
ka pappafig = de heilt; maar beieekent ook aan den eenen 
of anderen kant. 

Ata Lao apa? Wat roor Laoneezen zgn dat? 

Ata Lio Ie ha pappang. Lioneezen van den overkant 

(anderen kant van den 
berg). 
Bahar eppang pewe ha pap- Dat goud (die oorbel) is goed 
pang. om aan één oor (eenen kant) 

te hangen. 
Rangschikkende getallen? 
Ik het eerst sooe oeloe. 

Noeloe = voorgaan is een werkwoord dat verroegd wordt. 
Dan hebben ze nog baimocri {ng)^ daarna. 
Ata tadang baimoeri la wil loeloe. 
zij die na (mij) verloofd zjjni zijn het eerst getrouwd. 
Telkens twee, telkens drie, enz. wordt aldus uitgedrukt: 
roea-roea 
telloe-telloe enz. 
Volgt twee aan twee^si/epo sai bia roea-roea 

volgt personen 2 2 
Twee, drie enz. voor één galden wordt vertaald: 
Iele roea, telloe roepia ha 
samen twee, drie (voor) gulden een 
Een voor een s» bia ha ka 
Ëlk een stukje =s6ia ha ha wiiir ha. 

persoon een een stuk een. 
Ha, kan ook beteekenen „ander"' 

Moang ha epai na ? Waar is de andere heer heeage- 

meneer een waarheen ging gaan? 
Nimoe toeteer naroei ha Hij spreekt over een andere zaak 
hg spreekt zaak een 



139 

wai ha of ha wat beteekent één keer 
toai hoetoe „ viennaal enz. 

VOOENAAMWOOEDEN. 

De persoonlijke yoomaam woorden zgn 
aoe, ik. 
aoe, gy. 
ntmoe, hij. 
ami \ 

mioe gijl. 
rimoe zij. 

aöe^ ik is tweelettergrepig. Om zich zelven aan te 
dniden gebraikt men ook watengy hart; tébhong^ lichaam, 
b. V. 

aoe gai? wilt gij? 

gij wilt? 

Tebhong gai poi ik wil. 

het lichaam wil maar 

aoe gai masi Ik wil wel degelijk. 

ik wil zelfs 

lebbong di gai 

lichaam ook wil 

De persoonlijke voornaamwoorden worden in het spreken 
dikwijls (meestal?) weggelaten. Bij de vervoegde werkwoor- 
den veroorzaakt dat geene onduidelgkheid. 

^j &h spreek uit aw, zie Bemerkingen^ is een twee- 
klank. 

ami en tïa, worden beiden gebruikt voor wij. Of evenals 
in het Maleisch, ami den toegesproken persoon oitsluit en ita 
dien inslait is nog niet uit te maken. 

De uit den mond der inlanders opgevangene spreekwijzen 
beslissen niet. Zeker is het dat ami en ita ook voor het 
enkelvoud aöe^ ik gebruikt worden. 

B.y. belle ami Qeef(het) mij. 



140 

iia harang mè Ik berisp mijn kind ot kinderen, 

wg berispen kinderen 
itang, 
onze. 
By liet aanspreken ran personen zou de beleefdheidsrorm 
zyn, den naam of titel van den aangesproken persoon te 
gebmiken, voorafgegaan door het woord trwang , toeban, 
of ook ioehan of moang alleen. 
De bergbewoners doen dat niet, en zeggen aoe, gg. 
Het toeroepen of toespreken geschiedt ook door den naam 
te noemen en ama ons y,vadertje'', inang^ ons „moedertje"' 
er achter te voegen: b. v. 
Sant ama emai = Sani kom eens hier 
Sani vadertje kom hier. 

Solo inang tara «ai, Moedertje Solo antwoord dan toch. 
Zera BS zwager wordt in dit geval ook als ons ,, vrind" 
gebmikt. 

Dikwgls wordt een gebnwd man aangeduid, met den naam 
van zijn oudste kind met amat er achter. 
Sani amal, Sani's vader. 

Het onbepaalde pronomen ,,men'' drukt men uit door ato, 
menscb(en) gewoonlijk gevolgd door het werkwoord in den 
derden persoon meervoud. 

B.v. woeang ei ata a? Is deze vrucht eetbaar? 

vrucht deze menschen eten? 
Antwoord: ata a, (ja) men eet. 

menschen eten. 
Jang norang? Is er visch? 

Antw. ata enne rewwang Men heeft er geen gevangen, 
menschen niet konden 

Omgekeerd staan uitdrukkingen als: de muizen, de witte 
mieren eten het op, in het enkelvoud: 
ieooe ga; mahr ga. 
De onbepaalde woorden „bet" en „er" worden niet ver- 
taald b.v. 
nvinoe norang Ie reggan? Zijn er kippen i op den pawer? 



141 

kippen zijn (er) op den passer. 

Antw. Eong, ala etme Neen^ men heeft er geen mee- 
neen mensclien niet gebracht. 
retd. 
meebrachten. 

Iemand, kennaha? hia ha? 

Een zekere radja zei =: Moang ratoê bia ha herrong. 

Niemand = niet iemand, niet een persoon. 

£r is nog niemand gekomen, niasxhxa ha di laen boöe, 

zeUs persoon een ook nog niet kwam. 

Iets = kennaha. 

B.y. mal kennaha aöen = kom iets mijn = (kom) geef mij 
wat; doch kan ook beteekenen: geef hier, dat is het mijne. 

Ook hoort men : haï kennahang = haï kennaha nimoeng == 

= van wien iets zijn =s van wien is dat? 

Sommigen kennen het anderen niet == iwa raitang iwa rehi s= 
anderen kennen anderen niet kannen 

De bezittelgke voornaamwoorden worden gevormd door 
n of ng achter de persoonlijke te voegen: 

aöeny mijn 

aoen^ uw 

nimoeng^ zijn, haar 

•"""•» Uns 
itang | 

mioeng^ uw 

rimoeng hun, haar. 

Aanmerking. De ng wordt ook wel weggelaten, b.v. e(;'aran 
nimoe, zijn paard; ama ami, onze vader. 

Een regel volgens welken men nu nimoe en dan nimoeng 
zon zeggen, is nog niet gevonden. 

De fi van aöen^ mijn, en aoen uw, wordt nooit weggelaten. 

Zeer dikwijls neemt ng of t de plaats in van het bezittelijk 
voornaamwoord nimoeng] die ng of / worden dan achter het 
bezeten voorwerp geplaatst b.v. 

Moang ratoe leppo nimoeng^ meneer radja's huis zgn, 
wordt dan Moang ratoe leppong =: des radja's huis. 



142 



Lucas wiene nimoetig i r Lucas voienet 

woeë „ i wordt / „ woeéi 



„ war» „I f „ warit 



I wordt) „ 

I ' fy 

Hai mèi? wiens kind is dat? 

Antw. Doea Solo méngj bet kind van meyronw Solo. 

De zelistandige possessieven ^,de mijne, het zijne, enz." drukt 
men uit door vóór bet bezittelijk Voornaamwoord ken^iaha te 
plaatsen. 

B.v. op een voorwerp wijzende kan men zeggen: tennaha 
aoen? = is dat bet uwe? 

De wederkeerige zijn: 
meha = zelf? zich? 
tt;m/9 s elkaar; zicb? 

Aanmerking: mehtt beteekent ook „alléén''; b.v. aoe meha 
po»=:zijt ge maar alléén (b.v. teruggekomen) 

Me-meha = meha-meha = alléca. 

B.v. Bakkocïy bakko llalat me-meha = dit is alléén tabak 
van Halat (en niet van andere plaatsen). 

Djaran ü wiïng = de paarden bijten elkaar 

Loeheng milaug ei hoera wiïng? wordt dit zwart goed van 
zelf wit (namelijk verkleurt het?)? 

Ata poenoe wiïng = men twist. 

Ata iola wiïng y = menschen slaan zich, men vecht; men 
is aan het vechten. 

De aanwijzende voornaamwoorden zijn: 
eï, eleï = deze, dit. 
ia, elia = die, dat. 

De eerste voor personen of zaken die dicht bij zijn, of 
tegenwoordig zijn, de laatste voor personen of zaken die ver- 
wijderd zijn. 

Een betrekkelijk voornaamwoord bestaat hier naar 
alle waarschijnlijkheid niet. 

In het boekje: „Norang mè mè Sikka ko Mangerai'' in 
1873 te Roermond uitgegeven, wordt het Maleische ,Jang'' 
trouw door %a vertaald. De volgende uitdrukkingen doen 



143 



ernstigen twijfel ontstaan of dat ia als relalivum wel Sikka- 
neesch is 



Ei hilik Toehan doöe^ 
in kamer meneer slaapt. 
Aöe iola ata enne hala, 
ik sla mensclien niet schuld, 
Aoe (ola mè (ca (3 persmeer v.), 
ik sla kinderen, knoeien, on- 
deugend zijn. 
Heng Ie na (ar a(a 
kijk rechts kampong menschen 

Ie Badjora 
rechts Glitten gaan. 

A(a iwan pano 

menschen andere gingen 

hoelier ma(e bua. 
niet weten gestorven zijn. 
Moang ra(oe odi na(oe 
meneerde radja zal zenden 

a(a (aga (doe 

menschen gebonden zeewaarts 
koepang. 
Koepang. 
Oeran do pao 



in de kamer waar meneer 
slaapt. 

ik sla die geen schuld heb- 
ben. 

ik sla kinderen die (als ze) 
ondeugend zijn. 

Zoek (eens) in de kampong 
(of er) menschen (zijn) die 
naar Glitten gaan. 

Heidenen die hier verloren lie- 
pen^ zijn omgekomen. 



De radja zal de gevangen en 
(zij die in het blok gezet 
zyn) naar Koepang zenden. 



Mangga-regentje, in de uit- 
drukking: 



regen geeft mangga's 

oeran eï oeran do paó^ dit is het manggaregentje. 

Zoo ook oeran do aï roon. 
regen geeit boombladeren 
Hai tang? Van wie is deze visch? 

Van wie visch? 

Antw. ata pire wawi, Van hen, voor wie varkens- 

menschen verboden varken vleesch verboden (pomali) is. 

De vra-gende voornaamwoorden zijn: 

Bai, wie; 

apa, welk, wat. 

B.y. Hoi ia? wie is daarP 



144 

Ata apa? wat is dat roor mao; b.v. heiden ofSikkanees? 

Hoi voor personen en apa voor zaken? 

Hen zegt: aoe narang hai? Hoe is uw naam? 

gg naam wie (welk)? 
Natar apa? Welke kampong (is dat). 
kampong welke? 

DE BIJWOORDEN. 

De by woorden staan achter het woord waarvan zij eene 
bepaling zijn. 

De uitdrukking: geile gavoang, zeer veel, maakt daarop 
cene uitzondering. 

Het adjectief blijft ook onveranderd, wanneer het als bij- 
woord dienst doet. 

Djaran braatiy een vlug paard =: een paard dat hard 
loopen kan ; 

Djaran plari braauj het paard loopt vlug. 

Er zijn vele adverbiale uitdrukkingen gevormd met doe^ 
seperti, of enkel eene versterking van het daarop volgende 
woord (werkwoord, naamwoord, adjectief). 

B.v. doe loèhy poederachtig, gelijk stof. 
doe wajer, waterachtig. 

Nimoe Har doe lelling poiy hij spreekt slechts met bevende 
stem, wat spreekt hij bevend, wat beeft zijn stem. 

Aoe hano doe loelèk, wat loop je lui. 

Lari anak, hard loopen als een kind, d. i. trippelen, zegt 
men in het Sikkaneesch aldus: nimoe bano sara ala bloe- 
toek =: hij loopt (op de) wijze kind(eren) = hij loopt als 
een (klein)kind of als kinderen doen. 

Hij drinkt toewak alsof het water was = Nimoe ninoe 
loewa sara wajer. 

Voor uitdrukkingen als: wijdbeens loopen ; snikkend weenen 
enz. enz. heeft men in het Sikkaneesch afzonderlyke uitdruk- 
king, waarvan er eenige in het tweede lijstje en in de spreek- 
wijzen te vinden zijn. 



145 

ê 

Id dergelijke uitdrukkingen komen dikwijls woorden voor^ 
wier beteekenis afzonderlijk tot nu toe niet bekend is; wijl 
ze buiten dit verband^ volgens het getuigenis der inlanders^ 
niet gebruikt worden. 

A, Bij woorden van tijd. 
1®. vragende bijwoorden van tijd. 
wanneer, remma pira, neem af hoeveel (dagen), d. i. na 

hoeveel dagen, 
wanneer, remma pira ei, neem af hoeveel van dezen, d. i. 

vóór hoeveel dagen, 
op welken dag, lerrong apa, 

2". Betrekkelijke: 
terwijl, toen, wanneer, als, worden of door nora : 
b.v. wij kwamen toen meneer zat te eten, ami hoöe nora 

Toehan dri ga, 
óf wel niet vertaald: 

b.v. Toen meneer hier pas was (nieuw) aangekomen, was hij 
vol wonden, Toehan boöe warom, lahein sawe, Meneer 
kwam nieuw wonden heelenal. 
Nadat, als, wordt dikwijls weergeven door baa = soedah 
achter het woord te plaatsen^ dat de tijdsbepaling moet aan- 
duiden. 

Toen de dag aangebroken was gingen wij weg, poa 
baa üa pano. 

Eerst als men de schuld betaald heeft, zal men hem losla- 
ten, naha riwa ol't ko lessok, (hij, gij) moet betalen eerst dan 
loslaten (wij, ik). 

3^. Aanwijzende bijwoorden van tijd. 
Nu, enateiy ena ei] toma eieï. 

nog. Iaën, achter het woord waarop het betrekking heeft, 
nog niet, laén, vóór het woord waarop het betrekking heeft, 
voorbij, afgedaan, \ ^^^^^ ^^^ 
afgeloopen, af, | 
eerst, oti 
op het oogenblik, drukt men uit door nora, gevolgd door 
het feit, of de handeling, die dan plaats grijpt. 

Tijdaohr. Ind. T. L. en Vk., XXXV. 10. 



146 

zooeven, ena, ena gfvong, groong etei. 
laDg, nane. 
morgen, loeat. 
oyermorgen, remma roea, 
gisteren, merra, 
eergisteren; remma' roea ei, 
morgen vroeg, loeat iawoe. 
van morgen, ena loeat, 
van daag, ena F 

van avond, waoen (ena waoen). 
gisteren avond, mena vuaoen. 
eergisteren avond, metra goemang. 
van nacht, ena goemang 
B. Bijwoorden van plaats. 

Men gebruikt geene voorzetsels om een bewegiug naar of 
uït eene plaats aan te duiden of een rust op de plaats. 

Het werkwoord na, bij gaat, wordt dikwijls gebruikt bg 
het aangeven van de richting; en schijnt, volgens onze op- 
vatting ten minste, de beteekeuis van ons /itcn, waarts aan- 
genomen, en zijn karakter als werkwoord verloren te hebben. 
1®. Het vragende bijwoord: 

epai, eï epa beteekent even goed: waar (ter plaatse) als 
waarheen, en waar van daan. 
b.v. Nimoe dri epai?, waar woont hij? 

Nimoe epai mai?, waar komt hij van daan.^ 
Nimoe cpai na? waar gaat hij heen? 
2®. aanwijzende bijwoorden van plaats. 
Keert men ter plaatse, waar men zich bevindt, het gelaat 
naar zee dan beteekent: 

/é, rechts^ 
waway links, 
re/a, achter zich, 
laoej vóór zich, 
waliy het land in. 
Voorbeelden als de plaats rechts ligt: 
Pano Ie natar a, Ik ga naar de kampong. 



147 

(ik) ga rechts kampong (ik) ga. 
Nimoe Ie nalar mai. Hij komt uit de kampong. 
hij rechts kampong komt. 
Nimoe dri Ie nalar. Hij zit in de kampong. 
hij woont rechts kampong. 
Bevindt zich de spreker op de bergen en ligt de kampong 
aan zee of zeewaarts ten zijnen opzichte, dan wordt lè uit 
de aangevoerde nitdrukkingen laoe. 

Ligt de kampong links van den spreker, die zeewaarts 
kijkt, dan wordt dat lè weer wawa enz. enz. 

Tegen deze wijze van plaatsaanduiding zijn vele moeilijk- 
heden te maken; zij blijven evenwel tot nu toe onopgelost 
Alle plaatsen, die men over zee bereiken moet, wijst men 
aan door laoe. 

Djong api laoe Koepang mai 
De boot komt van Koepang. 
Men zegt: reta üjawa 

van, naar, te Larantoeka 

wawa Djawa 
van, naar, op, Java 
Te Sikka zou men volgens bovens vermelden regel ver- 
wachten : 

wawa Üjawa == links Larantoeka, 
en Ie of laoe Djawa = rechts enz. Java. 

Te Maumeri in dit geval juist het omgekeerde: 
Ie £!/'au;a = rechts Larantoeka, 
wawa Djawa = links Java. 
of ten minste voor „Java'' op de beide plaatsen : laoe Djawa. 
Verder beteekent: ' 

hier, lalei, eibaoe. 

daar, Ie ia; rela ia; wawa ia: laoe ia: ia baoe. 
binnen, wali oene, 
buiten, ewina (ei wina?). 
boven op, rela bawo. 

onderaan, wawa 

meer naar boven, rela toê. 



148 

meer zeewaarU, laoe toe 
een weinig meer naar boven, re(a mai 
^ „ „ ,y zeewaarts, laoe mai 

C. Bijwoorden van graad. 

Zie de aangegevene bij den y^Superlatief' en voeg er bij: 
rewang, nowang, zeer; nèng, in H geheel niet. 

D. Bijwoorden van beve^stiging en ontkenning, 
ja, e of elie. 

demméng, zeker, waarlijk; golo, werkelijk. 

Men dmkt ook eene bevestiging of ontkenning uit door 
het werkwoord te herhalen dat in de vraag voorkomt: 

Moang raloe lore^ Antw. lore. Meneer radja daalt af. Hij 
daalt af. 

Komt de radja naar beneden? Antw. Ja. 

De bevestiging wordt ook aangeduid door eene beweging 
der oogen (en van het hoofd soms ook), zooals wij doen als 
we in gezelschap van velen^ aan één persoon eene geheime 
vraag stellen. 

Neen eong. 

volstrekt niet, eong golo, 

Loebak had!' verkocht, gewild? 

Antw. eong, neen. 

Men kan ook zeggen: 

enue loebaky (het is) niet verkocht, gewild. 

Apa taoe? wat moet je? 

Antw. eong^ neen, niet (niets?}. 

hoe nenni apa!' wat vraagt ge? 

Antw, eongf neen (niets). 

HET WERKWOORD. 

Van de werkwoorden is tot nu toe weinig met zekerheid 
bekend. 

Velen worden vervoegd. 

Eerste klasse met 6 in den 3 p. s. ind. 
aöe pano, ik ga enz. 



149 

aoe banOf 

nimoe bano, 

ami banOj 

ita panOy 

mioe banOf 

rimoe panOy 

Aldus worden vervoegd: 
bemme, knijpen. 
baat, opzetten. 
batlar, doorhakken. 
batii, sngden, slaan, 
bopo, wasschen. 

bapang, kind op den schoot houden, 
bet Ie f binden. 
beppi^ fijn stampen. 
bioj pellen. 
baroet, afdoen. 
boroy snijden. 
bèókf hakken. 
bóó, uitschelden. 
boehe, liegen, 
boepoe, afplukken, 
enz. 

Tweede klasse met b in den 3« pers. enkel, ind . praes. 

aöe wetta, ik zeg. enz. 

aoe betta, 

nimoe betta. 

ami betta. 

ita wetta, 

mioe betta. 

rimoe wetta. 

Aldus worden vervoegd: 
boewoey verdeelen. 
boeüy baren 
boeang, vervoeren (met paard, praoe etc). 



150 



biiiety slaan, 

hiloi, oogen open doen, 

boelalc^ groote oogen opzetten, 

belot, 'thooid schudden, 

bitak, breken, 

bakie, opzetten, aanstellen, 

hekkan^ uitspreiden, 

bihi, indoen. 

basa^ in de handen klappen. 

belak, rijgen. 

beita, losbreken. 

behaky uitstrooien. 

beo {kottir), (tol) uitwerpen, 

boong^ roepen. 

bewweng^ wegjagen. 

botter, koopen. 

boei, wachten. 

baga, schillen. 

baiak, afscheuren. 

öanif, villen 

belo^ werpen 

bettivy opspringen, spartelen. 

bera, slaan. 

beris, aanstrijken. 
berrt, uitwisschcn. 
bewat, afschudden. 
bitoe, hengelen. 
beleng, slingeren. 
bido, uitrekken. 
bidavy uittrekken. 
bitek, aanbieden, geven, 
biha, scheuren. 
bikoer, afbrokkelen. 
belli, geven. 
bower, opwinden. 
boëng, opwinden. 



151 

baeoetf halen. 
boeras f bespuwen . 
boerif zaaien. 
boga, breken. 
hoela, inwikkelen. 
bolot, rollen. 

bolang, met obat bespuwen. 
bid f met tweeën dragen dragen. 
bekicat, opvoeden. 
beUokf springen, 
enz. 

Derde klasse met d in den 3^ pers. enkeW. praes. indic< 

aöe tenna, ik doe enz. 

doe denna. 

nimoe denna, 

ami denna. 

ita tenna. 

mioe dennoe. 

rimoe tenna, 

Aldns : 
dola, f laan. 

danij weenen. 

driy zitten. 

dopoy roepen. 

doöCf luizen. 

dekki, scherpen. 

doó, hoesten. 

dewwir, verbreeden. 

dogOf 8. dansen. ^ 

deppi, rijstzuiTeren 

dië, openen. ^ 

doeèy slapen. 

depo, Yolgen. 

deggoe, met lans werpen. 

doeroe, wgzen. 



152 



doe, 


yasthonden 


diat, 


overreiken. 


dea, 


knoeien. 



Vierde klasse met 9 in den 3 per», enkelvond praes 

indic. 

aiJe oea ik werk enz. 

aoe goea. 

nimoe goea. 

ami goea. 

ita oea. 

mioe goea. 

rimoe oea. 

Zoo ook: 
gila, 



gallüy 
gawe, 
gapoe, 

gids, 
galiy 
gaho, 

goi, 
gerriy 

gerra, 

goemity 

gorakj 

gewwOy 

goeöeVy 

gopi, 

gerocj 

geggoetiy 
gowir, 
gemenoe, 
gaoe (gao?) 



zien. 
lezen, 
wenken, 
omspannen. 

trekken. 

graven. 

vullen. 

graven. 

schreeuwen. 

staan. 

knypen. 

krabben. 

knijpen. 

uitschelden. 

omhakken. 

aanscherpen. 

bijten. 

vuist ballen. 

peuteren. 

pruimen. 

water scheppen. 



153 

gobüy laiden (klok). 

gegOj uithalen. 

godo, ophanden en voeten kruipen. 

gewwit, aanstooten. 

go, zoeken. 

Vijfde klasse met n in den derden persoon enkel v. en 
/ in der 3^ pers. meerv. praes. indic. 

aöe akiy ik haal enz, 

aoe mala. 

nimoe nala, 

ami mala. 

iia tala, 

mioe mala. 

rimoe Idla, 

Aldas ook: 
noeloe^ voorgaan. 
nara, geleiden. 

Zesde klasse met n in den 3^ pers. enkelv, en r in den 
3« pers. meerv. praes. indic. 
aöe atiif ik veeg enz. 
aoe moni. 



mmoe noni. 




ami moni. 




ita toni. 




. mioe fftotii. 


« 


rimoe roni. 




Aldus ook: 




nohOf 


wrgven. 


netti. 


vasthouden. 


nana^ 


vlechten. 


hinoe. 


drinken. 


nope, 


bakkeren. 


na 


gaan. 



Hierbij kan men ook newwang voegen: 



154 

aöe ewwang^ ik kan enz. 

aoe mewwang. 

nimoe newwang, 

ami mewwang. 

eta (ewwalf (ewwang. 

mioe mewwang. 

rimoe rewwang. 

Onregelmatig: 

aöe oa ik eet enz. 

doe goa, 

nimoe ga. 

ami gea. 

ita ea, 

mioe gea. 

rimoe a. 

In de uitdrukkingen: 

gima ga, yischjes zoeken. 

go ga^ eten zoeken, 
wordt ga rervoegd zooals hierboTen, gima en go volgens de 
Tierde klasse. 

Ëenige opmerkingen op het werkwoord. 

De aangegeven vervoeging gaat door voor het perfeotnm 
en futnram. 

Zijn zij reeds weggegaan naar links? 

rimoe wawa ra baa? 

zg links gaan zijn? 

Ant. pano rang baa * 

zij gaan zij gegaan? zyn 

of wawa ra baa 

links zij gaan zijn. 

Wij zullen volgen, 

ha odi tepo 

De imperatief blijkt V* uit den toon waarop men den 2* 
pers. enkelv. of meerv. praes. indic. gebruikt. 

mioe bano Ie natar ma\ 

gij gaat rechts kampong gij gaat. 



155 

2« uit de woordjes „sai" of „leöe" achter werkw. 

De infinitief bestaat niet. 

Moeder beveelt mij een naald te halen^ 

Ina odo aöe ala loehier. 

Moeder beveelt ik haal naald. 
Ik wil graag naar Tanah ai Aöe gai pano 
gaan Ik wilgraag (ik) ga 

Ie Tanah-ai 
rechts Tanah-ai 
a 
(ik) ga 



EENI&E BEIIERKINGEN 



OP DE 



Vgl. Deel XXXI II, bL 501 volgg., en XXXIV, bl. 283 volgg. 



Waarschyniyk komen in de lijstjes woorden voor die met 
de nauw hoorbare h hadden moeten geachreyen worden in 
het begin; zooals dat het geval is met adir, stram, wat 
hadir moet zijn; en omgekeerd. 

Zoo ook kan men woorden aantrelOTen met eene r (de zacht- 
gebrouwde) op het einde van een woord, die deie r niet 
moeten hebben ; en omgekeerd. Hetzelfde geldt voor de letter k. 

Eveneens woorden wier klinkers oe-a, o-a door een w moe- 
ten verbonden worden; of omgekeerd die verbonden zijn door 
eene vo en het niet hadden moeten zijn, b.v. toea, s. inland- 
8che drank, moet toewa geschreven worden. 

Waar dus geen w of ƒ geschreven staat, spreke men die 
ook niet uit, tenzij na onderzoek blykt dat die letters er 
tuBschen moeten staan. 

De Sikkanees kan de klinkers ia, oa, oea, ao, eo, oeoe, 
ai, enz zóó uitspreken dat de hiatus er tusschen duidelijk 
hoorbaar is en er geen zweem von «u-of /-klank valt waar 
te nemen. 

In de woorden ki-at, mes; ioe-ang, pas ontgonnen grond; 
e-ang, neen; ko-at^ sprinkhaan, is de hiatus opvallend dui- 
delgk hoorbaar. 

In andere woorden is die hiatus, vooral bg de strand- 
bewoners, minder duldelgk hoorbaar; maar de w of/ hoort 
men er niet tusschen. 



157 

Tn de lijstjes is dit niet aangegeven; ^ijl tot nu toe de 
woorden niet kunnen gerangschikt worden b.v. onder rubrieken 
volkomen hiatus, onvolkomen hiatus of dergelijke. 

Vóór de lijstjes zijn regelen voor de uitspraak aangegeven, 
die voor verbetering of verdere onderverdeeling vatbaar zul- 
len zijn. 

B.v. 2° Elke klinker is lang (of heeft de open klank, want 
dat is de beteekenis van dat woord ,;lang"). 

a. als er een andere klinker op volgt. 
Ën toch in : ndo, stelen ; pao, mangga, paoe, dragen ; heeft de 
a den korten klank. 

B.v. 3"* Elke klinker is kort: 

b) in de laatste lettergreep van een woord dat op een mede- 
klinker eindigt. Ën toch in: blawir, ver; klinkt de i lang; 
boUirf flesch klinkt de i korter; laïl (in de uitdrukking: ^e- 
loen laïl, des (dooden) mans plaats vervangen of doen ver- 
vangen) klinkt de i als in het HoUandsche woord ,41^''* 

Het gebruik van een dubbelen medeklinker om aan te dui- 
den dat de vorige klinker ;,kort" is, ondervond nu reeds van 
geachte zijde tegenspraak. 

Als antwoord hierop diene: 

1®. De uitgebreide lijsten vaa wijlen Pastoor C. Ten Brink 
en den Weleer w. Heer A. van de Velde, waaruit beide 
lijstjes hoofdzakelijk ontstaan zijn, volgen deze schrijfwijze. 

2°. In woorden als: newwang, hij kan; eppang, goed; 
lebbe, spelen ; (ebbong, lichaam ; kewwo, graf; telloe, drie, welke 
woorden een reeks van dergelijke woorden vertegenwoordigen, 
hoort men de inlanders duidelijk den dubbelen medeklinker 
uitspreken. 

Mocht het echter verkieselijker blijken, de in hctMaleisch 
en eenige dialecten gevolgde schrijfwijze te bezigen, zoo kan 
dat bij eenc eventueele tweede uitgave geschieden. 

Onder dit voorbehoud wordt de eenmaal aangenomen schrijf- 
wijze consequent doorgezet, omdat het zeker een gemakkelijk 
middel is om de lange (open) of korte (gesloten) klank der 
klinkers aan te geven. 



158 

Voor de h werd daarop eene uitzonderiDg gemaakt; wel- 
licht omdat meD vermoedde dat de hh dienst zou moeten doen, 
om ééne der h eigenaardige uitspraken aan te geven. 

Het ware wellicht verkieselijk om de uitspraak der lange 
i zooals in rodieng^ widieng niet door ie voor te stellen, 
dewijl die t klank niet bij allen evenlang klinkt; maar roding 
enz. te schrijven? 

De trema in woorden als paö, bad kon, om vroeger aan- 
gehaalde redenen, ook wegvallen wellicht? 
Eveneens in lai\ mai\ ei\ etei] meing enz. enz. 
In de woorden: 

renna, hooren. 

dennUy doen. 

henna. braden. 

kennaha^ iets. 
metleng, meenen. 
netmiy vragen. 

radja weilo^ s. schotel, 
klinkt de e als de eerste e in het HoUandscbe word: rennen. 
Enkele malen hoort men de e in henna, melleng en radja 
tcello regelmatig als e nitsprekcn. 
Van de andere woorden ook? 

De volgende druk- en andere fouten gelieve de lezer in de 
lijstjes te verbeteren. 

A. In het Hollandsch-Sikkaneesch: 
bladz. 3 Het teeken lees Het teeken' 

,, den klemtoon valt ,, de klemtoon. . , . 
„ Het teeken „ Het teeken^ 

4 pellanq laboe ,, pellang labae; 

„ voeg tusschen de woorden „aardappel'' en „af- 
scheuren'' de woorden op bladz. 5 van af „aard- 
beving" tot „ademen*'. ' 
„ 5 amapoe lees dmapoe. 

„ 5 railang „ rdilang. 



n 



159 



bladi 


;. 5 


u;o/ona 


lees wolo na. 


;> 


6 


noeger 


?> 


fiocjjfèr. 


>» 


» 


dani {menggoe) 


>f 


(me^joe). 


1» 


» 


gille 


»7 


je//e. 


}> 


7 


lehor 


>» 


lèhór. 


>ï 


»> 


lakker 


yy 


takkèr. 


>» 


9 


waènglèd 


jy 


waèn glèd. 


7> 


») 


mening lehór 


;j 


metling lehor. 


» 


>; 


lollo boera 


>? 


tello boera. 


» 


)> 


duwen, dodor 


>> 


duwen, pikoet 


W 


» 


naarboven — , ptkoet 


J) 


naarboven — , dodor. 


n 


n 


(lichdeel) 


n 


(lichaamsdeel). 


11 


10 


b. V. a. kinderfeest 


n 


b. V. kinderfeest. 


7> 


fj 


• 

fladderen, bledjor 


ff 

• 


fladderen, keppik rewwit. 


7J 


)f 


— vlag, Lcppik rewwii 


yy 


— vlag, bledjor. 


»> 


11 


noangha 


^* 


noang ha. 


» 


»> 


gescbeard, behak 


<ï 


gescheurd, bcak. 


*i 


yy 


geven, heli 


•^1 


geven, belli. 


>1 


n 


God, A ma poe 


» 


God, A^mapoe. 


s» 


12 


alang roon woeloèng 


yy 


alang roon; woeloèng. 


^» 


13 


gewivd taing gieng 


>i 


gcwwa; taing gieng. 


?; 


14 


limang vcaoek peggi 


j> 


limang waock; p^ggi. 


7> 


n 


reppe errete 


M 


reppe] crrele. 


>> 


i> 


bren brion 


)l 


bren brion. 


» 


16 


lam b. n. ata pipak 


M 


lam b. n. [ata) pipak. 


,'» 


>» 


kesükkessik 


>> 


kcssik'kessik. 


» 


17 


mand, kata\ 


?» 


mand, kata; rimbing. 


>» 


»J 


mangga, pao, rimbing 


>» 


mangga, pao. 


V 


>> 


InizQïi, alang geroet alam 


)" 


\\x\'LQ\ï.... geroet alang. 


«f 


>7 


mauwen, long 


yi 


mauwen, long. 


5» 


21 


onder, moang tot 


n 


onder, moang toë. 


ï* 


?? 


overwennen 


V 


overwinnen. 


*» 


24 


scbop, hoeroe tanah 


7» 


koeroe tanah. 


>; 


» 


sluieren^ lomboeng 


7> 


lomboeng. 


9f 


25 


strand, Idoe nè 


V 


laoe nè. 


?> 


26 


teeO; Ictktr 


M 


waing kilcir. 



160 



bladz. 27 uitDOodigen, noo 
„ „ veel, rakten 



lees 



7> 



>7 



17 

29 



„ vereeren, rü htmanq 
28 vervellen, bakkok 
voeden, wotik 
walvisch, aing klaroc 
30 wees, ata noehkak 
winden, pies 

wrong (baar-) kèl kalang „ 
zien, gota „ 

zyn (vnw.), wimoeng „ 
„ zinkeu, lemmet' 
32 zwak, memmek 



31 






ȕ 



77 



77 
77 



no. 

rakkan. 

limang. 

hakkak. 

botik. 

xang klaroe. 

ata noekak. 

pleo. 

kèt alang. 

gxla, 

nimoeng. 

lemmer. 

memmèk. 



B. In bet Sikkaneescb-Hollandscb : 
bladz. 1 1® in den 3"" pers. lees in den 8<^° pers. enkel v. 



7» 
77 
17 
*7 
77 
7» 

77 
77 

7» 
77 
»7 
77 

»; 

77 
71 
»7 
77 
77 



»7 

2 

17 
17 
7» 

3 



30 a) als in Holt. 
Noot: leng 
G° Het teeken 
7<> Het teeken 



9< 



(M'. 



77 
77 
71 
1» 
77 



als in de Holl. 
lengte. 
Het teeken' 
Het teeken ^ 

óv. 



77 

6 

77 

7 



8 

9 

11 



adoetig!' 

bette adoeng 

Amapoe 

oring basar, blaadje 

beang beak 

bendi befftoe 

of 

toea hoc 



is onbekend. 



lees A'mapoe. 

. . . laag huisje. 
beang baak, 
bendi bettoe. 
cf. 



7» 



71 



77 
'7 
71 



toewa boe, 
bano boleng 6afóf* = dikwijls ergens komen, moet 
zijn: boöe boleng balèr. 

12 6raii;afi, luidopdroomen lees: brawon. 

13 toetoer dada lowor „ ... lawot\ 

15 djedjoe „ djëdjoe. 

16 bennoe djega ,, ... dj eg ga. 
18 do kok ,. dokai. 



77 



161 



bladz. 18 



dolo toea 

doeloe 

domeng 

popa 

eker 

hapoet 

henne 

bala hegen hèngok 

henneha horong 

a (uitroep) 
kararakak 
kèk 
kessa 
kcssik 
klejaek 
klo 

koal klodak 
kodjeromae 
koeroeug {roeding) 
koi 

paë kokkon 
kaloer waioe (ara 
komberoë 
kremissi 
krewong 

lakang, 8. yrachtboom 
lagi 
lahem 

lareng lahem 
ekok 
ela 
ele 
ele 
leloe 

Icngi iaïnh „ 

„ ,y Icnsoe ,, 

Tydschr. Ind. T. L. ea Vk., deel XXXV. 



)f 

>7 

>9 
}> 
» 
}f 
>} 
}f 
ï> 
}f 
}> 

y> 

>) 

n 

9} 
97 

•> 1 

;» 

99 
99 
1» 
99 



99 
99 
99 

19 
26 
27 

7» 

30 

99 

32 

33 

34 
35 

36 
37 

99 

38 
39 

99 

40 
42 

»> 
ȕ 
>? 

7; 



lees dolo toewa. 

doloe. 

doneng. 

dopa 

ekèr. 

hapoe. 

henna, 

bala heoen hèngok. 

kennaha horong, 
ia. 

karararak. 

keek. 

kessa» 

kessik. 

is onhektxïd, zit: kleoeL 

klooe 

koat klodoh 

kodjeromoe. 

,..{rodieng). 

koe 

pao.,,. 

koloer 

kömberoé 

krewissi. 

krewwong. 

lahang. 

lahi, 

lahein, 

lahein. 

lekok. 

lela. 

Iele, 

Iele. 

lelloe. 

lengi taïng. 

lensoe, 

11. 



99 
99 
99 
9) 
79 
*9 
79 
99 
99 
99 

99 
>> 

99 

?» 

99 

79 

97 

99 

9) 

99 

17 

79 
99 
*» 

ï» 

77 



162 



bladx 43 linsos lees Umsoe. 

„ 44 loebk ,, lo^Ièk 

„ 46 loroe is 3 pers. meerr. Tan voro^ 

„ dri mo doe adoeng moet zijn: dri madoe adoeug. 



• • 


>t 


Moa Mt 


lees maa belii 


•» 


47 


aming waie 


i« 


aning male. 


• « 


48 


mloek 


>» 


meloek. 


• » 


•> 


keltik mening ha 


«« 


kellik menning ha 


'» 


49 


mima meong 


« • 


ima meong. 


• % 


50 


maloe 


*> 


moloe. 


>» 


51 


nahing [kabar) 


ï» 


.... (kabor) 


«« 


?» 


iiai mamoe 


^y 


manoe ndi 


• » 


^» 


toetoer nao noeng 


1 


.... noang. 


»1 


53 


ngedjcng 


M 


ngedjcng. 


»> 


54 


nioe nelling 


>» 


.... nellong. 


»» 


55 


noge (rodieng) 


r 


nogo (rodieng). 


>» 


57 


oii, eerst 


M 


otiy eerst, 


>t 


58 


padda leda 


■ * 


pada leda. 


>) 


59 


kikir pellang kila 


M 


.... kila. 


»> 


60 


plandjong 


1» 


pladjong. 


>» 


61 


ai plea warang 


1> 


ai plea warang. 


M 


62 


pon ('ladjat') 


n 


pion ('ladjar). 


») 


}} 


kilassar ploboer 


ï» 


. . , . ploaoer. 


»> 


65 


rehi 


n 


rehi 


*< 


66 


repping (lahing,,.) 


»l 


reppeng. 


•1 


»» 


iroeng robang 


»» 


.... robong. 


V 


67 


sa nane boa 


» 


.... baa. 


»f 


»» 


saboerango 


1» 


saboerangan. 


n 


68 


sarong (. . . bakki) 


iï 


{bakko). 


»> 


>» 


serowang 


f» 


scrowang. 


»1 


>> 


seani 


»» 


sean 


>> 


71 


soedig 


i> 


soeding. 


>» 


« 


soegoe roegoel 


J> 


soege roegoel. 


»» 


72 


sorong tena 


n 


sorong lena. 


>> 


73 


iawang raïng 


>7 


Iawang rdilang. 


7» 


77 


mamoe wai boeang 


f> 


manoe 



163 

bladz. 79 wingan noten lees wingan wolen. 

„ „ {wiior lahem..,) „ wi(or {lahein,..) 

„ 80 wcekak ,, vooekak. 

De Hollatidsche drukfouten, die het Sikkaneesch niet hin- 
deren, gelieve de lezer te verbeteren. 



SPREEKWIJZEN. 

Aöe pano baa etei Ik ga maar Tast; 

Ik ga er van door. 

Ami gea baa etei Wij gaan eten (als we er voor 

voor klaar staan namelijk). 

Toehan ga baa Meneer is aan het eten; of: 

Meneer lieeit klaar met eten. 

Aoe hano baa (ia? Ga je er van door? 

Ga je nu vertrekken? 

Op vragenden toon uitgespro- 
ken beteeken t: 
Mag ik naar de kampong gaan ? 

Op bevcstigenden toon, betee- 
keut: een beleefden afscheids- 
groet; 
Ik ga dan weg, naar de kam- 

pong enz. 
Ik wandel maar. 



Pano Ie nalar 


a. 




Zoo 


ook: pani 


) watva 


«; 




ï' 


re fa 


M ) 




M 


laoe 


(1. 


Aöe ^ 


pano poi, 


of 




Pano 


loa {loar 


0, of 




Pano 


sèng, 


of 




Pano 


sèng poi. 






Pano. 


1 






Pano 


taai! 







Ik ga! invitatie aan de bij het 
gezelschap behoorenden om 
weg te gaan. 
Wij gaan! laat ons gaan! (zoo- 
als boven.) 
Moang, pano Ie natar laat!' Meneer^ laat ons gauw naar de 

kampong gaan?= 
Meneer, ga gauw mêe naar de 
kampong. 
Aoe bano wali alol? Ga je naar Maumeri? 



165 



of Aoe bano wali alolt mn'f Ga je naar Manmeri? 
Antwoord: pano, Ik ga. 

of c. Ja. 

Enne pano di eong. Ik ga niet. 

niet ik ga ook niet 
Moang bano boroe wawa Beb Gaat Meneer tot aan Bebbeng? 

béng? 
Moang bano ft;aira Bebbeng Gaat Meneer tot aan Bebbeng? 
golo? {d. i. zóó dat je te Bebbeng 

komt^ en niet slechts die rich- 
ting maar uit). 
Moang bano ha wai. Meneer is er al eens geweest. 

Ala apa Ie ia!' Wat zijn dat voor menschen daar 

rechts ? 
A(a oefoei\ moang Buitenlui, Meneer. 

Rimoe pano epai ra? Waar gaan ze heen? 

Woea noerak^ moang. Pasgeboren kind, Meneer (dat 

wil dan zeggen : ze komen het 
gcboortctcest vieren). 
Ami rela Halereta mai merra Wij zijn gisteren avond van Hale 
waoen daa ei bhoe ena kn- gekomen, hier van morgen 
woe laen. vroeg nog aangekomen. 

Mè hoen meila baa ai pled Heeft uw kind de pil al inge- 
wardng? nomen? 

Antw. Idoe na baa. Zij is al naar binnen. 

Rimoe Ie ra Ie mai. Zij loopen heen en weer (na- 

melijk: van ons huis en dat 
wat rechts van het onze ligt). 
Nora Tochan laen maiy bliro Toen Meneer nog niet hier (ge- 
tnai laoe ga manoe. komen) was, kwamon de bliro's 

(S. kleine arend) de kippen 

rooven. 

Bano lettan poi, loppa iutri. Ga maar recht door, rust niet. 

Nimoe bano beleng badjong. Hij loopt met slingerende armen. 

Loeai aöe naha daa rela Nita, Morgeu moet ik te Nita zijn 

remma roea boroe wawa (Nita bereiken)^ overmorgen 



166 



Sikta Sikka bereiken (komen tot 

Sikka). 
Ata Ie mat doe derrado. Er komen veel menschen van 

rechts. 
Nimoe öano rehi, nissèr poi. Hij kan niet loopen, kraipt orer 

den grond. 
Merra aöe patio manoe laeti Gisteren ben ik weggegaan vóór 
poar. dat de kippen uit de boomen 

kwamen. 
Ata riwoen Ie wolo. Ito ngerang Rechts bij den heuvel waren veel 
rang boa. menseben; maar ze zijn ver- 

trokken. 
Norikoe nora wienel, epai? Waar is Norikoe met zijn zusje? 
Antw. Pauo, Ie oetoer ra. Zij zijn naar buiten gegaan, zij 
naha o a. moeten eten zoeken. 

pano 3 pers. meerv. van bano 



ra 


ft 


» 


}f 


ft 


na. 





ff 


ft 


ff 


>> 


go. 


a 


ff 


ti 


jf 


ff 


ga. 



Laoe ra rang sawe baa. 



Atna aöeti boöe poa hen. 



Ze zijn allemaal naar de maan 

(dood). 
Mijn vader kwam (te buis) vóór 

den avond nog. 

* 

Aoe dopo Rissi nala manoe Roep Rissi om een klein kip- 

iellong kessik, penei te halen. 

A^ reta a, ora nimoe. Ik ga naar boven, breng hem 

mêe. 
Hij loopt nog zonder kleer^n 

aan. 
Waar zijn de lui van Hokor. 
Ze zijn vertrokken. 
Mag ik naar de kampong gaan 
kijken (bv. naar het ,, dansen''). 
Ga maar (waarom niet?) 
Ma$i nimoe walt alek tut di Hij kan zelfs naar Maumeri loo- 
netamang. pen. 



Nimoe bano merang laen. 

Ata Hokor epai bing? 

Remma baa. 

Aöe pile Ie natar? 

Bano eong of eoen. 



167 



Moang mai walonq remrna Wanueer (ua hoeveel dagen) komt 

pira^ meneer terng? 

Zoeat ko boöe. Morgen kom ik terug. 

Pano lebbe ha {r?}reta Rissi, Ik ga maar spelen met Rissi 

(die boven woont). 
Aöe meggoe poi ora waloe Ik houd meer van roode steenen 

merak, iwa enne meggoe, dan van andere. 
Aöe gringan toi kaë, lore entte Ik houd meer van klimmen dan 

gringan, van dalen. 

Lipa ei weltng koerang, ei we- Deze sarong is goedkoopor dan 

ling toi {toë?), die. 

Reggan ha nimoe holler ma- Den eenen marktdag koopt hij 

nee gawang toi^ reggan ha meer kippen, den anderen 

nimoe bollet* koerang. marktdag minder. 

Ena mè ngadji riwoeng loi, Van daag waren er meer cate- 

merra koerang, chismuskinderen dan gisteren. 

Aöe liïng loi baa. Ik geef harder geluid (blaas har- 

der op de fluit b v.) 
Santo vuali alok liïng gel te , De speeldoos te Maumeri klinkt 

sanlo ei koerang. harder dan deze. 

Rela Hale djarannwoe,boera Te Hale zijn veel paarden, witte 

toi. het meest. 

Djaran Phenix teggor toi leöe Phenix is het sterkste van alle 

djaran sav(>e, paarden. 

Nimoe baimoeri tosi. Hij was de laatste van allen. 

Nimoe male tosi. Hij was waarlijk dood. 

Aöe boöe oeloe iwa tepo. Ik kwam het eerst, andere volg- 
den. 
Aoe tea apa? Wat verkoopt ge? 

Antw. Bissi Pompoenen. 

Moang nala belli wawi? Koopt Meneer ze voor de varkens? 
Ina doneng belli aöe. Moeder heeft het mij geleerd. 

ha toetoer belli aöe. Moeder heeft het mij gezegd. 

Toehan gatta belli. ^ Meneer tel dat eens voor mij,' 

of: Meneer lees me dat eens 
voor. 



168 

Dopo belli Toehan. Roep (hem) voor Meneer. 

Mala helli aöe. Haal dat voor tnlj. 

Medi belli ara aöen. Breng mijn rijst eens. 

Toehan denna belli aöesonqko? Meneer maakt een hoed roor mij? 
Ella kabor ha, belli aöe. Laat een klapper voor me afval- 
len. 
Raa belli aöe. Vat hem voor mij. 

Uai goed belli alang aoen'f Wie heeft uw haar geknipt? 
Metti belli aöe ara? Breng mij rijst. 

Aöe eiti tvelli aoe. Ik breng ze n (ik zal ze u brengen). 

Eppang ho eong? Goed of niet; bevalt je dat of niet; 

lekker of niet. 

Men laat dikwijls dat j^eang'' 

weg. 
Aoe bano ko!' Ben je van plan om te gaan? 

Bihi djaran ha iól Geef dan dat andere paard eten! 

Nimoe ala geile ko? 
Nimoe ala moang ko? 
Eong, ala riwoen. Neen, van lagen stand. 

Moang ha epai? Waar is de andere heer? 

Walt alok naha reggan djong. Te Manmeri om de boot te tref- 
fen. 
Lema kabor naha rewwoe. Als men in een klapperboom 

klimt, dan zweet men. 
Pore epai? Waar is Pore. 

Laoe na, naha gima ga. Hij is (zeewaarts) naar zee ge- 

gaan, hij zoeict vischjes. 
Pore mara enne missa nimoe Gisteren was Pore niet in de Mis, 

dri epai? waar was hij? 

Naha sorong. Hij was aan het vischvangen. 

Naha belle sessa ewang (sese- Men bindt een bies (om het hoofd) 

wang) denna alang boengen om de hoofdpijn weg te krijgen. 

mfiïïimék. 
Sissa piè di newwang^ ala iwa Sissa kan daartegen (hij was ge- 

naha tani golo. vallen en huilde niet); anderen 

zouden zeker huilen. 



> Is hij een voornaam man? 



169 

Soerat doen epai? Waar is papier? 

Sissa nalia hiha leöe. Sissa heeft het (kapot gemaakt) 

verscheurd. 

Iwi epai? Waar is Iwi? 

Nahn hoei ko laoe mai. Hij is gaan badeu en dan (daar- 

na) komt hij. 

Ika hoe ma lai aöen, I ,, , «. 

-, , , .... > Ika heett mii mijn man ontroofd. 

I/ca naha noema lai aoen, \ 

Me dani nova mocoe, Uet kind schreit om pisangen. 

Nimoe dani nora ga, Ico mam- Hij schreeuwt om eten, maar 

nia fclii, kan niet kauwen. 

Kimoe odi meang nora apa? Waiumee (waarom) zal hij ver- 
legen zijn? 
Nimoe dani nora moroen. Hij schreit van den honger. 
Sino braoenoraivalong Toelian. Sino is weer bang voor meneer. 
Ina meggoe nora me minoeiig. De moeder betreurt (houdt van) 

haar kind. 
Waoen nora lengi (anah. Het riekt (hier) naar petroleum. 
Nimoe enne braoe nora ina ama. Hij heeft geen eerbied voor zijn 

ouders. 
fna aöen lèè nora laing elei. Mijne moeder wil niets van dezen 

' man weten (wil niet dat ik 
met hem trouw). 
Aöe toetoer ora Toehan. Ik zal 't Meneer eens vertellen 

of: ik kom eens praten. 
Beila aöe (opo. Zeg dal ik (hem) roep. 

Aöe brdoe nimoe mai nitoe Ik vrees dat hij weer zal (ver- 

walong. schijnen) komen. 

Lalang railang ko brdoe ala Ik ken den weg (wel) maar ik 
patliraa aöe. ben bang dat men mij zal 

oppakken, 
Nimoe betta nimoe railang. Hij zegt dat hij het weet. 
Aöe brdoe hi geile odinidoe. Ik ben bang dal de karbauen 

(mij) iulleu stooten. 
Aöe brdoe Üjendo odi dea Ik ben bang dal Djendo ondeu- 
wali schola. gend zal zijn op school. 



170 

Aöe tenna moang ga. Ik maak dal Meneer eet (ik ben 

kok bij meneer). 
iSimoe ga bre malang. Hij eet (/a/ zijn ocgen dicht yallen. 

Moang Toelis lelta ami wara Mr Toelis noodigde ons (uit) om 

pellL bamboes te dragen. 

Witi lef ia aöe patit siloe {ng). Witti noodigde mij uit om steen- 
tje te slaan (soort spel). 
Aöe ala loehir seloen ledang. Ik zal een naald balen om in te 

ruilen voor kraaltjes. 
iVimoe geba ane. Hij gooit (maïs) om (de kippen) 

te lokken. 
Ami brhoe dóór ala tó hóóL Wij zijn bang om te antwoorden, 

men lacht (ons) uit. 
Of dit niet moet zijn: 
Ami dóór braoe? 

Menzegi: Ami toeloerbraoe. Wij zijn bang om te praten. 
Aöe wolier nai. Ik kocht het om het te bewaren. 

Belli aöe larowe denna pewe Geef me een oorbel om in mijn 

ei liloeng. oor te hangen. 

Belli aöe ledang denna benoe. Geef mij eeu kralensnoer om 

om den hals te hangen. 
Of dit niet zijn moet: 
Belli aöe ledang lenna penoe 
= geef mij een snoer ik 
doe omhangen?] 
Ala pakicel lenna roho. Men gebruikt het om zich in te 

smeren. 
Menschen gebruiken zij doen 

xij smeren in. 
Ina aöen bokak baë, nenni hini Mijn moeder is misselijk van de 
mi denna poeli, gal, vraagt suiker om het on- 

gedaan te maken. 
Oeroe bokah? Opgezette milt? 

Belli aöe songko geile dentui Geef mij een grooten hoed om 

gereng dara. de zon af te weren. 

Aöe kahok kollir ora polang Ik 8chrap(mijn) tol met een stuk- 



171 

wilcir denna gellir rakkan je glas ai om (hem) hard te 

doeu draaien. 
Mala kololi roon denna poeloen Haul keioti blaren om (miJD) ta- 

bakko. bak Tochtig te maken. 

Mè kesslk nala ama rodxng De kleine jongen haalde zijns va- 
nifnoetig denna lebbe. ders hakmes om (ermee) te 

spelen. 
Tawing leöe denna mennong. Vlecht het (als franjes) met franjes 

erom, om het sterk te maken. 
Anxng pessoe iahi boera ganoe De wind stuwt het zeeschuim 

vüiding anak. op als jonge geitjes. 

Blatlang ganoe wajerblatiang. Koud als ijs (zouden wij zeggen). 
Ami rdilang Toehan memmèk Wij kennen Meneer zijn zwak 

nimoey teggór mmoe. en zijn fort. 

Dn niroe apt. Bij het Yuur zich warmen (in 

den haard zitten te spuwen). 
Toma baa howang? Heb je uw geld algekregen? 

Masi kennaha voao&n rimoeng 'k Heb zelfs hun schaduw nog 

di laen {t(a?). niet gezien (?). 

Nimoe ga gois. Hij eet alles wat hij krijgen kan. 

Toehan nia di nelli. Meneer blijft me aankijken. 

la hiri en tö Iele. Iemand uitlachen. 

Ara naha nora loeing. Bij de rijst moet een toespijs 

(visch of kip, of ander yleesch) 

zijn. 
Nimoe togèr lemmang. \ Hij is gierig. 
Hij (heeft) nekkuiltje diep. f 
Aöe enne oa ngawoeng daan. Ik eet geen rauw eten. (Ik 

neem Liet ai, maar betaal wat 

ik eet). 
Nimoe ga dangelais. Hij heeft een leelijken mond (hij 

scheldt altijd). 
Nxmoe malang roewang eong. Hij is niet bedroefd (spijtig als 

hij b. V. Ycrliestbij het spelen). 
Toehan toetoei* daan Iaën. Meneer praat nog slecht (onze 

taal b.y.). 



172 



Ahoe hail noerolc,odigiigolo. 



Rimoe welta nöe tola mè ha 
hetlok daa ei Icabor rcia 
ivoeioe. 

Oeran wawi foèn gemma. 
Bihi (aing. 



Heng betia ko dagir. 



Ileng blawir. 

Emai (oma ngawoetig. 

Denna memmèk djaran. 

Djaran memmèk baa. 

Nimoe aróen leggór. 

Oio peliang nimoeng dimoeng 

di peliang nimoeng, 
Lessoe ividing ha, glaak ha, 

lessoe volding boera glaak 

pawoen^ 



Een hond die pas geworpen 
heeft, zal bijten; d. w. z. wij 
zijn gewapend, wij zalien ons 
verdedigen , wij schieten er op 
los. 

Men zegt (vertelt) dat ik een 
jongen (kind) geslagen heb 
zóó dat hij opfjprong zoo hoog 
als een klapperboom. 

Een klein regenbuitje. 

Den schoot vullen d. w. z. Wan- 
neer eeue vronw in haar hu- 
welijk geen kinderen krijgt, dan 
moet haar vader (het hoofd van 
haar familie) een kind koopen, 
wat zij dan aanneemt als haar 
eigen kind. 

Het ziet er uit als of die twee 
voorwerpen van elkaar tos wa- 
ren, maar ze zijn aan elkaar vast. 

Het schijnt toe ver te zijn. 

Kom eens hier. dan krijgt ge wat 

Een paard dresseeren. 

Het paard is gedresseerd. 

Hij is stijfhoofdig. 

Komkommer is wat anders dan 
watermeloen. 

Arend A. is anders dan arend 
B; arend A. is wit arend" B. 
is grauw. (Dat hoogstwaar- 
schijnlijk arend A. grauwe 
borst heeft en arend B. witte 
borst — hindert niet om te we- 
ten; de wijze waarop zij ons: 
,,het eene is anders dan het 
andere" uitdrukken). 



178 

Nimoeplari oeheng di Hang. 

, , . l Hij vlucht van bangheid. 
„ „ „ roOong ki- i 

wok. ) 
Toehan vwesoeng maiang, odi Als Meneer rook in mijn oogen 

demmoe {ng). blaast, zullen ze pijn doen. 

Moang X noeloe bêudi gawaug, Meneer X had vroeger veel ge- 
ko nimoe iea ga sawe weren, maar heeft ze alle ver- 

kocht om eten te koopen. 
Toehan, Nago djoge ennerai- Meneer, Nago kan niet dansen, 

(ang, Toehan Meneer. 

Aöe oba enne raiiang. Ik kan (ken) niet op den gong 

slaan. 
Nimoe djag 2 sapi enne rdilang, üe koeien weiden, kent hij niet, 

moang. Meneer. 

Mimoe Heng oras enne rdilang. 11 ij kent het niet, op het horo- 

logie kijken. 
Nimoe rdilang sara Sihka!' Kent hij Sikkaneesch. 
Nimoe ioeloer sava Silcka hiep- Hij spreekt vloeiend (zeer goed) 

pon, Sikkaneesch. 

Sara soge di newivang. Ëudeueesch kan hij ook. 

Aöe ióó nain doenang sawe. Ik lioest om van te stikken. 
Nimoe Ioeloer enne rdilang. Hij kan (nog) niet praten. 
Ami Iaën gca di Iaën, Wij hebben nog niet gegeten. 

Nimoe Iea moang raloe na- Hij heeft misbruik gemaakt van 
rang. des radja's naam (b.v. in naam 

des radja's belasting voor zich 
zelven geheven). 
Laen hela mitang di laen. De tijd van het zwarte teeken 

is nog niet daar. (Zeven? da- 
gen na do geboorte wordt het 
kind op zijn voorhoofd ge- 
teekend, dan eerst mag het 
kind uit het huis in de bui- 
tenlucht komen). 
Merak ganoe watoe merak. Rood als roode steen. 



174 



Loppa belli kessd. 
Waral daa baa. 
Noerak lalang. 



Ami pnna poi baa. We wachten bet maar af; we 

laten het maar loopen. 
Demméng ganoe moaug hei- Waarlijk, juist zooals Meneer 
rong. zegt. 

Geeft er (maar) niets meer bij. 
De westmoesson is ingevallen. 
Alles maar nemen (stelen om 
op te eten) wat men tegen- 
komt. 
di doeang (lèè Witte menschen zijn ook gierig 

(zij willen niet geven). 
Ik heb (het, hem) niet gezien; 
of ook: Ik heb (het, hem) niet 
eens gezien. 
Loar! Djangan. 

Loppa dea, loar; moang ha- Knoei nu niet, neen ; Meneer laakt 



Ata boera 

voelli). 
Aöe enne ilo di eong. 



rang. 


(verbiedt) het. 


Loar leoe! 


Het hoeft niet meer; 't is niet 




noodig. 


Lèè baa! 


Ik wil niet meer. 


Apa bing? 


Wat zou dat wel zijn? 


Aoe gahoe Iaën 'f 


Hebt ge nog koorts. 


Eong baa. 


1 


Blaltang baa. 


l Niet meer. 


Eppang baa. 


1 


Eppang woër. 


Heel en al beter. 


Sajang e! 


Och arme! 


Aoe toetoer sèng poi! 


Je kletst! 



Aöe toetoer demmèng (molo). Ik klets niet. 



Aimoe belli sèng poi. 
Moir e! di sareng! 

en doe sareng! 
Nimoe denna tiloeng pekké, 
Nimoe denna gelté. 
Doeng dotdak baa. 



Hij geeft aan Jan en alleman. 
Wat is dat mooi! 



» 



>» 



}} 



n 



Hij hangt den doove uit. 

Hij hangt den groeten heer uit. 

Men kan daar niet bij! 



Doedak == ergens tegenstooten. 



175 



Mmoe lebbong rebboe. 

hy (heeit) lichaam ijzeren. 

Naan hala naan daa. 



Dat stoot overal tegen? 
Dat overtreft alles? 
Hij is onwondbaar. 



Sommige (pijlen) zijn mis, andere 
raak. 
A mi goea ianahf ami mialc woëv, • Als wij grond omwerken (in- 
den grond), dan zijn wij heelen- 
al vuil. 






f) 



Ni moe waën roang. 

raing. 

mmh'. 
Djaran apa taoe? 
Limang lioen apa laoe^ 
Sant Heng inng. 
Jang noiang? 



Zijn gelaat is vuil. 
ï Wat ziet hij er vuil uit! 

Wat mankeert dat paard? 
Wat mankeert ge aan uw hand? 
Sani kijk eens of er visch is. 
Is er visch? 



Norang ko ala rewwang lea Ja, maar zij die er gevangen heb- 



lèè [lèèng ) 
Kennaha iiva eofig. 
Poi tia, 

Hai newwang iang ei? 
llai newwang rawa ei? 
Belli aöe bakko. 
\Nenm bakko, \ 
|ik vraag tabak f 



benj willen (ze) niet verkoopen. 
Anders niets. 
Alleen dit maar. 
Wie heeft deze visch gevangen? 
Wie heeft deze duif geschoten. 

Oeef mij wat tabak? 



Bakko ? 

Bakko enne eppang di eong. (Ja, maar) mijn tabak is niet 

goed. 

Als het maar tabak is. 

Het is niet raak. 

Hij heeft (het, hem) werkelijk 
netjes geraakt. 

Sikoe zal me slaan, is het niet? 

Sikoe slaat erop weet je, vat je. 

Dat spijt me erg. 



Kamal (Ten minste) 
Enne daa dt eong. 
Daa golo sar eng. 



Sikoe odi dola aöe, ioen? 
Sikoe dola we! 
Aöe meggoe rakkan. 



176 

Aöe lotna iokJco Iele roea. Ik heb er nog maar twee ge- 
kregen. 
Weling apa ha? Hoe duur is dat? 

Lele roea hovcang ha. Twee voor één howang. 

Ata a lamcng. Men viert feest voor den man 

(besnijdenisfeest). 
Ata a woea noerak. Men viert geboortefeest. 

Awi gea ina amtng. Wij vieren feest voor onze moe- 

der (die gestorven is). 
Ata a mordomoe. ? 

Blara miloek. Rheumatische pijn. 

Men zegt: wahigniloek, ii- Ik lieb rhemnatiek in mijn voet, 
ntang miloek, in mijn hand, arm. 

Mè hoen naha lama schola. U moet uw jongen op school 

doen. 
Laen, nioang-^ nimoe lama ficnè }iog niet, meneer; hij zal op . 

oii school gaan als hij groot is. 

of: gcilé oii ko tama = Eerst groot dan gaat hij. 

Adja dcnna kocrang. Er begint gebrek te komen aan 

maïs. 
Oa Icöe savce baa, 'k lleb alles opgegeten. 

(Ja leoe baa. 'k Heb het al opgegeten. 

Moang cpai na? Waar gaat Meneer heen. 

Waiva IJokor. Naar Hokor. 

Moang liae riliiy waloe waloe Daar kan Meneer niet heen, het 

poi. is vol met stcenen. 

Rclti^ ko mai vcalong. Als ik niet kan, dan kom ik terug. 

Djaran eï bano pot, di braan. Als dit paard maar stapt, dan 

gaat het al vlug. 
Aöe wikkel poehe, moang. Ik sla niet door, Meneer, (ik doe 

maar alsof ik sla). 
Nimoe geba boehe rela na. Hij deed net alsof hij naar boven 

gooide. 
Bida boehe. Een (valsch, nagemaakt) zwaard 

van hout. 
Alang nimoeng doeang baa. Zijn haar-begintgrijs te worden. 



177 



Nimoe moang boa, alang ni- 
nwetig daha of alang ni- 
tnoeng daha hellal. 

Nimoe taeti bei moang di laeti; 
alang kokko poeang daha; 
'ko nioeng mennong laen: 
laen boga di hen. 

Nimoe lameng laen. 

Moang ^ nai ala mateng? 

Odo ata ali. 

zeg men graaft. . 

Lemmang ban? 

diep is ? 

Odo ala kessd lemmang. 

zeg men voege bij diep. 

Nimoe limang ropo. 

Hij handen vlug. 

Nimoe hoek doU. 

hij denkt; slaat. 

Pare ropo daha baa, ala ella 

baa. 
Mala rakon ena. 
Egené (ege nei) baal 

Bela ia watoe eong. 
Hoi nala ioedi? 
Aöe long. 
Apa taoef 
Eong. 
Hai nwle!' 



Apa mole? 

Ttjdichr. Ind, T. L. en Vk„ deel XXXV. 



Hij is oud (men rekent hem on- 
der de ouden); zijn baar is 
grijs of begint grys te wor- 
den. 

Heel oud (was) is hij nog niet; 
zijn haar begint pas wit te 
wor(]en ; maar zijn tanden zijn 
nog sterk, nog niet gebroken 
ook niet. 

Hij is nog jong (in de kracht 
van zijn leven). 

Meneer, kunnen we den doode 
(nu) begraven. 

Zeg dat men bet graf maakt. 

Is het graf klaar? 

Zeg dat ze het graf dieper maken. 

Hij slaat er gauw op. 

Hij slaat er gauw op. 

De vroege padi is rijp; men is 

al aan het plukken. 
Haal bet mandje van zooeven. 
Hier is het! daar heb ik het 

gevonden! 
Daar boven zijn geen steeneu. 
Wie heeft mijn mes weggehaald? 
Ik niet. 
Wat moet je? 
Niets. 
Wie nog (b. v. wie moet er nog 

wat hebben)? 
Wat nog meer? wat verder nog? 



12. 



178 



lang laoe. 



Baa^ baa. 

Risst djoge rehi baa. 
Nimoe rehi baa. 



Ik heb beet (zeggen wij) (aan 

den viBcbhengel). 
Hond op ; aehei uit ; genoeg ge- 
noeg. 
Rissi kan nog niet dansen. 
Hij kan het niet uithouden van 
de pijn. 
Nimoe rehi boa nora blara. 
Keo walong Jcennaha liing^ sanlo.h 

Kohe ,f y, ,f ,y [ Draai de speeldoos nog eens op. 
Koessing ,^ „ „ „ j 

Wam nala manoe anak plan Het yarken heeft een kuiken ge* 

biii nara. pakt (en) loopt er mee weg. 

Limang laen doë ialsa. Hij heeft nog geen hand aan de 

bijl gehad. . 
Te eten geven. 
Sirih pinang aanbieden. 
Alles is er uitgeloopen of Alles 
loopt er uit (al is 't maar een 
paar druppels). 
Wat voor menschen hebben (die) 
stoelen gemaakt (witte of 
ewarte). 



Belli ata a. 
BHek a woea laa* 
Loka leoe sawe. 



Ata apa rawin kaderaf 



Meiti pita. 
Melli menning, 
Doè pita. 
Ala howang. 



Houd stevig vast 



Ik moet geld hebben (ik wil niet 
voor iets anders inruilen). 
Kadet\i ei laga (biha) nang baa. Deze stoel is kapot. 
Mè kessik gerra rehi laen. Hij is nog klein^ kan nog niet 

staan. 

Dat kind kan zich al omkee- 
len. 

Hij kan al zitten. 

Houd je hand op. 

Wie heft belasting, b. v. een ge- 



Mè krebbèk boa, 

Dri baa. 
Tere limang. 
Bai tere f 



179 

deeite van den oogst als hnnr 
van het land. 

Ala lema mage, kabor^ baa. Men klimt in den tamarindeboom, 

klapper, waringinboom. 

Aoe di iomo bala. Gij hebt ook olifantstanden (daar- 

voor) gekregen. 

Oa (ai leöe same boa. Dat iieb ik ontvangen en ver- 

teerd al lang. 

^^* f' l Ik ook. 

Aoe d% moga. \ 

Loppa daa lampo, Pas op dat je niet tegen de lamp 

stoot. 
Lahing baa, afa Ui baa^ Hij is gewond, men heeft hem 

opgeraapt. 
[Overdrachtelijk werd het gezegd van iemand die nit dienst 
ontslagen was]. 
Toehan iri kadei'a, eppangF Meneer mag ik op een stoel gaan 

zitten? 
Rehboe ei loka anak eppang Zon dit ijzer niet goed zijn om 

bing? kogels van te gieten? 

Nimoe djaga kokii. Hij is kok. 

Nimoe djaga lening ara. „ „ „ 
Himoe djaga leppo. Hij past op het hnis. 

Hai djaga leppo ei baoe. Wie is hier de baas van het hnis. 
Nimoe djaga donetig lalang Hij heeft gisteren den weg ge- 

merra. toond 

Djaga sai. Pas op, let op. 

Sika nora laing baa? Is Sika al getronwd? 

Laing. Ja (getrouwd). 

Non nora waing baa ko laen. Is Non al getrouwd of niet? 
Waing baa Ja (al getrouwd). 

Aoe enne tomo^ enne masi ies- Jij krijgt niet, zelfs geen klein 

sik ha di eong. beetje (stukje). 

Djaran betla baa. Het paard is losgebroken. 

Sikoe betlé bing ganoepaiF I Wie weet hoe Sikoe (dat paard) 



[ 



ganoepai bing F | vastgebonden heeft? 



180 



Djaran ena imoeng. 

Djalliy laboe moirl 

Laboe seng poi. 
Lappa yóng moang. 
Nimoe dani doe sennóeL 
Lerro mate] morel walong. 



Aöe laeti (oetoer satve baa. 

Leirong ha, 

Toma ei Toehan bing. 



Mai ei Toehan. 
Aöe prender ei moang ha, 
Lahing selar baa, 
Lahing mara baa. 
Weling lehór baa. 

„ lema „ 
Poelóe hoetoe di toma? 
Toma. 
Loha igolc. 
Ita pano mogal, 
Aöe ova Mitang roeang, 
Aöe lepo ora nimoe. 
Aoe hano mora nimoe. 
Nimoe bano nora aöe. 
Ami bano mora nimoe. 
Ila pano tora „ 
Mioe bano mora „ 
Rimoe lore lora braoe. 

Ami soesar wajer ei baöe. 
Ami soesar getle ha ala mate. 



De paarden staan bij elkaar als 
bevriend. 

Djalti je hebt maar een mooi 
baadje. 

't Is niet veel. 

Sta meneer niet in het lieht 

Hij snikt van 't huilen. 

Het is zons verduistering; de zons- 
verduistering is voorbij. 

Ik ben nog niet uitgepraat. 

Op zekeren dag. 

Hij zal het waarschijnlijk of wel- 
licht van Meneer gekregen 
hebben. 

Ik kom Meneer opzoeken. 

Ik leer bij den anderen heer. 

De wond is gelijk (niet diep meer). 

De wond is droog. 

De prys is gedaald. 
yj » rj gestegen. 

Zouden er wel 40 zijn? 

Jawel. 

Alles is er 'uitgeloopen. 

Wy gaan samen. 

Ik en Mitang met ons tweeën. 

Ik ga met hem mede. 

Ga met hem mede. 

Hij gaat met mij. 

Wij gaan met hen. 

n »» n ;) 

Gijl. gaat „ „ 

Zij komen ai met vrees in het 

hart. 
Wij hebben gebrek aan water hier. 
Wij zitten in groote moeilijkheid, 

er is iemand dood. 



181 



Ami roemang boa. 
Wij donker zi)D. 
Blara doe giing, 
Leppo brinet boa. 
Siang api moeloe boa. 

Dié iessd waang getté. 

« 

Aae ma dopo nimoe. 
f Aning reta wanng mai. 
Aning reta oering, 
Laoe lora. 
Laoe milang. 
Laoe marang, 

Aoe alang boengeng. 

» fj blara. 
Aoe taing blai^a. 
Naha set^isoe. 



\ 



\ 



Wij komen met donker te huig. 

Bijtende pijn. 

De buizen staan leeg. 

De water pokken zijn rijp, zijn 

door (zijn opgedroogd?) 
Klief dat hout verder open. 
Ga jij bem roepen. 
De wind van voren. 
„ „ van acb teren. 

Ver in zee. 

Gedeelte wat droog loopt bij laag 
water. 



Aöe miping gois ena goemang. 

Aöe ewwang raJcIcan. 
Taing anak polen. 
Odi howang doeë har. 

Aöe pire tmwi. 
p fj moeoe. 

Pire ala tnateng. 



Pire mate. 

Pire mate tanah. 

Lahoe arden, 
ff tebbong^ 



Ik heb boofdpijn. 

Ik beb buikpijn. 

Beteekent ook : ik, bij enz. beeft 
bet druk. 

Ik beb van naeht een kwaden 
droom gebad. 

Ik kan bet fameus goed. 

Een kronkel in den darm. 

Het geld moet maar blijven staan 
(liggen). 

Voor mij is varkensvleesob, pi- 
sangen verboden (ik kan er niet 
tegen). 

Verboden om uit bet buis te ko- 
men ter wille van een sterf- 
geval. 

Ver wensebing : b. v.'K mag ster- 
ven als 't niet waar is (wat ik 
zeg b. V.) 

De kraag van bet baadje. 

Het lijf „ „ „ 



182 



Laboe wateng, 
^ limang. 
Bing ha uia. 

Plan rang sawe* 

Ami bano mang. 

Poial tMftg. 

Male ra sawe, 

Lèè woèr | 

Lèè golo ( 

Dara rakan e! 

Ami mai pik. 

Mé nimoeng mogor boa, 

Wajer mó poi enne ba. 

LimaVj iaka ga ep-eppang. 
Toewa doenang bia waloc. 

Mè woea oio. 

Aöe Heng baa Ito enne i(a. 

Ami dirang eong. 
Ata lodong sawe ko poto wa- 
long baa. 

Nimoe gawi braan. 

Gawif gawil 

Ami dn dolor ei geppoeng. 

Woelan wdoen 2, 3 baa, 

Bakko enne bei gahoe ko voo- 

lot apar, 
Bedda leöe. 
Ewina ma. 
Ami go Iaën. 



Voorstak van het baadje. 

Mouwen n n p 

Wie kijkt er na! 

Wie let daar op! 

Ze zijn allen weggeloopen. 

Wij gaan er van door. 

Het is naar de maan. 

Zij zijn allemaal dood gegaan. 

Ik wil in 't geheel niet. 

Wat is 't warm ja. 

Wij komen (eens) kijken. 

Zijn kind is al groot. 

't Water dropt slechts» stroomt 

niet. 
De vijl, bijl is scherp. 
Er is toewak te kort voor ach^ 

personen. 
Eerstgeborene. 
Ik heb er naar gekeken (gezocht) 

maar niet gezien. 
Wij hebben geen wapenen. 
De menschen hebben alles uit 

hunne huizen gedragen, maar 

weer alles erin gebracht. 
Hij stapt ylng. 
Vooruit, vooruit! 
Wij zaten achter elkaar in de 

sampan. 
Het is al de 2^ of 3* dag van 

de nieuwe maan. 
De tabak is niet te zwaar, maar 

de cigaret is dik. 

Ga er uit. 

Wij zoeken nog. 



183 

Ami bano go. Wij gaan zoeken (er op uit), 

Bahar meha enne gewoeng. Het is zuiyer gond, niet gemengd. 
Aróet Upa nora (alL De sarong opbinden met een riem. 

Paai nora rebboe gahoe. Met een heet ijzer gelijk maken 

(strijken). 
Aöe nèng ha woea di eong. Ik lieb er volstrekt geen enkelen 

van gehad, 
Roepia ha odi enne doegar. Één gulden zal niet voldoende zgn. 
Nimoe rao tello ei Itala bing f Hij heeit (die) eieren uit de mand 

gehaald wellicht? 
Ahoe boea widing. De hond blaft tegen de geit. 

Tokan nora loehir, Tatoeëeren. 

Toehan emai Toehan gemma. Kom hier Meneer, u zult nat 

worden. 
Caniar sawe toeë ei soerat Alle gezangen staan in de zwarte 

miiang walt oene, boekjes. 

Manoe Icokko iia pano. Wij gaan morgen vroeg. 

Waoen elei manoe kokko ita n f) n n 

pano. 
Loeat manoe kokko laen. Morgen vroeg. 
Loeat manoe kokko. Overmorgen vroeg. 

Pano akai. Ik loop zachtjes. 

Ahoe gii gakaL De hond bijt zachtjes (spelende). 

Ahoe gii bennoe. De hond bijt volop (erg). 

Sapi a mennoe. De koeien eten volop. 

Ami logoe ei lewwoe bennoe. Wij zijn met een massa onder 

het huis gekropen. 
Toehan ileng eppang. Meneer kijk eens. 

Toehan ileng ei soerai eppang. Meneer kijk eens in uw boek. 
Pra moang di eppang. Vraag het maar aan Meneer (d. 

of masi pra moang di eppang. w. z. het kan navraag lijden). 

Poeloe ielloe doegar. Juist dertig. 

Ldboe ei doegar {pot). Dit baadje past (maar). 

Boweng beweng. Hun imitatieve uitdrukking voor 

het geluid hunner bamboe 

viool. 



184 

}foang renna tvoeloenq pot. Meneer heeft het einde (vaDden 

zin) maar geboord. 

Moang rimoe oea soeralf wei- Meneer, ze hebben aan uw boek 
ian. geknoeid, opengedaan. 

Moang helli pot ko xveling? Geeft Meneer het voor niets of 

voor geld. 

Ata toeë notèk, Djallinaoga Als de menschen slapen steelt 
nope adja, plari laoe tahi Djatti mais om te braden en 
na, op te eten, en dan loopt hij 

naar 't strand. 

Moang holo bakko wolot, ep- Meneer mag ik mijn cigaretje 
pang F aansteken. 

Tehhong nimoeng lahing sa^ve. Zijn heele liehaam was één wond. 

Loeai nimoe odi lèè. Morgen zal hij niet meer willen. 

Solo ina nimoeng ivoeèi. De oudere zuster van Solo'e 

moeder. 

Djaoen boei aöe. Dj^oen wacht op mij. 

Lalang liha [ng) liama hama. Half weg. 

Aöe blara sei alang roït laeti. Ik ben al ziek sinds mijn haren 

nog geschoren werden (wat op 
tot op 12 — 14 jarigen leef- 
tijd gebeurt). 

Ata mennang sawe. Men (de anderen) wint alles. 

Hat met? Wiens kind is dit? 

Aöe enne raitang, ala meng. Dat weet ik niet, andermans 

kind. 

Aöe kliboer iwa, ala bloetoek In sommigen raak ik verward 
gawang di, (kan ik niet terechtwijzen, 

ken ik niet); er zijn ook zoo- 
veel kinderen. 

Tello geltêy aoe braoe. Verschrikkelijk wat een groot ei. 

Nxmoe moa baa. Hij gaapt al (van den slaap). 

Nimoe djekkoei baa. Hij heeft slaap. 

Aöe tri djekioeL Ik ben slaperig. 

Boro {bóók) poeoer Itoeloe, Snijd (het) in vier stukken. 

Lalang oetoer oeloet* poi. De weg is dicht gegroeid. 



185 

Lalang wafoe waioe poL De weg ligt vol steenen. 
Belli dèL Bij gedeelten geven. 

Hoko dèt. „ ^ opseheppen. 

Bano dèt. „ ^ ioopen (nn en dan 

eens rosten). 
Rtwa wai ha rehi, dètpoidi In eens betalen kan ik niet; bij 

eppang. gedeelten is ook goed. 

Api god dèl dadak. Het vuur verspreidt zieh naar 

alle kanten. 
Djmg api plari braan doe De boot vliegt vooruit als een 

peiior. pijl uit den boog. 

Aöe doenang. Ik kan er niet bij (ik ben te klein). 

Abo mara marang [ j^j^j^^ ^.. ^^ ^^^^ ^^j,^^ 

r rela „ ( 

Wali oene rohong ihing eofig. Van binnen is het hol, niet massief. 
Aia bloeloek dea rakkan. Kinderen zijn erg ondeugend. 
Aöe dea ora ama aöen. Ik ben stout geweest tegen mijn 

vader. 
NB. dea zou lea moeten zijn; er zijn meer zulke voor- 

beelden. 
Nimoegimaga laoerewweng. Hij zoekt vischjes op bet einde 

(zeewaarts) van het rif. 
Nim Meak ata woeè blawir Non Meak is veel onder dan 

{blawir rewangy gawang Noenis. 

ioèf toe) iwra Noenis, 
Songlo soerat odilalang nang. De papieren hoed zal smelten 

(van den regen). 
Bliro gerra reta kabor doe De biiro zit maar gerust (op zgn 

lóêk, gemak) op den klapperboom. 

Kama aöe mosa ganoe woeê Was ik toeb maar zoo dik als 

aöen. mijn oudere broer. 

RimoG tri ei naiar oenetig. Zij blijven binnen in de kampong. 
iSoerat doe moeökl Wat een stapel boeken! 

Nimoe toma bakko lóék ei Hy kreeg fijne (stuif-) tabak van 

moang, plari Hoe wissoeuy meneer, liep naar zijn wijk, 

gringan e! was blij ja! 



186 

Nimoe beller poi. Hij alleen heeit het druk. 

Belta aöe beller. Zeg dat ik het dritk heb. 

Aöe (opo ata bloeloelc beller. Ik heb het druk (ik vermoei me) 

met de kinderen te roepen. 
Sino lahein^ djaran geba. Sino is gewond, het paard heeft 

liem er af geworpen. 
Ama aöen dri blawir,waiha Mijn vader woont ver van hier; 
ha nimoe mat gróo (nora) een enkelen keer komt hy ons 
iVd. bezoeken. 

Moangf aöe groó ora mè aöen. Meneer ik kom mijn kind eens 

bezoeken. 
koe dri epai? Waar woont gij? 

Le Lela emai. Aan dezen kant van Lela. 

Pefide doeë ei mêdja lewoeng. Pende ligt onder tafel. 
Anni ata bloetoek dani hepat Wij kinderen huilen zoo dat we 
golo. ons niet meer bezitten (van 

de pijn b.y.) 
Nimoe gerra bloetoek {boeloek) Hij staat daar klein maar. (Hij 
poi. is zóó klein dat men hem in 

den hoop niet ziet staan.) 
Toêdi poeöer nang boa. Het mes is stuk. 
Nimoe boea nora mè. Zij draagt een kind op den arm. 

Nimoe gerra ei moang toen. Hij staat aehter Meneer zgn mg. 
Barakan nora bilik. Een doos met vakjes erin. 

Aning leppe ami. De wind hield ons tegen. 

Naka oa oli ko rdilang. Eerst toen ik gegeten had merkte 

ik het. 
Aoe hae nane, V, Je klimt langzaam. 

2®. Het duurt lang dat je weer 

naarboven gaat. 
Gai ei vooeoen eong lorak poi. Deze stok heeft geen knoopen, 

is glad (recht). 
Nimoe doè gai ko dola ahoe. Hij nam een stok en sloeg deü 

hond. 
Aöe ita sawe nane ha boa. Ik heb dat ai lang geleden ge- 



187 

zien of Ik beb alles gezien 

sinda lang. 

Médja Mok. De tafel staat sebeef. 

Ala koloh mêdja. Men doet de tafel scheef staan. 

Aöe harang ara waloug ina Ik lieb inijn moeder (nog eens) 

aöètu weerom uitgescholden. 

Aöe maro ora walong tiia. Ik ben weer boos geweest op 

aöefu mijn moeder. 

Laheln kesslk rakkat, io getté Eerst was het een heel klein 

iiang. wondje, maar nu is het een 

groote wond. 

Nimoe hogor baa^ ko doeê wa- Hij is op geweest, maar slaapt 

long. weer. 

Bèndi di belioe, beitoe, liroe Het geweer klonk klonk, vier 

hoetoe, schoten. 

Ami di meggoe gahoe. Het spijt ons ook erg. 

Hai denna lemmang ia f Wie heeft dat kuiltje (in den 

vloer) gemaakt? 

Doeè loar ganoeiia. Het was er al in. Het was al 

zoo. 

Sape doenia Hang. lm. . . , , 

* Tot aan het einde der wereld. 



[ 



n n lalaftg. 
Matang aöen temmang. Ik kan het niet meer onder- 

oogen mijn heel. scheiden, zien. 

Hala aoe norang laaf Hebt )e sirih? 

Taa hala haaf n n t) 

Aöe moang 6aa, hoelir hoe- Ik word oud, vergeet alles. 

mang. 
Ata gai wakke aöe ratoe ko Men wilde mij als radja aan- 

aöe lèè; denna apa bitak stellen, maar ik wilde niet; 

tanah walong, waarom weer het rijk scheuren? 

Aöe oa ara rehi^ mamma ha Ik kan geen rijst eten , aan 

pippang ei rehi; mamma oa dezen kant kan ik niet kan- 

poi poi ha pappang. won ; ik kauw eet slechts aan 

met den anderen kant. 
Merra waoen kabor goroe ata Gisteren avond is er een klap- 



188 

In a leoe haa, , per afgevallen, men heeft hem 

opgeraapt en opgegeten. 

Aning Timoe. Oostenwind. 

Aning Warat» Westenwind. 

Aning barok. teMaumerie: land wind oyerdag, 

dus nit het zuiden. 

Aning loal. te Sikka: landwind overdag, dus 

nit het Noorden. 

Afiing loat. te Maumeri. Westenwind. 

Apoeng landwind 's avonds. 

Moang belli aöe soerat. Meneer geef mij een boek. 

Denna apa? aoe gatta rehi! Waarom? ge kunt niet lezen. 

Antw. Aöe enne atta, aöe enne Als ik niet lezen kon, dan zou 
cantar! ik ook niet kunnen zingen. 

[Ik niet lees, ik niet zing]. 

Djaran ei goeng haa. Dit paard is (al) oud. 

Goeng boa roegoe boa. Als (dit paard) oud was, zou het 

[Oud is mager is]. ook mager zijn. 

Verdeeling van een inl. huis: 

Tedang balkan. Buitenste balebale waar men zit, 

menseben ontvangt. 

Tedang getlé. Algemeene slaapkamer voor man- 

nen. 

Tedang lorang. Algemeene slaap- en werkkamer 

voor vrouwen, 

Bilik. Kleine kamertjes. 

Avüoe of tedang awoe. De keuken; achter-balebaie. 

In de volgende spreekwijzen is het Sikkaneeseh minder 
vertrouwbaar. 
Hoe oud zijt gij? Liwang aoen apa ha F 

Hoe oud is uw broer? Woeè {wari) aoen liwang^ apa haf 

Ik ben 12 jaar oud. Liwang aoen poeloe ha wèoi 

roea. 
Hij is 12^ j% jaar oud. Liwang nimoeng liwang poeloe ha 

wool roea ha pappang. 



189 

HiJD znster is bij oa 16 jaar. Wiene aöen Invang nimoeng gróó 

poeloe ka wóól enna. 
Hij is meer dan 20 jaar. Nimoe (oma liwang poeloe roea 

WÓÓL 
Ik dacht dat hij onderwas. Aöe (piür) metleng nimoe moang 

toe. 
Hij stierf in den bloei zijner Nimoe mate laen moang, 

jaren. 
Wilt gij met mij meegaan? Aoe gai bano mora aöe. 
Wij zullen gaan wandelen. Ita pano dahng. 
Met genoegen. Eppang. 

Waarheen zullen wij gaan? ha odi pano epaif 
Waarheen gij verkiest. Epai aoe gai ita pano. 

Ik ga naar den passer. Aöe pano Ie {wawa etc.) reggan. 
Vraag naar den prijs der Pra nora manoe weling {rimoeng) 

kippen. * apa ha. 

Hoeveel kost die kip? Manoe weling apa ha? 

Die kip kost 2 howangen. Manoe weling nimoeng howang roea. 
Hebt gij eieren? Aoe norang tello? 

Ik heb er geen. Aöe tello eong. 

Hoeveel voor één howang? Lele pira howang haf 
Vijf voor één howang. Lele lima howang ha. 

Breng ze naar mijn huis. Metti wawa {Ie enz.) leppo aöen. 
Ik ben zeer boos. Aöe moro rakkan. 

Ik ben niet opgeruimd. Wateng aöen Cfine eppang. 

Hebt gij geen schaamte? Ganoepai aoe enne vieang? of 

« 

Aoe etme meang? 
Dat is een leelijke zaak. Naroek ei, naroek hemmoe. 
Durft gij den radja tegen te Aoe raning mora {nora) moang 

spreken.^ raloef 

Ik ga naar den radja per- Pano ei ratoe netmi tadji manoe. 

missie vragen om hanen 

te laten vechten. 
De radja geeft geen per- Moang ratoe enne belli; ennenga* 

missie. rong. 

Sedert één jaar. Liwaiig ha baa. 



190 

Eén maand geleden Woelan ha haa. 

Liwang ha^ woelan ha losé baa. 

Dit jaar. Liwang etei. 

Het volgende jaar. I Liwang ha Iaën. 

I Naha liwang ha laén. 

Doe de deur dicht. Lebbe oehe. 

Doe de denr open. Dié oehe. 

„ „ ,f op slot Koessing oehe. 

Leg den boom op de denr. {Lapang) Toeke oehe. 

Mijn kamer is erg vnil. Bilik aden miak rakkan. 

6e zijt niet gewoon wellicbt Ane enne biassa bing, moni bilik 

mijn kamer te vegen? aoen? 

Ge moet eiken dag vegen. Naha niotit lerrong lerrong. 

Wascb de tafel ook af. Rasi di medja. 

Laat de matten nitlncbten. Wori oha. 

Haal ander waschwater. Seloen wajer. 

Borstel mijn kleereu nit. Brosso olang pellang aöen. 

Haal cigaren^ Incifers, mijn Mala baco wolotj aiweris;songko, 

hoed en schoenen. lappi waing. 

Haal mijn paard^ zadel bet, Djaran dele eniaiy lappi djaran ko 

maar laat het eerst drinken. belli nimoe ninoe oti. 

Haal den HoUandschen toom Mala koemeng bollanda nora gai. 

en de zweep. 

Het paard zijn hoeven zijn Djarang koemak bei blóng, aöe 

te lang, als ik terugkom walong ko kare. 

moet ge ze kappen. 

Bind hem boven in het gras. Nehèk reta rii. 

Benamingen van familie betrekkingen zijn zeer moeiigk 
te achterhalen. 
Grootvader. moa. 

Grootmoeder. doea. 
Vader. ama. 

Moeder. tVia. 

Broer: mannen zeggen woeè of wari naar gelang de broer 
onder of jonger is dam de spreker. 



191 

Zuster: vroawen zeggen woeë of wart zooals de mannen. 

Broeder: vrouwen noemen hun broer nara. 

Zofiter: mannen noemen hnn zuster wiene. 

Oom: vadersbroer heet ama] de oudere broer van vader 
= ama geile, de jongere broer van vader s= ama kessii. 

Oom: moedersbroer beet tioe en poelameng. 

Tante: vaderszuster beet naa. 

Tante: moederszuster heet üia; de oudere zuster van moe- 
der = itia gelief jongere = ina lolik of kessik. 
Omgekeerd noemt een man alle kinderen van zijn broers: 
mè aöefi = mijn kind; zoo ook eene vrouw haar zusters- 
kinderen. 

Een man noemt de kinderen van zijn zuster: poe. 

Eene vrouw noemt de kinderen van haar broer: ? 

Schoonvader: de man spreekt zijn vrouwsvader aan met /tW, 

maar hij is zijn poelameng, 
de vrouw noemt haar mansvader toeang. 

Schoonmoeder: de man noemt zijn vrouwsmoeder poe, 

de vrouw noemt haar mansmoeder naa. 

Schoonbroer: de man noemt zijn vrouwsbroer kera, 

de vrouw noemt haar mansbroer woeë of wart. 

Schoonzuster: de man noemt zijn vrouwszuster «uoee of tuari. 

de vrouw noemt haar manszuster oei^a^ oerapoe. 
Twee zusters noemen eikaars man: ix;oeeoft(;ari;datismet 
dezelfde benaming als zij elkaar noemen. 

Broerskinderen noemen elkaar onderling woeë of wari. 

Nichtf een jongen noemt de dochter van vaderszus- 

ter: wiene^ 
en de dochter van moedersbroer: laeL 

Kleinkinderen: poe, toehoeng. 

Achterkleinkinderen: lihang. 

Schoonzoon: poe 

Schoonvader zegt tegen zijn schoondochter: toeang. 

Schoonmoeder zegt tegen haar schoondochter: wari. 

Oudoom: poe moang. 



192 
SIKKANEESCH ROEI LIEDJE, 

Onderstaand ^roeiliedje'' zou volgens bet zeggen der in- 
landers [een mengsel zijn van Maleiseb, Sikkaneeseh; Solo- 
reeschy Lioneesch en Ëndeneescb. 

De inlanders zelven verstaan er den zin niet yan. 

NAROEK LAOE TAHl. 

Radja moeda mal dagang 

Dagang tanab tandjong boenga 

Kaë lali kaë lali 

Tena nebo nebo namang 

Sara witi bonbe lara 

Bonbela bonbe, lara 

Diro dike leba gawe 

Diro dikerró 

Ina sajang moediro 

Moedi lero apa dike 

Kora kora radja manoe tembe daië 

Ina ao ana 

Weleng lènsoeng ao anang 

Teka lea teka Toean 

Toean marl lakang lakang 

Dame roesa dame de 

Dame de dame de 

Ama laga do niró 

Nio pe kami wati 

Tali barna barna 

Ata bitong tobo tali 

Lilo wileng weleng 

Kaë rasa kale kale 

Ama Ijioe tonggo besi 

Ina loa loppa moro 

Manoe mitang horo walong 

Blawir ganoe apa ba 



193 

Pangga jo jawa jo l^oe lema tena 
(Andere lering: Pangga jo jawa jo l&oe ele lèè) 

Sangge (ena) no moeda moeda lèoe lema tena 

Gole woetoeng adonara 

Te wajang lire lima 

O hele hele lara 

Ele lëè; lèè lara 

Bipa deroe dede 

L^oe hoka rotang 

Baa bang, balikoe 

O hele lori tast 

Danto seë manoe lèè 

Badja sikka manoe 

Benwa (Bawa) ratoe rewa 

Ben ratoe rewa 

Toki toeha tawang 

Ain ora deos 

Boelang belang tena 

Tena mateng lajoer e 

Moi roa; keppe moi ra 

Pati waro keppe ora poesi bakko 

Nona lewo nama uona songti boenga mera 

Non dari gege non pake saleng saleng 

( » n f) n n ^^^^ sare) 

Sogar nora wokat 

]oe ledoe marang 

Bèta gege okomba reta gege 

Tanadoe toere tanadoe 

Ngangamessi peti ngangamesai 

Gale roja kotta gale roja 

Wesa mae ngoeka kowa goa 

Toekoe mae te radjo badjo 

Bepang roea weling adonara repang roea 

Ljioe soge panoweleng lima Id^oe soge 

Boler e, Ijtoe boaog boler e 

Boler gitta roetoeog ladong \koe boeang boler e 

T^dfcbr. lad. T. L. en Vk., deel XXXV. 13. 



194 

Lajar boera boera lajar sina ele lèè 

Tena teti lewa tena sina ele lee 

Dödore kami timoe dödore kami 

Teti ma loea timoe teti ma loea 

Dodo rë kami timoe dodo rëkami 

Pande l&oe djoeroe moedi 

Kawang toeton keri kaua 

Ama ola goba lida take go (te) ama ola 

Bepang roea weling adonara go repang roea 

Doea rae hikong doea raë 

Dema dowa wora dema dowa 

Mae Iele dete mae Iele 

Gole goma wolo gole goma 

Langga talo bata langga talo 

Bënla bënla wea bënla bënla 

Bsnroe towo roepa bëoroe towa 

Gene geo soesoe gene geo 

Nona repoe rapa nona 

(Kooeug karok natar) 

Wemng wai blama 

Toekoe tena Iele gole watoe api 

Saa noroea niala reta pigang 

Ai sole 

Helang bonlo 

Helaing sole lèoe doa doa (nona) 

Nitoe lewo nitoe lama ndoa 

Ada wali pai bao lileng salam bao lileng 

Sele weli nae kebambelo kera kebam belo 

Gogontoban pai lileng kami gontoban 

Lënsoe seler weli ata doa lensoe seler 

Ata langiri rae pilé koja 

Koja loeroet welin adonara 

Alero danle alero 

Ale ata longga leke dale alero 

Lajar limo roea (keadani) koa rao aanga 

Keandai; ndai sara Timor 



195 

Koli lajar watang lolo 
Belo oeboeng beka lalang 
Ledo ne jara lede ne 
Ledo laba Ikoe jara ledo ne 
Moekoeo baa ao moekoen mole 
Poera lela wolo sjioe 
Malaoe wesa malaoe e 

>i )} f} >j 
Angin dai moro dai 

Tanah soesoe samba (soemba) reta 

Rimoe rare o)e 

Ngere eo nangge 

Ikoe lima kilat 

Sia waing wokor 

Soebi sere bai 

Ana goa rona 

Toekoe tali bere 

ToDa krioD kraoen 

Ata banna benja 

nBeki rare penga 

Pande lè,oe baroe datang 

Sole lepamdete 

Hoeroe ko Hoeroe ko silakka paralinte 

{Hoeroe ko = hoeroe ea) 

Nio pe kami wati 

L&oe wio wajo Ikoe wio 

Geta kowe one geta kowe 

Mawe mawe jejoe mawe mawe 

L&oe jo napa Ijtoe jo 

Mae Iele dete mae Iele 

(mae lele = loppa prina) 

Beroe towa roepa beroe towa 

6ole woetoeng pitoe kotta leleng paring bala 

Paring bala plibi (prebi) roea, demen demen 

ikoe boeë 

Bio horo Iele 



196 

Nao horo lolan 

PaseDg doloero 

Paseng donloe wekang tena 

Woeë lolo donloero 

Manoe kok(o) bera woeë 

Moede hëroen alok wéroen 

Hëroen berrong amai doi 

Eta nee Mita mitang ami gette baa 

Reta alok bao paot eene mewwang baa 

Java larangtoeka soeding apa mora solo 

Sikka Dora solo tenna woeë nora wari 

Woetoe teping boga boer l&oe gane Noehan 

Reta alok doreog; doe pita baa. 

RAROEK KROWE 
Een heidensch liedje. 

Hoewel de beteekeois der meeste woorden van dit liedje be- 
keud zijn, is een bevredigende uitleg tot na toe niet mogelijk. 

Het wordt op de bergen tusschen Maameri en Sikka door 
de ^^ata krowe", dat zijn Sikkaneezen die geen ehristenen 
zijU; gezongen. De inlanders zelven blijven den uitleg schuld! 



g- 



Gong ripa napoeng 

Gong loloe moloe mala 

Woga tanah poeang mët 

Tibo roea ropia 

Woeë inang poto nai 

Warit moro lodong leoe 

Bota inang hoko hoera hoera lau gërong 

Mai plëwoer Ie lëga 

Lelo boea mitak marak 

Boea reta Roja woetoeng 

Lameng beit a lameng baat 

Pla waing ripa Arat 

Tata doeba tata doeba 



• 197 

Ata doea maget inang 
Ata moat maget amang 
Eodja Dapoeng nara 
Kodja goroe bloedoe bledeng 
Hétoq wali woeloe esang 
Toedi mado amang 
LaE kretang noni alang 
Boroe pare dara goo 
WoloDg tit laa bau 
WoloDg brang lau bau 
Lapo sola ata watar 
Wodpng boO ata ioang 



DjoDg ripa wodong 
Djong loloe moloe mala 
Roga tanah poeaDg met 
Lolo mapa wawa mai 
Tibo ba ropia 
Doea pigang inang 
Ala poto oto leoe 
Le mage mobong 
Oha lore damar bilong 
Saleroe pane anak 
Pigang pitoe makok waloe 
Le iling wali to^ 
Ala loa leoe baa 
Waing bota iwang inang 
6oï hoera lioe gérong 
Reta plöwoer lelo gaa 
Lelo boea reta Rotat 
Boea doea eko lai 
Boea dong mitak marak 
Goï oboe lèoe ne 
Lekok sëkok ganoe bala 
Ala bala «orong leoe 
Mea laa doeë doeger 



198 

Blarat lan toking betot 
Bëpi bahar dowa lodang 
Oring gois oring gois 
Kretang merak, kretang merak 
A wali wogaa 
Soeboe biteq woea taH 
Hala gega denno denno 
Denna ëso doi doi 
Ala toë leoe toger 
Manoe reta lagi 
Maooe boö manoe keok 
Kodja laka pika roea 
Gëra bepang wawa jawa 
Woeloe wigen lado boga 
Lado jao lado haok 
Kaok kelo eko kemit 



Hai dani wawa lio 

Kaaog dani dani wawa lio 

Dani nora lepo leder 

Dani nora daang gahar 

Tibo lameng o 

Moeloe ma biti wawi 

Wai boeang o 

Moeloe ma sea pare 

Sea noesa elele 

Noesa goi elele 

Goi godo elele 

Oodo ina rabe mai 

Boehoe broepoeng brepet 

TaS. lekang java 

Woea kaji roja 

Kija ja ja 

Ja repa bala tai 



Toro wali wolo 



199 

Uboeng matang ganoe gai 
Bota inang wi wi 
Bala inang wo wo 
Lè,oe daga di benoe 
Reta oha di poma 
Ata Sika seang lela 
Ata krowe nape toepok 



NAROEK LAOE TAHI. 
Roeiliedje. 
Volgens bet zeggen der Sikkaneezen zou dit een Ende* 
neesch roeiliedje zijn 

Peda pendo wea nai 

Topo kaka banboe waa 

Teë rati riri moi rami roa 

Wéka mae bcnja moi rani roa 

Rajo ran tiwa napa 

Rawa raoe sara 

Sawi ata keo toekoe boka benbo. 

Ndoena toegang noea raa mes! iwa moeta 

Rakoe poroe rare mae roa rea 

Manoe genga mena maö roa mengge 

Bendi riko kee. 

Apa sa sa ran joö 

Soge onekole rimo rore ge 

Watoe raa teo ngere teo taki 

Tendoe ata gensoe kiti tendoe taro 

Reko ata beno kita reko benbo 

Tanda rewo kera waro rapö denga 

Sikko sodo bondo reta roeoe bongo 

Sikka kajoe iwa 

Ata kowe aje noë 

Tiwa pipi raa denko riki 

Napa kombe emba kita benroe genna 

Jo mere mae sere genre 

Weroe ana sope mae donre 



WOORDENLIJST 



VAK HBT 

( WEST-FLOR ES), 

DOOR 



Tnsschen het Manggaraisch en het Sikkaneesch wordt nog 
een ander dialect gesproken. 

Aan de noordkust wordt dit dialect gesproken van af 
„Wailiti", vijf kwartier ten westen van Maumeri, ongeveer 
tot aan ;,.Tolo". 

Dwars door het eiland tot aan de zuidkust van af onge- 
veer 1 '/a uur ten westen van Sikka tot achter Paga wor- 
den de bewoners „ata Lio*' en hunne taal „sara Lio'' genoemd. 

Hieronder volgt een lijstje van dat dialect. 

Een enkelen keer hoort men de „berg Lioneezen'' met den 
naam van „ata Manggarai" bestempelen. 

De p, k, en / worden door de Lioneezen ;seer ^/erft geaspi- 
reerd uitgesproken. 



Lioneesch 




Sikkaneesch 


HoUandsch 


adje woea 


g*i 




rotan 


adji 


wafi 




jongere 


ai 


waï 




voet 


ana 


mö 




kind 



201 



ana béndi 


bèndi anak 


geweerkogel 


ana I6ö 


mè lotik 


klein kind 


anambaga 


kawat 


(dun) koperdraad 


are mami 


ara 


gekookte rij8t 


aro 


areng 


kruit 


ata 


ata 


meuBch 


ata kakki 


ata lai 


man 


ata Tai,-fai,-wai 


ata doea 


vrouw. 


baba 


ama 


vader 


bani 


harang 


laken 


basa 


basa 


in de handen klappen 


bara 


boera 


wit 


beï 


biti 


dragen (met tweeën) 


bëndi (beddi) 


bendi 


geweer 


bewa 


blóng 


lang 


boedoe (djara) 


keo (djarao) 


paard aauzweepen 


boepoe 


moang 


oud 


ata boepoe 


moa 


grootvader 


boeioe 


ledang 


kralensnoer 


bokko 


boeloek 


laag (klein) 


botti 


bottir 


flesch 


da gale 


iè (oa) 


reehts jAls men 


da gawa 


wawa (na) 


links f met het 


da gele 


reta (na) 


opwaarts ( gelaat 


da l&oe 


laoe (Ba) 


zeewaarts 'naar zee 
staat. 


dakka (daka?) 


oto 


komkommer 


dari 


gerra 


staan 


deo 


raa 


vatten; vangen. 


djara 


djaran 


paard 


djara ria 


djaran gette 


gioot paard 


djara loo 


djaran kessik 


klein ,, 


djara mosa 


djaran lameng 


hengst 


djara mettoe 


djaran inang 


merrie 


djatta 


bliro 


8. roofvogel 


djiS 


eppang 


goed 



202 



djonggoe 


besi (bissi) 


doedoe 


doedoe 


doko 


liöe 


ekö 


iöoer 


ekó djara ^ 


djarang iöe 


f ai? 




ata fai 


ata doea 


foe? 




foe inoewa 


doea 


kolo foe 


alang rooD 


fonga 


griugan 


gaga 


hokot 


gdng&lai 


koeroeraka 


gawi 


dogo 


gella 


gellang 


gette 


goeti 


getti 


botter 


idjoe 


iroen 


ika 


iaug 


ine 


ina 


iwa 


eoug 


ka 


ga 


kadjoe 


ai 


kaè 


woeë 


kakki 


lai, lameng 


kainba(r?) 


hi getté 


k&oe nappar 


boei 


kappa 


apar 


kata 


rata 


katte 


gattar 


keï 


dani 


kebbo 


ronang 


kedda 


kedda 



pompoen 
zwam 

(met een touw op 't 
voor hoofd) dragen 
staart 
paardestaart 

vrouw 

grootmoeder 
hoofdhaar 
gaarne hebben 
begroeid land om 

werken 
spin 

8. dansen. 
koper(draad) 
schaar 
koopen 
neus 
visch 
moeder 
neen; niet. 
hij eet 
hout 
oudere 
man ; mannetje y. 

dieren 
karbau 
wachten 
dik 

boschkip 
jeuken 
weenen 
schuur 
schoppen 



203 



keddo 






keddo djara 


djarang koemak 


paardehoef 


kekkoe 


memmèk 


zwak 


keko 


toetoer 


praten 


keli 


iling 


berg 


keinma 


goea 


werken 


keöe 


woea 


pinang 


keppoe 


bóók 


hakken 


kera 


era 


schildpad 


ketta 


blattang 


koud 


kiboe 


nane 


lang 


kinga 


tiloeng 


oor 


kinga loka 


tiloeng pekké 


doof 


kira 


gatta 


tellen 


koeme 






koeme djara 


djarang koemeog 


paardetoom 


koemi 


oeming 


haard 


koengoe 


oenoer 


nagel 


koengoe lima 


limang oenoer 


nagel van den vinger 


77 ai 


waing oenoer 


» n f, voet 


kolo 


alang 


hoofd 


lakko 


ahoe 


hond 


lamboe 


laboe 


baadje 


lawo 


oetang 


vrouwe-sarong 


leba 


leba 


dragen 


lego (pane) 


rasi 


wasschen 


lekko 


bl&oer 


kikvorsch 


lela 


horong 


vliegen 


Iele 


renna 


hooren 


lengi 


lengi 


olie 


lesoe 


linsoe 


hoofddoek 


lima 


limang 


hand 


lima 


lima 


vijf 


löö 


kessik 


klein 


lOnda 


lodang 


halsketting 


lowa 


moroen 


honger 



204 



madja 


mara 


droog 


mage 


mage 


tamarinde 


mai 


mai 


komen 


manoe 


manoe 


kip 


manoe laloe 


manoe ama 


haan 


manoe mettoe 


manoe inang 


kip; kloek; 


mari 


dri 


zitten 


mata 


matang 


oog 


mata gibe 


matang gois 


blind 


mbakko 


bakko 


tabak 


mbana 


bano 


gaan 


mbeo 


rditang 


weten; kennen 


mbere 


blelèr 


dun 


mbia 


bitak 


breken 


mbira ria 


lessoe widing 


8. arend 


inbo(5e 


hoema 


rooven 


meddi 


nala 


halen 


meke 


döö 


hoesten 


mengoro 


gopi 


omhakken 


mera 


merak 


rood, bruin. 


meroe 


doeë 


liggen 


messi 


tahi 


zee 


aje(r)mes8i 


tabi 


zeewater 


metta 


daa 


raken; bereiken. 


mi 


mi 


zoet 


mido 


gide 


trekkeii 


minoe 


ninoe 


drinken 


mite 


mitang 


zwart 


moege 


moegeng 


8. groen duifje 


moekoe 


moeöe 


pisang 


moekoe djawa 


moeoe djawa 


papaja 


moele 


teggor 


sterk 


moke 


toewa 


8. inl. drank 


moki 


memmoeng 


mond 


moesoe 


moesoeng 


rooken 


mota 


taa 


sirih 



205 



nai 


lema 


klimmen 


naiderra 


merre 


mier 


nakka 


nao 


stelen 


nangoe 


nani 


zwemmen 


nara 


uara 


broer 


odoea 


lore 


dalen 


ndora 


toeka 


s. oebi 


uenoe (-Dia) 


linoDg 


spiegel 


nette 


plain 


liegen 


Dgakke 


kikolilo 


vlinder 


ngana 


malor 


witte mier 


ngange 


lèè 


niet willen 


Dgere ëmba 


ganoepai 


hoe 


Dgoni 


oni 


veger 


nidjo , 


niroe 


spuwen 


niï 


uioeng 


tand 


niloe 


uiloek 


zuur 


oipa 


oeiar 


slang 


Doea 


natar 


dorp 


uoeka 


baë 


opwaarts gaan 


Doka 


bó6 


uitschelden 


nokö 


roegoe 


mager 


oa 


eopg 


neen: niet 


oele a 


kaan 


kraai 


oema 


oema 


tuin 


oetoe 


mennang 


winnen 


oewi kajoe 


ohoe ai 


8. oebi 


pai 


dopo 


roepen 


pakka gön 


goba gong 


op den gong slaan 


pappe tange 


poenoe wiing 


twisten 


pare isi 


pare wardng 


gebolsterde rijst 


paroe 


plari 


loopen 


passa 


passak 


schieten 


pawe 


mior 


mooi 


pekk& 


baa 


't mal. Boedah' 


pera 


doneng 


leeren; toonen. 



206 



pin 


UI 


oprapen 


pingga 


pigang 


bord 


pi8Ö 


(oedi 


mes 


poi 


boga 


breken 


poke 


geba 


(weg) werpen 


poro 


boro 


snijpen 


ragi 


lipa 


manne-sarong 


rango 


galioe 


warm 


rawa 


rawa 


8. groote dui( 


rawa ngODgo 


leppoet 


8. groen daifje 


rèè 


gois 


siecbt 


rei. 


rait 


naaien 


na 


gette 


groot 


ringgi 


remma 


wegnemen 


rio 


boei 


baden 


ró 


rasa 


gevoelen 


roesa 


roeba 


hert 


roeloc 


roesoeog 


manen (paarden) 


rokkc 


doeé nolèk 


slapen 


röngo 


widing 


geit 


sakka djara 


sakkan djarang 


paard rijden 


sao 


leppo 


buis 


fiAoe 


bida 


zwaard 


sassi 


garo 


krabben 


sëa geléna 


nai 


leggen, bewaren. 


sedda 


Doroe 


weren 


sella djara 


djaran lappi 


paardezadel 


serra 


berróe 


zout(acbtig) 


serroe 


liar 


roepen 


sië 


hiui berróe 


zont 


sië mi 


bini mi 


suiker 


• • 

811 


odo 


bevelen 


• • 
811 


kirek 


bont 


soea ika 


kawir 


vischhaak 


soeë 


bala 


oUfantstand; ivoor 


Boeoga 


hoeDga 


8. ui 



207 



8ok6 


hoeroe 


lepel 


somoe 


sooioe 


ui 


80D0 


Bossoe 


verbergen 


soeöe 


hoeöe 


op 't hoofd dragen 


soro 


sorong 


voortschuiven 


Boro ika 


sorong iang 


visschen 


tadji manoe 


tadji manoe 


hanen veehten 


takoe 


d&oe 


dragen 


talo 


rehi 


niet kunnen 


taloe 


tara 


antwoorden 


tEogi 


daang 


ladder 


taó 


brèoe 


vreezen 


tawa 


tö 


lachen 


tebo 


dola 


slaan 


tëè 


oha 


mat 


teka 


tea 


verkoopen 


tello 


tello 


ei 


tello manoe 


manoe tellong 


kippenei 


tënda 


tedang 


balebale 


tëngoe 


aróen 


hals 


teöe 


teöe 


muis; rat 


toemba 


ole 


lans 


toki 


« • 


bijten 


tokingo 


grasa 


schertsen 


tolo 


ileng 


kijken 


t66 


hogor 


ontwaken; opstaan 


topo 


roding 


hakmes 


wangga 


wara 


op schouder dragen 


waöe 


lëhór 


dalen 


wara 


palik 


schouder 


waroe ^ 


lago 


s. boom 


watoe 


watoe 


steen 


wawi 


wawi 


varken 


wea 


bahar 


goud 


wela 


batti 


slaan; vermoorden 


wetta 


wine 


zuster 






Wl 

wisi 

wiwi 

woea 

wole 

wöudo 



208 

dete 

biha 

wiwir 

woeang 

boelié 

gawang 

Dappoen 

DE GETALLEN. 



sa 

roea 

telloe 

soetoe 

litna 

liina sa 

lima roea 

ramboetoe 

ifiuiboetoe 

roemboetoe 

terra sa | 

trasd ( 

saniboeloe 

mboeloe roea 

„ telloe enz 
sangasoe 
Dgasoe roea enz 
ba riwoe 



ba 

roea 

telloe 

hoetoe 

Hma 

en na 

piloe 

waloe 



hiwa 

poeloe (ba) 
poeloe roea 

„ telloe enz 
hangasoe 
ngasoe roea 
ba riwoe 



leiden 

sebenren 

lip, raod 

yrucbt 

liegen 

veel 

dal, vallei 



één 

twee 

drie 

vier 

vijf 

zes 

zeven 

acbt 



negen 

tien 
twintig 
dertig enz 
honderd 
twee honderd 
duizend 



\s 



NOG EEiiiiE immm mün 

UIT HET 

MOHAMMEDAANSCHE TIJDVAK 

AFKOMSTIG VAN 

MATARAM, BANTÉN en PALEMBANG, 

(derde vervolg) 

DOOR 



PALEMBANÖ. 

(Tweede vet volg.) 
No. 10. 

Het oorspronkelijk yan den hier in afschrift medegedeelden 
piagem is het eigendom van Depati Nata Moekmin, pasirah 
van de marga Soengi Kroh, der afdeeling Moeri Ilir (Fa- 
lembang). 

Het zijn 3 zilveren bladen^ van 28 X ^^ <^^m ^^^ ^^^ 
zes regels beschreven, waarvan er twee, die welke het begin 
van het stnk en het eind ervan te lezen geven, ter weers- 
zijde aan het derde blad, waarop het midden gedeelte staat, 
met zilveren ringetjes verbonden zijn. 

Het schrift, dat gebezigd werd, is het Javaansche. 

Het stuk werd in originali aan het Genootschap toege- 
zonden door den Resident van Palembang, den Heer J. P. 
DB Vrieb, die het blijkens zijn schrijven, zie Not. Febr. verg. 

Tijdschr. fnd. T. h. en Vk., deel XXXV. U. 



210 

1892; ontvangen bad van den Heer L. M. Vonck, controlenr 
in Moesi Ilir, denzelfde, die indertijd zijne tusschenkomst 
verleend heeft tot het hier nogmaals in leen ontvangen van de 
beide piagém's, welke in het eerste gedeelte van deze mede- 
deelingen over Javaansehe piagëuis uit het Mohammedaansche 
tijdvak, als n**. 2 en 3 van Palembang bekend konden worden 
gemaakt, vergl. Tijdschr. Ind. T. L. en Vk., XXXII, 586 '). 

De legende vertoont de meeste overeenkomst met den Pa- 
lembangschen piagem, die ter zelider plaatse, bl. 588, als n®. 
4 bekend werd gemaakt, hoewel dat stak uit het jaar 1729 
(A, D. 1802) is, en deze nieuwe is uitgereikt in 1686 (A. 
D. 1760), waardoor hij zich in leeitijd nader aansluit bij die 
beide zooeven genoemde andere, n"". 2 en 3, en u^. 6 Tijdschr. 
Ind. T. L. en Vk., XXXI V, 609, resp. de twee eersten beide 
uit 1689 (A. D. 1763), en de laatste uit 1685 (A. D. 1759). 

Deze nieuwe piagem doet zien dat wat door mij voor een 
pepel-ieéken is verklaard, dI. twee cëcek*s boven elkander, 
onjuist is opgevat. Ër moet mede bedoeld zijn het teeken 
dat de Javanen van Java thans met 3 cecek's schrijven, en 
dieoen moet om aan te geven dat de uitspraak der letter niet 
de gewone moet zijn, omdat liet woord waarin zij voorkomt 
een vreemd is, en men wil laten zien dat men het als zoodanig 
heeft herkend, en het dus liever naar de uitspraak in de taal, 
waaruit het ontleend is, uitgesproken zou wenschen. Dat 
daarbij misvattingen worden gemaakt, blijkt uit het Kmim^fth^ 

van regel 6 op bet 3<^ blad hier, doch wat door mij gesteld is 
geworden op bladz. 612 Tijdschr. Ind. T. L. en Vk., XXXIV 
was niet de goede verklaring. 

Wat in no. 4, regel 10, door mij pinlel is gelezen, luidt 
hier duidelijk winlel, doch de beteekenis ook hiervan is mij 
niet bekend. Hier blijkt het iatusschen duidelijk dat er een 
soort van civetkalten mede wordt aangeduid, evenals met 
céliip en met candramawa, en er dus ook in no. 4 maar 3 
soorten van katten bedoeld zijn, zoodat daar in de vertaling 
voor „civetkatten, celup (?). pt7i f cl {?), en candramawa kniten'^ 



'J Voor het Ic ea 2e vervolg zie meu deel XXXIV bl. 605, en XXXV. bl, 110. 



211 

gelezen moet worden j,célup- (?), pinlel- (?), en candramawa- 
civetkatten''. 

. Een nieuwe moeiel ijkheid geeft daarentegen weer de 
uitdrakking culani/canfil, of nikandl (?), voor cula, zonder 
meer, in n^. 4, waarvoor men geneigd zou zijn om, ook 
zonder dat men den juisteu zin nog vat, culaning kantil te 
lezen. De cecék is evenwel niet aanwezig. Behoudens deze 
aanvulling komen de hier genoemde palawija van deze soort, — 
de tweede: albino's enz. worden niet vermeld, — geheel over- 
een met die in n^. 4 opgesomd, doch de volgorde is een andere. 

Het stuk werd uitgereikt aan de prawalins van Sungi 
Këruh, vermoedelijk dus wel aan een der voorvaders van 
den tegen woordigen bezitter. De Sultan noemt zijn naam 
niet; evenmin als die der toenmalige piawalin's. 

De datum luidt: Dinsdag, donkere helft van de maand (d.i. 

hier einde van de maand), den 29«te, Iq de maand Sapar, in 

het jaar He, in het Sakajaar: beroemd (ben ik) zelf (die) 

vervangen (word door mijn) zoon, 1686. 

' De cijferteekens ruie^^^c^ bevestigen de lezing, die vroeger 

van deze teekens, zooals zij op de Falembangsche piagëms 
worden aangetroffen, gegeven is, op nieuw. 

De sengkala: susra kang sirira gumanting putra biedt na- 
tuurlijk dezelfde zwarigheden als die van Palembang n°. 6, 
Tijdschr. Ind. T. L. en Vk., XXXIV, bl. 609, waar op bl. 
615 de gronden voor de wel wat vreemde vertaling zijn aan- 
gegeven. Sirira is een schrijffout voor sariraj sitsra moet blij- 
kens het cijferteeken hier 6 voorstellen, evenals gumanting ; 
waarom is mij niet duidelijk. 

o* ^ o O ^o. .o ., 

^MtAnpit'^'^^'^ ru»rn^tJ»«stinM\ taaLm*n»sj»»fn.£Anêo\ 

300^00 y o , 

ao 00 o o O 



212 

fi O . o. 

• O o o o o 

0.« «cn«j»ik «>firi«tjitync?(% tynffnMtynfnKHik tMfn*m.s>iA/n(n>ik tm&i 

omnui^mftÊ /% oxintni'nfn^t^ «tjif«£n«u*% •^«ri«<fi'v)cvi« 

4» o o. 

5 o, o ^ o o. 

o . Q o Q. » 

2» o o 

• o o 

• néna^'ik (un»ntijtn9.^fAnt7ieAÊ\iLntrnKnaji<iin\ni^t*ntuin*^ 

o o o O o o 

4>n vn AT) Ao »o »<'n n^^ jÈ'nJM^'tn^im'tk mix9 ftn *m tpnjji 

4o ^ o. » r'ï o * 

O o . / » o 

o. o o o. o • _ (?• 



KW «M 11 'T» • 



'i*"'fe*f(S'* (k^i c?«-"«^' ^ 



') De «I ontbreekt. 



213 

Costuumbrief van den Sultan , voor den prawaiin*s van 
Sungi Eërub, luidende: 

als er schaldzaken zyn tussclien de landslieden en Pa- 
lembangers of tusschen de landslieden onderling, en de zaak 
is voor de praivatin's niet klaar, maar er zijn getuigen, dan 
mogen de prawalin's er in beslissen; iivanneer men niet be> 
taalt dan rekene men bij dertienden, tot driemaal toe, zoo- 
dat de som dubbel wordt, hooger mag men niet gaan; en 
men mag geen beslag leggen noch op den persoon zelf, noch 
op zijn vrouw of zijn kinderen ; 

als de schuldvordering wegens hanenklopperij is, dan gaat 
zij niet door, maar kan als te niet gedaan beschouwd wor« 
den, en er mag niet getwist worden met woorden of dood- 
slag, men zij eens gezind; 

men legge pepertuinen aan; wie dat niet wil zal beboet 
worden met zes reyaal; 

en als iemand (geweldadig) in een dorp of in een huis 
dringt, en de overvallene wordt gewond, dan staat daarop 
de boete van het bestrijden der onkosten voor de genezing, 
komt hij om, dan moet de bangun betaald worden ; wordt de 
indringer gewond of gedood, dan is daar geen verhaal op; 

een handelaar (of vreemdeling) mag by iemand der streek 
niet inwonen, noch zich een huis bouwen; doet hij het toch, 
dan wordt hij beboet met de boete daarop door den vorst 
gesteld; 

ook mag niemand van het land met een Palembangschen 
man of vrouw huwen ; doet men het toch, dan zal men ge- 
vangen worden gezet (?) '); 

als een paranaltan ergens in dienst gaat, en daar geen be- 
richt van geeft aan de p'awalin^Sf dan zal hij gevangen wor- 
den gezet (?); 

als een paranaian een zaak (geding) krijgt, en hij vraagt 
daarin recht aan de prawalitCs, en de zaak is uitgewezen en 
bezorgd door de prawaUn's, en hij loopt daarna weg om te 
vluchten, dan zal hij gevangen gezet worden (?); 

*) Vermo«d«iyk: dao wordt mes lijfeigene vaa den roni. 



214 

en als er een diefstal heeft plaats gehad, tn het wordt 
aangegeven, en de aangeklaagde wordt veroordeeld, dan moet 
hg het dubbele vergoeden; verliest de aanklager het, dan heeft 
hij te betalen eenmaal de (?); 

als er iemand ontloopen is (en aangehouden wordt) dan 
zal verbeurd verklaard worden wat bij bij zich zal hebben 
zoo dit een waarde vertegenwoordigt van tien reyaal of min- 
der, wat er meer is niet; 

als iemand een onderboorige van den vorst ontvoert, zal 
hij gevangen worden gezet (?); 

zoo hij bet een slaaf van een ander doet, zal hg de prijs 
dubbel moeten vergoeden; 

als er gevonden worden zal rhinocerosboom, niliantU (?), 
bezoar, karbonkel, lange olifantstanden, goede sumambu-fo- 
tan, of candramawa-, wintel- of ce/t//>-€ivetkatten, dan moet 
dat alles aan den kraton worden opgebracht. 

Geschreven op Dinsdag 29 Sapar van het jaar He, in 
het Qakajaar: Beroemd (ben ik) zelf (,die) vervangen 
(zal worden door mijn) zoon, 1686. 

WELTEVREDEN, Febr. 1892. 



AANTEEKENINGEN 



OMTRENT HET 



EN ZIJN 



DOOR 

jr. jr. vehtv^ijk;. 



Er bestaat over het Diëng-gebergte een zeer uitgebreide 
litteratuur. Geen der Diëng-opstellen is evenwel volledig te 
noemen of van fouten vrij te pleiten. Het gebergte is dan 
ook volgens Junghuhn „onuitputtelijk''. 

Tijdens myn drie-en-halfjarig verblijf te Bandjarnegara 
heb ik. de merkwaardige streek verscheidene malen bezocht 
en, geholpen door een mantri van het Kadaster te Bandjar- 
negara en door een anderen te Wouosobo^ van haar een kaart 
vervaardigd. In de overtuiging dat de kaart tot een ige aan- 
vulling en verbetering kan strekken van hetgeen door anderen 
is geschreven, bied ik haar hierbij aan, vergezeld van de 
volgende aanteekeningen op de in Professor Veth's Java voor- 
komende vrg nauwkeurige beschrijving van het gebergte en 
zijn merkwaardigheden. Java Dl. II blz. 27, 49 en v. v., 
Dl. IIIJ)lz. 460 en v. v. 

Een tocht naar den Diëng van Bandjarnegara uit wordt in 
den regel ondernomen over de districtshoofdplaats; tevens 
Controleursstandplaats, Karang Kobar. 



216 

De weg van Bandjamegara naar Karang Kobar is 14 paleD 
lang (vide Stbl. 1889 No. 229). Hij gaat aanvankelijk 3 
palen door de vlakte in noordelijke richting; 'daarna, vrij wel 
steeds stijgende, over het algemeen noordoostwaarts. 

Na de desa Kasènèl voorbijgereden te zijn, vertoont zich 
spoedig aan het oog den G, Pawinihanj aan welker oostzijde 
door een kloof gescheiden, een ontzettende kale rotsklomp, 
met een zadelvormigen kam en met loodrechte wanden, 
zich verheit. Dat rotsgevaarte, uit trachietmassa's gevormd, 
is bekend onder den naam G, Radja. Abasivelijk wordt het 
door Jnnghnhn G. Label en door Prof. Veth G. Laweh ge- 
noemd. De door Prof. Veth bedoelde weg door de kloof 
gaat thans langs de oostzijde van den G. Radja en biedt^ 
wanneer men al voortrijdende terugziet, een even heerlijk 
panorama aan als de oude weg. Verderop gaat hij eerst 
langs de noordelijke hellingen van den G. Telogo Lélé (niet 
den G. T. Lèlè). De door mij ondervraagde nabij dien berg 
wonende inlanders wisten niets af van het bestaan van een 
meer op dien vermoedelijk, uitgebranden eruptiekegel. 

Karang Kobar is een kleine bergdesa. Er is op de plaats 
of in haar naasten omtrek niets bezienswaardig. Haar lig- 
ging en het naar de toppen van den Rogo Djambangan op- 
rijzend terrein zijn overigens door Prof. Veth juist beschreven. 

Van Karang Kobar gaat de verdere weg naar den Dièng 
over de districtshooidplaats Baloer. 

De meest gevolgd wordende route van Karang Kobar naOLX 
Baloer ligt ten zuiden van die door Prof. Veth bedoeld en 
is 10 palen lang. De natuur langs den korteren weg is 
gelgk aan die langs den andereu. 

De door de bevolking geteelde tabak wordt grootendeels 
te Baloer wonende Ghineezen opgekocht en over Pekalongan 
naar Batavia uitgevoerd. 

Behalve voor het droogstoken van tabak is er door de 
bevolking zeer veel hout gekapt voor het des nachts bin- 
nenshuis aanleggen van vuren voor lichamelijke verwarming. 
In den laatsten tgd wordt de cultuur van snelgroeiende en 



217 

voor brandhout geschikte boomen door het bestuur krachtig 
bevorderd De Kemlandingan (mimosa leucaena) moet voor 
die cultuur bet meest geschikt zijn. 

De door Prof. Veth beschreven pasanggrahan en vóór dit 
gebouw aanwezige beelden, bestaan sedert eenige jaren niet 
meer. Europeesche reizigers kunnen gemakkelijk logies be- 
komen bij den Wedono, die een gouvernementshuis bewoont, 
op welks erf een bijgebouw speciaal voor pasanggrahan is 
opgetrokken. 

De Europeesche groenten, welke door de bevolking geteeld 
worden, zijn alleen kool, uien en aardappelen. Andere Eu- 
ropeesche groenten gedijen intusschen op het hoogland ook 
zeer goed. Van de aldaar gecultiveerd wordende Europeesche 
ooftboomen heb ik alleen eenige oneetbare vruchten ople* 
verende perzikboomen op erven van Ghineezen gezien. Het 
Mongoolsche ras doet overigens vrij wel niets aan ooft;> 
en groenteteelt. 

Van Baloer naar bet Diëng-plateau gaande, wordt in den 
regel eerst het nabij den weg gelegen meer Soembèr Djolo 
Toetido bezocht. Van hier gaat men dan naar de onder den 
naam van Tjondro di moe/co meer bekend zijnde solfatara 
Kawah Dringo, om daarna naar den Tjotidro di moeko terug 
te keeren en van hier in de desa Pekasiran weer op den 
groeten weg te komen. 

Het dorp Tïmbangy alwaar Prot. Veth een naar het meer 
Dringo voerend zijpad inslaat, bestaat niet. 

De kleurveranderingen in het water van den Soemoer 
Djolo Toendo heb ik nooit opgemerkt. De inlander verzekert 
alleen dat men „késlamët" zal zijn, wanneer men een steen 
over het meer heen kan werpen. 

De Kawah Dringoy zooals gezegd is meer genoemd Tjon- 
dro di moekOf is een gat van eenige voeten in doorsnede, — 
een doorsnede van 15 è, 20 voeten, zooals Prof. Veth het 
zegt, heeft de solfatara zeker niet, — waaruit aanhoudend wit- 
te dampen met hevig geraas opstijgen. In de onmiddellijke 
nabijheid van de solfatara ziet men eenige andere gaten 



218 

met kokend geelwit gekleurd water, dat in het riviertje de 
Kali Poetih nitvloeit. 

De Kawah SegoroiveJi is thans niet bekend. 

Van Pèkanran den tocht naar het Diëngplatean voortzet- 
tende; ziet men spoedig op de zuidelijke helling van den 
G. Djimnl de opening van de beruchte moiette Péiaraman. 

De Pekaraman is niets anders als een groote open kuil 
uit welks bodem af en toe wat koolzuurgas opstijgt. 

De schrijfwijze G. Tjimal is foutief, de juiste is G. Djimat 
d. i. de talisman. De Javaansche legende vertelt dat de 
Pekaraman d. i. de uitverkoren plaats, tijdens den Broto Joedo 
krijg het oorlogsmagazijn van vorst Bolodewo is geweest. 

Bij den Pekaraman bevindt men zich op het gebied van 
het eigenlijke Diënggebergte. 

De Dièng is een uiteengeslagen krater. De verbindende 
ruggen van voornamelijk vijf bergtoppen vormen de over- 
blijfselen van den verbrijzelden en verbrokkelden rand van 
dien krater. Die bergtoppen zijn : de G. Djimat in het noord- 
westen, de G. Prahm in het noordoosten, de Srodjo in het 
zuidoosten, de Bismo in het zuidwesten en de Nogosari in 
het westen. Binnen den kraterrand verheffen zich als eruptie- 
kegels: de Pager Kandang in het noordwesten, de Pangonan 
ten zuidoosten van den Pager Kandang^ en de Pakoewodjo 
in het zuidoosten. Aan den oostclijken voet van den G* 
Pangonan breidt zich het zoogenaamde Diëng plateau uit. 

Volgens den Javaan is de naam Diëng ontstaan door eene 
samentrekking van de woorden adi en aëng d. i. wonder- 
schoon. Dr. CoHEN Stuart heeft evenwel medegedeeld dat 
de naam Dièng als dihyang reeds op oude oorkonden vau 
Java voorkomt. 

De namen Pager Kendcfig en Panggonan zijn foutief. Ten 
rechte heeten de bedoelde eruptiekegels: Pager Kandang en 
Pangonan. Volgens de Javaansche fantasie hadden Ardjoeno's 
buffels, die op den Pangonan, d. i. weide, graasden, hun 
kraal in den ketel van den Pager Kandang d. i. omheining 
van de kraal. 



219 

De door Junghuha op biz. 331 beschreven solfatara Pane/oe 
I op den Pager Kandang is thans een meertje. 

De Kavoak Pandoe II is niet bekend. 

Na het bezoek aan den Pekaraman den weg verder oost- 
waarts volgende, bereikt men daarna langs een sterk dalend 
zijpad ten noorden van den weg^ het meer Telogo Léri, een 
vereenigingsplaats van ziedende beeken en warme bronnen 
en van het water dat van den oostwaarts oprijzenden Pager 
Kandang en vaa de andere omringende bergen afvloeit. 

De dorpen Padjed en Proemboeng, waartusschen volgens 
Jnnghnhn blz. 222 het meer Telogo Leri ligt, bestaan niet. 

Voorbij het zijpad naar den Telogo Leri heeft men vlak 
ten zniden van den grooten weg het op een moeras gelijkend 
meertje Telogo SéwiwL 

Verderop komt men aan een zijweg, die naar het meer 
Telogo Merdodo voert, een der kraters van den dnbbel uit- 
geboorden eruptiekegel G. Pangonan, De andere, hoogere 
krater beet Tikel Pangonan 

Den tocht langs den grooten weg weder voortzettende, 
kondigt spoedig de door den wind toegewaaide demonische 
zwavelgenr de aankomst op het Diëng-plateanaan. Voor het 
midden van het plateau breidt zich een groot moeras uit. Het 
noordelijke, grootste gedeelte heeit den naam van Rowo Bale 
Kambang, het zuidelijk gedeelte dien van Rowo Glonggong. 

In het zuidoosten van het plateau heeft men de meren 
Telogo Werno en Telogo Péngilan en in het zuidwesten het 
moeras Rowo Teroes. 

Door de genoemde moerassen stroomt de uit het noord- 
oosten komende Kali Toelis^ die als grensrivier van het 
Bageleensch en Banjoemaasch gebied, vervolgens haren weg 
voortzet in den dalgrond, die den G Pangonan van den 
bergketen scheidt, welke zich van den G Srodjo tot den O. 
Bismo uitstrekt. In dien dalgron d vindt men aan den zuide- 
lijken voet van den G, Pangonan en aan den rechteroever van 
de Kali Toelis eenige solfataras, waarvan de oostelijkste, de 
grootste en werkzaamste is, en Kaxmh Kidang genoemd wordt. 



220 

TegeDOver den Kawah Kidang en aan den linkeroever 
van de Kali Toeliê beeft men het meertje Telogo LoewoeL 

De door Prof. Veth genoemde K. Katen en K, Boentoe 
zijn niet bekend. Misschien wordt met den K, Boetiioe be- 
doeld de wef'kelooze soliatara; die zich niet ver van den 
K. Kidang bevindt. 

Junghuhn noemt op blz. 233 den K. Kidang abosivelijk 
Tjofidro di moelco. 

De door hem op blz. 224 bedoelde onderaardsche beek nit 
den tweeden kom van den G. Paugonan is niet bekend. 
Er is nabij den K Kidang ^el een boverMardsch beekje, 
dat in de Kali Toelis uitstroomt. 

Het terrein aan den noordwestkant van den K. Kidang 
is moerassig en wordt Rowo Loemoel genoemd. 

Van den Kawah Kidang gaat een weg naar de aan het 
liefelijk meer Tjèhong gelegen desa Simhoengan. 

In de desa Simhoengan wordt veel haarolie bereid uit de 
zaden van den gondopoero. De geurige zaden zijn in den 
handel bekend onder den naam van Bisam-korrels. 

Op de zuidoostelijke buitenhellingen van het Diëng-gebergtei 
niet ver van de districtshoofdplaats Garoeng, ligt de Telogo 
Mèndjèi^y het grootste meer van de merkwaardige streek. 

De aanwezigheid van vele steenen Siwatempelbouwvallen 
op het Diëng-gebergte doet veronderstellen dat aldaar eene 
groote Bramaansche priesterstad heeft gebloeid. 

Algemeen is men van meening dat de Diëngstad plotseling 
door eene vulcanische uitbarsting werd verwoest. Schrijver 
dezes is van gevoelen dat zij in het islamietische tijdperk 
langzamerhand werd verlaten en zoo te niet gegaan is, gelijk 
vele andere Bramaansche en Boeddhistische centraalpunten 
op Java. 

Van de voormalige priesterstad zijn nog alleen op het 
plateau eenige tempels en een onderaardsche leiding goed 
bewaard overgebleven. 

Op de bijgaande kaart zijn de 5 Aro(;oeno-tempels, de 
Wrékodoro of Bimo en de Andorowali als nog aanwezig 



221 

aangeteekend. In Dr» Yerbeek's ondheden, verschenen eenige 
jaren nadat de kaart is vervaardigd, wordt evenwel vermeld 
dat de Andorowali is ingestort. Wanneer niet spoedig aan 
de nog bestaande tempels de reddende hand tot hun behoud 
wordt verleend, zullen binnen korten tijd van hen ook alleen 
de steenen bonwvallen overblijven. 

De merkwaardige onderaardsche leiding noemt de Javaan 
y^goewoAslomo'\ Volgens de legendarische voorstelling zou 
Astomo, die onder den grond door naar den Diëng was ge- 
' trokken tot vernietiging van de aldaar verzamelde Pandowo^Sj 
nabij het plateau gekomen zijnde, de gaten gemaakt hebben 
om zich telkenmale boven den grond te verheffen en te ver- 
gewissen hoever hij nog van Ardjoeno's verblijiplaats was 
verwijderd. 

Yoorts heeft men nog op den heuvelrug langs de oostzijde 
van het plateau, ten zuiden van den groeten weg naar Wo- 
nosobo, eenig overgebleven muurwerk, dan tusschen de meren 
Wet^no en Pengilon twee beschreven rotsblokken, het eene 
met een zwarte, het andere met een roode inscriptie, en ver- 
der in een uit Pehalongan over de desa Sigemploug en in een 
anderen uit Bagelen langs het meer Tjèbong naar het plateau 
voerenden weg, overblijfselen van een steenen trap. 

Het zooevenbedoeld nog aanwezig muurwerk staat in de 
desa Diëiig tvelan en is bij de Javanen bekend onder den 
naam van j^watoe rawit". De beschreven rotsblokken hebben 
den inlandschen naam van yjwatoe toelis \ Een daarvan, het 
door Junghuhn ontdekte, wordt wel eens ^ywatoe ketèk^\ d, i. 
de steen met het apenfiguur, genoemd. De daarvan in Jung- 
huhn's Java voorkomende ai beelding komt weinig met het 
origineel overeen. Het andere, met roode verfstof beschreven 
rotsblok werd in 1889 door den Oontroleur F. H. D. H. von 
Ënde ontdekt. 

De Boeddha trappen worden door do Javanen „ondo boedo'' 
genoemd. 

Hoewel vermoedelijk niet van oudheidkundigen oorsprong 
verdient nog vermelding de ioeg Bimo^ d; i: do bron van 



222 

Bimo, gelegen in de bedding van de Sef*ajoe rivier, even 
buiten de desa Diëng wetan^ ten noorden van den grooten 
weg naar Wonosobo. 

De bron van Bimo, overschaduwd door een grooten fwAoen 
tjemeti (treurwilg) is een heerlijk plekje, dat binnen zijn om- 
muurde ruimte des daags een frisch koud stortbad aanbiedt. 
Het water van de uit het noorden afstroomende beekjes ver- 
zamelt zich aldaar in een ondiepen kom, en vormt, na daar- 
uit langs een steeneu tuit op den geplaveiden grond te zijn 
neergestort, de Kali Serajoe Omtrent het ontstaan van deze 
rivier en hiermede in verband omtrent dat van de toeg Bimo 
bestaat een vulgaire legende. In den raad der goden was 
beslist dat van de in den Broto Joedo bezongen strijdende 
partijen, diegene, die het eerst het water van middeu-Java's 
gebergte naar de zee wist af te voeren, het rijk van Ngaslino zou 
verkrijgen. De Koroivo's waren reeds bezig de Kali Klawing 
te graven, toen Ardjoeno op voorstel van zijn trouwen 
koddigen volgeling Semar besloot de hulp van den fieren, 
sterken Bimo in te roepen. Met een allerschoonste vrouw bij 
zich togen Ardjoeno en Semar naar de plaats, waar Bimo 
juist een langdurigen slaap sliep. Door een door Semar be- 
dachte list ontwaakt, gevoelde Bimo op het gezicht van de 
schoone vrouw zich door wellust sterk aangegrepen. Op- 
staande om haar met zijn armen te omsluiten, kreeg hij van 
achteren een zoo krachtigen duw, dat hij voorover op zijn 
handen viel. Onmiddellijk daarop werd hij, nog in een krui- 
pende houding verkeerende, door Semar voortgeschoven, met 
de schoone vrouw steeds vóór zich uit. Terwijl hij nu voortge- 
schoven wordende voortkroop, groef hij met zijn penis de JEa/t 
Serajoe, De plaats nu, waar Bimo op de zooeven beschreven 
wijze was begonnen te graven, wordt de loeg Bimo genoemd. 
Volgens den inlander verzekert een bad des nachts bij de 
bron aan het lichaam duurzame mannelijke kracht. 

GODONG Augustus 1891. 



KORT BEGRIP 

DER BETEEKEN18 VAN DE TARËKAT, 

NAA^ HET 



VAN 

8AJID OESMAN IBN ABDOELLAH IBN 

AKIL IBN JAHJA, 

adviseur honorair voor Arabische zaken, 

DOOR 



De beteekenis van het Arabisch woord tarekat is voeg. In 
godsdienst! gcD zin gebezigd geelt het te kennen, God trouw 
dienen en op de meest mogelijke wgze eeren en gestadig 
aanroepen. 

Ieder Islamiet, die in alle nederigheid en zonder daarme* 
de rijkdom, eer, of aanzien, hoegenaamd ook te beoogen, 
dien godsdienstigen weg bewandelt, wordt soefijal, die wyze 
van handelen, of die godsdienstige weg, (areial-soefijat^ en 
de leermeester daarvan sjeichal tarekat genoemd. 

De naam tarekat wordt nader bepaald door de namen 
van de leermeesters, alleen of met bijvoeging van hunnen 
stam of van den naam der plaats hunner herkomst; zoo b. 
V. wordt de tarekal-Naksjbandijah aldus genoemd naar den 
sjeich Bahaöeddin al Naicsjbandi, de tarekat-Kadirijah naar 
den sjeich Abdoelkadïr al üjailani enz. Bovendien neemt elke 



224 

tarekat een of twee namen — epitheten — van God aan, 
waarmede Hij wordt geloofd. Het is om die twee redenen, 
dat er verscheidene soorten zijn van de tarekat-soefijat; maar 
daarom alleen. Ten opzichte van den godsdienst blijit zij 
één, zonder eenige afwijking hoegenaamd, dus zonder zocht 
naar rijkdom of macht tot heerschen, zooals trouwens boven 
reeds is gezegd. Overigens verlangen de soefijats van niemand 
eenige vereering, of wat het ook zij, hoezeer zij niet weinig 
gewild en geëerd worden, terwijl voor hen verscheidene open- 
bare gebouwen door vorsten en rijken zijn opgericht, voor- 
zien van levensmiddelen, alles pro deo. Er zijn echter veel 
soefijaCs, die verkiezen zelf voor hun bestaan te zorgen. 

De geschriften der soefijaisgoeroe'Sf omtrent hun tarekal^ 
zijn allen overeenkomstig het islarosch geloof, doch bevatten 
diepzinnige bewoordingen en gelijkenissen, waarvan de be- 
teekenis niet binnen het bereik ligt van een ieder; weshalve, 
ter voorkoming van verkeerde opvattingen, de lectuur daar- 
van slechts aan bevoegden door de oelama (geleerden) is ver- 
' gund. 

Al wat boven is gezegd omtrent de bedoeling van de soefijats 
en de strekking van hun ware en zuivere tarekaly de toe- 
passing van die leer wijkt daarvan in geen enkel opzicht 
af, nu zoowel als eeuwen geleden, gedurende welken tijd 
dan ook geen enkel feit heeft plaats gehad, dat zou kannen 
wijzen op eenig kwaad, of nadeel, door hen bedreven. Er 
zijn echter personen, die het islamsch geloof niet trouw, of 
niet naar behooren belijden, doch desniettemin zich als soe- 
fijats voordoen, alleen om van de voordeden der genoemde 
openbare instellingen te kunnen genieten, en eer en aanzien 
te verwerven. Dit wordt door groote geleerden ten strengste 
verboden. Dat verbod staat vermeld in vele godsdienstige 
boeken; doch zij, die die boeken niet hebben gelezen, kennen 
dat verbod natuurlijk niet. 

De mensch is onuitputtelijk in het uitvinden van akaVs 
om zich te verrijken en macht te bezorgen. Zij, die den gods- 
dienst sleclits in schijn belijden, maar bezield zijn met de zucht 



225 

naar rijkdom en macht, geven ziek o. a. uit als goeroe's der 
tarekai Nahsjhandijah en van andere larekaCs en nemen de 
kleeding van die goeioe*s aan, terwijl zij, hoezeer onkundig ten 
opzichte van de ware leer der soefijals en met onzuivere 
bedoelingen, zich in alles gedragen als de ware goeroe^ s. 

Deze valsche goeroe' s üu vervaardigen ook geschriften naar 
de echte boeken der soc/ijal*s, waarvan zij de beteekenis 
echter niet volkomen kennen; maar vermengen den inhoud 
met wat zij dienstig achten om domme menschen vertrouwen 
in hen te kunnen doen stellen en, zoodoende, hen tot hunne 
volgelingen te maken, terwijl deze dan ook werkelijk ge- 
looven, dat de scheppingen hunner valsche goeroe's de echte 
tarehal vormen, die zij overigens als het non plus ultra van 
bet geloof beschouwen. Doch menschen, die werkelijk ver- 
trouwd zijn met den godsdienst, weten, dat die geschriften 
niet echt, maar daarmede zeer in strijd zijn, terwijl het hun 
ook niet onbekend is, dat de vervaardigers op dat gebied 
leeken zijn niet alleen, maar met opzet den waren weg heb- 
ben verlaten. 

Vele geleerden in Mekka en op andere plaatsen hebben 
dan ook hunne waarschuwende stem aan die valsche goeroe*B 
laten hooren; maar deze stoorden er zich niet aan; integen- 
deel, er waren er zelfs, die zich tegen die geleerden verzetten. 

De goei'oe'& der valsche tarekaC^ worden zeer geëerd door 
en ontvangen veel geschenken van hen, die niet bekend zijn 
met hunne geheime bedoelingen. Zij, die die valsche leer vol- 
gen, worden anak moerid (leerling) genoemd. Van daar dan 
ook, dat er velen zijn, die gaarne tarekai- goeroe worden, 
welke titel hun voordeel en waardigheid verschaft. 

Het is nu zeven en dertig jaar geleden, dat een Menang- 
kabauwer uit Mekka kwam, genaamd Uadji IsmaiL Te 
Singapoera aangekomen, leerde hij de menschen daar, om 
de leer der tarekai Naksjbandijali te omhelzen. Toevallig 
was er te dien tijde een groot geleerde te Singapoera, af- 
komstig van Hadramaut, genaamd Sjeich Salim tbn 5matr, 
die fJadji Ismail in zijn werk tegenhield en hem er tevens 

Tydichr. lud. T. L. ea Vk., deel XXXV. 16, 



226 

opmerkzaam opmaakte, dat zijn leer in strijd wa9 met den 
godsdienst, terwijl hij, Sjcch Salim, een geBclirift vervaar- 
digde, waarin het verkeerde van die leer in bet licht werd 
gesteld. Daarop keerde Iladji Ismail, met veel geld beladen, 
naar Mekka terug. 

Een ander, die zich vier jaar geleden in Mekka als S/eich 
van de tarekal Na/csjbandijah uitgaf, was Sjeich Soelaiman 
Afatidi, die veel leerlingen had onder de Maleiers en Javanen. 
Ook hij heeft een bock gemaakt, handelende over die /are/ra/, 
dat te Konstantinopel werd gedrukt, waarvan een groot aan- 
tal exemplaren in de Maleische landen en op Java werd 
verspreid. Dat boek was vol van allerlei zaken, die in strijd 
waren met het ware geloof en de domme menigte op het 
dwaalspoor moesten brengen. Overigens had de inhoud de 
strekking om den schrijver te verheffen en de niet- volgelingen 
van zijn iareJcat alsmede andere goeroes te veroordeelen. Dat 
boek werd echter door al de geleerden in Mekka verworpen 
en dadelijk daarop door den rechter verbeurd verklaard, met 
last het te verbranden, terwijl Sjeich Soelaiman in Mekka ge- 
vangen werd genomen, met bevel aan hem, om aan zijn 
leerlingen op Java en in de Maleische landen, van het ge- 
beurde met zijn boek kennis te geven; aangezien de daarin 
voorkomende verkeerdheden in het licht waren gesteld, waar- 
omtrent al de geleerden in Mekka het onderling eens waren. 
Sjeich Soelaiman voldeed aandien last en schreei asin Ahdoel- 
wahab Djawa en aan den vorst van Deli en van Langkat, 
overeenkomstig w<at in Mekka was gedrukt in navolging van 
van het door den Moefti aldaar omtrent Sjeich Soelaiman^s 
feilen was geschreven en voorzien van de handteekeiiingen 
dier geleerden. 

Uit het bovenstaande blijkt voldoende het verschil tns- 
schen de ware en do valsche tarekafs. 



Daarmede is het werkje van Sajid Oesman nog niet uit; 
doek wat daarop vol^t bevat nagenoeg niets anders dan her- 



227 

halingen van wat reeds is gezegd; ik acht daarom nietnoo- 
dig dat vervolg ook te vertalen. 

De bovenstaande vertaling is zeer vrij; want de tekst is 
niet vatbaar voor een goede getroawe overzetting. De bedoe- 
ling van den schrijver echter vermeen ik precies te hebben 
teruggegeven. 

Het doel, dat ik met deze vertaling beoogd is niets anders, 
dan een bijdrage tot de kennis van de ware en de valsche 
larekat's^ geleverd door een bevoegde, zooals Sajid Oesman 
geacht mag worden, meer algemeen bekend te maken, en 
vooral onder de aandacht der ambtenaren van het Bin- 
nenlandsch Bestuur te brengen; opdat zij daarvan, zoo mo- 
gelijk en voor zooveel noodig, kunnen profiteeren, tot daar- 
stelling, en, waar die reeds bestaat, tot bevestiging van een 
goede verstandhouding tusschen hénl en de bevolking onder 
hunne bevelen gesteld. Immers het per se als slecht ver- 
oordeelen van de tarekal kan aan die verstandhouding niet 
bevorderlijk zijn, terwijl een jaist begrip en eerbiediging van 
godsdienstige gevoelens en instelling, waar die niet in strijd 
zijn met de algemeene belangen, andersdenkenden ten op- 
zichte van het geloof tot elkander kunnen voeren, vooral 
tusschen de belijders van den christelijken godsdienst in het 
Moliamineilaansch geloof, waarvan dit laatste, hoezeer tot 
een machtigen stam opgegroeid, echter als een last is te 
beschouwen. 

BATAVIA, 27 December 1891, 



ëiém 




AANVULLINGEN EN VERBETERINGEN 

OP DB 

LÜSCi-IEMllLliOSCIl-IIGiMESCfl 



{Tijdschr. Ind. T. L eti Vk., deel XXXIV, bl. 539 en volgg ), 

DOOR 

O. 31.- HEIjFRIOia:. 



pag. MAIEISCH, XEBERIANDSCH. ESGASEESCH. 

2 aantevullen 

tusscüeu arga en 
asap 

berapa ar- hoeveel afiba (api- 
ganja kost 't ba b) ëo- 

diedieë 
(èoriedieë 

B) 

3 staat sab agas soort van koemak' moet zijn: 

muskiet oa koemak^ou 

itoe. die, dat èana moet zijn: 

ëana. 
iboe ta- duim naè oië moet zijn: 

ngan naè afö 

babi varken ëkojok' moet zijn: 

èkojok* 
u batang stam, steel karahak moet zijn: 

karabak^ 
bakar het ver- haibi; fa- moet zijn: 
brandeD; haböhak^ haibi; faba- 



n 



f) 



n n 



n 



» 



229 



8 



8 



11 



12 



14 



19 



21 



« 



bëdil 



bëlah 



n 



n 



P^- MAIEISCH. NEDERIAXDSCH. ENGASIESCH. 

iD brand (a) 

Bteken 
7 Btaat sub balik de achter- oenei 

kant etc 
bétoel j ast; koinak^ ; 

akoinak^ 
schietge- oiookie 
weer, wa- 
pen 

gebarsten, poarok' 
gespleten 
bintangoer soort van èijobé 

boom 
boedjoer in de leng- faijojo(pa- 
te uitge- parik b) 
strekt 
boewak opborrelen kahafoe* 
van het koei 
water uit 
een wel 
tali tonw ökokia 

15 aantevullen [ tëroes en 

tusschen | tëran snb. licht, kaniekie 

helder etc. 
17 staat sub tëpi rond etc 



w 



böhak^ (▲) 

moet zijn: 

oenie 

moet zijn : 

juist 

moet zijn : 

afookie 

moet zijn: 
poarak' 
moet zijn : 
éijobë 

moet zijn: 
faijojo (paijo- 
jo b) 

moet zijn: 
kahafoek'oei 



n 



n 



tindik 



ff 



n tijada 



gaten in koeièkali- 
de ooren bë (koeiö- 
boven om kariha b) 
er versier- 
selen in te 
dragen 

er niet kèabak* 
zijn; niet 
bestaan 



moet zijn : 
èkok'ia. 
cj tÖrang 

moet zijn: 
rand 

moet zijn: 
koei èkalihë 
(koei èkari- 
hë B) 



moet zijn: 
köabak'. 



230 



21 



24 



24 



25 



26 



26 



35 



» 



n 



22 staat sub 



35 



f> 



»> 



V 



J> 



IJ 



;> 



II 



I» 



aantevul- 
len sub 



27 staat sub 



27 aanteval- 
len sub 

28 staat sub 



«I 



«I 



II 



tl 



VlLmCII. 


STOERIANDSCH. ENCAMESCH. 




djarang 


zeldzaam, kafërafë- 


moet zijn: 




schaarsch raba (ka- 


kafëraiëraba 




wijd vau pèrapèra- 


(kapërapë ra- 




elkander ba b) 


ba b). 


djongkok 


hurken fakowèh 


moet zijn: 




kovvéh 


fakowèh ko- 




» 


wèh. 


bërtjam- 


copulee- fakei 


moet zijn: 


poer 


ren 


fak-ei. 


tjoetjoe 


kleinkind naai'oea- 


moet zijn: 




kak' 


naaföeaak^ of 
naatoea. 


dapat 


in be%it pakok^ o- 


moet zijn: 




genomen bak 


pakok^ohak. 




etc 




dengar 


hooren etc kidëhoi 


moet zijn: 
kidëböi. 


deogan 


met, door ij o 


achter ijo: of 




middel 


jo. 




van 




raboen 


niet goed kakè la- 


moet zijn: 




zien kun- baö 


kakëlabaë. 




nen 




rata 


vlak; effen fauakonë 


achter (pana- 




etc 


konë b): of 
panakö. 


rangkei 


zamen kidi foek' moet zijn: 




verbon- jak 


kidifoek*jak. 




den etc 




parang 


kapmes fèdjie (pè- 


■ moet zijn: 




djie B) 


fèdjie (pëdjie 

B). 


papan 


plank eininaha.k' moet zijn: 






èminahak'. 



231 



36 „ 



86 



37 



37 



40 



41 



41 



» 



>■> 



» 



MAIEISCH. 
pagi 



pëtan 



o» 
o 



J» 



»> 



37 aantevul- 

len sab 
37 staat sub 



piDggir 



pelir 



n 



» 



38 aantevul- 
leD sub 

39 staat 



palita 
pëuoch 



poeki 



n n 



n n 



pinaDg 



kasih 



T) n 



kaki: 

tëlapak 

kaki 

bëlakang 

kaki 



KEDERlASDJtH, ENGANEESCH. 
ocbteud namauikë 

duister, (panahou- 
ma b) 



poesaka erfstuk 



zoom, 

rand 

erectie 

van den 

penis 

lamp 

vol, ge- 
vuld, vol- 
komen 
part. pud. 
fem. men 
strua 



naafoea- 
kak' 
ëiè (èpè 

B). 

ëkok^ok 



öajahak' 
jobi 
kifamë 
(kipamo) 

è è of ka 
hè koewë 



de betel 
nootpalm 
genegen 
zijn, lief- 
hebben 



(öoefe b) 



abaoè 



moet zijn: 
namanihë. 
moet zijn: 
(pamahouma 

B). 

moet zijn: 
naafoeaak^ 
achter (ëpö b) 
of èfëa. 
moet zijn: 
èok»ok«. 

moet zijn: 
ëjahak'jobir 
achter (kipa- 
mo): b). 

moet zijn: 
part. pud. 
fem: ö è 
menstrua: ka- 
bëkoewë 
moet zijn: 
(öoefo b) 
moet zijn: 
abaaë 



41 



D n 



kawin wettig 



zool, hiel hëoai, èijë moet zijn: 

tëlapak kaki: 
zool; hëoai 
bëlakaug ka- 
ki: hiel; ëijë 
fadahè moet zijn: la- 



232 



pag. 



42 staat sub kedjab 

43 „ „ keling. 

king 



44 



44 



44 



45 



45 



47 



47 



48 



49 



MMSCH. KEDERIANDSCH. EÏGAXEESCH. 
hutirlijk boewë 

(padahè 

boewë b) 

knijpoo- kikijo 



44 y, ^ kamana- 

ban 

këndoer 



r n 



44 „ „ koetjing 



,f „ koeroes 



r, 7, gatal 
„ „ gadis 



„ „ goesar 



V 9} ë^S^^ 



„ „ lapar 
,, „ lawau 



gen 

de pink (uaèapo 
nokië b) 

neef, nicht labo 

slop, los- kononak^ 
hangend 
koewala do nion- bëloa of 
dingeener l)ëloea 
rivier etc, 
kat (èmè b) 

mager, kimak 
smal, ten- 
ger 

begeerig (pënahöje 
belust 
jongmeiS' 

je 

boos, toor- fahouwak 
nig 

geraas en 
getier ma- 
kend 
hongerig 
zijn 

tegen par- farikak 
tij, tegen- 
stander 



B) 



foinanak' 



èdabèhoè- 
djie 

kok* njok 



dahëboewë 
(padahèboe- 
wë B) 
moet zijn: 
knipoogen 
moet zijn: 
(naëapo no- 
kie b) 
moet zijn: 
kamanakan 
moet zijn: 
slap. 

moet zijn: 
béioa of bë- 
loea. 

moet zijn: 
(èmèo b) 
moet zijn: 
kimak* 

moet zijn: 
(pënaliöjë b) 
moet zijn: 
foinamak* 
moet zijn: 
fahouwak* 
moet zijn: 
edabèho 
èdjie. 
moet zijn: 
kok' njok* 
moet zijn: 
farikak* 



»* 



iJ 



233 



pag. MALEIFCH. KEDERIANDSCH. ENGANEESCH. 

50 staat sub loempoer modde kèlokëlo moet zijn: 

modder 

lihat zien, op- iöak moet zijn: 

nemen föak^ 

makan eten amenok moet zijn: 

amënok^ 

mangkok kop, kom èkamok^ moet zijn: 

etc. 

pollutie ëabakökü 



51 



51 



52 



ëkainok^ 



53 aantevul- mani 
len sub. 

54 staat sub hoeloe 



oorsprong èoeloe Bë- moet zijn: 
eener ri- lowa èoeloe bèlo- 



vier 



wa. 

55 en 56 waar kifa boek staat: moet zijn: kifahoek 
58 staat sub Tijdrekening 6 uur in den namiddag: pamaho- 

ma : moet zijn : pamabouma. 
Zinnetjes : 

nie; moet zijn: nië 
ouwe; „ „ : oewë 
iték; „ „ : itèk 
kidëboi; ,, ,, : kidëböi 



58 


staat 


sub 1 


58 


» 


. 4 


58 


» 


,. 7 


59 


» 


„ 23 


60 


t> 


„ 25 



oeweë ; 



}f 



f} 



oewë 



61 sub 27 inplaats van afak^ te lezen afa envanadoewe: 
adoewë 

62 op alinea 4 te lezen in stede van eenige en kabaèko: 
een e en kabahëko 

62 staat fakëri; moet zijn; fakèri 
62 „ kifalaélio; ,, ,, : kifalaèlio 



MANNA, 22 October 1891. 



mJDRAGÈ TOT DE KENNIS 



TAN DEN 



SAPOEDI-AROHIPEL, 

DOOB 



Op pagina 903 van Professor Veth's Java deel III is aan- 
geteekend dat de Sapoedi eilanden uiterst gebrekkig bekend 
zijn. In de verwachting dat de volgende aanteekeuingen, 
door den schrijver dezes verzameld ten tijde dat hij van 1 
November 1889 tot 20 Juni 1890 belast was met bet be- 
heer van de contr6Ie-a(deeIiug Sapoedi^ mogen bijdragen tot 
opheffing van die gebrekkige kenniS; worden zij hierbij aan 
belangstellenden aangeboden. 

LIGGING EN 6R00T1E. 

De Sapoedi eilanden liggen ten zuidoosten van het eiland 
Madoera tusschen 114°15' en 114»4S' L. beoosten Green wich 
en i}^oT en I^IV Z. Br. Zij strekken zich alzoo uit over 
33' L en 14' Br. 

De hierbij overgelegde kasirt, geteekend naar een in 1890 
door het Hydrografisch Bureau te Batavia uitgegeven zeekaart 
(Java blad III), maakt de ligging en de verspreiding der 
eilanden duidelijker. 

Tot den Sapoedi-archipel worden gerekend te behoorende 
12 navolgende eilanden : Sapoedi, Raas, Poeloe Anjar, Toendoek, 



235 

Goagoa, Kamoedi, Telangoe (imor, Telangoe haral of aèng, Sarolc, 
Mamoek en Pajangan, 
Sapoedi is het grootste en PoeloeAnjar het kleinste eiland. 

NATUURLIJKE GESTELDHEID. ^ 

Het in Z. O. waartsche richting eivormig eiland Sapoedi 
is over zijn gansche oppervlakte heuvelachtig. De hoogste 
heuveltop is 124 Meter hoog. Het lange eiland Baa« heeft 
slechts een paar kleine heuvels. Overigens is het eiland 
vlak te noemen, evenals de andere kleinere eilanden. 

Alle eilanden hebhen een zeer kalkhoudende bodem, die 
nog al vrij veel eruptiefgesteente bevat. Vulkanen worden 
evenwel op geen der eilanden aangetroffen. 

Om alle eilanden heeft men een breeden zoom kustrif. 
Het kustrif langs het noorderstrand van Kaas strekt zich 
palen ver in zee uit, en biedt evenals dat van de andere 
eilanden, bij laag water een hoogst belangwekkend schouw- 
spel aan. Men waant, er over hecnvarende, op den zee- 
bodem een tuin van de grootste verscheidenheid planten in 
de rijkste kleurenpracht te hebben. 

Rivieren en meren zijn er niet. De weinige aanwezige 
beekjes zijn in den oostmousbn nagenoeg geheel droog. Zoet 
water verkrijgt de bevolking uit eenige zeer in waarde ge- 
houden wordende bronnen. 

Het klimaat van den geheelen Sapoedi-archipel is constant 
gunstig te noemen. In de maanden December tot en met 
Maart heeft men er den regenmousen; in de overige maanden 
van het jaar is het er droog en zeer warm. 

VOORTBRENGSELEN. 

Over het geheel maakt de habitus der eilanden den zelfden 
indruk als die van Oost-Madoera, dat is dat de drie rijken 
der natuur opvallend slecht vertegenwoordigd zijn. 

De voornaamste voortbrengselen uit het dierenrijk zijn: 



236 



runderen, paarden, schapen, geiten, kippen, visschen, schild- 
padden, tripang en schelpen 

Evenals op het groote eiland Madoera wordt op Sapoedi 
en Rails aan het rundvee meerdere zorgen besteed dan op 
Java. De paarden ondeiTinden een minder zorgzame behan- 
deling. Merries zijn meer gewild dan hengsten^ en wel van 
wege de daarvan te verkrijgen veulens, die eenmaal groot 
geworden zijnde, naar Java en Madoera worden uitgevoerd. 

VEESTAPEL. 



Aanwezig aantal | | 

op Sapoedi. Raas. 

Ultimo 1890. 



Goagoa. ' Totaal 



Runderen .... 
Karbouwen . , . 
Paarden 



21817 

1 

1461 


3720 


445 


380 





25982 
1 

1841 



De eenige karbouw op Sapoedi is de laatste nazaat van 
de schoone kudde des Panembahans, die oudtijds op Sapoedi 
geregeerd had. 

De gelegenheid, welke de eilandbewoners hebben om dage- 
lijks visch te eten, maakt dat er weinig rundvee, en dan 
alleen nog bij feestelijke gelogen heden, geslacht wordt. Het 
aantal in 1890 geslachte runderen bedroeg op Sapoedi 445, 
Raas 71 en Goagoa 24 of totaal 540. 

De uitvoer van runderen en paarden is, zooals uit het vol- 
gende staatje kan blijken, nog al belangrijk. 



In 1890 uitgevoerde. 


Sapoedi. 


Ba&s. 


Goagoa. Totaal. 


Runderen. . . . 

• 

Paarden 


4162 
168 


532 

73 


4 


4698 
241 



Van geiten en schapen, die ook in belangrijke mate uit* 

gevoerd worden, waren geen statistieke gegevens voorbanden. 

De soorten viscb, die in de wateren om de Sapoedi-eilanden 



237 



gevangen worden, zijn Toornamelijk: de bambangan, de boe- 
boet, de manjong, de pentjar, de blanak, de tongkol en de 
ketambok. De visseben worden met een eësër (echepnet) een 
djaia (werpnet), een djaring (hangnet) of een pantjing (hengel 
of lijn) gevangen; of bet eiland Goa-goa in den regel met 
een boeboe (fuik). Pajangs (groote werpnettcn) zijn niet in 
gebruik. Veel visch wordt in gedroogden toestand naar Java 
uitgevoerd De stranddesas oefenen de vischvaiigst als hoofd- 
bedrijf uit. Voor de groote vangst vaart de bevolking tot 
de Kangean eilanden toe. 

In 18^)0 aanwezis: aantal visscliersvaartuipren. 





VAARTUIGEN. 




met vlerken. 


zonder vier 
ken. 


totaal. 


Sapoedi 

Raas 

Goa goa 


228 
1 
2 


51 
13 


228 
52 
15 


Totaal 


231 


64 


295 



De groote visschersprauwen (djoekoeng) heblien alle vler- 
ken en zijn met 4 personen bemand. De kleinere vaartuigen 
(molowan s met vlerken en sampan's zonder vlerken) be- 
vatten slechts 1 & 2 personen. 

Vermelding verdient nog de vangst van bandëng-kwcek- 
vischjes (ninir) langs de kusien. De kweekvisch wordt grooten- 
deels naar Bangkalan en Socrabaja uitgevoerd, tot aanvul- 
ling van de aldaar aauwezige vischvijvers (tambaks). 

Zoetwatervisscherij heeft öp de Sapoedi-eilanden niet plaats. 

Schildpadden worden aan de oostkust van Raas gevangen 
en naar Bali uitgevoerd. 

Tripang en schelpen^ voornamelijk gevonden in het oostelijk 
gedeelte van den Sapoedi-Archipel zijn belangrijke artikelen 
van uitvoer naar Soerabaja en Smgapore. 

Als voortbrengselen uit het plantenrijk worden in de eerste 
plaats vermeld de door de bevolking verbouwde gewassen. 



238 



üifpeRtrekJheid hoöwpronden in 1890 in halioes 





.sawatiM van 
levend \va 
ter voor- 
zien. 


sawahi» 

van regen 

aflinnke- 

liik. 


, tegals. 


Cl Ven eu 

tuinen 

jrrooter dan 

'/^ bahoe. 


Sapoedi . . . 
Rans 

Goagoa . . . 


153 


1003 
947 


11825 
1659 

77 


132 
54 


Totaal .... 


153 


1950 


13561 


185 



Op de sawalis wordt bijna uitsluitend padi geteeld; op 
de tegalvclden: djrgoeng, djagoeng boelir, katjang, ketela 
en laboe, ook, maar in zeer geringe mate, indigo^ kapas 
en tabak. 

De sawabs eerste soort worden gerekend per bonw op te 
brengen 16 picols padi üi f 2.50 ot/40. — totaal, de sawahs 
tweede soort of die van regen alhankelijk 6 i 10 picols 
padi of f 15. — tot f 25* — De opbrengst der tegal velden 
bedraagt gemiddeld / 15. — per bonw; die der erven en 
tuinen op Sapoedi / 25. — tot f 30. — , en op Raas f 50. — 
De erven en tuinen op bet laatstgenoemde eiland zien er 
opvallend beter en meer beplant en onderhouden uit dan die 
op Sapoedi. Op Goa-goa treft men nagenoeg geen erven 
ot tuinen aan. ^ 

De djagoeng is het hooldvoedsel der bevolking. Alleen 
zeer gegoeden eten onvermengde padi-rijst. De meesten eten 
mengsels van djagoeng en rijst, katjang, ketela, of laboe. 
Do i)roductie van padi en djagoeng is niet voldoende voor 
de bestaande behoefte. Er is dan ook altijd een belangrijke 
invoer van die twee voedingsmiddelen. 

De cultuur van de hiervorengcnoemde gewassen geschiedt 
nog op een zeer evenvoudige wijze. Bij de paditeelt beefl 
het ngoeritten (in aren uitzaaien) algemeen plaats. Op de 
tegalvelden vinden wissel- en tusschenbouw veelvuldige toe- 
passing. De slechte tcgalgronden worden na twee of drie 



239 

keeren beplant te zijn, braak gelegt, dan een weinig bemest. 
Behalve koemest, worden voornamelijk de kratok en de hë- 
Dgok als groene bemesting gebezigd. Deze snelgroeiende, 
dikbladige planten leveren nog bet voordeel op, dat hare boon- 
vruehten na een eenigszins zorgvuldige bereiding eetbaar zyn, 

Aan groenteteelt wordt nagenoeg niets gedaan. Als sa- 
joeran worden gegeten de bajëm, de terong en de bladeren 
en vruehten van de këlov en de mimba. 

De teelt van vrucbtboomeu is onbeduidend. £r komen 
voor: de pinang, waarvan de noten naar Bali en Kangean 
uitgevoerd worden, de siwalan, voornamelijk op Kaas, de 
mangga, de srikaja, de langsëp, de pisang en de djëroek 
manis. Van de laatste drie soorten heeft een belangrijke 
uitvoer naar Java plaats. De klapperboom wordt, op een 
enkelen bier en daar aanwezigen Loom na, bijna niet aan- 
getroffen. De geplante boomeu werden steeds door den tol- 
boek (klappertor) vernield. 

Andere voor handel of nijverheid nuttige gewassen, welke 
op de eilanden geteeld worden, zijn: de bamboe, die niet in 
voldoende mate voorkomt en daarom veel ingevoerd wordt; 
de pandan, van welker bladeren matten vervaardigd worden, 
en de tjabe djamoe, die in een vrij belangrijke mate op de 
erven wordt aangeplant en uitgevoerd naar Soemenep en 
Soeraliaja. 

Timmer- of brandhoutboomen worden niet geplant. Voor 
den huizenbouw worden vooral de mimba en de doewah 
gebezigd; speciaal voor koestallen de kësambi. Als brand* 
hout worden gebruikt de langs de stranden groeiende tèn- 
djang en api-api. 

Boschproducten van eenige waarde zijn op de eilanden 
niet aanwezig. 

Het delfsto£fenrijk levert alleen op Ila£s kalk op, waarvan 
Teel uitvoer naar Bali plaats heeft. 

ADMINISTRATIEVE VERDEELING. 

De Sapoedi* eilanden vormen een tot de afdeeling Soemenep 



240 

behoorend district, tevens controle-afdeeling onder denzelfden 
naam van Sapoedi. Zij zijn verdeeld in twee onderdistricten: 
Sapoedi en RaUs. Het onderdistrict Sapoedi omvat alleen 
het eiland van dien naam en staat onder het rechtstreeksch 
bcstunr van den Wedono. Het onderdistrict Ra^ omvat de 
overige eilanden. 

De Controleur en de Wedono hebben de desa Gajam, aan 
de zuidkust van Sapoedi, tot standplaats; de assistent- wedono 
van Rails woont te Brakas aan de oostkust van het eiland 
Ra^s. 

De Controleur, ter zijde gestaan door een adjunct djaksa 
is belast met het houden van den politierol. "Verder vervult 
hij nog de functiën van ontvanger der in- en uitvoerrechten, 
havenmeester, scheepsmeter, strandvonder en superintendent 
van het op Sapoedi bestaande knstlicht etablissement. De 
Wedono is tevens hulp-ondercoUecteur van 'slands belas- * 
tingen. 

Het eiland Sapoedi telt de volgende vijftien desa's : Gajam, 
Panfjor, üjamboewir , Njamplongy Karangtengah^ Gendangf l 

Pramhanau, Sotw/e, Noenggoenoengy Tclaga, Tanahmerah, Soem j 

ber, Soekarame, Tribocng en Kloewatig. 

RaUs heeft zeven desa's met name: Ketocpaty Djoengkaty 
KropOj Alasmalang, Karangnangkay Pocteran en Brakas, 

Goa goa is in de twee desa's Goa goa daja en Goa-goa 
laoel verdeeld. 

Aan het hoofd van elke desa staat een kliboen met een 
tjank (schrijver) en een of meer apel's (kampong hoofden) 
en apel's palang (desa beambten) onder zich. 

BEVOLKING. 

Alleen de eilanden Sapoedi, RaSjs en Goa-goa zijn bewoond. 
Wel trefl men op Toendoek, Telangoe-teagah, Telangoe-aer, 
Sarok en Kamoedi een of meer huisgezinnen aan, doch de 
op die eilanden aanwezige lieden worden gerekend hun vast 
verblijf in een der desa's van Raas of Goa-goa to hebben. 



241 



« • • - • « 







SAPOEDI. 


Raas. 


Goa 
goa. 


. 


Kiume. 






Arab. 


Moe- 
ren. 


'S 


O 


• 

'S 


f 'S 


O 

H 


Mannen. . 


2 


30 


3 


1 

1 ' 8932 8968 2112 

1 1 


376 


11456 


Vrouwen . 


1 


36 3 


^ 


11441 11482 2576 449 14507 


Jongens. . 




39 ; 7 


^ 
1 


9234 9281 1965 


417 11663 


Meisjes . . 


— 


30 


2 




7974" 8007 1394 362 

1 1 » 


9763 


Totaal. . . 


3 


135 
f* 


15 


* 


37581 37738 8047 

:_ u,i. 1 :.. 


1604 47389 

1 of\r\ 



Europeanen, Glüneezen, Arabieren en Mooren woonachtig. 

Onder de iulandsche bevolking treft men, zooaU voorzeker 
niet verwacht wordt, een uiterst gering aantal lieden aan, 
afkomstig van andere eilanden Dat aantal is niet met juist- 
heid op te geveU; doek bet bedraagt zeker nog geen bon* 
derd zielen. 

Verm<»lding verdienen de nOrang Kambatig'\ moedige zee- 
lieden en goede duik^^S; die 14 buisgezinuen met circa 35 
zielen sterk zijn en aan bet strand van de baai van Sonok 
op de oostkust vau het eiland RaUs woLcn. Zij beweren 
oudtijds uit Makasser herkoinstig te zijn en vroeger een eigen 
boofd onder den naam van poenggawa gehad te bebiien. 
Nog leven zij vrij wel afgezonderd van de Madoereezen, met 
wie zij alleen in woning en taal verschillen, alsook in de 
wijze^ waarop zij een meisje tot echtgenoot erlangen. Hunne 
huizen zijn boog boven den grond op bouten stijlen gebouwd. 
De door ben gesproken taal wordt noch door Madoereezen 
noch door Makassaren of Boegineezen verstaan. Eu voorde 
begeerde bruid wordt aan bare ouders een koopsom (son- 
drang) betaald. 

BESCHAVINGSTOESTAND. 

Door het zeer levendige handelsverkeer dat de bewoners 
Tan den Sapoedi archipel onderhouden met de bevolking der 

TQdachr. lad. T. L. en Vk., deei XXXV. 16. 



242 

om liggende groote eilanden^ staan zij in maatBcbappeltjke 
en verstandelijke ontwikkeling in geenen deele ten acbteren 
bij linuue rasgenooten op Java en Madoera 

Vele eilandbewoners kunnen bet Madoereeseh schrift lezen 
en scbrijven. £en te Qajam opgeriebte gesnbëtdieerde seiiool 
moest evenwel na een bestaan van een paar jaren gesloten 
worden. De bevolking preiereerde bet zeer elementair on- 
derwijs van den desagoeroe boven dat van de „scbolah 
negeri". 

Aantal priesterscholen op nit. 1890. 





Aantal scholen. 


Aantal leerlingen. 


Sapoedi. • 

Bii&g 


40 
18 

4 


510 
837 


Ooa goa 


60 


Totaal 


62 


907 



Uit een gerecbtelijk oogpnnt staat de bevolking op een 
nog al ongunstig te noemen moreel standpunt. 

Gepleegde niiHdrijven. 





Aantaal 


1 N 


SOOUT. 


18U9. 


1890. 


Moorden 


4 




6 


braiidHticlilingen. . . 


6 




5 


VeediefHtflIlen .... 


39 




48 


Goederen dii-istallen. 


60 




67 


Totaal 


109 




12() 



Zeero4»f werd sedert een gcrnimen tijd niet meer gepleegd. 

Hel aantal in 18.0 bij den politiereclittr aangebracbte 
zaken bedroeg J29 met 200 beklaagden, waaronder 52 
vrouweUé 



243 

In de gevangenis te Gajam waren gednrende 1890: 207 
gevangenen^ waaronder 28 vronwen. Het aantal gevan^nen 
daaga varieerde van 2 tot 35 of bedroeg gemiddeld per 
dag 12. 

Het opinmdebiet in de twee bestaande kitten te Noeng- 
goenoeng op Sapoedi en te Brakas op Ralto bedroeg in IK90 
slechts 20 katti 5 tbail 60 mata en doet veronderstellen dat 
de bevolking weinig opium gebruikt Dat is evenwel sterk 
te betwijfelen. Het is algemeen bekend dat het eiland Ooa 
goa en de oostkunt van Ba&s groote pieinterplaatsen van den 
opinm-smokkelhandel tusschen Bali en Java zijn» Er mag 
dus aangenomen worden dat vrij veel clandestien opium op 
de Sapoedi-eilauden verbruikt wordt. 

NIJVERHEID. 

Op eenige desa-timmerlieden en goud- en ijrersmeden na, 
heeft men op de Sapoediarehipel geen ambaclits ot hand- 
werkslieden. 

De aanwezige geringe industrie wordt als huilwerk en 
grmitendeels tot voorziening van eigen beboetten uitgeoefend- 
Over het algemeen getuigt zij Ot*k van weinig kunntzin. 

Voor het batikken en weven worden goedk(»ope grondHtoffen 
gebezigd, die van Java, Bali en Singapore zijn ingevoerd Op 
Ba&H verstaat men de kunst van het weven met gouddraad 
(son^kettan). 

Eenvoudig gevlochten manden van rotan en bamboe wor- 
den hier en daar vervaardigd tot uitvoer naar Java. 

Touw wordt gemaakt van uit Soemenep en Kangean ver- 
kregen klappervezels. Het geslagen touw dient in dec regel 
ten gebruike van eigen vaartuigen. 

Vaartuigen worden op de Sapoedi-eilanden niet gebouwd. 
Men koopt ze vooral te Panaroekan en Paketengan (Pasoe- 
roean), ook wel op Bali, Kangean en elders. 



244 

Tb l^PO Mnweziff Mntal h«ndcI«TaArfiriseii. 

met vlerkeo. zonder Tlerfcea.. TotamL 

I 

Sapoedi 31 39 ^'70 

Raifl 5 92 97 

Go^oa — 70 ; 70 

Totaal 36 i 201 • ièl 

* 
t 

De htndelsTaartnigen met vlerken fpadoewang's, karo- 
nan'tf), thuis behoorende in de baaien met een zeer klip- 
achtigen b«jdem en hooge brandinsren, zijn alleen Yoor de 
eommnnicatie tnssehen Sapoedi en Java, Madoera en Bali. 

Op Goagoa treft men de grootste handelsvaartoigen (po- 
dewak's) aan, die dan ook de Yerste tochten (naar Wetter, 
Kangean, Semarang, Singapore) ondernemen. 

Overigens vindt men op elk der drie eilanden vaartuigen 
van elke soort en grootte (majang'sy golekan's, soppet'Si 
pelariV). 

De door de bevolking van de Sapoedi-eilanden, vooral die 
van Goagoa, nitgeoefende scbeepvaart is zeer belangrijk te 
noemen. 

Sa|K>edi telt 9 veili^re ligplaatsen voor pranwen, verspreid 
laagg alle zijden van het eiland. RjSs tieeft 5 ligplaatsen* 
alle gelegen op de noord- en noordoostkust. Goagoa heett 
alecbts één ligplaats aan de westkust 

Üe plaatsen, waarheen de meeste handelsvaartnigen van 
de S ipoedi-eilanden varen, zijn: KaPioet en Kahdjangkar 
in Besoeki, Soemenep, Kangean, Soerabajs, Grissee, Sema- 
rang, Uoeleleng en Wetter. Op dit laatstgenoemde eiland 
halen vele Goagoasclie vaartuigen soga tot verk^iop te Soe* 
rabaja, Grissee en Semarang. 



• 245 



In 1890 vertrokken en aangekomen vaartnisren. 



r 

^ Vertrokken naar. 


Getal vaartuigen. 


Lading in kab. 
meters. 


Java en Ma(i|oera. 

Bali 

Wetter 

Singapore 


3154 
245 
? 
1 

1 


28912 
3986 
? 
28 



^. • 



Aangekomen van. 



Getal vaartnigen 



Lading in knb. 
ineters. 



.11. im lil I 

26589 
2229 
? 
28 



«»••-' 



^Java en Madoera. 

Bali 

"Wetter 

Singapore 



2947 
155 
? 
1 



De voornaamste artikelen van uitvoer zijn: mnderen, paar- 
den, schapen, geiten, kippen, eieren, ,viHcli, schildpadden, 
Iripang, schelpen, vruchten, katjang idjo, tjabe, djamoe, soga 

■ 

en kalk. 

Ingevoerd worden: lijnwaden, garen, padi, djagoeng, groen* 
ten, aarde- en ijzerwerk, hout, bamboe, prauwmaterialen en 
andere huiselijke benoodigdhieden. 

De scheepvaart is het lerendigst.inJiet. begin en het einde 
van den oostmouson. Het is een jaarlijks terngkeerend ver- 
scliijnsel dat duizende inwoners in April en Mei, na afloop 
van de padi<K>gst, naar Java trekken tot verkoop .vjin ver- 
schillende proilucten van hunne eilanden of om ^r ab 4ag- 
Tooners te werken ten einde het noodige geld te verdienen 
voor de afbetaling van de belaiitiu|;en of voor ^eu jM^oop 
van levensbehoeften. 



246 



Gk)iiTemetnent'8 


inkoniRteii 


in 1890. 




h 


Sapoedl. 


Raas. 


Goagoa. 


Totaal. 


Landrente'. .... 


f 18015.— 


f 3476.— 


I 
f 96.— ƒ21587.— 


Hoofdgeld 


^ 7904.— 


n 1784.- 


, 342.- 


, 10030.— 


Ainl. . 


^ 2581.80 


^ 1828.75 


„ 1110.35 


„ 5520.80 


Bediïjfsbel. jchin. 


„ 478.10 




— 


y, 478.10 


f arab. 


« 38.- 


— 


— 


. 30.- 


Zegelrecht. .... 


— 




— 


„ 1121.45 


InToêrrechten. • . 




— 


— 


, 87.06 


Personeel 






, 80.- 


Verponding. • . . 






, 60.- 


Zoutdebiet 








„ 6205.29 


1 




Totaal . . 


/ 46197.70 



De landrente bedraagt %\ procent van de opbrengst of 
gemiddeld 1.36 per bouw. 

Het koofdgeid wordt opgebracht door eiken gegoeden, ge- 
huwden, werkbaren man. 

Aantal aangeslasreiien in de bedrijfftbelafltin^ in 1890. 





voor minder 
dan / 1. — 


a ^ 

> 5 




1 1 


1 

it 


• 

1 


Sapoedi . . 


1253 


201 


8 


^^_ 


,_ 


1462 


Rafts. . . . 


444 


37 


13 


— 


2 


496 


Goagoa. . . 


141 


11 


13 


2 


— 


167 


Totaal. . . 


1838 


249 


34 


2 


2 


2125 



Zegelrecht wordt rerkregen door den verkoop van jaa^ 
passen en aseebrieven. 

Invoerrechten worden geheven van nit Bali en Singapore 
ingevoerde lijnwaden, garen, en ijzer- en aardewerk. 

Van Goavernementswege wordt alleen te Gajam zont ver- 
kocht. 



247 



GOUVERNEMENTS UITGAVEN JAARLIJKS. 



Voor bet bestanr: 

een controlear.. . . 

een wedono. . . • 

een assiHtent wedono . 

twee schrijvers. . • 

een boodschaplooper'. 

10 politie oppassers . 

2 djoeroemoedis en 12 roeiers 



f 4200 — 
3300.— 
920.— 
540.— 
96.— 
1200.— 
1440.— 



n 

V 

n 
n 
n 
n 



te zamen. 



/ 126d6.— 



Voor de jnstitie: 

een adjanct djaksa . 

een schrijver • • . 

twee oppassers. . . 



f 1140.— 
240.— 
240 — 






. • 



f 1620.— 



f 690.— 



te zamen. 
Voor de vaccine: 

2 vaccinatenrs 

Voor den verkoop van zont: 

1 pakhaismeester f 690. — 

Voor bet onderbond van gebouwen, en voor 

anderen zaken: ± f 1000 — 

Voor bet knstlicht-etablissement: . . . ± r 50(X) — 

Totaal. . . ± / 21696.- 



BIJZOKDEEHËDEK 



Voor de ofBciëele communicatie komt twee malen 's maands, 

i n den oostmouson te Triboeng, in den westmouson te Gajam 

een boot van de Gouvernementsmarine. 

t 

Op Sapoedi beeft men nagenoeg hings bet stiand van bet 
^ebeele eiland een voor voertuigen gescbikten weg van circa 

2^2 P^^^ '^"S* ^^^ ^P ^<>^ beeft men over de lengte van 
het eiland een voor voertuigen gescbikten weg van 9 palen 

la.ng. 



Plaatsen van eenige bijzondere vermelding 7ijn: 

Gajam de districtsbooidplaats. teven controleard-standplaato, 
met een Bteenen pier en goede etecnen woningen voor den 
controleur en den wedono. 

Trilmcfigy alwaar het voor de groote vaart zoo belangryke 
kustlicht etablisement Foeloe Sapoedi is gebouwd. 

Njamplong en Wltngi^ met graven van de leden van den 
oudtijds over Sapóedi geregeerd hebbenden Panembahan. 

Brakas, de ondenlistrict hoofdplaats van Ra&s. 

Goa-goa daja, een afgelegen zeer welvarende desa. 

October 1891. 



f«L 






Wiin^ 



V.l 



AART 

van ket 

-GEBERGTE 

door 



rr^'Xf^'^ 



..JÏ. Verwijk 




25 



■' — r 




EDI 



\ 







TIJDSCHRIffT 



^ s 



VOOB 



INDISCHK 



TAAL-, LAND- EN VOLKENKUNDE, 



OITOBOKVEK DOOB HET 



BATAVIAASCU GENOOTSCHAP VAN KUNSTEN 

EN WEl'ENSCHAPPEN, 



OHDER REDAOnS 



TAÏ 



Br. J. BRANDKS, 



X 



Mr. J« H. gUUBSBA9f«^^. 



, ILffll 


AFLBTifiRiKO 3 en 4. 


BATAVIA. 

ALBREOHT & RÜSCHË. 


• 

't UAG£. 

M. NIJHOFF. 


Ib 


92. . 



fk 



DE KORANISOHE VERHALEN 



IN HET 



MALEISOH, 

DOOR 



De ctftalogas der (nog slechts voor een klein gedeelte in 
druk verschenen) Maleische litteratuur bevat, wat niet te 
verwonderen is, een vrij groot aantal geschriften, die be« 
trekking hebben op den Mohatumedaanschen godsdienst^ 
zoowel verhandelingen over theologie en recbtsgeleerdheid, 
vertalingen uit of bewerkingen naar bet Arabisch, als wer- 
ken van geschiedkundigen aard^ waarvan de inhoud, of- 
schoon overvloeiende van de wonderbaarlijkste verhalen en 
legenden en daardoor bijna alle werkelijke bistorische waar- 
de missende, toch niet van belaug ontbloot is voor wie weten wil, 
wat de Maleische Islamitische wereld alzoo vertelt van de 
personen, wier naam in den Koran genoemd wordt. Want 
die geschiedkundige geschritten zijn niet alleen levensbe- 
schrijvingen van Mohammad ot episoden uit zijn leven, 
of wel van zijn helpers en opvolgers, maar ook van de 
nabi's, die uit het Oude Testament in den Koran overgeno- 
men als het ware de voorloopers en wegbereiders zijn van Mo- 
hammad, den laatsten der gezanten van God aan de mensch- 
heid. Zoo bevat die catalogus b. v. een geschiedenis van 
Joesoef, van Moesa (Mozes), van Daoed (David), van Soelei- 
man (Salomo), van prinses Balkis, de schoone en geestige ko- 

Tödschr. Iiid. T, L. en Vk., deel XXXV. 17» 



250 

niogin Tmn Saba, die maar één gebrek had nl. haar op 
beur kaiten, een gevolg van haar afkomst van djin't; van 
'Isa (Jezns), die op bovennatanriijke wijs door tasschei komat 
van DjabraXl (Gabriël) door de maagd Marjam (Maria) ge- 
eoneipieerd nog in den schoot zijiier moeder zijnde op een 
hem gedane vraag antwoordt^ dat God hem geschapen heeft 
om Zijn almaclit te toonen en hem bestemd heeft tot profeet 
en afgezant om aan het menschdom het ware geloof te pre- 
diken, waarvan bet telkens afdwaalt om tot afgoderg te 
vervallen. 

De levensbeschrijvingen van die oudtestamentische perso- 
nen zijn oneindig veel uitvoeriger dan en dikwijls zeer af- 
wijkende van wat Genesis enz. ons van hen meedeelen ; ook 
in den Koran wordt niet veel van hen verteld, maar de 
commentatoren en verzamelaars van Islamitische legtnden 
hebben die verhalen uitgewerkt, of te i)oek gesteld zooals 
zij in omloop waren, en het zijn die Arabische verhalen die 
door Maleiers gedeeltelijk vertaald, gedeeltelijk in het Ma- 
leisch omgewerkt zijn en daarbij niet aan omvangrijkheid 
verloren hebben. Dat ook het leven van Jezus weinig overeen- 
komt met wat onze Evangeliën bevatten, laat zich begrijpen; 
bet zijn wonderen waarvan ons nieuwe Testament niet spreekt, 
verwarring en dooieenmenging van verbalen die daarin wel 
te vinden zijn. Zoo is Jezus niet gestorven, allerminst aan 
aan het kruis^ geen nabi toch sterft een gewelddadigen dood; 
hij is levend in den hemel opgenomen en een Hebreeër, die 
hem zocht om hem over te leveren aan zijn vijanden, welke 
hem wilden doodeu, in zijn plaats aan de spietspaal of 
het kruis gehecht (^disoela). Terwijl Jezus ten hemel voer, 
veranderde God de gedaante van den genoemden Hebreeër 
zoo, dat hij geheel het evenbeeld was van Jezus en ondanks 
zijn verzekeringen voor dezen aangezien en ter dood gebracht 
werd. 

Behalve dergelijke biograpiiieen, waarvan de handschrif- 
ten dikwijls slechts fragmenten inhouden, bestaan er ook 
vertalingen of liever Maleische bewerkingen van Arabische 



251 

verzamelingen der Koraniscbe verhalen onder verschillende 
titels, maar die men onder den algemeenen naam van ge- 
schiedenis der profeten kan samenvatten. Het Bat. Oen. v. 
E. & W. heeft in de collectie mss. nagelaten door den heer 
H. von de Wall onder No. 66 een onvoltooid boekdeel van 
454 pagina's folio, getiteld Kitab ahloe'ltafsir, boek der com- 
mentatoren, bevattende de geschiedenis van Adam met voor- 
afgaand scheppingsverhaal tot aan den dood van Joesoef, ter- 
wijl nog eenige pagina's gewijd zijn aan de geboorte en de 
eerste jeugd van Moesa. 

De daarop volgende nummers 67 en 68, kopieën vaneen 
zelfde hs., het laatste van dezelfde hand als No. 66, getiteld 
het eerste Kisasoe'lanbia, geschiedenis der profeten, het 
tweede Hikajat Radja Firaoen, kunnen ofschoon niet van 
dezelfde redactie als No. 66 als een vervolg daarop be- 
schouwd worden; hun inboud loopt van Moesa tot Abdoe'1 
Moetalib; den grootvader van Mohammad; ook de lotgeval- 
len der zeven slapers in de grot en een paar andere ver- 
halen, niet juist van profeten, worden er in medegedeeld. 

Geen van drieën geeft inlichting door wien of wanneer zij 
opgesteld zijn; alleen bevatten de laatste regels van 67 de 
mededeeling, dat het door Eiitjik Hoesain, een Boeginees 
wonende te Kalang, die van 68 dat het door Ëutjik Moham- 
mad van Lingga (af) geschreven is, voegende beide in de- 
zelfde bewoordingen daarbij, dat het handschrift niet juist 
mooi is, maar zoo dat het kan gelezen worden. Dat in alle 
drie overigens de gewone slordigheid van inlandsche kopiisten 
overal blijkbaar is, behoeft nauwelijks opgemerkt te worden. 

In de collectie Gohen Staart bevat No. 122, getiteld Soe- 
ratoe'lanbia, 273 pag. fol., op ieder waarvan meer dan 
tweemaal zooveel staat als op die van No. 66, een doorloo- 
pend verhaal van de schepping tot aan de hemelvaart van 
'Isa, gevolgd nog door de geschiedenis van Armia (Jeremia) 
en Joenoes (Jonas). Dit ms. is te Batavia afgeschreven, o. a. 
ook blijkbaar uit de spelling, maar geeft evenmin eenig 
licht omtrent schryver of tijd van samenstelling. Op het 



262 

titelblad verzoekt de eigenaar Baharoe'ddin, blijkens aan- 
teekeoing aan den voet van pag. 2 wonende in de kam- 
pong Norbek, gang Troentji, aan de lezers hem te geden- 
ken^ daar het schrijven van deze geschiedenis acht maanden 
tijds heeft gekost, en het boek toch niet vuil te maken, 
daar de prijs er van / 1 5 is. Aan het eind staat vermeld 
dat vier personen er aan gewerkt hebben^ waarom het schrift 
niet overal van dezelfde hand is; verder herhaalt de eigenaar 
het verzoek om het niet met olie of sirihspuug te bevallen 
en het na lezing terstond terng te bezorgen zonder het van 
hand tot hand uit te leenen, terwijl de huurprijs is 10 cta 
per dag en het geheele werk f 15 kost. Ën blijkbaar is 
dit exemplaar veel gelezen en door veel handen gegaan; 
dwaalt men 's morgens om 5 uur of vroeger door of langs 
de kampongS; dan ziet men hier en daar zoo'n leeslustigen 
inlander op zijn buik op een balé-balé onder een emper 
liggen met het een of ander geschrift voor zich, by het 
schijnsel van een lampje op zijn eigenaardige wijs den in- 
houd er van opdreunende of zingende. 

Ook het Javaansch heeft zijn Kitab ambijêr, waarvan er 
één onder den naam van Tapël Adam in 1 859 door de firma 
Lange & Co.; te Batavia is uitgegeven, eveneens beginnende 
met de schepping en loopende tot Soenan Giri, ca. 1470, 
een tekst minder uitvoerig dan de Maleische en ook ver- 
scheiden episoden daaruit missende; maar daarentegen hier 
en daar bijzonderheden bevattende, die in het Maleisch ont- 
breken, op verschillende plaatsen ook, vooral wat namen aan- 
gaat, afwijkende. Zijn naam Tapël Adam ontleent het aan 
het woord tapël (xVIal. lëmbaga), vorm^ geboetseerd modely om- 
dat op pag. 9 verhaald wordt, hoe de tapël van Adam van 
aarde gevormd werd. 

Toen ik mij er toe zette om een overzicht te bewerken 
van de Maleische geschiedenis der profeten, kwam het mg 
wenschelijk voor deze te vergelijken met de Javaansche en 
de voornaamste verschillen tusschen beide op te geven. Mijn 
collega Dr. J. G. H. Gunning heeft mij de uitvoering hiervan 



253 

vergemakkelijkt door de vergelijking van den Javaanschen 
tekst met mijn uittreksels uit den Maleischen op zich te nemen; 
de aanteekeningen met de letters T. A.(Tapël Adam) zijn mij 
door hem verstrekt. 

Een opmerkelijk verschil in beide redacties is al dadelijk, 
dat in het Maleisch ieder oogenbiik Arabische autoriteiten 
aangehaald en zeer dikwijls hun verschillende lezingen of 
verklaringen van een zelfde ieit opgegeven worden; in het 
Javaansch is dit niet het geval; zelfs ontbreekt daar de is- 
nad; de opsomming der personen op wier gezag de schrijver zich 
beroept en die zijn zegslieden zijn. In 66 en 122 komen 
die isnad vrij wel met elkaar overeen^ al zijn niet alle namen 
geheel gelijk. Overigens worden in 66 meer citaten gedaan 
en verschillende lezingen opgegeven dan in 122; de menig- 
vuldigst in beide voorkomende autoriteiten zijn Abdallah ibn 
Abbas, Kalbi^ Ka'ab al Akbar, Wahab ibn Malik, Sa'bi. 

Toen Gody aldus begint het verhaal, hemel en aarde wilde 
scheppen, deed hij volgens Ibn Abbas eerst een witte parel ont- 
staan, die 70.000 jaar bleef liggen en toen door Gods blik in 
water veranderde ('). Na 70.000jaar schiep God het vuur om dat 
Water te verwarmen en uit den daaruit voortkomenden damp 
vormde hij den liemel^ terwijl het schuim de aarde werd, waar- 
van het middelpunt was Mekkali, waar de Ka'batoe'llah zon 
verrijzen. De aarde verkeert in voortdurende siddering (*) 
waarom Djabrail last krijgt zorg voor haar te dragen en haar 
tot rust te brengen; maar ging hij naar het westen, dan ver- 
hief het water zich in het oosten en omgekeerd, zonder tot 
rast te kunnen komen. Daarop schiep God de bergen, die de 
Bpijkers zijn, waarmede de aarde is vastgelegd; in dien toestand 
bleef de aarde weer 70.000 jaar. Vervolgens schiep God 
in het water een ontzettend grooten visch en 70.000 jaar 
later op den rug van dien visch een rund, wit en groen van 
klenr, wiens lengte en omvang niet af te meten zijn en 
wiens hoorns 400 takken hebben; de afstand van den eenen 
tak tot den anderen is 400 jaar gaans. Op die hoorns nu 
is de aarde geplaatst; als voedsel gebruikt het rund de koem- 



254 

koema, die op den rng van den visch groeit, en behondt zoo- 
doende de kracht om de aarde tot den dag des oordeels op 
zgn hoorns te dragen. AIh de aarde zich beweegt, d. i. als 
er een nardbeviug plaats heeft, dan is dat omdat bet rund 
haar van den eenen tak van zijn hoorns op een anderen 
verplaatst. {•) 

Nn worden de diereu, tamme en wilde, op de aarde 
geschapen en verder de zeven verdiepingen des hemels, 
waarvan de onderlinge afstand 500 jaar reizens is, de zon, 
de maan en de sterren tot sieraad van het uitspansel, ein- 
delijk de goddelijke troon (*), de hemel nl het verblijf der 
gelukzaligen {sovga), en de hel. De aarde blijft daarop 
1000 jaar onbewoond en wordt dan gevuld met korrels van 
mosterdzaad {sawi of sésawi)] een vogel wordt geschapen, 
wien God gelast die korrels op te eten; zijn zij op, dan zal 
hij sterven. Eeist eet de vogel één korrel per dag, maar 
toen hij zag dat de korrels verminderden, één per maand, 
eindelijk één per jaar ; toch raken zij op en de vogel wordt 

gedood (*). 

Na den vogel werd de aarde bewoond door 70 mannen 
(•), die evenwel niet gelijktijdig leefden ; na den dood van 
den een ontstond een ander en ieder hunner leefde 70.000 
jaar. Eén jaar iii dien tijd, voegt de tekst hierbij, was 
gelijk aan 1000 jaar van tegen woordit?. Vervolgens schiep 
God een geslacht van daemons (djan) (^), sommige vier- 
voetig, andere vliegend, die de geheele aarde bevolkten; na 
verloop van tijd werden zij ongehoorzaam aan God en om 
hun zonden verdelgd. 

Wat nu volgt is zeer veiward tengevolge van veelvuldige 
elkaar weereprekende herhalingen, aanhalingen en redenee- 
ringen over den oorsprong van Iblis. Eerst wordt verhaaldi 
dat na de verdelging der djan God een wezen, hetwelk de 
gedaante had van een dier, liet voortkomen, atkomstig uit 
de hel; het paarde met een ander dier en bracht Azazil 
voort; deze leefde 1000 jaar op aarde voortdurend God 
dienende en aanbiddende. Daarop nam God hem op in den 



255 

eeraten Lemel, waar hij zijn vrome aanbidding 1000 jaar 
bleef Toortzetten; als belooning ontving hij vleugels van 
groen robijn en vloog naar den tweeden hemel, tot hij ein- 
delijk aan den zevenden hemel kwam. — Volgens Kalbi 
hebben de djan de aarde 18000 jaar bewoond. Volgens 
Ibn'Abbas werden de djan na 18000 jaar om hun zonden 
verdelgd en opgevolgd door een geslacht Banoe al djan 
(zonen der djan), die eveneens na 18000 jaar ongehoor- 
zaam en daarom uitgeroeid werden. Iblis nu was oorspron- 
kelijk een Cherubijn, Azazil geheeteu, die op zijn verzoek 
van Qod vergunning kreeg om met 700 engelen naar de 
aarde neer te dalen om Hem daar te aanbidden (^) en 
waar het hem zoo goed beviel, dat hij voor altijd daar 
wenschte te blijven. Midden in deze episode wordt de vraag 
behandeld; of Iblis oorspronkelijk een engel (malaikat) 
of een djin was en of hij uit vuur geschapen is, en worden 
de yerschillende opiniën der autoriteiten daaromtrent mee- 
gedeeld; verder nog een en ander omtrent Gods voornemen 
om een stedehouder op aarde te scheppen en de bedenkin- 
gen der engelen daartegen, wat bij de schepping van Adam 
herhaald en hier dus voorbijgegaan wordt. — Er waren drie 
vrome wezens, een in den derden, een in den vijfden en een 
in den zesden hemel, die 1000 jaar voor God neergeknield 
lagen, waarna God aan alle vier beval tot zijn troon op te stijgen 
en nu begaven Djabrail, Mikail, Israfil en 'Izrail zich daar- 
heen (?) Djabrail krijgt tot taak de goddelijke oopenbaringen 
en ingevingen over te brengen, Mikail heeft het opzicht over 
de weegschaal (der gerechtigheid), Israfil over de rol waarop 
het lot van alle menschen geschreven is en 'Izrail over de 
zielen, terwijl Azazil vervloekt is, omdat hij éénmaal gewei- 
gerd heeft zich te vernederen. Onder den goddelijken troon 
wordt een spreekgestoelte gemaakt, waar de vier aartsen- 
gelen onderwijs geven in de wetenschap van Gods éénheid 
en allerlei andere wetenschappen. Op zekeren dag verzoekt 
Djabrail aan God om met een leger van engelen naar de 
aarde te mogen gaan en de booze geesten, die daar allerlei 



266 

ODgerechtigheid uityoeren, ie verdrijven. Dit wordt toegestaan en 
de geesten naar den berg Kaf gebannen, waar zij blijven moeten. 

ADAM. 
God sprak: „ik wil een koning over de aarde seheppen.'" 
Hierop antwoorden de engelen : „o Heer, de koning, dien gij 
maken wilt, zal ellende over de bewoners der aarde brengen, 
terwyl wij altijd n verheerlijken en aanbidden". (^) Maar 
God zegt: „ik weet, wat gij niet weet." Hier wordt 
reeds de komst van Mohammad voorspeld en aan Djabrail 
de last gegeven neer te dalen en een bandvol aarde te ha- 
len. Djabrail wil dat bevel uitvoeren, maar nauwelijks 
ziet de aarde zijn hand, of door Gods macht de gare ver- 
krggende van te kunnen spreken bezweert zij den aartsengel 
terug te keeren: „ik vrees, dat er een stedehouder (ïods 
op de aarde geplaatst wordt, want ik ben bang ongehoor- 
zaam te zijn aan God en ik ben beducht voor de straffen 
der hel (^^).'' Djabrail keert terug en vertelt aan God, 
hoe de aarde hem bezworen heeft den opgedragen last niet te 
volvoeren. Nu wordt de opdracht aan Mikail gedaan ; maar 
ook deze komt onverrichter zake bij God terug en eveneens 
Israfil. Eindelijk daalt de vierde aartsengel, 'Izrail ( < * ), 
neer; ook hem bezweert de aarde haar met rust te laten, 
maar na haar geantwoord te hebben, dat hij niet uit eigen 
beweging doch op last van God handelt, strekt hij zijn hand 
uit over de geheele oppervlakte der aarde van het oosten 
naar het westen en dringt er mee door tot in haar binnenste. 
(Op deze plaats is de laoet Koelzoem, de Roode zee, ont- 
staan) (1^). Daarop brengt hij de kluit aarde aan God, 
die zegt: „ik zal Adam scheppen en u is het opgedragen hem 
en al zijn nakomelingen bij hun dood de ziel te ontnemen."' 
„Heer, antwoordt Izrail, dan zullen alle menschen mij vgan- 
dig zijn." „Wanneer ik, herneemt God,'een dienaar van mi) 
opdraag iets te doen, hoe zal men hem dan vyandig zijn? 
Daarenboven zullen de menschen op verschillende wijzen 
sterven, de een aan koorts, de ander aan buikziekte, een der- 
de zal verdrinken, een ander zal door dieren verslonden 



257 

wordeD, weer een zal zich zelf om het leven brengen en 
weer een ander in de vlammen omkomen en wat daar ge- 
noemd is, kan niemand ontgaan (^^y 

Na wordt de kluit aarde gekneed en, op den aardbodem 
neergelegd, door de engelen met vier soorten van water begoten : 
1*» drinkwater (ajar tawar), 2« zoet water (ajar manis), 3* 
garstig water (ajar anjar), é^ bitter water (ajar pahit), waar- 
uit voortkomen het speeksel, de tranen, bet neusvocht en het 
oorspeeksel (^^). Overigens is volgens Ibn 'Abbas Adam ge- 
formeerd uit 9 soorten van aarde, zijn hoofd uit aarde van 
Jerusalem, zijn gelaat van aarde uit den hemel, zijn beenen 
van Hindostan, zyn beenderen van denbergKaf, zijn manne- 
lijkheid van Babely zijn rug van Irak, zijn hart van het 
Paradijs, zijn tong van Taif, zijn oogen van /^^ r^^ 
(''); zgn lichaam had 9 openingen (oogen, ooren enz.) en hg 
werd begiftigd met vijf zinnen. De uitwendige vorm (lëm- 
baga) van Adam blijft op de aarde uitgestrekt liggen en 
nogmaals betreuren de engelen Gods besluit om een koning 
over de aarde te scheppen, daar de mensch altijd allerlei 
boosheid zal uitvoeren en onschuldig bloed doen vloeien, ter- 
wijl Z9 altijd God zullen verheerlijken (^^). 

Op een zekeren dag kwam Iblis (Azazil), die toen nog 
koning over de aarde was, met zijn gevolg langs het stofielijk 
omhulsel van Adam, bekeek het met minachting en verzekerde 
dat hij dien mensch nooit zou eerbiedigen of gehoorzamen. 
Daarop spoog hi) midden op den vorm, de engelen veegden 
het speeksel weg, maar op de plaats, «waar het was neer- 
gekomen, ontstond de navel (^7). 

Ondertusschen was de reine ziel nog in de lamp, die 
onder Gods troon hangt, en hield zich daar voortdurend bezig 
met God te verheerlijken; door Gods beschikking barstte de 
lamp, een droppel viel door die barst, kwam op het om- 
hulsel van Adam terecht en vermengde zich innig met die 
aarde (die ziel is de glans van Mohammad). Op Gods bevel 
brengt Djabrail die gemengde aarde naar den hemel, waar 
zij op nieuw gemengd wordt met muskus, amber, sandelhout, 



258 

kamfer en aloëhout en daarna op Adams borst gelegd, waar- 
door het geheele lichaam schittert. Veertig jaar blijft bet zoo 
liggen, tot de aartsengelen den last ontvangen de ziel van 
Adam naar Gods troon te brengen; vervolgens leggen zij haar 
neer op Adam's hoofd en nu beveelt God haar in het lichaam 
te dringen. De ziel maakt bezwaar: „hoe zal ik, die on- 
stoffelijk en schitterend ben, in deze duistere woning mijn 
intrek nemen?" Maar God beveelt haar met. geweld er in 
te gaan, gelijk zij het ook weer met geweld zal verlaten. Daar- 
op dringt zij door de neusgaten en komt na ongeveer 200 jaar 
aan de hersens van Adam, die uu de oogen opent; vervolgens 
dringt zij door het strottenhoofd naar de borst en den navel. 
Adam strekt zijn armen uit op de aarde en wil gaan zitten, 
wat niet lukt. „De mensch, zeggen de engelen, is van een 
haastige natuur; hij isnoghalf aardeen wil reeds gaan zitten." 
Eindelijk dringt de ziel door het geheele lichaam, dat nu vleesch 
en bloed wordt, Adam leeft en niest (i-), waarop een stem 
hem beveelt te zeggen: „alhamdoe 'lillah raboe'lalamin (lof zij 
God, den heer der werelden).^' God antwoordt hierop : „jarham 
rabika, ja Adam, (God schenkt u zijn genade).*' Uit den 
adem (roeh) van Adam schept God damp (asap) en beveelt 
aan Djabrail dezen zorgvuldig te bewaren, want te zijner 
tyd zal daaruit de profeet 'Isa geschapen worden. ('®) 

Nu staat Adam op^ waarop de Noer Mohammad zich ver- 
toont; hij wordt gekleed met kleederen en sieraden uit den 
hemel en door de engelen rondgeleid om al het schoone 
en wonderbare in de zeven hemelen te aanschouwen, opdat 
zijn geloof aan Gods grootheid versterkt worde. Na ongeveer 
100 jaar scheukt God hem een welriekend, gevleugeld paard 
van kastoeri, Maimoen geheeten, waarop hij nogmaals door 
de vier aartsengelen den hemel wordt rondgevoerd en daarna 
naar de aarde gebracht ('^^). 

Hier krijgen de engelen bevel Adam hulde te bewijzen 
(sömbah); zij buigen voor hem neer (*^)(een soedjoed tahijat, 
een groet van gelukwensch, geen soedjoed kabaktian, groet 
van aanbidding, deze mag alleen aan God gebracht worden); 



259 

allen voldoen aan dit bevel, alleen Azazil weigert. Daarop 
maken zij een soedjoed soekoer, d. i. om God te danken 
voor de weldaad aan Adam bewezen. ^Waarom, vraagt 
God aan Azazil, weigert gij hulde te brengen aan wat mijn 
banden gescbapen hebben; zijt gij grooter of hooger dan 
Adam?'' ^Ik ben, is het antwoord; meer dan hy; mij hebt 
gij geschapen uit den glans van het vuur en hem uit de 
duisternis der aarde''. Azazil wordt hierop door God ver- 
vloekt en uit den hemel verbannen en wordt Iblis. Alvorens 
heen te gaan doet deze aan God het volgende verzoek: 
„daar ik ter wille van Adam vervloekt ben en gij mij uw 
weldaden ontnomen hebt, smeek ik u mij toe te staan den 
mensch te verleiden en op den verkeerden weg te voeren, 
opdat allen die mij gehoorzamen met mij in de hel komen; 
alleen de uitverkorenen, die zich altijd aan uw woord hou- 
den en vrome werken verrichten^ zullen zich niet door mij 
laten bedriegen". Dit verzoek staat God toe. 

Adam wordt door de engelen naar het paradijs gebracht, 
waar hij niemand ziende, die hem gelijkt, zich mistroostig 
op de rechterzijde neerlegt en in slaap valt. God, die zgn 
gedachten kende, schiep nu vóór Adam zich in zijn slaap 
omgewend had uit zyn linkerzij (^^) Siti Uawa (Eva) (^^), de 
moeder der menschen. Adam ontwaakt en verrukt over 
Hawa's schoonheid wil hij haar ormarmen ; maar God verbiedt 
hem dit, zoolang hij niet met haar gehuwd is. Het huwelijk 
wordt door God gesloten (^^) en de hemel (sorga) aan het 
jonge paiir tot verblijfplaats aangewezen, waar zij van alles 
genieten mogen behalve van één boom, pohon koeldi, de boom 
des eeuwigen levens, dien zij zelfs niet mogen naderen en 
nog minder zijn vruchten eten, wijl zij zich daardoor 
ongelukkig zullen maken; nog waarschuwt God hen voor 
de booze listen van Iblis. Toen Adam bemerkte, dat de 
poorten des hemels goed verzekerd waren, gevoelde hij zich 
gerustgesteld tegenover de aanslagen van Iblis, terwijl hij 
zich voornam het hem gedane verbod niet te overtreden. 

Inmiddels sluipt Iblis overal rond en komt eindelgk aan 



260 

de hemelpoort, die hy goed gesloten vindt (**); hierdoor te- 
leurgesteld gaat hij in de gedaante van een oud man er 
voor zitten, peinzende op een middel om er binnen te komen, 
daar hij als vijand van Adam dezen ongehoorzaam aan 
Gods bevel wil maken. Daar verschijnt een pauw uit den 
hemel, die tusschen de traliën der poort heen den ouden 
man ziet en hem vraagt, wie hij is. „Ik ben, antwoordt 
Iblis, een engel en hier gekomen om n te bezoeken; zoo 
gij de poort opent, zal ik u een toDverspreuk leeren, door 
welker wonderkracht gij altijd jong blijven, nooit sterven 
en ten eeuwigen dage den hemel bewonen zult.'' De pauw 
zelf geen kans ziende aan het verzoek van Iblis te voldoen 
deelt het gebeurde aan de slang mede; deze steekt haar 
kop buiten de traliën, opent haar bek, waarin de oude man 
kruipt die zich zeer klein gemaakt heeft, en brengt hem 
naar den verboden boom. Hier begint Iblis te weeneu en 
te schreeuwen, een geluid dat nog nooit in den hemel ver- 
nomen was; weldra komen de bidadari's en andere hemelbewo- 
ners, ook Hawa, op hem toegesneld en nu vertelt hy, dat 
hij weent om het lot dat Hawa wacht, daar zij weldra uit 
den hemel zal verbannen worden; wil zij daar eeuwig blij- 
ven, dan moet zij van de verboden vrucht eten (*•). Eerst 
aarzelt Hawa, maar nadat Iblis gezworen heeit, dat hij baar 
een goeden raad geeft, steekt zij de hand uit, plukt drie 
vruchten van den koeldi-boom, eet er een op en brengt de 
twee andere naar Adam, die echter weigert er van te proe- 
ven; nu haalt zij wijn, laat hem dien drinken, hij vergeet 
zijn belofte aan God, eet de verboden vrucht en terstond 
verdwijnen zijn kroon en zijn andere sieraden en bemerkt 
hij, dat hij en Hawa naakt zijn. Hij gaat naar den 
andjir-boom, maar deze groeit schielijk in de hoogte; daarop 
begeeft hij zich naar een anderen boom, aoed (j^) gehee- 
ten, die hem toestaat van zijn bladeren te plukken ten einde 
zijn naaktheid en die van Hawa te bedekken en daarom 
door God vervloekt en naar de hel verbannen wordt {^'^), 
God roept Adam, die als een krankzinnige door den hemel 



261 

vlucht^ maar niet antwoordt; tot driemaal toe roept God, 
eindelijk antwoordt Adam, dat hij zich schaamt over zijn 
naaktheid. God verwijt hem zijn ongehoorzaamheid, Adam 
bekent schuld en vraagt vergiflFenis, Vervolgens worden 
Adam, Hawa, de pauw, de slamg en Iblis op Gods bevel 
door Djabrail uit den hemel verdreven; Adam neemt van- 
daar een staf mee, die wonderkracht bezit, en komt terecht 
op Sarindib (Ceylon), Hawa te Djoedah, de pauw in Hindos- 
tan, de slang te Ispahan (^^). 

Adam blijft daar 200, volgens een ander verhaal 300, jaar 
over zijn ongehoorzaamheid weenen; zijn tranen zijn zoo 
overloedig, dat zij een rivier vormen aan welker oevers de 
dadelpalm groeit. Ook Eva brengt dien tijd met weenen 
door; uit haar tranen ontstaat de inai en die, welke in zee 
vloeien, worden paarlen ; vandaar dat de paarlen; een sieraad 
der vrouwen zijn' (^^), 

Op zekeren dag komt Djabrail bij Adam en spoort hem 
aan den pelgrimstocht (hadj) naar Mekkah te ondernemen, 
voor de dood hem overvalt. Adam schrikt bij het vernemen 
van het woord dood, maar maakt zich terstond op naar den 
Ka'batoe'Uah en overal, waar hij blijtt rusten, verrijzen bloeien- 
de steden. Aan de Ka' bah gekomen verwelkomen hem de 
engelen onder mededeeling, dat zij reeds 2000 jaar hun 
dienst daar verrichten. Daar stond een prachtige tempel, 
Baitoe'lma'moer, van goud en edelgesteenten; getroffen door 
den rijkdom en de heerlijkheid van dit gebouw gaf Adam 
het bevel, dat geen vogel die binnen het heilige grondgebied 
kwam mocht gedood worden {^% Van hier begeeft Adam 
zich naar den berg'Arafaen den berg Djabaloe'lrahman, waar 
hij de komst van Hawa blijft afwachten. Nadat zij bij elkander 
zijn, beginnen zij bij de herinnering aan de verloren zalig- 
heid te weenen en de engelen vervuld met medelijden weenen 
met hen. Nu opent God den voorhang des hemels, zoodat 
Adam en Hawa den goddelijken troon zien (s*), op welks 
zuilen geschreven staat: „er is geen god dan God en Mo- 
hammad is zijn profeet." In naam van dezen bidt Adam 



262 

vergiffenis voor zyn zonde, waarop Djabrail het andwoord 
brengt: ^als gij dat vroeger in zijn naam gedaan hadt, zoadt gij 
niet üit den hemel naar de aarde uitgeworpen zijn."' 

[Hier volgt een klein intermezzo, vertellende dat Mozesop den 
berg Sinaï God vroeg, hoe het mogelijk was voor Iblis om in den 
hemel (sorga) te komen, die voorzien was van een omheining 
en welks poorfen bewaakt werden, en hoe Iblis Adam had 
kunnen overhalen om hem te gehoorzamen, waarop God ant- 
woordde: 7, vraag mg niet naar mijn raadsbesluiten enmyn 
macht."] (") 

Djabrail brengt nu Adam op Gods last naar de rivier 
Na'mel ( Jw^ju) ( ^ ^)en wrijft zijn rug met zand, waarop alle men- 

schen, die later zullen geboren worden, te voorschijn komen. 
Zij scharen zich staande en zittende van het oosten naar het 
westen om Adam, rechts de geloovigen, links de ongeloovigen, 
vóór hem de profeten, achter hem de Joden en de Christenen, 
die hun harten verharden en gelijk zijn aan de ongel oovigen. 
„Ben ik, vraagt God, uw Heer?' Allen antwoorden daarop : 
Ja." Nu beveelt God allen hem te aanbidden; die rechts 
doen dit, die links niet; God herhaalt zijn bevel, een deel 
rechts knielt neer, ook een deel links, één vierde gehoorzaamt, 
drie vierde weigert. Die eerst geknield hadden en daarna 
niet zijn zij, die in hun jengd geloovigen waren, maar als 
oDgeloovigen gestorven zijn; omgekeerd is het met hen, die 
eerst weigerden, maar daarna het bevel gehoorzaamden; die 
beide keeren neerknielden zijn geloovig gedurende hun leven 
en in hun dood; die in het geheel niet geknield hebben leven 
ongeloovig en sterven ook zoodanig. Op bevel van God 
schrijft een engel het lot op, dat ieder van Adam's nakroost 
wacht, waarna hij het geschrift in den mond steekt en door God 
veranderd wordt in den zwarten steen, hadjaroe'las^ad, die 
in den rechterhoek van den Ka'bah hangt; alle bedevaartgan- 
gers kussen dien steen en zeggen er een gebed bij op. Op den 
jongsten dag zal die steen weer een engel worden en dan zal 
blijken, wie voor den hemel en wie voor de hel bestemd is. 
Verder wordt hier de komst Mohammad op aarde voorspeld, 



263 

die de laaste der proleten zal zijn en den waren godsdienst 
verkondigen, en een lijst opgegeven van de profeten, die hem 
zullen voorafgaan (Adam, Sis, Idris, Noeh, Hoed, Saleb, 
Ibrahim, Ismail, Isliak, Jakoeb, Joesoef, Moesa, Haroen, Joe- 
sjoea, Daoedy Soeleiman, Zakaria, 'Isa, Joenoes, Mohammad.) 

Adam keert op Gods last naar Sarindib ietug, vanwaar 
uit de wereld door zijn nakomelingen zal bevolkt worden en 
waar op zekeren dag Djabrail hem zeven stukken ijzer brengt^ 
die het geheele menschdom tot nut moeten strekken, ni. 
een hamer, een aanbeeld, een boor, een dissel; een houweel, 
een mes en een nijptang. Vervolgens vraagt Adam vuur; Djabrail 
haalt een vonk uit de hel en geeft die aan Adam; maar deze 
brandt er zieh aan en laat ze vallen, waarop zij door het 
binnenste der aarde heen naar de hel terugkeert. Djabrail 
haalt nogmaals een vonk, maar Adam wil ze niet aanvatten, 
zoodat zij evenals de vorige naar de hel terugkeert. Nu neemt 
Adam op aanwijzing van Djabrail een steen en een stuk ijzer, 
slaat dit laatste tegen den steen en krijgt zoo vuur, dat zeventig 
maal minder warm is dan dat der hel; toch is het vuur op 
aarde afkomstig van dat der hel. Met het zoo verkregen 
vuur leert Djabrail aan Adam de kunst om ijzer te smeden 
{'*). Verder brengt hij hem een rund, dat water voor hem 
moet halen om het eten te koken; het overal verspreide koren 
wordt verzameld en fijn gewreven, de wind doet het vunr 
vlammen en de spijs word gekookt. Eerbiedig zegt de aarde : 
„nu ben ik oud, Adam, maar als ik nog jong was, zou ik 
zelf die spijs voor u gereed gemaakt hebben." 

Adam wil nu eten, maar Djabrail beveelt hem te wachten 
tot zonsondergang; hij brengt de spijs naar Hawa, die er 
de helft van opbergt. (Vandaar, zegt lo. 122, dat de 
vrouwen van wat zij krijgen altijd een gedeelte op zij leggen). 
Den volgenden dag bemerkt hij op zijn lichaam, een zwarte 
vlek, die dagelijks grooter wordt, tot dat zijn geheele li- 
chaam zwart is. Bevreesd dat hij door een gevaarlijke 
ziekte bezocht is, besluit hij op raad van Djabrail te vasten; 
den eersten dag verdwijnt een vierde gedeelte van de zwar- 



264 

te klear en den vierden dag is zijn geheele lichaam weer 
blank; dit vasten heet „de witte dagen", 13, 14 en 15yan 
de maand Sa wal, en iedere maand vastte hij zoo drie dagen. 

Het is voor alle geloovigen verdienstelgk (soenat) die 
dagen te vasten, maar voor de nabi s tot aan Mozes was 
het verplicht (p^rloe)('*). 

Op Sarindib (^^) werden Adam uit Hawa kinderen geboren 
paarsgewijs, 40 paar, telkens een zoon en een dochter ; de doch- 
ter van het eene paar huwde hij aan een zoon nit een 
ander paar en zoo werd de aarde spoedig bevolkt, daar 
allen zeer veel kinderen kregen; zwangerschap en baren 
toch gingen toen zeer gemakkelijk (saperti orang hadjat 
besarnja, zegt de tektst zeer naiet). Bij Adam's leven, 1000 
jaar lang, stierven van zijn kinderen en nakomelingen slechts 
een paar. 

Adam had een zoon Kabil (Eain*, wiens zuster 'Akima 
hij had uitgthawd aan Habil (Abil), terwijl hij de zuster 
van dezen 'Azoe (volgens anderen Damina) tot vrouw gege* 
ven had aan Eabil ('^). 'Akima nu was schoener dan 'Azoe 
en daarom eischte Kabil, dat llabil van haar scheiden en 
haar hem tot vrouw afstaan zou; maar Habil antwoordt, dat 
hij zijn vrouw van Adam ontvangen heeft en alleen diens 
wil zal gehoorzamen. Adam hoort dit gesprek en raadt 
hun de beslissing aan God over te laten; zij moeten God 
bidden en een offer brengen en hij, wiens offer aangenomen 
wordt, zal blijken gelijk ie hebben. Kabil neemt als vee- 
hoeder een geit, Habil als landbouwer een bos korenhalmen. 
(Hier wordt het verhaal verward; er staat o. a. dat in dien 
tijd hij, wiens offer verbrandde, ongelijk had en toch iets ver- 
der, dat het offer van Habil verbrandde en aangenomen werd) 
C). Er ontstaat wrok in het hart van Kabil, die het voor- 
nemen opvat om Habil te dooden, maar niet weet hoe 
Iblis, steeds er op uit den mensch tot kwaaddoen te verlokken, 
komt met een slang bij Kabil en slaat die met een steen 
op den kop dood, ten einde hem te toonen hoe hij den 
moord op zijn broeder moet plegen. Daarbij spreekt hij: 



265 

„Zie Kabil, deze slang was mijn lieveling, nooit heeft zij 
mij gebeten; alleen nu lieeft zij liet gedaan, omdat ik haar 
even op den kop geraakt had; je besten vriend moetje doo- 
den, als hij je niet van nut is, dood zoo uw broeder''. (^) 

Eens gaat Habil vermoeid van het loopen onder een 
schaduwrijken boom (^^) slapen en Kabil de kans schoon 
ziende neemt een zwaren steen en slaat zijn broeder daar- 
mee dood. Verschrikt over wat hij gedaan heeft, neemt hij 
het lijk op en vlucht er mee naar Uamsjik (Damascus), 
waar hij het hoopt te verbergen, zoodat de moord onontdekt 
zal blijven. Daar ziet hij twee kraaien vechten, waarvan 
de eene weldra doodgebeten is: de overwinnaar bedekt 
den doode met aarde en zoo begraaft ook Kabil zijn broe- 
der. Hij wil daarop verder gaan, maar God beveelt de 
aarde hem tegen te honden, waarop hij tot zijn knieën 
in den grond zinkt. Nu beroept hij zich op Iblis en ook 
op Adam, die eveneens kwaad gedaan hebben en niet door 
de aarde verzwolgen zijn; maar God antwoordt, dat Iblis 
geen moord heeft begaan en Adam God is blijven liefheb- 
ben. Daarop verzinkt Kabil tot aan de borst in den grond; 
in zijn wanhoop spreekt hij de geloofsformule uit, die 
op Gods troon geschreven staat: „daar is geen god dan 
God en Mohammad is zijn profeet'*. De aarde werpt hem 
op Gods bevel uit, maar nu verschijnt een engel te paard, 
die hem voortzweept tot hij bijna dood neervalt; tot bezin- 
ning gekomen staat hij op, maar weer begint de vervolging 
tot hij eindelijk sterft. (*^) 

Inmiddels was Adam ter bedevaart gegaan, zooals hy 
ieder jaar deed, en miste teragkomende zijn lievelingszoon 
Habil, van wien niemand hem bericht kon geven. Hij valt 
in slaap en hoort de stem van Habil, die hem toeroept: „ik 
ben van u gescheiden.'' Verschrikt ontwaakt hij en l)egint 
te weenen; Djabrail komt bij hem en troost hem met de ver- 
zekering, dat Habil in den hemel en Kabil gestraft is; hg 
brengt Adam naar Habil's graf, waar de bedroefde ouders 
het lyk van hun zoon herkennen. Drie honderd jaar blij- 

Tijdicfar. Ind. T. L. en Vk., deel XXXV. IS. 



266 

ven zg daar weenen en de geheele natuur weent met beo; 
de dieren roepen uit: „wij kunnen niet langer in vrede met 
den mensch leven en hem vertrouwen^ zelfs voor zijn eigen 
broeder beett bij geen toegenegenheid^ hoe zon hij die dan 
voor ons gevoelen.'' 

Adam en Hawa keeren naar Sarindib terug, waar het getal 
hunner kinderen nog toeneemt, zoodat zg er 100 paar hebben, 
van welke geen enkele bij bet leven hunner ouders steHt 
en die allen 1000 jaar oud worden. Op zekeren dag komen 
zij bij Adam en vragen hem: ,,geef ons iets, waarmee wg 
handel kunnen drijven.'* Djabrail brengt hem een handvol 
stofgoud en zilver, waarvan Adam meent dat het niet genoeg is 
om alien wat te geven; maar op last van den engel brengt 
hij het boven op een berg en tot den huldigen dag halen zgn 
nakomelingen nog dagelijks metalen uit het gebergte. (^^) 

Als Adam nagenoeg 1000 jaar oud is, gevoelt hij zich 
ziek en vraagt zgn kindereu vruchten voor hem uit den hemel 
te halen; geen van allen kan dit en nu draagt hij zijn zoon 
Sis op er God om te bidden. (^) „Waarom, vraagt Sis, doet 
gij dit niet zelf .^'' „Omdat, is het antwoord, ik beschaamd 
ben, daar ik als straf voor mijn ongehoorzaamheid uit den hemel 
verbannen ben.'' Sis beklimt een berg, doet een gebed en daar 
verschijnt Djabrail, gevolgd door een bidadari (^} uit den hemel, 
met de gevraagde vruchten. De bidadari, die zeer schoon, 
welbespraakt en verstandig is, huwt als gunst van God met 
Sis, die nog geen vrouw heeft, en nadat Adam een gedeelte 
der vruchten gegeten en de overige aan Sis gegeven heeft, 
die nu bet hoofd wordt van alle menseben, sterft hij hi den 
ouderdom van 1000 jaar. (*^) „Voorwaar wij zijn van God 
en tot hem keeren wij terug*'* 

SIS (SETH). (^) 

Van dezen wordt alleen verhaald, dat hij Adam 's opvolger 
werd en een profeet was, die van God 50 boeken (kitab) 
ontving (^^), waaruit hij zijn tijdgenooten den godsdienst on- 
derwees. Hij leefde 1000 jaar (^) en liet bg zgn dood 
een zoon na Arfoes geheeten, die zijn vervanger werd. Arfoea 



267 

zoon en opvolger heette Eenan en de zoon van dezen Mahalabe- 
la {^% die bnitengewoon schoon was, zoodat iedereen hem rer* 
langde te zien en men van heinde en ver met rijke geschenken 
kwam om zgn gelaat te , aanschouwen; hij regeerde als een 
godsdienstig vorst en werd opgevolgd door zijn zoon Bazan. 
(^) Toen zi), die gekomen waren om Mahalabela te zien, 
vernamen dat deze reeds gestorven was^ wilden velen naar 
hnn land tenigkeeren en de meegebrachte geschenken weer 
meenemen. Iblis gaf daarop Bazan den raad een beeld van 
zgn vader te maken en dit te kleeden, alsof hij nog leefde. ('^) 

Nadat het beeld gereed was, sprak Iblis tot Bazan en de 
anderen: ,, voorwaar, Mahalabela is schoener dan gij allen, 
hy is een god (dewata moelia raja), aanbidt hem das/ 
Dit is het eerste afgodsbeeld, dat aangebeden is geworden 
en zoo is de vereering der afgoden ontstaan. 

IDRIS (HENOCH). 

Na verloop van tijd werd een achterkleinzoon van Ma- 
halabela geboren, die Djanoedj (Henoch) (^^) heette; deze 
ontving van God een aantal boeken (^^), welke hy ijverig 
bestudeerde (Arab. darasa), waarom hij den naam Idris kreeg. 
Eens kwam Izrail (^% de engel des doods, hem in de gedaante 
van een mensch bezoeken om zyn deugd op de proef te stollen. 
Daar zy geruimen tijd niet gegeten hadden en Idris honger 
gevoelde, stolde 'Izrail hem voor een geit, die op de vlakte 
ronddoolde^ te slachten ; maar Idris antwoordde : „het is niet 
geoorloofd een andermans vee te dooden." Nu kwamen zy 
aan een volgeladen drnivenboom, van welks vruchten 'Izrail 
hem uitnoodigde te eten; maar Idris weigerde alweer tot 
verbazing van den engel. 

De reden, waarom deze den vromen man was komen be- 
zoeken, was de volgende. Beeds geruimen tijd had Idris 
zyn landgenooten aangespoord den waren God te aanbidden, 
maar zy scholden en vervloekton hem en noodzaakten hem 
het land to verlaton, waarom zij door hongersnood en pest 
bezocht werden, terwijl Idris naar elders toog om den 
waren godsdienst te verkondigen. De faam van Idris' vrome 



268 

werken, die in aantal gelijk waren aan de vrome werken yan 
de helft der aardbewoners, steeg op tot de engelen. 'Izrail nu 
zag, dat in bet levensboek van Adam en al zijn nakome- 
lingen zoowel slechte als goede daden opgeteekend stonden, 
maar in dat van Idris sleebts goede, ^ol bewondering vroeg 
hij aan God: „wie is de vroomste van uwe dienaren ?'' 
Gods antwoord was: „Idris." „Welnu, hervat 'Izrail, vergun 
mij dan hem te bezoeken." Dit verzoek werd toegestaan 
en zoo kwam 'Izrail bij Idris, 

Nadat deze aan de verzoeking weerstand geboden had en 
eenige dagen met zijn reisgezel voortgetrokken was onder 
het voortdurend verrichten van de godsdienstplichten, liet 
God voedsel voor hen uit den hemel neerdalen; 'Izrail 
evenwel at er niet van, evenmin als hy sliep, ter- 
wijl hij zich steeds bezig hield met de aanbidding 
van God. Eindelijk kan Idris zich niet langer bedwingen 
en vraagt aan zgn metgezel: „ik ken u niet en gij kent 
mij niet; gij eet en slaapt niet, een mensch zijt gij dus niet; 
zeg mg daarom, wie gij zijt." „Indien, antwoordt de engel, 
gij niet schrikt, maar bedaard kunt blijven, zal ik het u 
zeggen; ik ben de engel des doods.' „Zijt gij gekomen 
om mij het leven te ontnemen?'' ^Neen, dan had ik geen 
oogenblik geaarzeld Gods bevel te volvoeren; maar ik heb 
gezien, dat van u geen enkele zonde opgeteekend is en 
daarom heb ik u lief'. Daarop gaan zij verder, tot na 
eenigen tijd Idris zegt: „ik heb u een verzoek te doen; 
ontneem my het leven, ik wil ondervinden, wat de dood is; 
daarna moge God mij in het leven terugroepen. ' Verwon- 
derd roept 'Izrail uit : „alle schepselen vreezen den dood en 
verlangen dien te ontkomen en gij wenscht te sterven!" 
Op Gods bevel evenwel voldoet bij aan Idris' verzoek, 
maar geeft hem door Gods macht terstond het leven terug. 
Eerst wilde 'Izrail hem niets vragen, maar ten laatste sprak 
hij: „hoe hebt gij den dood gevonden?" „De dood heeft 
mij in de tegenwoordigheid van God .gebracht en mijn ver- 
langen naar hem vermeerderd." (^^) Nu wil hij ook den 



269 

hemel en de hel zieu. Met Oods vergunning brengt Izrail 
hem eerst naar de hel, waar een der wachters (zabaniah) hem 
door een gaatje niet grooter dan het oog van een naald een 
blik in doet slaan. Dit gezicht is zoo vreeslijk^ dat Idris 
in zwijm valt en eerst weer bijkomt, nadat de engel hem 
vandaar heeft weggevoerd. (^7) Vervolgens begeven zij zich 
naar den hemel, waarvan hun de poort door den portier 
(ril wan) geopend wordt (*^). Na van het water uit de daar 
vloeiende rivieren gedronken en van de vrachten gegeten te 
hebben, gaat Idris liggen slapen onder een boom, aan welks 
takken hij zijn dekkleed ophangt. Na zijn ontwaken verlaat 
hij met 'Izrail den hemel, maar keert haastig terug om zgn 
achtergelaten dekkleed te halen en nu weigert hij vandaar 
weg te gaan, maar wil daar blijven om God te dienen. 'Izrail 
antwoordt hem, dat dit onmogelijk is, daar hij eerst moet 
gestorven en door de hel gegaan zijn. Maar Idris beweert 
aan beide voorwaarden voldaan te hebben en nu komt Gods 
bevel hem vergunnen daar te blijven, ofschoon de toegang 
tot den hemel gesloten is voor de profeten, zoolang Moliam- 
mad er niet in is; doch deze ^Weefde toen om den troon 
Gods heen. 

Idris' zoon Saleh beweende zijn vader dag en nacht, maar 
Iblis kwam weer bij de menschen en gaf hun den raad, 
zoo zij getroost wilden worden over het verdwijnen van 
Idris een beeld van hem te maken en dit te aanbidden, en 
zoo verspreidde zich de afgodendienst op nieuw over de 
geheele aarde (^'). 

NOEH (NOACH). 

Deze heette eigenlijk Sjakirin (^) en was de zoon van 
Malik, den zoon van Saleh, den zoon van Idris, maar kreeg 
den naam Noeh, omdat hij weende en bedroefd was (Arab. 
naba) over de zonden van zijn landgenooten. Op zijn veer- 
tigste jaar stelde God hem aan tot nabi om den mensehen 
het ware geloof te leeren ; 950 jaar (^^) predikte hy de een- 
heid van God, maar slechts veertig (^^) mannen en even 
zooveel vrouwen volgden hem, de overigen bleven in boos- 



270 

beid leTen ; zg sloten de ooren voor zijn prediking of rtt- 
wijderden zich, zoodat zg hem niet konden hooren, ja zg 
mishandelden hem zelfs, zoodat hij bewusteloos bleef liggen. 
Zijn yronw, die hiervan getuige was, verklaarde zelfs dat 
hi| krankzinnig was en al zijn gepraat uit zijn krankzinnig- 
heid voortkwam (^). Hierover nog meer bedroeid bidt Noeh, 
dat God het menschdom zal uitroeien, opdat ook niet de 
weinige geloovigen door de overigen tot ongeloof verleid 
worden (^) Djabrail brengt hem hierop een tak van sma- 
ragd uit den hemel en beveelt hem dien te planten ; is deze 
boom volwassen, dan zal het uur der vergelding aangebroken 
zijn. Na veertig jaar heelt de boom een buitengewone 
hoogte en een ontzettenden omvang bereikt; in al dien tijd 
was er geen kind geboren en had Noeh niet meer tot zijn 
landgenooten gesproken. Weer daalt nu Djabrail tot hem 
neer en beveelt hem van den boom een schip te maken; 
eindelijk vindt hij vier timmerlieden, die zich bereid ver- 
klaren hem in zijn arbeid te helpen, mits hij hun ieder een 
van zijn dochters tot vrouw geeft. Nu had Noeh slechs èèn 
dochter, maar hij bezat dkarenboven een ezel, een paard en 
een kat en zie, door Gods macht veranderen deze in vrou- 
wen, die zoo sprekend op Noeh's dochter gelijken, dat hij 
zelf niet weet, welke van de vier eigenlijk zijn kind is. 
Zij worden alle vier aan de werklieden uitgehuwelgkt, die 
nadat zij het ware geloof omhelsd, Gods eenheid beleden en 
Noeh als zijn profeet erkend hebben, den arbeid zullen be- 
ginnen. Maar zij weten niet hoe, want niemand had nog 
ooit een schip gezien, en nu komt Djabrail met een kip en 
toont hun de borst van dat dier als het model, waarnaar 
het vaartuig moet gemaakt worden. De vroeger geplante 
boom wordt omgehakt en uit zijn stam worden 124,440 
planken (^^} vervaardigd, op elke waarvan de naam van een 
nabi geschreven is, de eerste Adam, de tweede Sis enz. 
Daar Djabrail de werklieden onderrichtte (**), was de ark 
spoedig gereed, 1000 gaz (een gaz=l.ll meter, maar in 
Maleiscbe geschriften meestal een onbepaalde maat) hoog, 



271 

400 breed (^7), met zeven verdiepiDgeD eu met afgeschoten 
rnimten en hotten. De ongeloovigen komen Noeh bespotten 
(*') en Tragen hem, waarvoor dat vaartuig moet dienen, 
voor woning of misschien om te vliegen, (in dien tijd be- 
stond de laoet Oeman, de oceaan die de landen van elkaar 
scheidt nog niet^ alleen de laoet Moehit, de oceaan die de 
aarde omgeeft; eerst nadat het water van den zondvloed 
weggevloeid was, ontstond de laoet Oeman). Noeh antwoordt, 
dat hg de ark op Gods bevel gebouwd heeft: ,,no bespot 
gij mij, maar eerlang zal de straf over u komen/' Djabrail 
deelt hem mee, dat hij eerst den l^itoe'lma'moer moet 
bezoeken, dien God voorloopig in den hemel wil opnemen. 
Van zgn pelgrimstocht teruggekeerd bemerkt hij, dat er 
nog vier planken ontbreken, die van de oevers van den 
Nijl moeten gehaald worden; maar geen van zijn kinderen 
en kleinkinderen durft dien tocht ondernemen (^). 'Audj, 
de zoon van 'Oenoek, een reus wien de zee, als hij er door 
loopt, slechts tot de enkels reikt, neemt op zich het ver- 
langde te halen, mits Noeh hem het noodige voedsel ver- 
schaft; hij ontvangt drie koeken (apam), maar meent dat als 
hij er 17000 zoo opat, hij toch niet genoeg zou hebben; 
doch op bevel van Noeh vóór hy begint te eten de woorden 
uitsprekende : bism'illahi'rrahmani'rrahimi, wordt hij ver- 
zadigd. [Hier volgt een episode over het ontstaan van Ja- 
djoedj en Madjoedj, Gog en Magog en hun aistammeliogen. 
(^^) 'Audj nl. komt aan een stad in het ryk van Roem en 
eischt van den vorst een vrouw, onder bedreiging dat hy 
anders het geheele land zal doen verdrinken door er op te 
wateren. Op raad van zijn minister vraagt de vorst een 
uitstel van 12 jaar, want de voor 'Audj bestemde vrouw is 
nog in den schoot van haar moeder. De vorst laat daarop 
door zgn onderdanen een groeten heuvel opwerpen in de 
gedaante van een liggende vrouw, die hij met kaiu's bedekt 
en met wilde en tamme dieren opvult. Op den bepaalden 
tgd komt 'Audj terug en uit zyn huwelijk met dat vrouwen- 
beeld worden Jadjoecü (Gog) en Madjoedj (Magog) geboren, 



272 

wier ontelbare afstammelingen zich achter den berg Kaf 
bevinden; ieder Tan die nakomelingen krijgt 1000 kinderen 
en sterft dan eerst. Zij verwoesten alle in de nabijheid ge- 
legen rijken, totdat Iskauder zoe'lkamein komt, die hen 
inmetselt achter een muur van metaal, dat door Soeleiman 
vervaardigd is; zij trachten den muur door te breken, maar 
deze wordt door de engelen hersteld, tot de dag komt, 
waarop God hun zal vergunnen tegen de menschen uit te 
trekken. De Gogs komen het eerst voor den dag, verslinden 
de menschen en dieren, het levend gewas en het zoete water. 
Daarna komen de Magogs, die het zeewater verzwelgen met 
het doode hout en de visschen. Dan schieten zij hun pijlen 
af naar den hemel; door Gods beschikking vallen die pijlen 
met bloed bevlekt weer op aarde, waarom de reuzen zich 
verbeelden de hemellingen overwonnen te hebben. Die reu- 
zen zijn buitengewoon groot, het eene oor gebruiken zij als dek- 
kleed, het andere als ligmat en zij zijn zoo sterk, dat zg een ge- 
wicht van een bahara (een onbepaald, maar hier natuurlgk een 
zeer zwaar gewicht) zoo ver kunnen wegslingeren als het gezicht 
reikt. Ieder van hen heefl een boog en drie pijlen; wilden de 
menschen deze als brandhout gebruiken, dan zouden zij in geen 
duizend jaar opgebrand zijn, zoo talrijk zijn zij. Als alles 
op aarde door hen verteerd is, zal God een gloeienden 
aschregen doen vallen, die hen verbrandt, en hun lijken 
zullen door een regen, die veertig dagen en nachten aanhoudt, 
naar de weer gevulde zee drijven. Volgens Wahab den zoon 
van Malik zal God op het gebed van Isa een geslacht 
van Djin's op aarde zenden, zwart van kleur en met klanwen 
als tijgers en deze zullen tot vreugd van 'Isa en de geloo- 
yigen de Gogs en Magogs dooden.] 

'Audj gaat den boom halen, waarvan Noeh de vier planken 
maakt, op de eerste waarvan de naam van Aboe Bakar 
geschreven staat, op de tweede Omar, op de derde Oesman, 
op de vierde AU (God zij voldaan over henl) „Zgn dit, 
vraagt Noeh, ook namen van profeten?'* Neen, antwoordt 
Djabrail, dil zijn de namen van Mohammad's vrienden, de 



273 

grondyesters van bet ware geloof; om den wille van hun 
namen zal de ark door God beschermd worden". C*). 

Als de ark voltooid is^ komen de ongeloovigen er bun 
behoeften in doen, zoodat zij weldra vol van bun drek is. 
Eens komt een melaatscbe, Asaf genaamd, aangekropen, die 
eveneens de ark bevuilen wil ; bij valt in den drek en komt 
er geheel genezen nit. De anderen, die dit zien, beschou- 
wen nu de uitwerpselen als een uitstekend geneesmiddel en 
halen alles weg, zoodat de ark weldra geheel schoon is C^). 

Op zekeren dag komen de vier werklui bij Noeh, die toch 
wel wil weten, wie van hen eigenlijk met zijn dochter ge* 
tronwd is. Hij vraagt hun dus, boe hun vrouwen zich 
houden. „Heel goed, zij is heel mooi, zegt de eerste, maar 
doet als een ezeP'. De tweede zegt, dat zijn vrouw zich 
aanstelt als een paard, de derde als een kat; alleen de 
vierde verzekert, dat zijn vrouw niet alleen zeer schoon is, 
maar ook zich gedraagt als een mensch, en nu weet Noeh 
althans, wie in werkelijkheid zijn dochter is C^). 

Als alles klaar i9, wordt in de eerste (^^) verdieping de 
doodkist van Adam geplaatst, in de tweede komen de men- 
schen ; in de derde de vogels en bet pluimgedierte ; in de vierde 
de verscheurende dieren; in de vijfde de tamme dieren; in de 
zesde de vruchten en zaden en in de zevende de insekten en het 
gras; (hier volgt een opsomming van dieren, die opgenomen 
worden ); alleen de ezel is er nog buiten, waarop Noeh hem 
toeroept: „zeg, vervloekte (maroen), kom erin'\ De dui- 
vel, die achter den ezel stond, sloop nu te gelijk met dezen 
naar binnen; daarop volgen Noeh's zonen Japhet, Sem en ' 
Cbam met de 40 geloovige bloedverwanten. 

Nogmaals spoort Noeh de ongeloovigen aan om tot den 
waren godsdienst terug te keeren, dan kunnen ook zi) in 
de ark opgenomen worden en aan het dreigend gevaar van 
den zondvloed ontkomen; maar zij weigeren. De regens 
beginnen te vallen, terwgl de aarde openscheurt, waaruit 
naar alle kanten het water stroomt, dat weldra tot halver 
hoogte de bergen stggt. Op nieuw bezweert Noeh zijn 



274 

talrijke bloedverwaDten C*) onder de ongeloovigen zich ie 
bekeeien, waar zij antwoorden, dat zij een toevluchtsoord 
zullen vinden op de hooge bergen. Inmiddels stijgt het wa- 
ter tot boven de toppen van den berg Kanaan en alle schep- 
selen verdrinken. 

Op zekeren dag beveelt Djabrail aan Noeh de borst (^7) 
van den olifant te wreven; daarop komt uit den snuit van 
dezen een varken (^'), dat al bet vuil opvreet, hetwelk zich 
in de ark verzameld heeft. Maar Iblis streelt nn den rog 
van het varkeu en uit diens neusgat komt een muis te 
voorschyn. Noeh bemerkt Iblis en vraagt hem: „hoe kom 
jij hier en wat doe je hier?" „Toen, antwoordt Iblis, 
je tot den ezel zei : maroen kom binnen, dacht ik dat je 
met dat maroen mij bedoelde, want ik beu de mal'oen; 
daarom ben ik in je ark gegaan en de muis zal er altgd 
op uit zijn die stuk te knagen. Op last van Djabrail 
strijkt Noeh daarop den tyger over den rug en uit diens 
bek komt een kat (7*). Sedert dien tijd bestaan die drie 
dieren en zijn de muis en de kat vijanden; uit vrees voor 
de kat kon de muis echter geen kwaad aan de ark doen. 
Toen na zeven (*^) maanden alles verdronken was, beval God 
aan aarde en lucht het water in te houden; de ark dreef 
naar de Hedjaz, d. i. Mekkah, en maakte zevenmaal den 
omgang om den Ka'batoe'llah ; vandaar kwam zij te Da- 
maskus in Syrië, terwijl alle bergen op haar gezicht zich 
lager maakten ('^), ook de berg Djoedi, waar zy vastraakte. 
Hier zond Noeh de eend uit om te onderzoeken naar den 
toestand der aarde; vroolijk vliegt zij weg en dartelt inden 
waterplas rond, zoodat zij vergat het gevraagde bericht te 
brengen. Op Noeh's gebed verloor zy daarom het vermogen 
om te vliegen en moet zij sedert dien tyd met haar snavel 
haar voedsel in de vnilkolken zoeken. De duif echter, die 
nu uitgezonden werd, kwam na hier en daar uitgerust te 
hebben tot zij roode pootjes kreeg weldra terug met de tg- 
ding, dat het water overal zakte. Sedert dien tyd is de 
duif op Noeh's gebed aan God de lieveling der menacben. 



275 

God beveelt aan Djabrail zijn zeveu yleugels te bewegen, 
waarop ook het nog orerige water terugtrekt en de zeven 
zeeën vormt (**). De aarde is droog geworden en Noeh neemt 
het zaad ait de ark om het uit te zaaien; alles is er be- 
halve de dmif ('^), die door Iblis gestolen is. Hij is even- 
wel bereid ze terug te geven op voorwaarde, dat als Noeh 
ze eenmaal begiet, hij het tweemaal zal doen. Noeh neemt 
die voorwaarde aan en begiet de pit met water; daarna 
slacht Iblis een vos en begiet ze met diens bloed en verder 
met dat van een varken. Zoo komt het, dat zij, die wijn 
drinken, dien heerlyk vinden: dat is wat Noeh gegoten beeft; 
maar die toeak of arak drinken, worden dronken en gedra- 
gen zich als vossen en varkens ; dat is het gevolg van Iblis' 
besproeiing/ 

Nu volgt een gesprek tusschen Noeh en Iblis, waarin deze 
verhaalt, hoe hij, ter wille van Adam vervloekt, daarom er 
op uit is diens nakomelingen op den slechten weg te brengen, 
wat, naar hg bekent, hem met Noeh niet kan gelukken, en 
hoe hij vier middelen heeft om den mensch slecht te maken, 
afgunst, inhaligheid, verwaandheid en gierigheid ®*. 

Nadat Iblis Noeh verlaten heefl, bouwt deze met zijn zoons 
en geredde volgelingen van het hout der ark een masdjid om 
God te aanbidden en vervolgeus maken zij zich woonplaat- 
sen. (Van Jafet stammen af de Perzen, Arabieren, Bulgaren 
en Chineezen; van Sem de bewoners van Roem, de Turken 
en de Europeanen en van Cham de Abyssiniërs, de Hindi 
en Sindi). Toen Noeh 1700, volgens anderen 1000, jaar 
oud was (^^), werd hg ziek; zijn kinderen, kleinkinderenen 
andere bloedverwanten verzamelden zich om hem en vroegen 
hem, hoe de wereld hem voorkwam. „Deze wereld, ant- 
woordde hg, is als een huis met twee deuren, door de eene 
komt men er in en door de andere verlaat men haar.'' 
Daarop gaf hij den geest. Zijn afstammelingen bleven 
vele geslachten bg elkaar en lieten zich na verloop van tgd 
op hun beurt door Iblis tot ongehoorzaamheid aan God ver- 
leiden. 



276 

HOED. 

Langzamerband verspreidden zich de metischen over de 
geheele aarde; zoo trok Ghani (^*) naar Hindostan en het 
was daarheen, dat Iblis zich het eerst begaf om de menschen 
weer tot afgoderij over te halen. Vandaar uit bezocht hij 
Turkestan, Perzië enz. en kwam zoo in Arabië, in dat ge- 
deelte hetwelk Djihram heette- en waar een reazengeslacht 
woonde. Ook in Uadramaoet, welks bewoners zich met 
den landbouw bezig hielden en van welke gedurende 700 
jaar geen enkele gestorven was, voerde Iblis den beelden- 
dienst weer in. Uit dat volk nu werd de profeet Hoed 
geboren, die van God bevel ontving om naar Koning 'Aad 
(8^) te gaan en dezen den waren godsdienst te onderwijzen. 
Maar de vorst en zijn onderdanen wilden den pif^feet geen ge- 
hoor geven; slechts 17 van de 1,700,000 aanbadenden wa- 
ren God. Nu werd het land bezocht door een vreeselijken 
hongersnood, waardoor ondertnsschen ook de geloovigen 
getroffen werden (^^.) Deze klagen bij Hoed: „wij hebben 
uw woorden gevolgd en nu zijn wij toch in nood." Op 
Hoed's gebed ontvangt hij van God den last met de geloo- 
vigen het land te verlaten, wat hij doet na de ongeloovigen 
gedreigd te hebben met een storm, die hen zal verdelgen. 
Zij spotten met die bedreiging: „als wij ons met onze beenen 
tot aan de knieën in de rotsen vastplanten, welke wind lal 
ons er dan uitrukken?'" Onder de zeven verdiepingen der 
aarde wordt de stormwind Ariahpe'l'alim door 70 enge- 
len (^*) in bedwang gehouden; dezen wind krijgt Mikail last 
los te laten. „Hoe groot moet de opening zijn. Heer, waar- 
door ik hem vrijlaat?" „Als het neusgat van een rund'', 
is het antwoord. „Dan zal de geheele wereld vernietigd 
worden." „Welnu dan zoo groot als een ring". „Ook dan, 
o Heer, zal de geheele wereld verdelgd worden". „Laat 
het dan zyn als het oog van een naald." 

Nu begint de wind te waaien, maar de ongeloovigen 
planten zich vast in den grond en vragen spottend: „wel 
Hoed, waar is uw wind; deze, die nu waait, blaast ons 



277 

zacht en verfrisschend om het hoofd/' Daarop waait de 
wind harder en guat in den grond, zoodat hy tegen hun 
beenen waait en huu vel overal loslaat en afvalt ('^). Nogmaals 
gaat de wind onder den grond, waait nog feller en neemt 
hem allen op in de lucht; de rotsen, waarin zij zichvast- 
gezet hebben, worden tot gruis verbryzeld en zij zelf na van het 
oosten naar het westen geslingerd te zijn naar hun eerste plaats 
teruggevoerd, waar zy als steenen dadelboomen terecht ko- 
men *^ Een jaar lang blijven zij in dien toestand, zonder 
dat hun het leven benomen is. Hoed maakt hiervan gebruik 
om hen nogmaals tot bekeering aan te sporen, maar ook 
nu willen zij niet naar hem luisteren. Weer verheft zich 
hierop de storm, die hen oppakt en tegen de bergen smakt, 
zoodat zij geheel verbrijzeld worden (''). 

Toen Hoed 400 jaar oud was, stierf hij (•*) ; zijn volge- 
lingen vermenigvuldigden, zoodat na 100 jaar het land weer 
bevolkt was. Iblis komt bij hen en vraagt hun: „wien 
aanbidt gij?" „Den Heer, die de eenige God is, en die 
hemel en aarde geschapen heeft.' „Kunt gij dien Heer 
zien?" „Neen'\ „Hoe kunt gg hem dan aanbidden ?" Daarop 
leert hij hun een groot steenen beeld maken, waarvan de 
openingen met zilver overtrokken werden, en dat zij op een 
zilveren zetel plaatsen; vervolgens bouwen zij voor dat beeld 
een ontzettend groot en rijk versierd gebouw, waar zg het 
als hun God aanbidden. Maar God zendt muggen, die het 
beeld oppakken en er mee wegvliegen, zoodat het uit het ge- 
zicht verdwijnt. „Wat zullen wij nu maken om te aanbid- 
den," vragen de afgodendienaars. Ondertusschen heeft God 
een nieuwen profeet uit hun midden verwekt, nl. Saleh. 

SALEH. 

God zendt dezen naar het volk van Samoed {^% de bloed- 
verwanten der vorigen. Zij vragen een teeken, dat Saleh 
een profeet is, waarop hij hen herinnert aan den ondergang 
van Hoed's tijdgenooten „en, voegt hij er bij, nu gij in 
voorspoed leeft, wordt gij nu niet door God beschermd?" Maar 



278 

zy willeu een wonder^ een teeken dat hij werkelijk eeo 
profeet is; zij eiscben, dat hg uit de rots een wyiyeskameei 
zal doen voortkomoD, die onmiddellijk na haar verscbyning 
zal jongen. Saleh belooft dit, maar stelt als Toorwaarde 
dat zij het dier geen kwaad zullen doen en alleen zijn melk 
gebruiken ; dooden zij de kameel^ dan zal hen de straf (ïods 
treffen. Daarop doet hij een gebed. De berg begint te 
steunen als een vrouw die baren moet en de kameel, die 
reeds 4000 jaar gereed was {^% komt te voorschgn en 
brengt terstond een jong ter wereld; op de plaats, waar sg 
de rots verlaten had, ontstond een put, waaruit den eenen 
dag de kameel en haar jong dronken en waarvan de men- 
schen het water den volgenden dag mochten gebruiken. 
Het dier gat overvloedig melk, waarvan de Samoediten 
boter en wrongel maakten, die zij overal verkochten, zoodai 
zij met dien handel groote schatten verwierven en er geen 
schotels en borden van poraelein op nahielden maar van 
goud en zilver, en ook al hun huisraad van goud en zilver 
was. Dit duurde ongeveer 400 jaar ; toen waren er twee 
mannen ('*), Kadam, de zoon van Salaf, en Masdok, de zoon 
van Farlail, die besloten het dier te dooden. Vergezeld van 
zeven anderen vallen zij het aan, terwijl het drinkt, en dooden 
het; de jonge kameel dit ziende vlucht naar den top van den 
berg, uit driemaal een luiden kreet en verdwijnt. Saleh voor- 
spelt (*^) daarop aan de ongeloovigen, dat over drie dagen de 
straf van God hen zal treffen: den eersten dag zal hun gelaat 
bloedrood wordeo; den tweeden geel, den derden zwart {^)\ 
daarna zullen zij door de stem van Djabrail omkomen. £n 
zoo geschiedde het; op Gods bevel verheft Djabrail zgn stem 
en al de ongeloovigen worden verdelgd, al hebben zij ook hun 
ooren met kapas toegestopt om het geluid niet te hooren. Saleh 
verlaat met zijn geloovige volgelingen het land en begeeft zich 
eerst naar Syrië, van daar gaat hi) naar Mekkah, waar hg sterft 
en in een nis aan den kant der moskee begraven wordt ('*). 

IBBAHIM (ABRAHAM). 
De geschiedenis van dezen profeet wordt ingeleid met het 



279 

verhaal der geboorte en der verdere lotgevallen van Nam- 
roed (^^); hieromtrent deelt het hfer behandelde Ms. No. 66^ het 
volgende mede; vooral het begin evenwel is zeer verward 
door het telkens veranderen der namen en de gewone slor- 
digheid van den afsehrijver. In No, 122 ontbreekt het ge- 
deelte van Namroed's geboorte en wordt hij terstond inge- 
voerd als de machtige vorst van Koefa, die de geheele we- 
reld onderworpen heeft; ook hier evenwel groote slordigheid, 
zoodat het niet duidelijk is, of Namroed gelijk gesteld wordt 
met Eajkawoes, Darins de Meder. 

Koning Kana'an was een hartstochtelijk jager; eens op 
jacht zgnde ontmoette hij een vrouw Saliba, die hem door 
haar schoonheid aantrok; daar zij gehuwd was met een veehoe- 
der, weigerde zij echter gehoor te geven aan 's vorsten lietdes- 
betaigingen. Vergeefs verzekert hij haar, dat hij de konmg is. 
^Gij zijt een jager/' antwoordt zij (naar Maleische opvatting 
zoowat een vagebond); „daar komt mijn man; vindt hij nby 
mij, dan slaat hij u dood'\ Inderdaad nadert de herder^ 
maar met één slag velt Kana'an hem en trapt hem dood. 
Daarop keert hij met Saliha naar zijn paleis terug en neemt 
haar tot vrouw, terwijl hij het lyk van haar man laat 
spietsen. 

Op een zekeren nacht droomt Kana an, dat hij woratelt met 
een man, die hem het hoofd afbouwt. Volgeos de wiche- 
laars beteekent deze droom, dat Kana'an een zoon zal gebo- 
ren worden, die nu nog in den schoot zijner moeder is, maar 
die een eind zal maken aan de heerschappij van zijn vader. 
Daar Saliha zwanger is, begrijpt de koning, dat uit haar het 
ongelnkskind zal geboren worden. Hij wilde vrucht afdrijven, 
maar een stem uit het verborgene roept hem toe: ,,laat af, want 
gij kunt het kind niet dooden . Toen de tijd daar was beviel 
Saliha van een zoon, wiens lichaam geheel zwart was en 
wiens oogen scheel waren; op haar schoot zag zij een ver- 
giftige slang, die in het neusgat van het kind kroop. Toen 
Kana^an een en ander vernam, was hij woedend en vroeg 
Saliha: ^waarom hebt gij het kind niet dadelgk gedood?*' 



280 

„Daar had ik bet hart niet toe, antwoordt zij, want het is 
toch mijn kind/' „Welnu, herneemt de vorst, leg het dan- 
in de wildernis te vondeling, dan zal het daar omkomen''. 

SaUha gaat het bevel uitvoeren, maar ontmoet een herder, 
die het kind van haar aanneemt en het naar zijn vrouw 
brengt om er voor te zorgen. Deze wil het door een koe 
laten zoogen, maar de geheele kudde slaat op de vlucht, ver- 
schrikt door de monsterachtige leel ijkheid van het kind. De 
vrouw dit ziende sprak tot haar man: „nog nooit zgn onze 
koeien zoo geweest; het is de schuld van dit ongelukskind; 
nu begrijp ik, dat men het te vondeling heeft willen leggen; 
breng het terstond om het leven/' „Dat kan ik niet doen, 
antwoordt hij, maar werp gij het in de rivier''. Zij doen dit 
en daar het kind zich niet beweegt en geen geluid geeft, 
denken zij dat het dood is. Ondertusschen spoelt het naar 
den oever, waar door Gods beschikking juist een jakhals 
(sérigala) kwam drinken. God geeft het dier in om het kind 
te zoogen en dagelijks komt het daartoe op dezelfde plaats 
terug. 

Eens zag de vrouw van den herder dit; zij haastte zich 
het aan haar man mede te deelen; men begreep, dat men 
met een buitengewoon kind te doen had, haalde het terug en 
verzorgde het verder behoorlijk. De knaap, die den naam van 
Namroed kreeg, omdat zegt het hs. hij door een serigala ge- 
zoogd was, groeide voorspoedig op, was weldra groot en sterk 
en sloot zich aan bij de roevers, die de karavanen overvielen 
en uitplunderden. Het gerucht van die rooftochten komt 
Kana'an ter oore; hij zendt een van zijn bevelhebbers met een 
groot leger tegen de roevers, die door Namroed aangevoerd 
zeer spoedig het geheele leger verslaan, terwijl de bevelheb- 
ber door Namroed gedood wordt. (Hier is een lacune, waarin 
verteld moest zijn, hoe Namroed zijn vader Kana'an vanden 
troon stootte en dien zelf beklom). 

Namroed laat zich een paleis bouwen, zoo prachtig en 
kostbaar als er nog nooit een gew^eest was, omringd van 
een lusthof waarin de schoonste hoornen en bloemen groeiden 



281 

en omgeven door eeu gracht met het heerlijkste water; de 
mantri, die het toezicht op dit werk had gehouden, heette 
Azir en werd van nu af zijn grootste vertrouweling. Onder 
meer was Namroed ook bedreven in de sterrewichelarij, waar- 
van hij de kennis op de volgende wijs verkregen had. Vol- 
gens Ka'ab had God de 'elmoe noedjoem aan Idris geschon- 
ken en nadat deze in den hemel was opgenomen, was er 
maar één van zijn vrienden Hormoes, die in deze weten- 
schap was ingewijd; maar op last van Idris mocht Hormoes 
haar slechts aan eenige geloovigen en in geen geval aan 
de vorsten onderwijzen. Op zekeren dag zag Namroed in 
een afgelegen streek mannen in wollen mantels gewikkeld 
God aanbidden. „Wie zijt gg?" vroeg hij hun. „Wy zgn, 
was het antwoord, geloovigen; toen wy na den dood van 
Idris zagen, dat alle menschen zich aan de afgoderij overga- 
ven, hebben wij ons in het gebergte teruggetrokken om den 
waren God te aanbidden.' ;,WelnU; sprak Namroed daarop, 
gij kunt in mijn land blijven, maar zult mijn godsdienst aanne- 
men; of gij moet mij de sterrewichelarij onderwijzen". Zy ko- 
zen het laatste en deelden Namroed een gedeelte van hun 
wetenschap mede. 

Toen Namroed zich hierna meer en meer op zijn macht ver- 
hoovaardigde, kwam Iblis hij hem in de gedaante van een oud 
man en haalde hem gemakkelijk over om afgodsbeelden te 
doen maken en* zijn volk te bevelen, die te aanbidden. Ieder 
van zijn onderdanen hield er een eigen afgod op na, maar 
Namroed liet er door Azir een maken, die 700 ellebogen 
groot, van goud en zilver vervaardigd, met de kostbaarste edel- 
gesteenten versierd en op een gouden zetel geplaatst was; 
dit nu werd de voornaamste afgod, dien het geheele volk 
moest vereeren. Zoo vol ongehoorzaamheid aan God werd de 
geheele aarde, dat zon, maan en sterren en zelfs de dieren 
God baden het menschdom te vernietigen, een gebed waarop 
God antwooi*dde, dat zijn straf niet zou uitblyven, maar dat 
hij eerst zijn lankmoedigheid wilde toonen en. pas daarna 
aan de menschheid zijn toorn doen gevoelen, 

IlDdsohr. Ind. T. L. ea Vk. deel XXXV, 19. 



282 

Weldra vertoondeD zich Toorteekenen van Ibrahim's aan- 
staande geboorte. Eens toen Namroed sliep, terwijl als altijd 
Azir de wacht b^ hem hield, wordt hij onderste boven ge- 
keerd en ro^pt een stem^ die ook door Azir geboord wordt : 
^Vervloekt zg een ieder, die niet gelooft in Ibrahim en diens 
Heer/' Ontsteld ontwaakt de vorst en ontbiedt de wichelaars 
en toovenaars en hen die de toekomst voorspellen, maar deze 
kunnen geen verklaring van het gebeurde geven: ,,wij weten 
niet, wie de persoon is die Ibrahim heet, noch wie zgn Heer 
is'". Niet lang daarna zit Namroed op zijn troon de schoon- 
beid van zijn paleis en daarin zyn eigen macht en grootheid 
te bewonderen, toen opnieuw een stem hem komt waar- 
schuwen voor Ibrahim en diens Heer. Weer kunnen de wi- 
chelaars het raadsel niet oplossen; alleen weten zij, dat er 
een dier zal voortkomen, zooals er nog nooit een bestaan heett. 
Eenige dagen later wil Namroed op jacht gaan, maar nauwe- 
lyks zgn zij buiten, of door Gods beschikking waarschuwen 
de olifanten en andere jachtdieren, die hg meegenomen heeft, 
hem voor zijn aanstaanden ondergang. Verschrikt keert hij 
teru^ en ontbiedt Azir, die bet groote afgodsbeeld Ziloen zal 
gaan raadplegen. Maar deze geefl een ontwgkend antwoord: 
,,als de vorst niet aan Ibrahim gelooft, moet hij mg gehoor- 
zamen en omgekeerd; Ibrabim bestaat nog niet, maar als hij 
geboren is, zal hij Namroed's ou dergang veroorzaken'. Be- 
zorgd keert Azir terug en, overtuigd dat Ziloen vertoornd is, 
geelt hij den vorst den raad door een groot offer den god te 
verzoenen. Nog eenmaal laat God Namroed door Djabndl 
waarschuwen. Dienzelfden nacht droomde hij, dat zich een 
glans ten hemel verhief, die door alle menschen gevolgd werd 
en daarop zag hg een buitengewoon schoon man, wien zij 
toeriepen: „de Heer van hemel en aarde heeft u bijgestaan, 
hij onderhoudt allen die op aarde leven." De geraadpleegde 
wichelaars vragen een dag uitstel om de beteekenis van den 
droom in hun wichelboeken na te gaap, maar begeven zich 
terstond naar Azir, ^ien zij den droom en de verklaring er 
van mededeelen: aan een man van 'skonings naaste omgeving 



283 

zal een zoon geboren worden, die Namroed's macht ten val 
zal brengen. Azir vertelt onmiddellijk wat bij vernomen 
heeft aan Namroed^ die daarop last geeft alle jonggeboren 
knapen om het leven te brengen. Nadat er zoo honderddui- 
zende knaapjes vermoord zijn^ roept Namroed de wichelaars 
weer bij zich en vraagt hnn, of het kind, waarmee zij hem 
bedreigd hebben, nog geboren moet worden ot reeds gedood 
is. ;,Zijn moeder, geven zij tot antwoord, is nog niet zwanger 
van hem'\ 

Inmiddels is Azir naar den afgodstempel gegaan, waar 
hij tot zijn schrik bemerkt, dat de afgoden met elkaar gevochten 
hebben, zoodat sommige verminkt en andere geheel ver- 
brijzeld zijn. Bedroefd werpt hij zich op de knieën om te 
bidden en nu spreekt Iblis nit een der beelden hem toe en 
vertelt hem, dat de dag van Namroed's ondergang nadert. 
Vol vrees keert hij naar huis terug, waar zijn vrouw, die 
evenals hij reeds oud is, hem meedeelt dat het haar weer 
gaat naar de wijze der jonge vrouwen. Dit bericht vervult 
hem met nieuwe vrees en hij durft zijn vrouw Oesia (nu 
eens ^^J\ dan weer -*i.*^ gespeld) niet meer naderen. 

Na eenige dagen verneemt hij een stem, die hem toeroept; 
„God heeft uw vrouw weer jong gemaakt en uit uw gelaat 
zal een glans te voorschijn komen nl. de glans van een 
zoon, die uit uw lendenen zal verwekt worden.' Verschrikt 
vlucht hij vandaar; maar een engel komt tot hem in de 
gedaante van een man, die hem toespreekt: „vrees niet, 
keer naar uw huis terug, maar openbaar niet wat u is toe- 
vertrouwd." In zijn ongerustheid bezoekt hij den tempel 
nog trouwer dan vroeger; iederen middag brengt hij voorde 
afgoden eten, dat door de Setans verteerd wordt. Op een 
morgen echter vindt hij het eten onaangeroerd; de Setans 
zijn uit vrees voor de engelen weggebleven; Azir ziet hierin 
een nieuw blijk van den toorn der goden, hij valt voor hen 
op de knieën en bidt om vergiffenis, maar schoon hg den 
geheelen dag in die houding blijft, hij krggtgeen antwoord. 
Zgn vrouw maakt zich ongerust en gaat naar den tempel; 



284 

op baar gezicht overralt hem een onweerstaanbare liefdedrift^ 
ondanks haar tegenwerpingen neemt hg baar in jzijn armen 
en door Qods beschikking wordt Oesia zwanger. Degeheele 
aarde viert feest over dit heugelijk feit, de engelen dalen 
op aarde neer, de dieren des velds juichen, de Ea'abat buigt 
zich neer voor Qod en zegt het gelooisior muiier op: „er is 
geen god dan Gody die niemand naast zich heeft en Ibrahim 
is zijn profeet/' de afgodsbeelden dalen van hun zetels en 
voetstukken neer en een glans stggt ten hemel, die ook 
door Namroed gezien wordt. Den volgenden morgen deelen 
de bijeengeroepen wichelaars hem mee, dat het kind, waar- 
mee hg is bedreigd, verwekt is. Onmiddellijk geeft hg 
hg op nieuw last alle jong geborenen te dooden en te on- 
derzoeken of er zwangere vrouwen zijn en ontzettend is het 
bloedbad, dat in het geheel rijk aangericht wordt Q^^). 

Als de tijd daar is, dat Ibrahim's moeder moet bevallen, 
begeeft zg zich met haar man naar den tempel, waar alle af * 
godsbeelden eerbiedig voor haar buigen; bevreesd willen 
beide naar huis terugkeereo, maar juist nadert Namroed, die 
eveneens den tempel wil bezoeken om Ziloen naar Ibrahim's 
geboorte te vragen. Een vrouw bg de deur van den tempel 
ziende wil hij last geven haar op te pakken, maar door 
Qods beschikking ontvallen hem de woorden: „laat haar 
door". Zg verbergt zich onder de menigte en ontmoet Dja- 
brail in de gedaante van een man, die haar naar een grot, 
goeah fwer, brengt zoo prachtig verlicht, dat zij er nauwelgks 
durft binnengaan. Hier bevalt zij op Vrijdag, 10 Moharam, 
van Ibrahim, die onmiddellgk na zijn geboorte de gelooft- 
belgdenis opzegt. Djabrail snijdt den navelstreng af, baadt 
het kind, zegt de bang in zijn beide ooren op en brengt 
het aan zgn moeder. Zgn voedsel zuigt Ibrahim uit zijn vingers, 
uit zijn duim honig, uit zijn wijsvinger zeer zoeten palmwgn, 
uit zijn middelvinger vette melk, uit zijn ringvinger room en uit 
zgn pink heerlijk drinkwater. Oesia keert nu naar haar wo- 
ning terug, loopende of er niets gebeurd is^ en vertelt den vol- 
genden morgen aan Azir, dat zij niet zwanger geweest is. 



285 

maar last heeft gehad van winden in den bnik en dat deze 
na verdwenen zgn. Azir is zeer verhengd over dit bericht, 
want hg was altyd bevreesd dat uit hem het kind zon gebo- 
ren worden, door hetwelk Namroed ten val moest gebracht 
worden^ en ook Namroed voelt zich langzamerhand gerust- 
gesteld; zoodat er een eind komt aan den kindermoord (^^'). 
Na drie dagen gaat Oesia weer naar de grot, waarvan zi) 
den ingang versperd ziet door tal van verschenrende dieren ; 
hoe bevreesd ook gaat zij naar binnen en bemerkt, dat haar 
kind rustig slaapt op een zacht vloerkleed en nu, overtuigd 
dat God over Ibrahim waakt, vertelt zg te huis komende 
aan Azir, dat zij inderdaad bevallen is van een zoon, die 
door Qod verzorgd wordt. Djabrail brengt het kind dage- 
Igks voedsel uit den hemel en zoo groeit het voorspoedig 
op. Eens wil Iblis de grot binnendringen om te zien, wat 
daarin omgaat; maar hij valt in zwgm op het gezicht der 
engelen, die den toegang bewaken en weer bg gekomen neemt 
hij haastig de vlucht. „Er zijn, zegt Kaab, maar vier man- 
nen en vier vrouwen, die aan de verleiding van Iblis ontko- 
men zijn: Ibrahim, Isa, Moesa en Mohammad, Asia (de 
vrouw van Farao), Marjam, Eadidjah en Fatima (de dochter 
van Mohammad)/' 

In een droom ziet Namroed de grot met den knaap er 
in; zijn vrees begint te herleven; maar geen van zgn raads- 
lieden weet waar die grot is, of heeft er ooit van gehoord. 
Toen Ibrahim 40 (?) jaar oud was, bracht een engel hem 
kleeren uit den hemel, o. a. een gouden staf, en overgoot 
hem met den drank tauhid (de eenheid Gods), opdat hg 
nooit iemand naast den waren God zou vereeren. Daarop 
gelast hij hem de grot te verlaten; dit geschiedde toen de 
zon onderging, zoodat het duister werd, toen hg voor het 
eerst hemel en aarde aanschouwde (^^). Hij ziet de avond- 
ster opkomen en door haar glans verblind roept hg uit: 
„voorzeker, dit is de Heer." Maar zij verandert van plaats 
en nu erkent hg, dat die «ter God niet kan zgn. Daarna 
versobgnt de maan en den volgenden morgen de zon, die 



286 

eveneens van plaats veranderen en das God niet zgn; „ik 
wily roept hij nil, niemand naast God plaatsen Q^).'' 

Djabrail geleidt nn Ibrahim naar de i?oning van zgn 
onders {^^^), die den geheelen d&g rust noeh daar gehad en 
vergeeft troost bij de afgoden gezoeht hebben, waarom zy 
naar hnis temgkeeren. In den morgen komt Ibrahim daar 
aan; zijn moeder herkent hem terstond en dadelgk begint 
hy het geloof aan den eenigen God te prediken, met min- 
achting over Namroed sprekende. Vergeefs waarschuwt 
hem Azir, bevreesd zijn waardigheden te zullen verliezen, 
als Ibrahim's woorden Namroed ter oore komen : vergeefs trach- 
ten Azir's vrienden Ibrahim tot afgoderij over te halen; hg 
blijft ongevoelig voor alle vermaningen; zoodat Azir ten einde 
raad hem bij Namroed aanklaagt. De koning ontstelt, want 
de beschrijving die Azir van Ibrahim geeft, komt geheel 
overeen met wat hij in zijn droom gezien heeft. Hij geeft 
dns last Ibrahim voorloopig in het blok te sluiten en den 
volgenden dag voor hem te brengen. Om Ibrahim ontzag 
in te boezemen heeft hij aan den ingang van zyn paleis 
olifanten, tijgers en allerlei andere verscheurende dieren laten 
plaatsen, terwijl een onnoemelgk aantal gewapenden aan 
weerszijden opgesteld zijn Maar gesterkt door God blyft 
Ibrahim onbevreesd en houdt vol, dat er maar één God is; 
de omstanders staan verbaasd, dat een knaap zoo spreekt, 
terwijl zij getroffen zijn door de schoonheid van zijn gelaat. 
Ook Namroed zelf is verwonderd en zegt tot Azir: j^nw 
kind is nog jong en ik kan hem wat hij zoniet toerekenen; 
ik wil hem dus niet ter dood laten brengen; neem gij hem 
mee en tracht hem te beteren (^^)". 

Op zekeren dag beveelt Azir zgn zoon afgodsbeelden te 
gaan rondventen (^^^; Ibrahim tracht op nieuw zijn vader te 
bekeeren en hem het slechte van de afgoderij te doen inzien, 
maar bemerkende dat al zgn praten te vergeeft is en zijn vader 
boos wordt, gaat hij met twee beelden op weg, terwijl twee kna- 
pen hem vegezellen. ,,Wie wil, zoo roept hij onder het loopen, 
dingen koopen die geen nut hebben, maar schade aanbrengen ? 



287 

zij kannen zich zelf niet belpen, boe zouden zij iets knnnen 
voortbrengen?'' Niemand wilde natuurlijk zijn beelden koo- 
pen; toen dompelde bij ze in het water, zeggende: „drinkt 
nu/' bond bun daarna een touw om de beenen en sleepte 
ze voort over den grond, zoodat zij nu eens met bet gelaat 
naar boven en dan weer naar beneden gekeerd waren. 
Eindelijk is er een knaap, die een van de beelden koopt, 
maar nauwelijks beeft bi) het op zijn schouder genomeu; of 
het valt en breekt. De twist, die hieruit ontstaat, eindigt 
daarmee dat Azir het betaalde geld terug geeft. Nu gaat 
Ibrahim weer met twee beelden op weg en ontmoet een 
vrouw, die er een wil koopen. ,,Neem dan bet grootste, 
zegt Ibrahim, daar zit meer brandhout aan." „Het is mij niet 
om brandhout te doen, antwoordt zij, maar ik wil een an- 
deren god in mijn huis hebben, want de mijne is een dief; 
ik heb hem een aantal kains toevertrouwd en die heeft hij 
gestolen." Ibrahim tracht haar het verkeerde van haar ge- 
loof aan het verstand te brengen en bespot en beschimpt de 
afgoden. Dit wordt overgebracht aan Namroed, die hem 
voor zich laat komen en vraagt: „boe machtig is uw God?" 
„Hy kan levend maken, wie dood is, en wat leeft dooden.' 
„Dat kan ik ook, als ik een ter dood veroordeelde het leven 
schenk, of een onschuldige laat f er dood brengen/' „Neen, 
mgn Gbd kan het leven teruggeven aan wat reeds dood is; 
maar als gij meent zoo machtig te zijn als mijn Qod, hg 
laat de zon in het oosten opkomen, beveel gij haar dan in 
het westen te verrijzen." Woedend vraagt Namroed weer: 
„wie ben ik?' „Gij zijt Namroed, de zoon van Eana'an 
en Saliba, een herdersvrouw, met wie hg overspel gepleegd 
beeft; gg zijt een bastaard en daarom beeft de duivel zoo- 
veel macht over u." Bevende van toorn beveelt Namroed, 
bemerkende dat er met den knaap niets te winnen valt, hem 
zwaar geboeid naar een zeer engen kerker te brengen. Zgn 
moeder ziet hem daarheen voeren en roept hem weenende 
toe: „heb ik u niet voorspeld, mijn kind dat het zoo zou 
afloopen?" Maar Ibrahim antwoordt: „maak u niet ongerust, 



288 

moeder, de Heer zal voor mij zorgen en over mij waken." 
En inderdaad Djabrail maakt een zachte ligplaats Toor hem 
gereed en brengt hem dagelijks spijs nit den hemeU waarvan 
bij een gedeelte aan zijn medegevangenen afstaat. Drae 
hebben den schoenen knaap weldra lief en luisteren aan- 
dachtig naar zijn prediking van den eenigen God; maar er 
is toch twijfel en een hunner vraagt: „als uw God zoo 
machtig is, waarom verlost hij u dan niet?'' „Dat kan hij 
en zeker zon hij het doen, als ik ik er om bad; maar ik 
wil mij oefenen in onderwerping aan zijn wil." Een andw 
vertelt: „wij waren met ons vieren broeders, zonen van 
vorstelijk bloed ; Namroed vatte haat tegen ons op en wierp 
ons in den kerker, mij hier, mijn eenen broeder in de 
Masjrik (het oosten), den tweeden in de Magrib (Afrika) eu 
den derden in Jaman; laat mijn broeders hier komen en ik 
zal in uw God en u geiooven/' Ibrahim doet een gebed 
en terstond komen twee der broeders in de gevangenis. 
Geen wonder, dat niet alleen de drie broeders maar alk 
gevangenen en ook de cipier Bahram zich tot het geloof 
van Ibrahim bekeeren. 

Toen Namroed het gebeurde vernam, liet hij de drie broe- 
ders voor zich komen en vroeg hun, wie hen bijeengebracht 
had. „Onze God, antwoorden zij, op het gebed van zyn 
profeet Ibrahim.' „Neen, roepen Namroed's mantri's, het is 
tooverij van Ibrahim.*' Daarop ontbiedt de vorst zijn eigen 
toovenaars en gelast hun den vierden broeder uit Jaman te 
doen verschijnen; maar zij erkennen, dat zij dit niet kunnen 
en dat geen mensch het doen kan. „Haalt ibrahim,*' beveelt 
Namroed. Djabrail openbaart den profeet namens God, dat 
de vierde broeder pas gestorven en begraven is. „Welnn^ 
herneemt Namroed, als Ibrahim hem dit meedeelt, laat hem 
dan met zijn graf hier komen." Dit geschiedt, het graf 
verschijnt en de vierde broeder, Dahram, vertoont zich, maar 
brandende als een vuurkolom, aan de verschrikte omstanders. 
„Dit is, zegt hij, de straf die de afgodendienaars wacht, zij 
zullen eeuwig in de hel branden ; maar thans geloof ik in 



289 

doD wareu God/' Daarop herkrijgt bijzijn vorige gedaante. 
Velen der aanwezigen bekeeren zich, door deze wonderen 
overtuigd, tot het geloof aan Ibrahim's God, maar Namroed 
hierdoor nog meer verwoed gelast Bahram en al de an- 
deren in een grooten ijzeren pot te werpen en dien op 
het 'vaar te zetten; eerst laat dit hen ongedeerd, maar 
Namroed laat het vaur grooter maken en na wordt ban 
vleescb tot asch verbrand. Qod zendt daarop een zwaren 
regen, die bet vaar uitdooft, waarna allen weer levend te 
voorschijn komen. 

Nu laat Namroed allen met Ibrabim in een nog vunziger 
kerkerhol werpen, vol slangen en andere giftige dieren, maar 
ook hier zorgde God voor ben, zoodat bun geen leed over- 
kwam. Na veertig dagen begeeft Ibrahim's moeder zich 
naar bet vorstelijk paleis om vergiffenis voor baar zoon te 
vragen. Namroed, overtuigd dat al de gevangenen, naar 
wie niemand beeft omgezien, reeds lang dood zijn, vergunt 
haar niet alleen Ibrabim maar ook de anderen, voor zoover 
zij nog leven, uit den kerker te bevrijden. Tot ieders ver- 
bazing komen allen er geheel welvarend uit. „God heeft 
ons beschermd/' zegt Ibrabim tot Namroed, die ziende dat 
bij met den knaap niet verder komt hem voor de tijgers 
laat werpen; maar ook deze willen hem geen kwaad doen. 
De koning laat Azir ontbieden en geeft dezen zijn zoon 
terug met de opdracht te trachten hem tot betere gedachten 
te brengen: „wil bi) mij als den Heer erkennen, dan zal 
ik hem tot de hoogste waardigheden verheffen en ik zal hem 
mijn dochter tot vrouw geven, zoodat bi) na mijn dood mij 
als vorst zal opvolgen." Maar Ibrabim is doof voor de ver- 
maningen van zijn vader en blijft den waren God aanbidden 
en het volk aansporen hetzelfde te doen, en daar zijn pre- 
diking bijna geheel vruchteloos blijkt, bidt hij eindelijk dat 
God een straf over Namroed en zijn volk zal zenden, als 
een laatste middel om het te bekeeren. Inderdaad komt 
weldra een vreeslijke hongersnood bet land bezoeken; Nam- 
roed laat alle voedingsmiddelen büeenbrengen en aan ieder 



290 

niet meer toemeten, dan juist genoeg is om hem in het 
leven te honden. Buiten de stad is een zandheuvel en op 
Ibrahim's gebed verandert dat zand in graan, waarvan de 
geloovigen zoo dikwijls en zooveel komen halen, als zij 
noodig hebben. De ongeloovigen beginnen eindelijk te mor- 
ren en dreigen Namroed, dat zoo hij hen niet in hun nood 
kan of wil bijstaan, zij zioh tot Ibrahim's God zullen be- 
keeren. 

Het was gewoonte in Koesaria (zoo heet hier voortdurend 
Namroed's rijk), eens in het jaar een groot godsdienstfeest 
op een vlakte buiten de stad te vieren, waarbij ieder naar 
zijn vermogen een o£fer aan de goden braeht. Ook nu zou 
dat feest plaats hebben; allen trekken naar de o£ferplaats, 
ook Namroed en A.zir, die vergeefs getracht heeft Ibrahim 
over te halen om mee te gaan; alleen de kleine kinderen 
en de oude menschen blijven achter. Toen de stad geheel 
leeg was, begaf Ibrahim zich naar den afgodstempel om het 
inwendige er van op te nemen; overal vindt hij voor de 
goden kostelijke maaltijden gereed gezet, die echter nog 
onaangeroerd waren. Reeds wilde hij den tempel weer ver- 
laten, toen hij aan den muur een bijl zag hangen; haastig 
greep hij dien, vernielde al de overige beelden, maar liet 
het grootste ongedeerd en hing het den bijl over den schou- 
der; na nog het gereed gezette eten door elkaar geworpen 
te hebben verwijderde hij zich en keerde naar huis terug. 
Toen nu de feestvierenden in de stad kwamen en zich naar 
den tempel begaven, bemerkten zij met schrik de verwoesting, 
die daar was aangericht. Ibrahim wordt als de schuldige 
aangewezen en hem gevraagd, waarom hij die snoode daad 
bedreven heeft. „Niet ik heb dit gedaan, was zijn ant- 
woord, maar die groote god daar; zie maar, daar hangt de 
bijl nog over zijn schouder {^^y Eigenlijk waren de onge- 
loovigen verlegen door dit antwoord, maar Namroed's raads- 
lieden zetten den vorst aan om Ibrahim levend te verbran- 
den. 

Namroed laat daarop een groot vierkant met steenen mu- 



291 

ren aizetten en de ruimte daar binnen opvullen met hout, 
dat in brand gestoken wordt. In dezen oven zal Ibrahim 
geworpen worden, maar de hitte is zoo groot, dat niemand 
het vuur kan naderen. Nu leert Iblis aan Namroed's werk- 
lieden een werktuig (^^) maken^ waaraan Ibrahim zal vastge- 
bonden en zoo in het vuur geslingerd worden. Vierhonderd 
mannen trokken aan het touw^ dat het werktuig in beweging 
moest brengen^ maar vergeefs, totdat Azir zich bij hen voegde 
en op het gebed van Ibrahim, die niet wilde dat zijn vader 
te schande zou gemaakt worden, bewoog zich nu de katapult 
en werd de nabi in de lucht geslingerd. Terwijl hij boven 
het vuur zweeft, komt Djabrail hem zijn hulp aanbieden; 
maar hg antwoordt: ,,ik heb uw hulp niet ingeroepen, doe 
wat God u bevolen heeft, alleen op hem vertrouw ik/' Even- 
eens weigert hij de tusschenkomst van Mikail, Israfil en 
'Izrail, alleen van God verwacht hij hulp. En toen hij nu 
vlak bij het vuur was, kwam die hulp, daar God het vuur 
beval koud te blijven en Ibrahim geen leed te doen ; tevens 
ontsprong in den vurigen oven een frissche bron en het bran- 
dende hout rondom schoot wortel, kreeg takken en bladeren 
en bracht de schoonste bloemen en de heerlijkste vruchten 
voort, terwijl allerlei fraaigevederde vogels rondfladderden 
en Gods lof zongen. Verbaasd en woedend geeft Namroed 
last met de katapult de zwaarste steenen op den profeet te 
werpen ; maar nauwelijks zijn zij boven het hoofd van dezen, 
of zij blijven in de lucht hangen en vormen als het ware 
een pajoeng (^^^). Namroed's mantri Haman erkent de groot- 
heid van Ibrahim, maar terwijl hij spreekt vliegt hem een 
vonk in het oog, waardoor hij verbrandt. Een aantal onder- 
danen, ziende dat de vlammen den profeet geen kwaad doen , 
komen er toe het vuur te aanbidden ; dat volk heeft den naam 
Madjoesi (Magiërs, vuuraanbidders) gekregen, 's Kouiugs doch- 
ter gaat naar Ibrahim en door hem bekeerd spreekt zij de 
geloofsformule uit: „er is geen god dan God en Ibrahim is zijn 
vriend''; daarop keert zij naar hsar vader terug en tracht ook 
hem tot de belijdenis van het ware geloof te brengen, maar tel' 



292 

kens meer verbitterd geeft Namroed last haar Id den kerker 
te werpen Q^^). Keeds wilde men haar grijpen; toen een 
witte wolk neerdaalde en haar naar den berg Kat bracht, 
waar zij zich tot den dag des oordeels bezig houdt met de 
vereering van God. 

Na veertig dagen verlaat Ibrahim den oven en begeeft 
zich op weg naar Syrië; op zijn reis komt hij aan een stad 
Djazan (^^^), waarvan hij alle inwoners als voor een feest 
getooid ziet. Op zijn navraag wat er te doen is, wordt hem 
geantwoord: „onze koning heeft een zeer schoone dochter, 
naar wier hand tal prinsen gedongen hebben, maar zij heeft 
uit die allen nog geen kens kannen doen en na heeft zij 
bekend gemaakt, dat zij den man, die baar bevalt, tot 
echtgenoot zal nemen, en dit is de reden, dat reeds zeven 
dagen lang alle mannen uit het geheele land en de om- 
streken hier op het plein bijeenkomen, of misschien de 
keus der prinses op hen zal vallen." Tbrahim, verlangend 
dit tooneel te aanschouwen, gaat mee naar het plein en neemt 
plaats op een der hoeken. De prinses, schitterend van 
schoonheid, prachtig gekleed en gevolgd door haar eveneens 
kostbaar opgetooide hofdames, verlaat het paleis en wordt op 
een rijken draagstoel langs de verzamelde menigte heen ge- 
dragen. Nauwelijks bemerkt zij Ibrahim, of zij maakt een 
armband los, werpt hem dien met een reukfleschje 0^') toe 
en laat zich naar het paleis terugbrengen. Ibrahim wordt 
door den vorst ontboden, die door zijn schoon en gunstig 
voorkomen Q^^) zoo getroffen wordt, dat hij tot zijn dochter 
zegt: „wel, mijn kind, gij hebt er slag van u een echtge- 
noot te kiezen ; 'tis jammer, dat hij een vreemdeling is, maar 
dat doet er niet toe.'' Terstond wordt het huwelijk gesloten 
{^^% waarbij niet de koning alleen, maar alle aanzienlijken 
en rijken naar alle kanten goud en zilver rondstrooien, zooals 
de gewoonte is, wanneer Arabische vorsten in het huwelijk 
treden. Wat nu Siti Sara aangaat, want zoo heette de 
prinses, zij was na Hawa de schoonste vrouw der wereld ; 
in haar tijd evenaarde geen vrouw haar in schoonheid en 



298 

tot den jongsten dag zal geen zoo sohoone vrouw meer ge* 
boren worden. 

Na eenigen tijd besloit Ibrahim zijn reis naar Syrië te 
vervolgen (^^^), waarheen Sara hem wil vergezellen. Aan de 
stad Oeehmoes gekomen vernemen zij, dat de vorst die daar 
regeert een dwingeland iS; die zijn volk op de onrechtvaardig- 
ste wijze onderdrukt ; heeft iemand geld of fraaie wapenen, 
een schoone vrouw of dochter, hij maakt er zich met geweld 
meester van. Ibrahim niet wetende, hoe hij Sara voor hem 
verborgen zal houden, maakt een kist, waarin hij haar sluit 
en die hij op een kameel laadt. Zoo trekt hij voort, maar 
nauwelijks is hij bij de wachten gekomen, of deze haasten 
zich den vorst te berichten, dat er een jong man in aan- 
tocht is, die zeker kostbare zaken by zich heeft, welke hg 
in een kist meevoert. De koning laat Ibrahim voor zich 
komen en vraagt hem, wat er in de kist is (^^^); „mijnsoe- 
dara,'' antwoordt Ibrahim (wat de waarheid was, voegt de 
de schrijver er casuistisch bij, want alle ware geloovigen 
zijn elkanders soedara). De nabi wordt in de gevangenis 
geworpen, waar Djabrail hem komt verzekeren, dat hem noch 
zgn vrouw eenig leed zal overkomen en dat hij van uit zijn 
kerker alles zal kunnen zien, wat Sara doet. 

Toen de kist geopend was en de vorst de schoone Sara 
bemerkte, verlangde hy haar te bezitten; maar toen hij een 
schrede wilde doen om haar te naderen, bleven zyn voeten 
aan den vastgenageld en zyn handen, die haar grypen wil- 
den, waren verlamd. Op Sara's gebed kan hij zich weer 
bewegen, maar nu tracht hy op nieuw haar te grijpen, 
waarop dezelfde straf volgt. Tot driemaal herhaalt hij zijn 
pogingen Q^^)y maar nu ook erkent hij zich overwonnen en 
verklaart, dat de God van Ibrahim de ware God is. Hij 
laat den profeet onmiddellyk op vrije voeten stellen, geeft 
hem niet alleen Sara terug, maar overlaadt hem met rijke 
geschenken, waaronder een schoone slavin Hadjar (Hagar) 
(^^^). Nu reist Ibrahim verder en komt aan de Baitoel 
moekadas {^^) (Jerusalem) in Palestina, waar hij zich vestigt; 



294 

hg onderwijst de bewonerB der streek, die afstammeliDgen 
Tan Sem zijn en hun dorpen in zijn nabijheid komen bouwen, 
in de ware leer en belooft hun op hun verzoek eenmasdjid 
te zullen stichten, waar zij hun godsdienstoefeningen kun- 
nen houden. 

Toen Ibrahim eenigen tijd aldaar vertoefd had, kreeg hij 
bevel naar Babil (^^^) te gaan om Namroed te bekeeren. 
Deze is ondertusschen meer verhard dan ooit ; trotsch op zijn 
onbegrensde macht verlangt hij niet alleen niets van God, 
maar gehoor gevende aan de inblazingen van Iblis heeft hg 
zelfs een werktuig laten maken om naar den hemel op ie 
stijgen en God te beoorlogen. Op raad van Iblis heeft hij 
een gevaarte laten vervaardigen, waarin zich voor hem en 
zijn voornaamste mantri's zitplaatsen bevinden en dat aan 
alle kanten voorzien is van vensters om hem een uitkijk te 
geven. Verder heeft hij vier reusachtige vogels {boeroeng 
gergasi (}^^) zoo groot als kameelen gedresseerd om met dat 
gevaarte de lucht in te vliegen, zoo hoog als hij wil, en op 
zijn wensch weer neer te dalen. Daartoe laat hij de vogels, 
als bij van plan is op te stijgen, eenige dagen vasten, en 
als zij aan het werktuig vastgemaakt zijn vleesch boven hun 
kop bindeo; door honger gedreven vliegen zij dan naar 
boven in de hoop het vleesch te zullen grijpen; wil Nam- 
roed naar de aarde terug, dan komt bet vleesch beneden 
hun kop te hangen en natuurlijk dalen zij dan. Eens heeft 
Namroed zich zoo naar den hemel laten voeren; uit een venster 
naar de aarde kijkende, ziet bij dat deze zich niet grooter 
vertoont dan een kluit; hij stijgt nog hooger en als de aarde 
zich nu nog slechts voordoet als een nevel, (^^^) schiet hg 
een pijl af naar den hemel. Om hem. in den waan te bren- 
gen, dat hij het hemelrijk overwonnen heeft, geeft God last aan 
Djabrail den pijl in den rug te steken van den visch, op 
wien de aarde rust; de visch klaagt, dat hij, ter wille van 
een vijand van God pijn moet lijden, maar ontvangt de 
belofte, dat als belooning daarvoor hij en zijn nakomelingen 
niet door de menschen zullen gedood worden. Djabrail 



295 

slingert veryolgens den met bloed beylekten pijl naar Nam- 
roed terug, die het bloed ziende overtnigd iS; dat hij God 
overwonnen en gedood heeft Q^*), Hij keert naar de aarde 
terug, maar bij die beweging duikelt het gevaarte, zoodat 
die er in zitten tegen den grond gesmakt worden. De man- 
tras verliezen daarbij het leven, maar Namroed komt er on- 
gedeerd, alleen bemodderd, af. (^**) 

Na dit feit komt Ibrahim weer bij hem; maar Namroed 
verboovaardigt er zich op, dat hij God gedood heeft en als 
Ibrahim hem voorhoudt, dat dit onmogelijk is, zegt hij: 
„welnu, laat uw God zijn legers verzamelen evenals ik de 
mgne, dan zullen wij elkaar bekampen en dan zal blijken, 
wie de machtigste is'. Zeven jaar heeft Namroed noodig 
om al zijn troepen uit oost en west, uit Arabië, Egypte, Per- 
zië, Hindostan en alle hem onderworpen landen bijeen te doen 
komen. Vier honderdduizend ruiters geharnast evenals hun 
paarden en met ijzeren helmen rukken uit en nu bidt Ibra- 
him God een leger van zeer zwakke schepselen tegen hen 
te zenden. De engel belast met de bewaking der holen, 
waarin zich de muskieten (*^^) in den berg Kaf bevinden, 
opent deze en laat er evenveel muskieten uit, alsNamroed's 
leger krijgers telt; deze dieren zijn zoo zwak, dat zij ster- 
ven, zoodra zij zich met eten verzadigd hebben. Als een 
dichte wolk komen zij aanzetten en vallen op het leger der 
ongeloovigen aan; zij dringen door de ijzeren helmen tot de 
hersens door, eten deze op en dooden zoo bet geheele heer. 
Alleen Namroed heeft gelegenheid naar zijn paleis te vluch- 
ten (^^), waar hij aan zijn vrouw het gebeurde vertelt, woedend 
dat hij zelfs geen enkelen van zijn vijanden heelt kunnen 
overwinnen. Maar een oude kreupele pëngboeloe der mus- 
kieten, met verminkte vlerken, aan één oog blind en het 
halve lichaam verwrongen, vraagt God verlof den koning te 
dooden en nauwelijks is deze naast zijn vrouw gezeten, of 
de muskiet komt het vertrek binnen; vergeefs tracht Namroed 
haar te vangen, zij vliegt in zijn neusgat, dringt tot zyn 
hersens door en veroorzaakt hem ondragelijke pijnen; rade- 



296 

loos staat hg zich met een yzeren hamer op het hoofd, hy 
kan geen oogenblik nist vinden of slapen. Na 40 dagen 
komt Ibrahim weer bij hem om hem nogmaals tot bekeering 
aan te sporen Q^)\ maar op trotschen toon vraagt Namroed 
hem: „wie getnigt, dat uw God de ware is en gij zijn profeet 
zijt?'' „De deuren van uw paleis''; en werkelgk roepen 
deze: „daar is geen god dan Ood en Ibrahim is zgn vriend''. 
Namroed laat de poorten vernielen en verbranden en zoo 
ook de boomen in zgn lusthof, de muren en het huisraad 
van zgn paleis, tot zelfs zijn kleeren, die beurtelings de- 
zelfde geloofsformule uitspreken. Nu is Gods geduld ten 
einde; de muskiet verlaat het hoofd van Namroed, wien 
Israfil op de pijnlijkste wijs de ziel uit het lichaam rukt. 
(Namroed is de meest verharde van alle ongeloovigen ; anderen 
bekeeren zich, als zg God stoor n ondervonden hebben, maar 
hij zal zelfs op den dag der opstanding Ibrahim en Hoham- 
mad voor leugenaars uitmaken). Na Namroed's dood om- 
helzen zgn overgebleven onderdanen het geloof van ibrahim 
en volgen hem op zijn terugkeer naar Sara. Gedurende 
zijn reis daarheen deed hij verschillende steden aan, waar 
hij zgn leer met vrucht verkondigde, o. a. te Damsjik en 
te Hamis, vanwaar Hadjar afkomstig was. In de nabijheid 
van Eanaan aangekomen ziet hij een dikken rook opstijgen en 
vraagt vanwaar die komt. „Daar zijn. antwoordt men hem, 
vgf zeer goddelooze steden, Sondom LjJu) 'Aam ^\c, Doer- 
aam (^Ic.j), Djaram L^) Q^) en Aziman (^Uiic); de in- 
woners leven van roof en plundering''. Hij reist verder en 
komt aan de Baitoe'lmoekadas, waar Sara hem verheugd 
te gemoet snelt en hem de slavin Hadjar afstaat Q^). Eer- 
lang is deze zwanger en de profetenglans gaat van Ibra- 
him's gelaat op dat Hadjar over. Sara, jaloersch dat Ha(\jar 
zwanger is, terwijl zg zelve kinderloos blijft, laat haar gaten 
in de ooren steken (^^*) en deze van gouden ringen voor- 
zien (als teeken van haar slavernij) en daarna beveelt zg 
haar te besnijden. Djabrail brengt daarop God's bevel aan 
Ibrahim over, dat in het vervolg tot aan den jongsten dag 



297 

alle geloovige yrouwen evenals Hadjar zutlen besneden wor- 
den. Maar Sara is nog niet tevreden met wat zij Hadjar 
heeft aangedaan; op haar verzoek brengt Ibrahim de slavin 
naar een wildernis {^^% waar geen water is, geen vrueht- 
boomen groeien en die door niemand bezoeht wordt; bij 
zijn terugkeer naar huis beveelt bij haar Gode aan en troost 
haar met de belofte, dat hij haar zal komen bezoeken. 
Toen de tijd daar was, beviel zij van een zoon, dien zij 
Ismail noemde; overal %ocht zij water, maar vergeefs; ze- 
venmaal liep zij rond eu vandaar^ dat volgens den ritus 
der Hanafiten en Sjatiiten de pelgrims zevenmaal van Safa 
naar Merwa gaan. Toen zij weer bij Ismail kwam, zag zg 
dat deze tegen een steen had geschopt: zij nam den steen 
weg en zag water stroomen. ^Zamzam 0'^),'' riep zg uit 
en zoo is de bron bij Mekkah ontstaan, met welks water tot 
den huldigen dag de geloovigen zich laven. Kort daarop 
kwam er een herder voorbij, die een verdwaalden kameel 
zocht; verbaasd op die plek water te zien vroeg hij Hadjar 
verlof zich daar te vestigen : weldra kwamen er anderen en 
spoedig ontstond daar een bloeiende plaats, welker ingeze- 
tenen Hadjar tot hun pënghoeloe aanstelden Q^*). Op zeke- 
ren dag komt bij Ibrahim het verlangen op om zijn kind te 
zien Q^^)\ Sara vergunt hem er heen te gaan, op voorwaarde 
dat hij niet van zijn. kameel zal afstijgen. Aan de plaats 
gekomen, waar hij Hadjar beeft achtergelaten, is hij verbaasd 
daar geen woest^enij meer te vinden, maar vruchtbaar land 
met talrijke kudden en woningen. Hadjar herkent hem uit 
de verte, snelt met Ismail naar beni toe en noodigt hem uit 
af te stijgen: maar hij vertelt haar, dat hij beloofd beett 
dit niet te doeu. Daarop baalt zij een steen, waarop Ibra- 
him den eenen voet zet eu nu reinigt zij de helft van zijn 
lichaam: vervolgens brengt zij den steen naar den anderen 
kant en wascht de audere helft. De indruk van Ibrahim 's 
voeten is op den steeu achtergebleven en deze is een bid- 
plaats voor de geloovige pelgrims geworden. 
Naar huis teruggekeerd droomt de (^**) profeet op een 

Tijdicbr. Tnd. T. L. en Vk., deel XXXA. 20» 



298 

nacbty dat Ood hem beveelt een ofier te brengen; den vol- 
genden oehtend slacht hij honderd kameelen. Den tweeden 
nacht herhaalt zich dat bevel en ook den derden nacht, 
waarom hy de tweede maal 200 runderen en de derde maal 
300 geiten offert. Maar den vierden nacht gelast God hem 
zijn zoon Ismail tot een offer te maken. Eerst twgfelt hg^ 
oi dit ook een ingeving van den duivel is; maar het bevel 
wordt herhaald onder bijvoeging, dat God zelf het heeft 
gegeven. Gereed om te gehoorzamen begeeft Ibrahim zich 
naar Hadjar, aan wie hij verzoekt Ismail fraai op te tooien, 
daar hg dezen naar een feest wil meenemen. „Waartoe, 
vraagt Hadjar, als Ismail gereed is om zijn vader te ver- 
gezellen, neemt gij een mes en een touw mee?' „Wie 
weet; antwoordt de profeet, of men ons geen vleesch geeft; 
waarmee zou ik het dan snijden? en als zij my hout ge- 
ven om de spijs te koken, waarmee zal ik het dan binden?** 
Q^ Nauwelijks is Ismail met zijn vader vertrokken, of 
Tblis komt bg Hadjar en vraagt haar: „weet gy waarheen 
uw zoon gebracht wordt?" „Zijn vader brengt hem naar 
een feest''. „Uw zoon is niet nitgenoodigd, zijn vader wil 
hem doodend „Hoe zou een vader zijn kind dooden?' 
„God heeft hem bevolen uw kind te offeren/' „Als het op 
Gods bevel is. dan berust ik er in: wie zou zich daartegen 
kunnen verzetten ', is Hadjar 's laatste woord. Iblis, die 
vruchteloos de moeder tot verzet tegen God heeft trachten 
aan te zetten, gaat nu naar Ismail om daar hetzelfde te 
beproeven; maar ook hier mislukt zijn toeleg, daar de 
knaap geheel bereid is om zich aan Gods beschikking te 
onderwerpen. Hij vertelt aan zijn vader, wat Iblis hem 
heeft meegedeeld en nu beveelt Ibrahim hem dezen m^ 
steenen te werpen; vandaar dat de pelgrims tot heden toe, 
als zij in het dal van Mina (^^^j gekomen zijn, ieder drie 
steenen gooien ter herinnering aan de steeniging van den 
duivel door Ismail. Als zij aan de plaats gekomen zyn, 
waar het offer zal geschieden, bindt Ibrahim zijn zoon, die 
zich met de grootste vroomheid aan God overgeeft en alleen 



299 

verzoekt zijn moeder te troosten; eeomaal hoopt hij haar in 
den hemel weer te ontmoeten. Maar oi Ibrabim het hoofd van 
zgn zoon al bedekt en met afgewend gelaat wil toestooten, 
het mes wil niet snijden (^^') en als het op Ibrahim's gebed 
de gaaf krijgt om te spreken, zegt het: „evenals God^ toen 
Namroed n in den gloeienden oven liet werpen, aan het vaar 
beval koad te blijven, zoo beett hij mij verboden een haar 
van Ismail te krenken onder bedreiging, dat ik hem deren- 
de met het eeawige hellevaar zal gestraft worden". Op dit 
oogenblik hooren zij een stem, die aitroept: ^^God is groot"; 
en Ibrahim ziet Djabrail verschijnen^ die hem zegt, dat God 
over zijn gehoorzaamheid voldaan is, en hem een ram alt 
den hemel brengt om in plaats van Ismail geofferd te wor- 
den. Van de haid en de haren van den ram maakte Sara 
een matras (^^), die in de ark des verbonds bewaard werd. 
(In den tijd van Mohammad werd die baltzak door Djabrail 
aan Omar gebracht^ die er zijn slaapplaats (^^^) van maakte 
en hem mee nam, toen hij stierf. Ook de haid van den 
stier^ dien Moesa slachtte, werd aan Omar gegeven; door 
die twee dingen zal de Islam bestendig zijn tot aan den 
dag des oordeels) (!) 

Ibrahim blijft na geraimen tijd bij Sara het volk aan- 
sporende tot vroomheid en hen onderwijzende in den waren 
godsdienst, tot hij het bevel ontvangt te Mekkah, de woon- 
plaats van Ismail, den Ka'batoe'Uah te boawen {^*% Ibra- 
him begeett zich daarheen en ziet op de plek tot den boaw 
bestemd een groote slang {^^^), die zich zoo gekronkeld heeft, 
dat haar staart haar kop raakt; dat zal de omtrek van den 
Ka' bah zijn, die geboawd moet worden van steenen afkomstig 
van vijf (^'^) verschillende bergen, nl. van de bergen Djoedi. 
Djabal Koebeis, Toersina d. i. Sinaï, Sarindib d. i. deA- 
damspiek en Harah. Als de Ka'bah gereed is. smeekt Ibra- 
him dat God aan allen, die dezen tempel bezoeken zallen. 
ban zonden vergeven en de eeawige zaligheid schenken zal. 
God gelast hem daarop aan alle menschen toe te roepen, 
dat zg het nieaw geboawde heiligdom moeten bezoeken (^^'). 



300 

Alot zullen de mensehen op de gebeele aarde mij veretaan'^ 
rraagt bij. „Ik zal, antwoordt God, uw stem doen hooren 
aan allen die na leven niet alleen, maar ook aan de nog 
niet geborenen, en al de werkelijk geloovigen zullen uant 
woorden/' Inderdaad verneemt Ibrahim op zijn geroep stem- 
men, zonder evenwel iemand te zien. Nu ontving bg nog 
den last vier vogels te slachten nl. een baan, een pauw. 
een kraai en een boeroeng gërgasi ; den baan, omdat bij het 
wellustigste dier is, als een les dat de menscb zijn zinne- 
lyke lusten moet overwinnen; den pauw, omdat by trotsch 
is op zijn scboonbeid, terwijl de menscb de begeerte naar 
wereldsebe ijdelbeid in zich dooden en deze wereld beneden 
de eeuwigheid stellen moet ; de kraai, omdat zij gulziger is 
dan alle andere vogels en de gërgasi, omdat bij een zeer 
hoogen ouderdom, 500 jaar, bereikt en de menscb niet moet 
hopen, dat hem zulk een lang leven toegedacht is. Na die 
vogels gedood te hebbeu hakt ibrahim ze fijn. maar door 
Gods macht worden zij weer levend, blijven zeven dagenen 
nachten om hem heen vliegen en verdwijnen dan. 

Toen Ibrahim en Sara reeds zoo oud waren, dat zij de 
hoop badden opgegeven kinderen te krijgen, gebeurde bet 
eens dat de profeet na zeven dagen en nachten gevast te 
hebben bezoek ontving van 12 schoone jongelingen, engelen. 
maar die hij niet als zoodanig herkende. Hij liet een vet 
rund slachten, dat Sara zelf had groot gebracht, zette zijn 
gasten het vleesch met brood voor en noodigde ben uit met 
hem te eten. Onder den maaltijd keek hij niet naar ben om, 
of zij aten of niet; want vooreerst is dit niet wellevend: de 
gasten zouden verlegen worden, als men hen naar den mond 
zag, en daarenboven had het lange vasten hem zelf hongerig 
gemaakt. Maar Sara zag van achter een gordijn, dat de 
vreemdelingen de spijs niet aanraakten en maakte baar man 
hierop opmerkzaam, .,Wel. heeren, sprak deze nu, betaalt 
toch den piijs van dezen maaltijd.'' ,, Welken prijs moeten 
wy betalen''; vroegen zij. „Vooreerst moet gij eten, maar 
vooraf zeo:gen : in naam van den barmhartigen en goeder- 



301 



tieren God, en als gij dan gegeten hebt, moet gij zeggen 
ik dank u God, Heer des heelal».*' Nu maakte Djabrail 
zich en de hem vergezellende engelen bekend en deelde aan 
Ibrahim mede, dat zij op reis waren naar Loet om dezen 
te bevrijden uit de hand zijner vijanden en deze te8ti*affen. 
en tevens dat God hun opgedragen had hem, Ibrahim^ te 
bezoeken en het bericht over tebrengen^ dat hem een zoon 
zon geboren worden. Tshak, en twee andere^ Madin en Ma- 
dian (^^) en dat Ishak een zoon zon krijgen Jakoeb en deze 
weer een zoon Joesoef. Ongeloovig lachend boorde Sara deze 
mededeeling aan: zij vond het onnatuurlijk dat zij, die reeds 
ond was en altijd onvruchtbaar gebleven, na nog moeder 
zon worden en vroeg dus een zichtbaar teeken van de waar- 
heid der belofte. ., Welnu, sprak Djabraïl, neem een doeden 
tak van den bidaraboom (^^^), die voor het huis staat en 
steek dien in den grond." !^ara doet dit en in een oogen- 
blik is het dorre hout een bloeiende, vruchtdragende boom 
geworden; „zoo ook, zegt DjabraiK zal God uit u een zoon 
Tshak doen geboren worden '' (^*®) 

De engelen begeven zich nu op reis naar Loet; op zgn 
verzoek vergezelt hen Ibrahim, die echter op eenigen af- 
stand van Sodom wordt achtergelaten; van een hoogte mag 
hij de straf zien. die de goddelooze steden zal treften, maar 
kwam hij dichter bij, dan zou hij het gezicht daarvan niet 
kunnen verdragen. Te Sodom ontmoeten de engelen Loet's 
dochters, wier vader op 'toogenblik even afwezig is, maar 
weldra verschijnt. De schoone jongelingen ziende, denkt hij 
„laat ik hen niet by daglicht in mijn huis brengen, maar 
als het donker is, opdat niemand hen ziet, anders zal men 
hun kwaad doen.' Afaar nauwelijks zijn de engelen in zgn 
huis, of de lui van Sodom komen tot hem en eischen zgn 
gasten op (^^'). Vergeefs biedt Loet hun zijn dochters aan; 
zij verwonden Q^) hem en willen met geweld zyn huis 
binnendringen; maar uu slaat Djabrail hen met een veer 
van zijn vleugels, waardoor hun allen neus en oorenaffalleD. 
Zij beloven rustig te zullen heengaan, wanneer zij eerst van 



302 

han wondeo genezen zijn; tot driemaal gesehiedt hetzelfde, 
waarom zij Loet van tooverij beschuldigen en heengaande 
dreigen, dat zij den volgenden morgen zich zullen komen 
wreken. Na hun vertrek deelt Djabrail zijn gastheer mee, dat 
hij gekomen is om Sodom en drie andere steden (^^>) te ver- 
woesten; alleen Zohar zal gespaard blijven, omdat het geen 
gemeenschap met de vier andere heeft en ook zijn dochters 
niet aan de mannen van Sodom ten huwelijk wil geven. 
Djabrail neemt Loet met zijn kinderen en al zijn have op 
zijn vleugels en zet hem buiten de stad neer, waarna hij 
hem den weg wijst naar Ibrahim. Alleen Loet's vrouw was 
achtergebleven; niet alleen mocht Loet haar niet meenemen' 
omdat zij een ongeloovige was, maar zij zelve wilde niet 
meegaan en noemde haar man een leugenaar en een krank- 
zinnige, toen hij haar den aanstaanden ondergang van het 
geheele laud aankondigde. In den vroegen morgen had de 
verwoesting plaats; huizen, bergen, hosschen, vlakten worden 
opgenomen met de duizenden menschen, die het land be- 
woonden, in de lucht geslingerd en weer neergesmakt op de 
aarde, waarin zij verzonken. Toen Ibrahim van uit de verte 
dit tooneel zag. verloor hij zijn bewustzijn ; maar Djabrail brengt 
hem weer bij en verwijt hem : ,,ik had u immers voorspeld, dat 
gij den aanblik der verwoesting niet zoudt kunnen verdra- 
gen*'. (^'-) Nog vraagt Tbraliim : „als er vrome menschen in 
dat land geweest waren, zon het dan zoo gestraft zijn?'' en 
ontvangt daarop ten antwoord: ,,als er maar één vrome ge- 
weest was, dan zouden om zijnentwil de anderen gespaard 
zijn' 

Op zekeren dag liep Ibrahim rond en kwam aan een zeer 
schoone plek, waarvan hij bij zich zelf zeide: ,, als hier water 
was, zou ik mijn gebed willen verrichten'*. Nauwelijks is de- 
ze gedachte bij hem opgekomen, of een slang steekt haar 
staart in den grond en er ontspringt een bron. Nadat op zijn 
verzoek de slang zich verwijderd heeft, doet Ibrahim zijn ge- 
bed en keert daarop naar zijn woning terug, maar nu ver- 
valt hij in godsdienstigen hoogmoed. ,,,Ik weet niet, zegt 



303 

hijy dat eenig mensch meer in aanzien is bij God en meer in vor- 
me overpeinzingen en ontbonding leeft dan ik'\ Deze hoogmoedi- 
ge gedachte mishaagt God en onmiddellijk laat zich zijn stem 
hooren: „voorzeker gij zijt meer geëerd dan anderen, maar 
Mohammad zal u overtreffen , en wat nw vrome onthouding van 
de wereld aangaat, begeef u naar den berg Linan en bestijg 
dien". Ibrahim doet dit en ontmoet daar een bnitengewoon 
groot en zwaargebonwd man, die hem vertelt dat hg Hoed, 
de zoon van Barid, de kleinzoon van Sem, de achterklein- 
zoon van Noeh is, maar wien hij zyn pigen naam niet noemt. 
Op Hoed's gebed daalt een prachtig gerecht van de heerlgkste 
spijzen voor hen neer en nu vertelt hy aan Ibrahim, dat hg 
op een eiland midden in de zee woont en dat hij daarheen 
gaande over het water loopt. ,,Ean ik u daarheen vergezel- 
len/' vraagt Ibrahim. „Hoe zou dat mogelijk zijn, krijgt hij 
ten antwoord, de zee is onmetelijk diep. Toen Noch aan zijn 
ark werkte, liet hg een bijl in het water vallen, dat is reeds 
2000 jaar geleden en nog heeft die bijl den bodem der zee 
niet bereikt. Maar aan den voet van dezen berg is een grot 
en daarin houdt een ontzettend groote, woeste tijger zijn ver- 
blijf; kunt gij dat dier naderen, dan zijt gij ook in staat over 
het water te loopen". Ibrahim gaat naar de grot, vreeselijk 
brult hem de tijger tegen, maar nauwelgk heeft deze den 
vriend Gods herkend, of hij wordt mak en likt hem de voe* 
ten. Daarop wandelt Ibrahim met Hoed over dezeenaarde 
woonplaats van dezen, waar hij niets ziet dan een oude mat, 
een kom en een dorren stok. „Die mat, zegt Hoed, is mijn 
slaapplaats en dient mij om er mijn gebeden op te doen; in 
die kom haal ik het water voor het gebed en die stok ver- 
schaft mij mgn voedsel." Daarop steekt hij den stok in een 
rotsblok, even gemakkelijk alsof hij zijn vinger in meel 
stak, en in een oogenblijk kreeg de stok vier takken; aan 
den eenen groeiden dadels^ aan den tweeden druiven, aun 
den derden rozijnen en aan den vierden vijgen. Nadat beiden 
zich aan die vruchten verzadigd hadden, sprak Hoed: „nu 
zal ik u nog iets wonderlijks laten zien." Daarop bracht hij 



304 

Ibrahim naar een grot in de zee, waar op een prachtig 
rustbed een man lag alsof hij sliep, maar hij was dood Aan 
het hoofdeind was een gondeu plaat, waarop met zilveren 
letters geschreven stond: .,<[énmaal was ik de machtigste vorst; 
duizend rijken waren mi) onderworpen, duizende prinsessen 
waren mijne vrouwen en nadat ik van alles genoten had, is 
mijn einde toch geweest de dood. Vorsten en groeten, laat u 
niet door de wereld verleiden, zooals zij het mij gedaan heeft''. 
Toen zij zonden heengaan, sprak Hoed: „neem van de edel- 
gesteenten, diamanteik en juweelen, die hier liggen, zooveel 
gij wilt mee''. ,, Waartoe zon ik dat doen, antwoordde Ibra- 
him, ook mijn einde zal de dood zijn en dan zal ook ik 
evennis deze vorst al die Hchatten moeten achterlaten. Maar 
ik heb n een verzoek te doen : bid (^od, dat hij mij mijne 
zonden vergeve'*. „Reeds Hedert veertig jaar, hernam Hoed, 
bid ik God en nog heeft hij mijn gebed niet verhoord, ik 
durf hem dus nu niet iets anders vragen '. (Hier is een ge- 
deelte door den afschrijver overgeslagen, dat uit No. 122 kan 
aangevuld worden). Eens nl. had Hoed een buitengewoon 
Hchoonen knaap gezien en vernomen, dat deze knaap Ismail. 
de zoon van den vriend Gods was. Toeik had hij God gebe- 
den hem tbrahim te doen ontmoeten, maar nog altijd was 
dit gebed onverhoord gebleven. Nu maakte Ibrahim zich be 
kend, waarop beiden dankzeggingen ten hemel zonden. 

Ibrahim keerde vervolgens naar zijn woonstede terug en 
hield zich nog meer dan vroeger met godsvereering en vrome 
werken onledig. God schonk hem toen uit Sara een zoon 
Ishak, een tweeden Madin en een derden Madain. Ismail 
woonde te Mekkah en had een zoon. die zeer groot, schoon 
en dapper was, Kidan (^^') heette en koning van Arabië 
werd. Tshak had twee zoons, Esau M^^) en Jakoeb. Ishak's 
vrouw heette Rifaka; zij werd zwanger van tweelingen, 
die in haar schoot twist kreicen, wie het eerst zou geboren 
worden. Jakoeb was de oudste, maar Esau dreigde hem: „zoo 
gij het eerst geboren wordt, zal ik den schoot van onze moe. 
der schoppen, dat zij het besterft." Hierop zweeg Jakoeb en 



305 

zoo zag Ësau het eei^t het licht. Nu verloop van tijd werd 
Esan koDing van Hoem, terwijl Jakoeb bij zijn vader bleef. 
Isbak's broeder Madin werd koning in Babil en Madain in 
Trak. Kidan's zoon Sjoeaib werd koning in liet rijk Madain 
(MidianV) en geheel Ferzië was in zijn macht. 

Toen nu Ibrahim 120 jaar (**^) was, werd bij ziek; hij 
riep zijn kinderen en kleinkiniieren tot zich en vermaande 
hen het ware geloof te blijven belijden. .,Uoadt u steeds aan 
deze dingen: ik heb mij nooit bezorgd gemaakt over mijn 
voedsel van morgen ; ik heb nooit iets op zij gelegd dan voor 
mijn gasten en in de derde plaats, als gij op denzelfden tgd 
twee dingen te doen hebt, het eene voor de eeuwigheid, het 
andere voor de aarde, doet dan eerst wat de eeuwigheid geldt 
en houdt u daarna bezig met de aardsche beslommeringen.' 
{^^) Daarop gaf hij den geest en werd te Baitoel moekadas 
begraven. 

ISHAK. 

Kort na Ibrabim's dood sprak Isniail tot zijn broeder Ishak: 
^geef mij iets tot een aandenken aan onzen vader." Maar 
Ishak antwoordde: ^.gij zijt de zoon van een slavin, het past 
u niet iets uit de nalatenschap van onzen vader te nemen; 
ik ben de wettige zoon. geboren uit een vorstelijke moeder 
en mi) komt de geheele nalatenschap toe.'' Ismail verwijdert 
zich bedroefd, maar God zendt Djabrail om Tshak de straf 
voor zijn gedrag te voorspellen: ,,gij hebt Ismail beleedlgd. 
die zoo welgevallig is aan den Heer; maar weet, dat uit zijn 
geslacht de verhevenste der profeten, Mohammad, zal geboren 
worden, terwijl gij zelf de stamvader zult zijn der ongeloo- 
vige Joden en Kristenen : de nakomelingen van Ismail zullen 
heer zijn van uw nageslacht, uw nakomelingen zullen ge 
vangen genomen, in dienstbaarheid gebracht en als slaven 
verkocht worden.' Twaalf jaar weent Ishak om deze voorspel- 
ling, totdat hij blind is : toen kreeg God medelijden met hem 
en zond Djabrail om hem te troosten. „God heeft uw droef- 
heid gezien, sprak de engel en daarom belooft hij, dat uit 
uw geslacht 7000 nabi's zullen voortkomen en ook Moesa, het 



306 

woord Gods. kalamoe'llah (i^^); ook iHn' zoodeo wil hy uit- 
wiascbeu en a het gezicht teniggeveu, maar alleen roordit 
leven; doch als ik aw oogen eerst <»pdenjong8ten dag open, 
dan zalt gij Hem aanschouwen/' „O Heer. antwoordt hy, 
open dan mijne oogen eerst op den jongsten dag." 

Wat na zijn zoons aangaat, Ësau was de lieveling van 
zijn vader en Jakoeb die van zijn moeder, die hem helpt 
om den voor Esau bestemden zegen te verkrygen, welk ver- 
haal geheel overeenkomt met Genesis (^^^). Ishak sterft (^^*) 
en wordt door zijn zoons, die weer verzoend zyn, naast Ibra- 
him begraven. 

JAKOEB EN JOESOEF. 

Toen Jakoeb aan zijn broeder den vaderlijken zegen ont 
stolen had, vluchtte hij op raad van zijn moeder, die vrees- 
de dat Esau hem zou vermoorden, naar haar broeder Laban. 
Deze had twee dochters, die beide schoon waren; maar de 
jongste Rabil was nog schooner dan de oudste Lea. Laban. 
die gemerkt heeft dat Jakoeb Rahil tot vrouw verlangt, draagt 
hem op de bedevaart voor hem te doen. ^an dien tocht te- 
ruggekeerd huwt Laban hem, maar gelijk hij te huis komen 
de bemerkt aan Lea. Laban verontschuldigt zich mettezeg- 
gen, dat zoo hij eerst zijn jongste dochter had uitgehnwd, 
men daarop met recht aanmerkingen zou gemaakt hebben; 
„maar, voegt hij er bij, doe de bedevaart nog eens, dat zal 
de bruidschat zijn voor Rahil. ' Nadat Jakoeb aan deze op- 
dracht voldaan heeft, krijgt hij werkelijk Rahil ook tot vrouw: 
want in dien tijd was het geoorloofd met twee zusters tege- 
lijker tijd getrouwd te zijn, verklaart de tekst. Lea en Rahil 
kregen van haar vader ieder een slavin, die zij beiden aan 
Jakoeb als bijwijven afstonden en die hem kinderen schonken 
evenals zijne vroowen. Nadat Ishak begraven was, nam E^u 
afscheid van Jakoeb en toog naar Roem, waar hij om zijn 
dapperheid en kracht door hoofden en- volk tot vorst verkozen 
werd en ook alle aan Roem onderworpen radjas hem gaarne 
als hun souverein erkenden ; na zijn dood ging de heerschap- 
pij van Roem op zijn nageslacht over. 



307 

Jakoeb had 12 zonen, (^^^) van welke de oudste Jahoeda 
uit Lea geboren was; Aahil gat hem twee zonen, Joesoefen 
Benjamin, bij wiens gelM>orte zr) sliert. Volgens den tekst is 
Joesoet een Arabische, Benjamin een Hebreen wsche naam. 
Joesoef nu was buitengewoon schoon, op zijn voorhoofd tus- 
schen de wenkbrauwen had hij een wit vlekje en op zijn 
rechterwang een zwart; verder had hij zwart haar^ lenige ar- 
men^ vleezige kuiten, een fijnen hals, een breede borst, een 
spitsen neus; als hij lachte, vertoonden zich zijn schitterende 
tanden en al zijn bewegingen waren sierlijk (^^'). Die schoon- 
heid had hij geërtd van zijn grootvader Ishak (een Hebreeuw- 
sche naam, die beteekent (te lachende) en deze weer van zijn 
moeder Sara, de schoonste vrouw na Hawa. Wahab zegt: 
als de schoonheid tien is, dan had God daarvan negen dee- 
len aan Joesoet en éèn deel aan alle andere menschen ge- 
schonken. — (De beschrijving van Joesoef s schoonheid volgens 
verschillende verhalen beslaat in dit hs. zeven pagina's.) — 
Van Jakoeb's andere zonen was Jahoeda de uitstekendste; 
niemand was zoo groot en sterk als hij; wanneer hij zijn 
stem verhief, verloren allen die hem hoorden het bewustzijn; 
schoot hij, dan doorboorde zijn pijl een ijzeren aanbeeld en 
hakte bij op een steen of een stuk ijzer, dan kloofde hij het 
in tweeën, als of het een antimoen (komkommer) was. 

[De ongeloovigen van Mekkah hadden een verhaal in het 
Arabisch opgesteld, dat zij voordroegen als of«het een verbaal 
uit den Koran was, zooals die door Djabrail aan Mohammad 
werden geopenbaard. Dagelijks lazen zij dat met luider stem- 
me voor in de Baitoe'lka'ab, opdat de groote menigte zich 
om hen zou verzamelen en niet naar Mohammad gaan luis- 
teren. Toen beeft God de buitengewoon fraaie geschiedenis van 
Joesoef aan den profeet doen meededen. Kens had deze zijn 
geliefkoosde kleinkinderen Hasan en Hoesain op den schoot, 
toen Djabrail tot hem kwam en sprak: ,,de Heer doet u 
weten, dat van deze uwe twee lievelingen de eene door ver- 
gif zal omkomen en de andere door het zwaard." Op dit 
bericht begonnen Mohammad, 'AH en Fatima bitter te weenen; 



308 

maar Gods 8teui kwam tol deu profeet : ;,gij zijt bedroefd 
over uw kleinkinderen, maar vö6r u heett nabi Jakoeb, die 
ook mijn vriend was. eeu dergelijken kommer ondervonden. '] 

God had voor Jakoeb een boom doen groeien^ die telkens 
wanneer den aartsvader een zoon geboren werd. een tak uit- 
sehoot: die tak groeide met het kind en als dit volwassen 
waS; gaf Jakoeb hem dien als staf. Zoo hadden tien zoons 
een staf ontvangen : maar bij Joesoefs geboorte was er geen 
tak uitge&choten en zoo kreeg hij ook geen stok; doch op 
zijn verzoek deed Jakoeb een gebed en daarop daalde voor 
hem een staf van groen topaas uit den hemel neder. Wan- 
neer Jakoeb ging slapen, legde hij Joesoef naast zich en 
nu gebeurde het op een nacht, toen de knaap nauwelgks 
zeven jaar was. dat hij een droom had. (^^^) Hg stak nl. 
zijn staf in den grond en terstond kreeg deze takken en 
bladeren en begon te bloeien en vruchten te dragen; zijn 
broeders staken allen hun staven rondom den zgne in den grond, 
maar zij bleven dor en de zijne verhief zich hoog boven de 
hunne; toen kwam er een harde wind, die de andere stok- 
ken uit den grond rukte en in de zee wierp^ terwijl alleen 
de zijne bleet staan. Hg schrok en vertelde zijn vader, wat 
hij in zijn droom gezien had. Toen de broeders dit verna- 
men zeiden zij: ^het schijnt, dat gij n voor onzen heer en 
meester wilt uitgeven en dat wij uwe dienaren zullen worden, * 
Hun afgunst, opgewekt door de voorliefde, die Jakoeb voor 
Joesoef ))etoonde. werd hierdoor nog vermeerderd. 

Toen hij twaalf jaar was, had hij op nieuw een droom. (^^) 
„üe hemel opende zich, een schitterende glans kwam daar- 
uit voort, die de geheele wereld vervulde, en de geheele na- 
tuur zong Gods lof; ik was gekleed in prachtige kleederen 
en alle schatkamers der wereld waren in mijne hand; daar- 
op daalden de zon. de maan en elt sterren neder en bogen 
voor mij.*' Jakoeb zag ook in dezen droom een voorteeken 
dat Joesoef groot en machtig zou worden, maar waarschuwde 
hem niets aan zijn broeders te vertellen. Ondertusschen bad 
Dalfak, Jakoeb's bijwgf, (^^) Joesoef het verhaal van zgn 



309 



droom hooren doen en ondanks Jakoeb's verbod deelde zij 
hem aan de broeders uiee, die van nu af besloten Joesoef 
op de een of andere wijs uit den weg te ruimen. Wel waar- 
sehuwde Roebil (Ruben) hen, Q^'') dat zij Joesoef niet zou- 
den kunnen dooden, want bet mes zoo niet snijden, even 
als dit het geval was geweest bij gelegenheid yan Ismail's 
offer; ook Jaboeda waarschuwde tegen moord, die een zon- 
de is, waarvoor geen vergiffenis bestaat; maar in ieder ge- 
val zouden zij Joesoef van hun vader verwijderen, dan zou 
deze wel genoodzaakt zyn hun zijn liefde de schenken. Nu 
gebeurde het eens, dat Jakoeb een droom kreeg. Hij zagnl. 
dat toen Joesoef op een berg was, tien sërigala's op hem 
afkwamen ; reeds wilden zij hem te lijf gaan, toen plotseling 
de aarde scheurde en uit de spleet een tijger te voorschijn 
kwam, die hem greep en met hem in de kloot verdween. 
Van nu af werd hij nog meer bevreesd, dat het een of ander 
gevaar zijn lieveling bedreigde en liet hij [hem geen oogen- 
blik van zyn zijde, üij vertelde zijn droom aan zijn andere 
zoons, die zich nu den weg aangewezen achtten om hun 
plannen tegen den gehaten broeder ten uitvoer te brengen. 
Op zekeren dag dan drongen zij er bij Joesoef op aan, 
dat hij hen vergezellen zou naar de plaats, waar hun kud- 
den graasden, dan kon hij zien, hoe zij zich daar vermaak- 
ten en aan hun spelen deelnemen. Jakoeb, zijn zoons wan- 
trouwende, weigerde eerst, maar daar Joesoef zelf erop aan- 
drong om mee te gaan, gaf hij eindelijk zijn toestemming. 
Toen zij ver genoeg waren, vielen de broeders op Joesoef aan, 
sloegen en mishandelden hem, zoodat hij het bewustzijn 
verloor en wilden hem vermoorden; maar hiertegen verzet- 
te zich Jahoeda, die echter zijn toestemming gaf om hem in 
een put te werpen, welke zich in de nabijheid bevond. Die 
put, Djoeba geheeten, (^^) was door JSem op den handels- 
weg tusschen Madaïn en Mesir gegraven en de voorbytrek- 
kende karavanen maakten gebruik van zijn water om hun 
lastdieren te drenken. De opening was zeer nauw en hij werd 
naar beneden hoe langer hoe wijder, zoodat het onmogelijk was 



310 

naar boven te klimmen. Maar God zorgde voor den knaap; 
een engel bracht bem een zachten steen, die hem tot zitplaats 
diende en boven het v^ater bleef zweven, ontboeide zijn vast- 
gebonden handen en bezorgde hem een kleed in plaats van 
het zijne, dat zijn broeders hem ontnomen hadden. Toen 
Ibrahim nl. in den vurigen oven van Namroed geworpen was. 
had Djabrail hem een kleed uit den hemel gebracht; dit was 
geërfd door Ishak en na dezen door Jakoeb, die er voor 
Joesoef een amulet van had gemaakt, dat deze steeds om den 
hals droeg en dat de engel nu weder in een kleed voor hem 
veranderde. Verder werd de put inwendig verlicht; het water, 
dat brak was, werd uitstekend drinkwater en Joesoef ont- 
ving spgs uit den hemel. 

Ondertusschen keerden de broeders naar Jakoeb terug en 
vertelden hem, luid weenende alsof zij diep bedroefd waren, 
dat terwijl zij zich een oogenblik verwijderd hadden een 
tijger {^^'^) Joesoef had verslonden. „Hier is zijn met bloed 
bevlekt kleed'', zeiden zij; want om den schijn van waarheid 
aan hun woorden te geven, hadden zij een geit geslacht eu 
met het bloed van dat dier het kleed besmeerd. Maar toen 
Jakoeb het bekeek, zag hij dat het niet gescheurd en het 
verhaal dus een leugen was. (Volgens Sabi heeft het kleed 
van Joesoef driemaal als bewijs gediend: P dat Joesoef niet 
door een tijger verscheurd was, want het was ongeschonden; 
2" dat hij tegenover Potifar's vrouw onschuldig was, want 
het was van achter en niet van voren gescheurd; 3® dat hy 
de zoon van Jakoeb was, want toen hij het aan zijn vader 
zond en deze zich er de oogen mee wreef, herkreeg hij na 
jarenlange blindheid het gezicht.) ,,Brengt mij dien tijger'', 
beval hij in zijn droefheid. Den volgenden dag gingen zy 
op jacht en vingen werkelijk een tijger, dien zij gebonden 
by hun vader brachten. Deze liet de boeien losmaken en 
sprak toen: ,, tijger, hebt gij mijn zoon Joesoef verslonden'^? 
Door Gods macht kreeg de tijger het vermogen om te spreken 
en antwoordde: ,,hoe zou ik dat durven, immers het vleesch 
der nabi's Ir ons verboden. Ik ben hier een vreemdeling 



311 

('^) en ben gekomen om mijn familie te bezoeken". „Zelfs 
dieren^ riep de aartsvader uit, hebben toegenegenheid voor 
hun bloedverwanten*'; daarop gaf hij den tijger de vrijheid 
en heengaande bad deze voor hem, dat het hem eenmaal 
mocht gegeven worden zijn zoon weer te ontmoeten. Vol 
rouw en kommer wendde Jakoeb zich van zijn zoons af en 
schonk na al zijn liefde aan zijn jongsten Benjamin, dien 
hg geen oogenblik meer uit het oog verloor. — Abbas vertelt 
het volgende als de reden, waarom Jakoeb van Joesoef ge- 
scheiden werd. „Eens slachtte Jakoeb een geit; een kam- 
ponggenoot, die juist voorbijging, vroeg een stuk van het 
vleesch; maar Jakoeb deed of hij het verzoek niet hoorde en 
gaf hem niets; daarom zond God hem die groote smart". 
Een ander verhaal zegt: ^Jakoeb had het kind der min van 
Benjamin verkocht, opdat zijn zoontje alleen zuigende meer 
voedsel zou kijgen ; daarom werd hij van zijn meest geliefden 
zoon gescheiden*'. 

Op den vierden dag kwam een karavaan, welker aan- 
voerder een Arabier, volgens anderen een Pers was, Malik 
ibn Dair 0^^) geheeten, en die op reis was naar Mesir (Egypte), 
langs den pnt. Bij het putten van water kwam de emmer 
bij Joesoef, die hem greep en zoo naar boven gehaald werd; 
de Abyssinische slaaf, die geput had, schrok eerst, maar 
bracht spoedig den jongeling bij zijn meester. Juist op dat 
oogenblik kwam Jahoeda daar, die zich den geheelen nacht 
over zijn broeder ongerust had gemaakt; ziende dat deze 
weggevoerd werd, riep hij zijn broeders en nu spoedden 
deze zich naar Malik ibn Dair, wien zij verzekerden dat 
Joesoef hun weggeloopen slaaf was. Op raad van Jahoeda 
antwoordde Joesoef, toen hem gevraagd werd; „zijt gij de 
slaaf van die mannen (hamba marika itoe)", ^Ja"'' (akoe 
hambanja), waar hij in zijn gedachte aan toevoegde Allah, 
d.i. ik ben een hamba van Allah (^7^). Daarop kocht Malik 
hem voor de kleinigheid van 18 dirham, daar hij geen 
geld mé^r bij zich had. — Eens had Joesoef in den spiegel 
ziende, bij zich zelf gezegd dat, als hij verkocht mocht 



312 

wordeu, /jju waarde xoo groot was. dat Diemaod lieni zou 
knonen koopen; het was een straf voor die aiting^ dat er 
on zalk een geringe som voor hem betaald werd. — De 
reden ('7^) dat Joesoef alf: slaaf naar Egypte verkocht wei*d, 
was dat toen Ibrahim dat land eens bereisde, alle vromen hem 
vergezelden en onder allerlei betuigingen van eerbied en ont- 
zag uitgeleide deden. Maar Ibrahim betoonde zich hoogst 
onverschillig tegenover die menschen: daarom liet God hem 
weten, dat een van zijn nakomelingen slaat' in Egypte zon 
zijn. — Malik had eens een droom <>:ehad. waarvan volgens 
een droomuitlegger de beteekenis wus, dat hij in Kanaiin 
een knaap in zijn bezit zou krijgen, door wien hij rijk in 
goederen worden en hiernamaals in den hemel komen zou. 
Terstond had hij zich met een karavaan op reis begeven, 
maar een stem vernomen^ die tot hem sprak: ^^eerst over 
50 jaar zal uw droom vervuld worden.' Joesoet' nl. was toen 
nog niet geboren. Op den be])aalden tijd herinnerde hij zich 
zijn droom, ging op nieuw naar Kana^n en toen hij du 
den schoonen jongeling gekocht had, begreep hij dat dit de 
hem beloofde slaaf was. 

Tegen den avond trok Malik met zijn karavaan verder, 
die kort daarna langs het graf van Aahil kwam ('^^y; hier 
kon Joesoef zich niet langer bedwingen, liet zich van zyu 
kameel glijden en ging op het graf van zgn moeder zijn 
hart uitstorten. Spoedig bemerkte zijn Abyssinische bewaker 
(173^ zijn afwezigheid en na eenig zoeken werd hij naast liet 
graf gevonden. ..Het is, zooals uw vorige eigenaar ons ver- 
zekerde: ,,gij schijnt een weglooper, een leugenaar en een diel 
te zijn ; daarop sloeg de Abyssiniër hem endeedheui boeien 
aan, waarna hij hem weer op zijn rijdier heesch. Maar 
plotseling deed Djabrail op Joesoef s gebed om hulp een 
bevigen storm ontstaan, rookwolken verhieven zich uit den 
grond en het werdstikdonker: ,, wie van ulieden, riep Malik 
zijn volgelingen toe, heett gezondigd; Iaat hij zich bekeeren, 
▼oor wij vergaan". Nu bekende de Abyssiniër^ dat hij zich 
aan Joesoel vergrepen had: deze deed een gebed, de duis 



J 



313 

ternis verdween en de zon vertoonde zich. Van dat oogen- 
blik stond liet bij Malik vast, dat Joesoef een buitengewone 
persoon was; bij liet diens boeien losmaken en behandelde 
hem met den grootsten eerbied. De reis werd voortgezet en 
eerlang kwam men in Egypte (^^^j in een negeri Andalas; 
hier hield hij stil en van^hierait verspreidde zich heinde en ver 
het gernchty dat hij een slaaf had meegebracht, zoo schoon 
als men nog nooit een man gezien had^ en dat hij dien wilde 
verkoopen. Dit gerucht kwam ter tore van Polifar, Q'^) den 
onderkoning van Egypte, wien de vorst van dat rijk, Aziz 
RiaU; het geheele^ bestuur en het beheer van al zijn schatten 
had opgedragen. Deze Potifar nu had een jonge vrouw 
Zoeleika, (^^^j de ^dochter van den koning van Timoes, schoon 
als de volle maan, en die bij op een bijzondere manier had 
gekregen. Eens toen zij nog een kind was, had zij in haar 
droom een man gezien, die haar door zijn uiterlijk zoo ge- 
troffen had, dat toen zij ontwaakte, zij naar niets dan hem 
verlangde, zoodat zij er van vermagerde. Wel vertelde zij 
haar droom aan haar vader, maar deze kon geen raad schaf- 
fen. Een jaar later zag zij op nieuw denzelfden man in een 
droom en toen hijj haar had meegedeeld, dat bij een mensch 
was, antwoordde zij: „welnu, dan zult gij mijn man en 
ik zal uw vrouw worden"; maar daar zij niet wist, waar die 
man zich bevond, kon haar vader, hoeveel hij ook van zijn 
kind hield, niets doen om haar verlangen te vervullen. Weer 
een jaar later verscheen haar nogmaals die man, die haar 
nu antwoordde, dat hij koning van Egypte was ('7'). Toenzy 
dit aan haar vader verteld had, riep deze zijn rijksgrooten 
bijeen om met hen te beraadslagen. „Koning Rian is reeds 
oud, sprak hij, deze kan dus de bedoelde man niet zyn; 
maar de onderkoning Potifar is nog jong en komt Bian 
te sterven, dan zal hij dezen als koning opvolgen''. Een 
gezantschap werd naar Potifar gezonden om hem te vragen? 
of hij genegen was de schoonzoon van den vorst van Timoes 
te worden en zoo kwam het huwelijk tusschen hem en Zoe- 
leika tot stand. 

TijdMhr. Ind. T. L. en Vk., deel XXXV. il. 



314 

Potifar was verrnkt; toen hij zijn jonge rronw het eerst 
zag, maar Zoeleika was bitter teleurgesteld, want bij den 
eersten oogopslag had zij bemerkt, dat hij de man niet waS; 
die haar in den droom was verschenen. Zoeleika was pas 
twee dagen ('^^j bij Potifar, toen zich het geracht van de 
komst van den schoonen Ilebreenwschen slaaf verspreidde. 
Toen deze den Nijl moest overtrekken, had een visch Dalcedj 
(j:^»^) (iT9j jjijn rug onder Joesoef s voeten gehouden, zoodat 
deze niet nat werden, terwijl de andere visschen liem toe- 
riepen: ^moge God u beschermen, wanneer gij de blikken 
der vronwen ontmoet, opdat uw oogen hun glans niet verlie- 
zen/' Daloedj werd sedert de koning der visschen, die hem 
lederen Zaterdag hun opwachting kwamen maken, en het 
was zijn zoon die later den ring van Soeleiman heeft inge- 
slikt en in wien de profeet Joenoes terecht kwam. Duizen- 
den en dniz^^nden kwamen naar Malik om zijn slaaf te zien, 
die in een draagstoel werd voortgeleid ; de slaaf met het 
toezicht op dien stoel belast, {^^) vroeg eerst één dinar, dan 
zon hij het gordijn wegschuiven, zoodat men Joesoei's gelaat 
kon aanschouwen ; maar toen er telkens meer menschen kwa- 
men, vroeg hij tien en eindelijk honderd dinars per persoon. 
Ook Potifar en Zoeleika begaven zich naar de plaats buiten 
de poort, Q^^) waar de koopman zich ophield, in afwachting 
dat zich een goede kooper voor Joesoef zou opdoen. Nauwe- 
lijks had Zoeleika den jongeling gezien, of zij herkende in 
hem den man van haar droomen, dien zij zoolang reeds vu- 
rig beminde. Op haar verzoek kocht Potifar hem voor een 
onnoemelijken prijs. Malik had nl. als koopsom geëischt het 
gewicht van Joesoef aan goud, zilver, edelgesteenten, amber, 
zijde en andere kostbaarheden en Potifar, die vrije beschik- 
king over Eian's schatkamers had, had den eisch toegestaan; 
maar hoc men de kostliaai heden ook op de weegschaal op- 
stapelde, Joesoef bleef altijd zwaarder, tot hij er zijn ring (^^^) 
bil wierp, waarop de naam van God stond. Toen nu Potifar 
zich gereed maakte om Joesoet weg te voeren, had MaUk 



J 



315 

toch spijt^ dat hij den jongeling had afgestaan; ;,bid voor 
mij, verzo<'ht hij hem, (^^) dat ik zoons moge krijgen, want ik 
heb niets dan dochters/' Joesoef voldeed aan zijn verzoek en 
zijn gebed werd verhoord; in vervolg van tijd kreeg Malik 
24 zoons. 

Joesoef werd door Fotifar als zijn eigen kind behandeld, 
daar hij zelf kinderloos was; ('^^) hij schonk hem zijn volle 
vertrouwen en deed niets zonder hem te raadplegen. Zoelei- 
ka van haar kant was hartstochtelijk verliefd geworden op 
den Uebreeër, die slechts een paar j»ar haar jongere was, 
en haar hartstocht werd telkens heviger, doordien Joesoef 
weigerde aan haar wenschen toe te geven. Eindelijk zocht 
zij uitkomst bij haar oude zoogster; ,,wie kan de vlam, die 
mijn hart verteert, blusschen dan Joesoef, die haar ontstoken 
heeft; help mij toch hem tot mij te brengen.'' Üezoogster, 
die Zoeleika van haar geboorte af verzorgd had en met leedwe- 
zen zag, dat haar meesteres van verdriet ziek werd, gaf 
haar den raad een prachtig paleis (^^^) te laten bouwen met 
zeven deuren en even . zooveel slaapkamers. Daar Zoeleika 
oppermachtig was in Egypte en ieder woord van haar voor een 
gebod gold, was het paleis weldra voltooid. De muren waren 
beschilderd met de meest realistische voorstellingen der 
minnarijen van Zoeleika en Joesoef, en de kamers voorzien 
van de schoonste en kostbaarste tapijten en rustbedden. Daar- 
heen lokt zij Joesoef en tracht hem, nadat zij de deuren ge- 
sloten heeft, tot mingenot in haar armen over te halen. Uit- 
voerig wordt uitgeweid over de middelen, die zij aanwendt 
om haar doel te bereiken; maar Joesoef blijft standvastig 
en als hij op het punt is om te bezwijken, (^®^) vcrscbijnt 
hem nog tijdig Jakoeb en herinnert hem, dat hij een nabi, 
een afstammeling van nabi's is en niet mag toegeven aan 
de verzoekingen van Iblis. Joesoef ontvlucht eindelijk door 
de laatste denr, die hij geopend vindt; maar hij wordt door 
Zoeleika met een zweep (^^^) in de hand vervolgd; zij grijpt 
hem van achter bij zijn kleed, dat scheurt. Juist komt Potifar, 
die dit tooneel ziende niet weet, wat hij denken moet. Be- 



316 

▼reesd; dat Joesoef baar zal aanklagen, besebaldigt Zoeleika 
hem, dat bij baar tot overspel beeit willen verleiden, maar 
Joeaoef ontkent. „Hoe zal ik uitmaken, roept Potiiar uit, 
wie van u beide scbnidig en wie onscbuldig is ; hebt gij een 
getniire, Zoeleika, die nw onscbnld bevestigen kan?" „Zyt 
gij dwaas, is baar antwoord, als iemand zoo iets doen wil, 
roept hij er dan anderen bij?'' „En wie is de getnige van 
nw onschuld/' vraagt bij Joesoef. „Mijn getuige is dat kleine 
kind daar." „Hoe kan een kind van zeven dagen (^^^) spre- 
ken?" „Door Gods macht zal bet spreken, als gij bet on- 
dervraagt/' En werkelijk bet kind antwoordt: „is Joesoef's 
kleed van achter gescheurd, dan is by onschuldig, is bet 
van voren gescheurd, dan is Zoeleika onschuldig''. Zoo werd 
de waarheid geopenbaard, maar uit liefde voor zijn vrouw schonk 
Potifar haar vergiffenis, terwijl hij Joesoet beval het gebeur- 
de geheim te houden. Maar toch lekte bet uit en kwam 
zelfs koning Rian ter oore, die nu aan veertig vrouwen uit 
bet volk opdroeg de geschiedenis overal rond te bazuinen. (^^) 
Toen Zoeleika vernam, hoe die veertig vrouwen overal het 
voorgevallene vertelden en haar beschimpten, nam zg tot 
een eigenaardig middel de toevlucht om aan die praatjes een 
eind te maken. Zij liet die vrouwen den volgenden dag te 
barent noodigen en nadat zij van de fijnste gerechten gege- 
ten badden, gaf zij aan ieder een limau {^^) (sinaasappel) 
(volgens sommigen, voegt de nauwgezette schrijver bierby, 
een limau kelingf volgens anderen een dalima, granaatappel, 
volgens weer anderen een djamboe ajer mawar) en een mes, 
en juist toen zij aan het schillen der vrucht wilden gaan. 
verscheen op Zoeleika's wenk Joesoef, (^^^) dien zij op de 
kostbaarste wijze had laten kleeden. Verrukt over zijn schoon- 
heid riepen zij uit: „dit is geen menscb, bet is een engel 
uit den hemel neergedaald''. Zij konden baar blikken niet 
van hem afwenden, zoodat zij in plaats van de limau 
te schillen zich in de band sneden, waarvan zij niets be- 
merkten, voor baar kleederen geheel met bloed bevlekt waren. 
„Zie, riep Zoeleika zegevierend uit, (^*^) zoo gaat het u, die 



317 

bem slechts een oogenblik gezien hebt ; wat moet er dan wel 
omgaan in mij; aan wie hij reeds in mijn jeugd verschenen 
is en die hem dagelijks in mijn nabijheid heb". De 
vrouwen keerden naar huis terug, maar weldra hoorde Potifar, 
wat nu weer in Zoeleika's paleis was voorgevallen en, be- 
vreesd dat hij de spot der andere rijksgrooten en zelfs van 
koning Bian zou worden, besloot hij in overleg met zijn 
vrienden Joesoef in den kerker te werpen. 

Dien zelfden dag werden twee dienaren van Aziz Bian naar 
de gevangenis gebracht, Kabaz (}^^) (bakker) en Saki (schen* 
ker), beschuldigd van den vorst te hebben willen vermoor- 
den. Onder de leenmannen en rijksgrooten nl. was een zamen* 
zwering gesmeed om Bian uit den weg te mimen en de ge- 
noemde dienaren hadden zich laten omkoopen om vergif in 
zijn spgs en drank te doen. Ter elfde ure evenwel had Saki 
berouw en wai^rschuwde den vorst: „eet niet van de spgs, 
die Kabaz n aanbiedt, want er is vergif in". Toen beschul- 
digde de . bakker van zijn kant den schenker en Bian, niet 
wetende wien te gelooven, beval Saki den wijn te drinken, 
dien deze ingeschonken had, en zonder aarzelen voldeed de 
schenker aan het bevel. Daarop kreeg de bakker last om 
van de spijs te eten, die hij bereid had; hij weigerde echter 
en toen nu het voedsel aan eenige dieren gegeven werd, 
stierven zg onmiddellijk na er van gegeten te hebben. Of^ 
schoon hieruit overtuigend bleek, dat Kabaz de schuldige was, 
liet Bian ook Saki naar den kerker brengen, daar deze altijd 
bevriend was geweest met den bakker en Bian eerst wilde 
onderzoeken, of en in hoever ook de schenker in de zaak 
betrokken was. 

In de gevangenis won Joesoef, voor wien Djabrail weer lorg 
droeg, ondertusschen het vertrouwen en de toegenegenheid niet 
alleen van zijn medegevangenen, maar ook van den cipier; (}^^ 
hij spoorde hen aan tot vereering van den eenigen God, die 
ook hen dan zou beschermen. Na eenige dagen kwamen 
Bian's beide dienaren bij Joesoef en vroegen hem de ver- 
klaring der droomen, die zij volgens ban zeggen dien naeht 



318 

hadden. (Deze droomen zijn dezelfde, die in Genesis zijn 
opgegeven). Q^'*) Joesoef bad God en ontving de gaaf om de 
droomen nit te leggen; maar nsnweiijks had hij dit gedaan 
en aan Saki voorspeld, dat hij den volgenden dag den ker- 
ker zon verlaten en in zijn betrekking herstehl, terwijl Kabaz 
ter dood gebracht zou worden, of de laatste vertelde aan 
Joesoef, dat zij hem maar op de proef hadden willen stellen 
en in het geheel niet gedroomd hadden. ,,Dat doet er niet 
toe, antwoordt Joesoef, wat ik u voorspeld heb zal toch ge- 
beuren. '' Want, voegt de schiijver er bij, zoolang een droom 
een geheim is, heeft hij niets te beteekenen, maar is hij 
eenmaal uitgelegd, dan kan het niet anders, of wat er in 
voorspeld is zal geschieden, en zoo kwam ook Joesoefs 
▼oorspelling uit. 

Toen Saki den kerker verliet, verzocht Joesoef hem zijn 
naam bij den koning te noemen en te zorgen, dat hij zijn 
▼rtjheid terugkreeg; maar terstond verscheen hem Djabrail 
Q^) en deelde hem mee, dat daar hij hulp bij menschen in 
plaats van bij God gezocht had, hij nog zeven jaar gevangen 
zon blijven. En inderdaad Iblis (^^^) (op een andere plaats 
itaat God) maakte, dat Saki de herinnering aan Joesoef ver- 
loor, totdat deze hem na verloop van zeven jaar (^*^) v^eer 
te binnen schoot. Toen nl. kreeg Rian den in Genesis ver- 
melden droom, waardoor hij zoozeer ontstelde, dat hij er zich 
slechts do eerste hellt ('*')van herinneren kon. De droomuit- 
leggers konden geen oplossing geven en eerst toen dacht Saki 
(^ aan Joesoef en deelde hij den koning mede, wat hem in de 
gevangenis was overkomen. Onmiddellijk gaf nu Rian last 
aan Saki om Joesoef bij hem te brengen ; natuurlijk was 
Saki eerst verlegen om zich aan zijn gewezen medegevangene 
te vertoonen, maar deze sprak hem vriendschappelijk toe en 
zei : „dat gij mij vergeten hebt, is de wil van God geweest". 
Daarop vertelde hij aan Saki de eerste helft (^^) van 's ko- 
nings droom (die van de vette en de magere koeien) en beloof- 
de, dat bij den vorst zelf de andore helft en tevens de ver- 
klaring zou meedeelen, maar stelde als voorwaarde, (^^^) dat 



319 

eerst zijn onschnld door Zoeleika en de veertig vroawen zou 
erkend worden. Rian getroffen door wat Saki hem van zijn 
droom nn reeds wist te vertellen en dat hij zich nu herin- 
nerde, liet terctond Zoeleika en de veertig vroawen voor zich 
verHcliijnen en Putiiar's vrouw was de eerste om te verklaren, 
dat Joesoef geheel onschuldig was en zij, hoewel vergeefs, 
hem tot overspel had zoeken te verleiden. Nu keerde Saki 
op nieuw naar Joesuei terug; maar ook nu wilde deze den 
kerker niet verlaten, als niet ook tevens de andere gevan- 
genen in vrijheid gesteld werden. £n t(ien ook aan dit ver- 
zoek voldaan was, begaf hij zich naar het palcis, nadat hij 
eerst in prachtige kleeren gestoken was. Daar vertelde h^j 
aan Rian ook de tweede helft van zijn droom (de volle en 
de schrale aren) en verklaarde dien tevens als de voorspel- 
ling bevattende, dat voor Egypte een tijdperk van zeven 
buitengewoon vette jaren zou aanbreken gevgigd door zeven, 
waarin de grond niets zou voortbrengen. 

Het verder verloop van Joesoef's geschiedenis komt over- 
een met Genesis, alleen bevat dit verhaal nog eenige inci- 
denten, die aldaar niet voorkomen. Potifar wordt uit zijn 
hooge waardigheid ontslagen, ('^^) omdat hij Joesoef onrecht- 
vaardig behandeld heeft; hij wordt ziek van verdriet en sterft 
weldra. Joesoef, die door Rian tot onderkoning verheven 
en wien het bestuur van het geheele land opgedragen was, 
ontving niet alleen al de nagelaten schatten van Potifar, 
maar huwde ook met Zoeleika. Deze, slechts een paar jaar 
ouder dan hij, was ondanks haar huwelijk maagd gebleven; 
telkens toch als Potifar haar wilde naderen, kwam een djin 
tusschen hen beide en nam Zoeleika's plaats in. Toen Joesoef 
dit nit haar mond vernam, ontwaakte de vurige liefde, die hij 
reeds vroeger voor haar gevoeld, maar waaraan hij toen 
weerstand geboden had, weer bij hem; (*^) gaarne vergaf 
bij aan de schoone vrouw het kwaad, dat hij om harentwil 
en door baar schuld ondervonden had en door hun huwelijk 
werd de droom, dien zij in haar jeugd gehad had, verwezen- 
lijkt. Zoeleika schonk Joesoef twee zonen, wier namen moeielijk 



320 

ait de Maleische haDdschriften op te geven zijn, daar de spel- 
ling telkens verschilt; de oudste heet Tail, Tabil, Nail, de 
jongste Afartim, Afarkim, Ratim, waarnit trouwens Efraim op 
te maken valt. 

Door zijn wijze maatregelen, het doen bebonwen van 
allen daartoe gesebikten grond, bet opkoopen van al het 
graan dat niet noodig was voor het dagelijksch gebrnik en 
het opsehnren daarvan met de halmen, opdat het lang goed 
zon blijven, terwijl die halmen tot voedsel zouden dienen van 
het vee, in de pakhuizen, die hij het geheele land door liet 
bouwen, had Joesoef zoozeer de gunst van Rian verwor- 
ven, dat deze hem geheel als zijn gelijke behandelde en hem 
op denzeliden vorstelijken zetel plaats liet nemen; alleen 
wilde hij niet met hem eten: „dat zou niet voegzaam zijn, 
zeide hij, want ik ben een vorst en gij zijt een vrijgekochte 
slaaf."' „Inderdaad, antwoordde Joesoef, dat zon niet passen, 
want gij zijt slechts een radja en ik ben een nabi, een zoon 
en afstammeling van nabi's^'. Dit antwoord trof Rian zoo, 
dat bij van nu^af met Joesoef van één disch at. Toen nu 
de schrale jaren aanbiaken, was Joesoef niet alleen bij het 
verkoopen, maar ook voor zich zelf en Rian zeer zuinig en 
wilde dezen niet meer voedsel geven, dan uoodig was. De 
koning klaagde hierover en zei, dat hy met één maaltqd 
daags niet volstaan kon; maar de ander antwoordde hem: 
„zijn wij niet menschen en schepselen van God evenals uw 
onderdanen? Waarom zouden wij dan in overvloed leven, 
terwijl zij zich behelpen moeten?'' 

Weldra kwamen uit alle omliggende landen, die eveneens 
van den hongersnood te lijden hadden, mannen om koren 
te koopen; zoo Kidan, de zoon van Ismail, de vorst van ge- 
heel Arabië, een man van 30 gaz lang en 7 gaz breed, en 
dien Joesoef, zouder zich evenwel bekend te maken, als bloed- 
verwant met de meeste onderscheiding behandelde. Zoo ook 
Jakoeb's zonen, die in de zakken met koren, welke zij ge- 
kocht hadden, tot hun verbazing den koopprijs terugvon- 
den, maar wien Joesoef uitdrukkelijk gelastte, indien zij temg^- 



321 

kwamen ban jongsten broeder Benjamin mee te brengen. 
In het eerst wilde Jakoeb zijn toestemming biertoe niet geven, 
vreezende dat ook zijn jongsteu zoon een ongeluk zon over- 
komen en bij den eenigen^ die hem van Babil was overge- 
bleven; zon verliezen. Maar daar de tien broeders hardnekkig 
weigerden zonder Benjamin nogmaals de reis naar Mësirte 
ondernemen en het gebrek hoe langer hoe nijpender werd; 
moest hij ten laatste wel toegeven. Op raad van hnn vader 
verdeelden zij zieh om niet gezamenlijk door één pooit^ maar 
in troepjes van twee en drie door de zes verschillende poorten 
binnen te komen. Zoo was Benjamin alleen gebleven voor 
de Syrische poort; Joesoef^ die inmiddels Bian als Sultan 
van Egypte was opgevolgd onder den naam van Azizoe'lka- 
rim, en onmiddellijk bericht had ontvangen van de komst 
der Kananitische manneu; reed Benjamin te gemoet en her- 
kende hem terstond. Na hem een rijk geschenk gegeven en 
hem den weg gewezen te hebben om bij zijn broeders te ko- 
men, keerde Joesoef naar zijn paleis terug, waarheen hij al 
de zoons van Jakoeb ontbood; hij liet hnn een maaltijd voor- 
zetten en wees hnn een woning aao, waar zij tijdelijk ver* 
blijf zonden houdeUi maar Benjamin hield hij bij zich en 
maakte zich aan dezen bekend. Benjamin wilde hem nu 
niet meer verlaten en Joesoef beloofde de een of andere list 
te bedenken om hem altijd bij zich te houden; hij moest zich dus 
niet ongerust maken, wat er ook gebeurde. Den volgenden 
morgen had bet bekende voorval plaats met Joesoef 's beker, die 
zoo kostbaar was, dat als men er koren voor gekocht had, het 
geheele volk van Egypte daaraan meer dan eenjaar genoeg voor 
zgn onderhoud zou gehad hebben, en die nu gebruikt was 
om het graan voor de broeders af te meten. Deze waren 
verontwaardigd, toen die beker ,in Benjamins buidel gevonden 
werd en riepen hem toe: „gg, zoon van Bahil, maakt door 
uw diefstal ons en uw ouden vader te schande''. „Ik heb niet 
gestolen, antwoordde Benjamin, maar hij onder udieBahirs 
zoon Joesoef vermoord heeft, zal den beker ook wel in mijn 
buidel gestoken hebben". Zoo twistende werden zg voor Azizoe'I 



322 

karim gebracht, die terstond last gai Benjamin gevangen te 
nemen; terwijl de anderen naar hun vader konden terngkeeren; 
maar gedachtig aan de belofte die zij Jakoeb onder eede 
gedaan hadden, dat zij met hun eigen leven voor de behon- 
den terugkomst van Benjamin instonden, weigerden zij te 
vertrekken. „Neem een van ons in zijn plaats^ o rechtvaardige 
vorst, want keert hij niet terng, dan zal onze oude vader 
het zeker besterven''. „God verhoede^ roept Aziz uit, dat ik 
een onschuldige zon gevangen houden en een schuldige vrij 
laten; zon dat rechtvaardig zijn? Trouwens de beker is in 
Benjamin's zak gevonden; naar ik vernomen heb^ heeft hg 
een broeder gehad uit dezelfde moeder geboren, die als kind 
ook gestolen heeft; misschien heeft Benjamin wel denzelfden 
aard''. Toen Rahil nl. gestorven vvaS; nam Jakoeb's twee- 
lingszuster (wier naam eerst op het allerlaatst genoemd 
wordt en die dan ook weer Asia heet) den knaap tot zich 
om voor hem te zorgen en hechtte zich zoozeer aan hem, 
dat zij niet van hem kon scheiden. Op een gegeven oogen- 
blik vroeg Jakoeb zijn zoon terug en om dezen nu bij zich 
te kunnen honden bond zijn tante op een nacht, zonder dat 
hij er iets van bemerkte, een sieraad, dat zij uit de nalaten, 
schap van Ibrahim geërfd had, aan zijn bnikband en beschul- 
digde den knaap, toen hij des morgens haar huis verliet om 
naar zijn vader te gaan, *van diefstal. Over deze zaak was 
nooit gesproken, daar iedereen wel begreep, dat men hier te 
doen had met een streek van de tante, bij wien Joesoef tot 
straf een jaar als slaaf (oeloer) moest dienen. Verder had hg 
eens uit zijns vaders huis een ei weggenomen om het aan 
een bedelaar te geven en zoo ook een brood, eveneens ten 
behoeve van een voorbijgaanden arme „Maar, voegde Ja- 
hoeda daarbij, dat was geen diefstal, want het was nit ons 
eigen huis, niet uit dat van een ander". Daar de vorsten, 
dertusschen. onverbiddelijk bleef, besloten de broeders Benja- 
min met geweld te bevrijden; Jahoeda zal zijn stem verhef- 
fen, die zoo geweldig is, dat wie er het geluid van verneemt 
bewusteloos wordt, zwangere vrouwen bevallen er ontijdig van: 



323 

tevens rijzen de haren in zijn nek op als borstels; strijkt 
evenwel iemand uit Jakoeb's geslacbt hem over den i ng^ dan ver- 
liest hij zijn kracht en kan geen geluid meer geven. Nadat 
afgesproken iS; dat zoodra de broeders Jahoeda's stem verne- 
men^ zij op de menigte znllen aanvallen en hen met het zwaard 
dooden, verspreiden zij zich. Maar vergeefs wachten zij, 
geen geluid wordt vernomen; Joesoef nl. die het vermogen 
van zijn broeder kende, maar ook het middel om het krach- 
teloos te maken, had zijn zoontje Tabil naar Jahoeda gezon* 
den om hem op den mg te wrijven en toen de broeders ver- 
baasd bij hem kwamen, zeide hij hun: „er moet hier iemand 
van ons geslacht zijn; zoo even is een knaap bij mij geweest, 
zoo groot als de zoon van Azizoelkarim, hij heeft mij op 
den rng gewreven en zoo ben ik krachteloos geworden". 

Ten einde raad besluiten de broeders naar Kanaan terug 
te koeren met achterlating van Benjamin, die daarenboven 
veiklaart in Egypte te willen blijven. Jakoeb is in het eerst 
wel diep bedroefd zijn lieveling niet terug te zien, maar daar 
hem inmiddels de engel des doods is verschenen, die hem 
namens God beloofd heeft, dat hij Joesoef vóór zijn dood zal 
ontmoeten, en hij verder uit wat de tien broeders vertellen op> 
maakt, dat Joesoef in Egypte is, laat hij zijn wanhoop va- 
ren en schrijft een brief aan Aziz, waarin hij dezen in naam 
van den waren God bezweert hem zoo mogelijk inlichtingen 
omtrent Joesoef te doen toekomen. De Sultan laat het ant- 
woord op dezen brief brengen door een van zijn dienaren, 
nu eens Basir en dan weer Basjar genoemd; in de nabijheid 
van Jakoeb's woonplaats gekomen, ziet Basir een oade vrouw 
weenende en zuchtende bij een put zitten. „Wel moedertje, 
vraagt hij deelnemend, wat zit gij hier zoo?'' „Och heer, 
antwoordt zij, het is reeds langgeleden, dat ik van mijn zoon 
gescheiden ben, en ofschoon God mij beloofd heeft, dat ik 
hem wederzien zou, nog is hij niet teruggekomen''. Daarop 
vertelt zij, dat zij de min is geweest van Benjamin en haar 
kind door Jakoeb verkocht is. „En hoe heette die zoon van 
u?'* „Basir". is het antwoord. „Welnu, moeder, dan ben ik 



uw zoon en Oods belofte is vervald; want gi) hebt aw zoon 
weer ontmoet, vóór Jakoeb ztjuzoonJoesoefteraggezieD heeft. 
Inmiddels zijn de tien broeders op nienw naar Egypte 
getrokken en nn maakt Joesoef zich aan hen bekend; hg 
beveelt hun terstond naar Kanaan terug te keeren om Ja- 
koeb te halen, dan zullen allen zich in Egypte vestigeo en 
voor allen zal een tijd van geluk aanbreken. Aan Jahoeda 
geeft hij het reeds vroeger vermelde kleed mee, een er&tak 
van Ibrahim en dat Joesoef zelf in den put gedekt bad 
evenals Ibrahim vroeger in den vurigen oven, een weefsel uit 
den hemel en nog doortrokken van een hemelschen geur 
„leg dit op Vaders oogen en terstond zal hij weer ziende 
worden". Jakoeb nl. was door het weenen over het verlies 
van Joesoef blind geworden. Reeds uit de verte bemerkte 
de oude man zijn terugkeerende zoons: „ik mik^ roept hg 
uit, de lucht van Joesoef'. „Uoe zou dat mogelijk zijn, ant- 
woorden hem zijn kleinkinderen, die om hem verzameld zyn; 
reeds hoeveel jaar geleden is hij vermoord ! Grootvader, gaan 
zij onder elkander voort, is door zijn verdriet blijkbaar aan 
het suffen geraakt''. Maar weldra verschijnen de tien broe- 
ders ; Jahoeda legt Jak&eb het kleed van Joesoef op het ge- 
laat en op hetzelfde oogenblik krijgt hy het gezicht temg. 
Nu worden in alle haast de toebereidselen gemaakt voor de 
reis naar Egypte en eerlang wordt de tocht daarheen aan- 
vaard. Joesoef gevolgd door de rijksgrooten en het geheele 
leger, voorzien van vaandels waarop de geloof sformule : „daar 
is geen god dan God en Mohammad is zijn profeet'', txAx 
zijn vader te gemoet en onbeschrijfelijk is de vreugd over 
het wederzien na een zoo lange scheiding en in omstandig- 
heden, die de vervulling zijn van Joesoef's droomen. Ieder 
der broeders krijgt een eigen paleis met al het noodige, Ja- 
koeb en Benjamin blijven in Joesoef 's paleis wonen. Dage- 
lijks komen allen daar met hun kinderen bijeen om gods- 
dienstonderwijs vau Jakoeb te ontvangen, waaraan ook Zoe- 
leika deelneemt, die bianen kort een ware geloovige is. Maar 
de broeders zgn nog altijd ongerust, dat GK>d hun niet heeft 



825 

▼ergeren, wat zij aan Jöesoef misdaan hebben; twintig jaar 
brengen zij door in boetedoening, gebed en vasten, en einde- 
lijk verschijnt Djabrail om hun mee te deelen, dat God han 
gebeden beeit verhoord en ban zonden vergeven. Nog twin- 
tig (volgens anderen veertig) jaar leeft Jakoeb in Egypte en 
op denzeltden dag als hij sterft ook zijn znster ; hun lijken wor- 
den naar Jerusalem gebracht en in hetzelfde graf naast dat 
van Ishak en Ibrahim begraven. Drie en twintig jaar later 
stierf Zoeleika en veertig dagen na haar gaf Joesoef den geest. 
Op zijn sterfbed beval hij zijn broeders en ban kinderen den 
waren godsdienst in eere te honden en voorspelde hnn te- 
vens, dat er een tijd zou aanbreken, waarin zij door een 
Kobtischen vorst vreeselijk zonden verdrukt worden. Er was 
een haan van 500 jaar, zoolang deze kraaide zonden zij in 
rost en vrede leven: maar zweeg hij, dan zon de tijd der 
onderdrukking aanbreken, en begon hij daarna weer te kraaien, 
dan zou dat het teeken zijn dat er op nieuw een profeet, 
Moesa, uit het geslacht van Levi, geboren was, die hen zon 
verlossen. 

Toen Joesoet gestorven was, ontstond er twist over de plaats, 
waar hij begraven zou worden; ieder der broeders wilde het 
graf in de nabijheid van zijn woonplaats hebben, hopende daar- 
door meer zegen deelachtig te zullen worden. Eindelijk kwam 
men overeen hem midden in den Nijl te begraven ; de ri^ 
vier verdeelde zich in tweeën en onmiddellijk nadat het lijk 
in haar bedding was neergelegd, hernam zij haar ouden loop. 
Toen Moesa met Jakoeb's afstammelingen Egypte verliet, 
voerde hij het lijk mee naar Kan.ian om het daar te begra- 
ven, want dit was Joesoei's laatste opdracht op zijn steribed 
geweest. 

Hier volgt, evenals in No. 122, een vrij uitvoerig verhaal 
van het terugvinden, opgraven en wegvoeren van Joesoet's 
lijk. Toen nl. de Israëhten onder Moesa Egypte verlieten, 
werden zij door een dikke duisternis overvallen, zoodat zij 
han weg niet vinden konden. De priesters geraadpleegd 
over de oorzaak van dit noodlottig opontboud antwooidden, 



326 

dat de belofte aan Joesoet op zijn sterfbed gedaan niet ge- 
bonden was; deze had geëischt, dat wanneer later de leraë- 
liten Egypte zonden verlaten^ zij niet verzuimen zonden zijn 
lijk mee te voeren Maar hoezeer Moe^a navraag deed nn ar 
de begraafplaats van Joesoef, niemand kon ze hem wijzen 
ot had er zelfs van booren spreken. Eindelijk vernam hij, 
dat er een stokoude vronw^ Marah geheeten, was, zoo oud 
dat haar baar spierwit was en al baar tanden uitgevallen 
waren, die de plaats kende. Terstond het Moesa haar ont- 
bieden en belootde baar, zoo zij hem het graf toonde, Ood 
te zullen bidden baar onmiddellijk na haar afsterven in den 
hemel op te nemen. Maar Marah had nog een ander ver- 
zoek: „trouw met mij en ik zal n het graf wijzen'\ Moesa 
schrok bij het booren van deze woorden: „hoe zou ik met 
u kunnen trouwen, daar gij een zoo oude vrouw zijt?" Op 
dat zelfde oogenbük daalde Djabrail neer en sprak tot Moesa: 
„verval den wensch dier vrouw en trouw [nikah) met haar; 
het is baar alleen te doen om in den hemel uw vrouw te zijn". 
Daarop liet Moesa zich met baar in den echt veibinden en 
droeg haar, daar zij te zwak was om te loopen^ naar de plaats, 
die zij hem opgaf. Hier raakte Moesa met zijn staf den Nijl 
aan, wiens wateren zich terstond scheidden en de marmeren 
kist, waarin Joesoefs lijk rustte, werd opgehaald; terstond 
daarop sloct zich de Nijl weer en hernam zijn gewonen loop. 
Het lijk zelf was volkomen gaaf gebleven en gaf een 
schitterenden glans van zieb, die de Israëliten op hunverde 
ren tocht verlichtte. 

AANTEEKENINGEN 

(*). T. A. God schept de ijahja (lichtglans); uit deze ont- 
staat de sotya (edelgesteente) en uit de sotya na 70 000 jaar 
het water. Volgens de Imdis (overlevering) heeft Mohammad 
beweerd^ dat het eerst geschapen is de rolling -wang, waar- 
uit de napioe is ontstaan. 

(^) Deze passage tot aan de schepping der bergen ont- 
breekt in ï. A. 



327 

(') T. A. De aarde wordt gedragen door een engel in de 
gedaante van een hert, staande op de pnnt van het vnur 
(nganljik poeljoelc-iug dnhana), 

(*) O^f' ^' A, Dgaras koersi of ngaras (overeenkomstig 
de Jav. transcriptie) van Arab. woorden, 

(^) De list van den vogel om het zaad langer te laten 
duren, ontbreekt in T. A. 

(*) De schepping der 70 mannen ontbreekt in T. A. 

l') T.^A. Djan of Edjan, van welke de heschijviug ont- 
breekt. Zij worden geschapen uit vuur, bewonen de aarde 
60.0CO jaar en worden daarna om hun zonden verdelgd. Op 
hen volgen de Ibnoedjan, die 80.000 jaar op aarde zijn en 
dan om dezelfde reden verdelgd worden. 

(®) Volgens T. A. trekt Ngidjadjil (Azazil) zich op aarde 
weinig van God meer aan. 

(•) In T. A. ontbreekt de tegenwerping der engelen; daar- 
entegen legt Allah er nadruk op, dat Adam de engelen in 
imauj ngelmoe, macht, enz. zal overtreffen. 

Q^) T. A De aarde wist, dat Adam later bij God in ongenade 
zon vallen. 

(*') T. A. Ngidjrail (overeenkomstig de Jav. transcriptie). 

Q^) Het ontstaan van de laoel hoelzoem ontbreekt in T. A. 

(tsj Dq tegenwerping van Izrail en bet daarop volgend 
antwoord van Allah ontbreken in T. A. 

Q^) De begieting ontbreekt in T. A. 

(^*) u^'i^x^)^ is de naam in dit hs opgegeven, in 122 
ij^)^. Volgens T. A. is de mensch geloimeerd uit verschillende 
soorten van aarde, roode, witte, gele, fjjne en grove; op last 
van Allah voegt Ngidjrail er nog saiml (of saliwal) en napsoe bij. 

(^') T. A. Adam wordt [>eibrmeerd tusschen Kaeb en Mëk- 
kah, en ligt daar 40 jaar lang om zijn rotte viscb-lucht te ver- 
liezen; daarom riekt de mensch nu aroem. De la/wl is 60 
asta lang en is op Vrijdag klaar gekomen. Het ge/.egde der 
engelen ontbreekt. 

(17) De episode van het ontstaan van den navel ontbreekt 
in T. A. 



328 

Daarentegen wordt daarin verhaald^ hoe Ngidiadjil (Aza- 
zil) de tapél binnenging en daarin de swarga, naraka, langii, 
hoemi enz. zag. In één plaats kon hij niet doordringen, die 
van de iman soelji, een buisje zonder deuren. 

{^^) Het bier voorafgaande reriiaal van de ziel ontbred^t 
in T. A. Volgens dien tekst valt door bet niezen Adam's 
hoofd afy dat Allah er door de engelen weer haastig oplaat 
zetten. AUab's antwoord op de niesspreak luidt daar ja 
rahima koemoelloellah. 

^•) Outbeekt in T. A. 

(^) T. A. De Noer Mohammad wordt op deze plaats niet 
vermeld en van bet gevleugelde paard in bet geheel niet 
gesproken. 

(^<) Volgens T. A. doen zij dit 100 jaar, het issoedjoed 
hoennal geen soedjaed pangabekti. 

('*) T. A. Namelijk uit zyn korte rib. 

(«») T. A. Baboe Kawa. 

('^) T. A. Het huwelyk wordt door de vier aartsengelen 
voltrokken en Allah fungeert als wali. 

i^) T. A. De bnitenpoort wordt bewaakt door een pauw» 
de binnenpoort door een slang. Iblis zegt niets, maar neemt 
de gedaante aan van een oetér taaeti (een soort van rups), 
die door den pauw opgepikt en een poosje later weer uit- 
geworpen wordt. Zoo komt Iblis de eerste poort binnen; daarop 
blaast hij op de slang om haar aan het geeuwen te krijgen 
en als zij den bek opent, kruipt Iblis er in. Na ook door 
de slang uitgeworpen te zijn neemt hij met toestemming van 
Allall de gedaante van een engel aan. 

('^) T. A. De woh koeldi zal volgens Iblis bewerken, dat 
Kawa eeuwig in de swarga blijft, niet sterft en niet oud wordt. 
Op Kawa's tegenwerping dat Allah haar ten strengste ver* 
boden heeft er van te eten, geeft Iblis voor dat hg door Allah 
tot haar en Adam gezonden is, met den last om de woh 
koeldi te eten; doen zg dit niet, dan zullen zij uit de swarga 
gejaagd worden : ;,als ik lieg. moge AUah's toom mg treffen". 



329 

De woh hoeldi ziet er uit alR een d£llima, er zijn er drie; 
Kawa eet er één op, geelt de tweede aan Adam, terwijl de 
derde aan den boom blijft. Van wijn wordt in de T. A. op 
deze plaats niet gesproken. 

{*'). T. A. De andjir verschaft Adam bladeren en wordt 
daarom vervloekt; eveneens de garoe (gaharoe, aloë), die hem 
schaduw geeft. Lees i. d. tekst 'oed i. pi. v. aoed. 

(**). T. A. Adam komt terecht op een berg van Selan of 
Selani, Kawa op een berg van Sijëm, Iblis op een berg in 
Këling, de pauw in Boestam, de slang in Srana. Van den 
stok van Adam wordt geen melding gemaakt. Adam 's boete 
duurt 100 jaar. 

(^). T. A. Adam s tranen vallen op den berg en worden 
edelgesteenten; Kawa's tranen worden robijnen.*- 

De tViat, verbastering van het Arabische henna, de gewone 
balsamine, wordt gebruikt o. a. om de nagels enz. van een 
bruidspaar rood te verwen. 

{^). T. A. Na Adam te hebben laten bidden en vasten 
spoort Djabrail hem aan zijn vrouw te gaan zoeken, die zich 
bevindt in de poesh* boemi (Mëkkah). Hij zoekt haar een 
jaar, maar vindt baar niet. Hij en de engelen achter hem 
maken de fawab in de vlakte Tarwijah. Adam en Kawa 
ontmoeten elkaar op den berg Ngarpak; vandaar gaan zg 
naar MS^dinah en verder naar Balki, waar Kawa van haar 
40 paar kinderen bevalt. 

('^). T. A. Adam ziet dit voor de eerste maal, terwijl hij 
nog op Selan is, en later nog eens met Kawa. 

(^^). Misschien houdt dit eenig verband met een (apsir in 
de T. A., waarin melding wordt gemaakt van een gesprek 
tnsschen Moesa en Adam te Ngalam arwah. Moesa verwyt 
Adam van de wok koeldi gegeten te hebben, waarop Adam 
met een beroep op de Toret hem voorhoudt, dat dit al dui- 
zende jaren voor zijn ontstaan gepredestineerd was. 

(*'). Dit geheele relaas ontbreekt in T. A. — 

lUaj (ot zooals 122 heelt c^Uaj)^ namal, moet waarschijnlijk 
ziJD J^ plur. J^, miei\ De naam der rivier is misschien te dan- 

Tqaichr, lod. T. L. en Vk., deel XXXV. 22. 



330 

ken aan misvatting van het Arabische verhaal, waarin gezegd 
wordt, dat de nakomelingen van Adam als mieren uit zijn 
mg te voorschijn komen. 

(^)^ T. A. Allah gelast Adam door bemiddeling van I)ja- 
brail in 't zweef zijns aanschijns te gaan werken. Met hulp 
van den aartsengel slaat hij nit een steen staal» dat zij met 
hellevnnr smeden. Maar Adam kan de hitte van het vuur 
niet verdragen, daarom laat Djabrail het 7 dagen en nachten 
in de zee bekoelen. Daarna maken zij een aanbeeld, een 
hamer, een pook, een nijptang, een bijl en een kapmes. 

('*). Van het rund wordt in T. A. niet gesproken, even- 
min van het volgende tot en met Adam's vasten. 

(^). T. A. In Balki. Het volgende is in T. A. eenigszins 
verward: Adam en Kawa zijn 't niet eens; Kawa wil de 
mooie jongens met de mooie meisjes laten trouwen, Adam 
de mooie jongens met de leelijke meisjes en omgekeerd 
(want er zijn leelijke en mooie onder). Kawa zegt tot Adam: 
„heb jij ze soms gebaard en gezoogd? Bemoei je er toch 
niet mee". „Goed, zegt Adam, dan zullen we eens zien, wie 
op zijn eentje een kind kan maken; wien dit lukt, die krijgt 
zijn zin''. Adam lukt het (hij krijgt een zoon Sis), maar 
Kawa niet. Daarna (?) komt er een bevel van Allah, dat 
de tweelingen onder elkaar niet mogen trouwen; hieraan 
onderwerpen zich Adam en Kawa. 

(^). T. A. Kabil's tweelingszuster heet Ngaliman, de naam 
van die van Habil wordt niet opgegeven. 

In 122 heet Kabifs zuster 'Akiman ^^/W^, of *Akliman 
^Ujdir^ die van Habil evenals hier Azoe jyl^. 

(^). Té A. beeft i. pi. v. een bos korenhalmen loeti (?). 
Overigens is daar het verhaal duidelijk: HabiFs offer wordt 
aangenomen, omdat hij de bevelen van zijn vader en van 
Allah opvolgde, dat van Kabil atgewezen, omdat hij zich te- 
gen die bevelen wilde verzetten. 

(^*). Deze cynische uitdrukking van Iblis ontbreekt in 
T. A. 
(^). In T. A. wordt als die boom de woedt genoemd (de 



331 

Bodhhboom der Boedisten ?); die na Habirs dood geen vraeht 
meer draagt. 

(*^). T. A. Kabil wist niet wat hij met het lijk moest 
doen, want er was toen nog niemand gestorven noch begra- 
ven. Overigens verschilt de tekst van T. A. in zooverre, dat 
Kabil de geloofsformule niet uitspreekt en zioh ook niet uit 
de aarde kan loswerken. Oe aanmerkingen van Kabil op 
AUah's rechtvaardigheid worden door Allah onbeantwoord 
gelaten. Wel zegt Allah hem, nadat hij in de aarde gezakt 
was, dat hy gestraft wordt, omdat hi) zijn ouders ongehoor* 
zaam is geweest en Habil zonder schuld heeit vermoord. 
Uitdrukkelijk wordt gezegd, dat Kabil als fta/?tr omkwam. — 
Het volgende tot aan de passage van het goud ontbreekt. 

(^^). Volgens T. A. moet dit goud dienen om in Adam's 
armoede te voorzien. 

(^}. In T. A. volgt dit verhaal in gewijzigden vorm op 
dat van 't smeden (zie 34). Toen Adam het noodige gereed- 
schap had, ging hij het bosch ontginnen, maar had geen 
bibit... en dan verder evenals in 't Mal. 

(«*). T. A. De widadari heet Ni Moewalat. 

(*5). T. A. Adam wordt 530, volgens anderen 909 jaar 
oud. Ëlfmaal kreeg hi) bij zijn leven een bezoek van Dja- 
brail en hij werd beglitigd met tien IHtab\s. Hij heette Ka 
lipattoellah. 

(^. De naam is met Arab letters <^^^, wordende dê <^ 
nag. als de Engelsche th, in de Maleisohe talen als s uitgespro- 
ken; in het Javaansch a3«^. 

(*7). T. A Ook daalde de Noerioewat op Sis neer. — 
Dat Noerboe wat zal wel een verbastering zijn van i^, noeboevvat. 

(^). T. A. Zijn leeftijd wordt niet vermeld ; zijn zoon heet 
Anwas, z. Kinat, z. Mahtakalil, z. Madjid, z. Moedabil. 

(^). [n de kantteekening Mahabela gespeld: in 122 Ma 
halail (Gen. Mahalaiëel). 

{^). De tekst hteit^^ji of volgens anderen J^y„ en verder- 
op ujU 1 de kantteekening c^ ; 122 spelt yji . Jazoe^ of vol- 
gens anderen «s/ij^^ ^ Abazina. 



332 

(^^). T. A. Iblis' argument is. dat Madjid daardoor de 
har kat van zijn vader zal deelachtig worden. 

("). T. A. Edris vroeger Moedabil geheeten, zoon van 
Madjid. 

(W). T.A. Veertig boeken. 

(^). T. A. Ngidjrail wordt door Allah afgezonden om met 
Edris in de eerste langu op te stijgen. Hiertoe neemt de en- 
gel Edris op zijn mg. De twee verzoekingen als in den Mal. 
tekst. 

(^'). Ontbreekt in T. A. tot aan Edris' verzoek om hem het 
leven te ontnemen. 

(^0). De vraag van Ngidjrail en 't antwoord daarop ontbre- 
ken in T.A. 

(^7). T. A. Van ^het gaatje zoo groot als het oog van 
een naald'' wordt niet gesproken ; ook wordt Edris niet bewus- 
teloos, maar alleen erg bang. 

(^), T.A. Van den portier wordt geen melding gemaakt^ 
evenmin dat zy in den hemel eten en drinicen en dat Edris 
er zijn dekkleed achterlaat. Overigens is het verdere beloop 
gelijk aan dat der Mal. redactie. 

(6»). T. A. Edris liet 30 kitab's na. 

(^'*). T. A. Edris' zoon heet Salka, z. Sakir, z. Masalik, z. 
Noeh. Tusschen Noeh en Adam liggen 1000 jaar. Noeh 
werd niet met kitab's begiltigd, alleen met de sarengat; hy 
kreeg den naam van Nabijoellah. 

(*^). T. A. De opgaven van 40 en 950 jaar ontbreken. 

(«2). T. A. Tachtig. 

(^), Van mishandeling wordt in T. A. niet gesproken, 
ook niet dat hij juist door zijn wouiv voor gek werd ver- 
klaard. 

(^^). Deze consideratie komt niet voor in T. A.^ waar Noeh 
alleen aan zijn wraakzucht voldoet, omdat hg door zyn volk 
bespot wordt. Djabrail gelast hem het hemelsche djoedoen-hout 
(of boom) te hakken, dat 300 asta dik is en op de bergen 
groeit en daarvan een schip temaken. Het volgende tot aan 
de vermelding der planken ontbreekt. 



3a3 

(^^). Het aantal plaukeu wordt io T. A. niet genoemd. 
In 122 wordt als dat aantal 4120. opgegeven. 

(^). Van ondemcbting der werklieden door Djabrail wordt 
niets vermeld in T. A. 

(*7). T. A. De breedte niet opgegeven. Er zijn rfn« ver- 
diepingen, later worden er vier genoemd. 

(^). T. A. Zy bespotten Noeh door te zeggen, dat de 
zondvloed zal voortkomen uit een gaatje in den grond zoo 
groot als de opening van een stoppel. Het volgende over de 
twee oceanen ontbreekt; zoo ook het bezoeken van den tempel. 

(^^). In T. A. staat alleen, dat er 4 planken ontbreken, 
waar die vandaan moeten komen, wordt niet gemeld, even- 
min dat Noeh's kinderen en kleinkinderen weigeren ze te 
gaan halen. 

(^0). T. A. 'Audj heet hier Kawit en is een zoon van Noeh; 
dat hij een reus is, wordt niet vermeld. Na het eten van één 
koek is hij verzadigd ; vooraf heelt hij gezegd : bismiUahi wa 
madjriha wa moersaka (1. madjraha). Kor. 11:43. 

P^). Deze episode komt in 122 niet voor. — In T. A. 
wordt van Doel-karneu (veel later, p. 168, na AjoebssJob) 
gezegd, dat hij de heele wereld beheerschte en dat de rand der 
aarde omheind was met ijzer ter beveiliging tegen de Djoedja- 
Mak(yoed}a, die afstammen van een zoon van Noeh en wier 
afstammelingen ontelbaar zijn. Zij zyn slechts één gaz lang, 
hebben lange ooren en scherpe tanden en mogen in het laatst 
der tyden den muor doorbreken en alles verwoesten. 

(^'}. De vraag van Noeh en het antwoord van Djabrail 
ontbreken in T. A. 

(7<). Ontbreekt in T. A. 

(7«). Ook dit verhaal ontbreekt in T. A. 

(7'^). T. A. Er zgn vier verdiepingen: de bovenste voor 
Noeh en de zijnen, 80 in getal, de tweede voor de tfy'as en 
de padi^ de derde voor de zaden en de vierde voor de dieren, 
1000 paar. 

(7'). T. A. Speciaal zgn zoon Kénaan (of Oenoek). Van 
den berg Afafioan wordt in dit verband niet gesproken. 



884 

(77). T. A. Den kop. 

(7*). T. A. Twee varkens, een mannetje en een wgtje. 

(7*). T. A. Een katten paar. Intnssehen waren de mui- 
zen al begonnen de levensmiddelen en de kleeren der ge- 
loovigen op te eten. 

(^). T. A. Zes maanden. 

(*i). Ontbreekt in T. A. De ark raakt vast in Ngésam, 
up de hellingen van den berg Oedwalil. 

(^^). Van Djabrail's beweging met zijn vleugel en het 
ontstaan der 7 zeeën staat in T. A. niets. 

(^). T. A. De druif is er wel, maar toen ze al mooi stond, 
besmeerde Iblis ze met honden- en varkensbloed. De be- 
schouwingen over de gevolgen van den drank ontbreken. 

(^). In T. A. is dit gesprek eenigszins anders. Iblis be- 
dankt Noeh beleefd voor den hem bewezen dienst, daar Noeb 
de aanleiding is dat al de menschen als kapir's zgn omge- 
komen. Verder zegt hij, dat hij lief heeit de kgvers, deon- 
godsdienstigen, de hoovaardigen, de trouweloozen en vooral 
de overspeligen, en de dienaars van Allah haat. Dan volgt 
de geschiedenis van Kabil, hoe deze door Iblis tot afgoden- 
dienst is verleid. 

(*') T. A. Noeh stierf 909 jaar oud; öO maal had hy een 
bezoek van Djabrail gehad. — Het overige van dit hoofdstuk 
ontbreekt. 

(^). T. A. Noeh 's zonen heeten Esam, Bawi en Jatik. De 
eerste gaat naar Arabië (Uoem en Ngadjam); Bawi naar 
Boestam; Jatik heerscht over Toerki en Ngabësah. De zoons 
en kleinzoons van Kënaan (76) zijn alle wit en heeten Imra- 
nijah. Afstammelingen van Ësam: Pasani; z. Pasau, z. Paleh, 
z Roengoe, z. Saroe, z. Pakoer, z. Kadjar. 

(^7). T. A. De plaats van Hoed's prediking wordt niet ge- 
uoemd; de koning heet Darham of Oeloel-anwat. 

(^). T. A. Hoed's 70 volgelingen hebben geen last van 
den hongersnood. Nog 700 bekeeren zich. 

{^). T. A. 70,000 engelen. De naam van den stormwind 
wordt niet genoemd. 



335 

(^), Evenals een geit, die gevild wordt, zegt 122. 

(•'), T. A. Op de lijken der verdelgde /wpirV groeien da- 
delboomen. 

(W). Ontbreekt in T. A. 

(•^). T. A. Hoed wordt 275 jaar oud. Het volgende ont- 
breekt. 

(•*). De Arab *^, Eng. ch, Mal. s. — De plaats van 
Saleli's prediking wordt in T. A. niet genoemd, er wordt 
alleen gesproken van zeven desa s. 

(*^). Dat die kameel reeds 4000 Jaar gereed stond, wordt 
in T. A. niet vermeld. 

(^). T. A. Zes mannen, wier namen niet genoemd worden. 
Voor goad, van Iblis gekregen, ontvangen zi) de toestemming 
om het dier te dooden. — 

In 122 wordt alleen Masdak, de zoon van Harabila ge- 
noemd, ofschoon er van twee gesproken wordt. 

(^). T. A. Na zijn volk te vergeefs gelast te hebben, de 
6 mannen te dooden. 

^\ In T. A. worden allen zwart, terwyl zij vroeger bmin 
(abang) waren. 

(••). T. A. 780 jaar oud. Waar hij begraven is, wordt 
niet gemeld. 

(^^). T. A. vermeldt alleen dat Namroed, een afstammeling 
van Eënaan, een machtig vorst is, die te Baboel (of Bkbil) 
resideert en de vorsten van Aoem, Koepak, Boestam, Koeres, 
aan zich onderworpen heeft. Hij heeft twee patWs: Eadjar 
en Hoeman (of Hoemad). 

(^^^). De lezing in 122 is geheel verschillend van deze en 
komt bijna geheel overeen met het verhaal van Moesa's con- 
ceptie; ook het in den tekst medegedeelde, volgens 66, doet 
door den naam Oesia (de vrouw van Farao heet Asia)ende 
invoering van den vizier Haman verderop aan verwarring met 
de geschiedenis van Moesa denken. 

In 122 luidt het verhaal als volgt: de wichelaars komen 
ontsteld bg Namroed en vertellen hem, dat er eerlang een 
kind zal geboren worden, hetwelk hem zal verderven. Nam- 



336 

roed beveelt daarop, dat g:edareude drie dageu en drie nachten 
de maoneu en vrouwen niet bij elkaar mogen komen. Hg 
beeft een vertrouwden vizier Azir, die altijd bij hem is en 
hem 9 nachts, als hij slaapt, bewaakt met een licht in de 
eene hand en een zwaard in de andere. Dien nacht na kreeg 
Azir's vrouw (naam niet genoemd) een sterk verlangen naar 
haar man; zij begaf zich naar het paleis, waar zij alle wach- 
ters slapende vond en drong door tot s konings slaapvertrek, 
waar zij haar man aantrof. Een vogel ontnam hem het licht, 
dat uitgedoofd werd, en het zwaard; daarop neemt Azirzyn 
vrouw in zijn armen en bezwangert haar. Bij zijn ontwaken 
bemerkt Namroed, dat van Azir's gelaat de glans verdwenen 
iSy die op het pas verwekte kind is overgegaan. Onmiddel- 
lijk daarop komen de wichelaars binnen en deelen Namroed 
mede, dat in dien nacht het gevreesde kind uit de lendenen 
van zijn vader is overgegaan in den schoot zijner moeder. 

Het Javaansche verhaal in T. A komt in hoofdzaak met 
het bovenstaande overeen . Ook daar wordt de naam van Ka- 
cyar's vrouw niet genoemd; een djin blaast de fakkel uit; 
ook worden op Namroed's last alleen de jongens vermoord 

(^^'). T. A. heett slechts, dat Kadjar's vrouw in een grot 
bevalt van een jongen, dat deze door de engelen en aan 
(hun?) zijn vingers gezoogd wordt en aanstonds door zgn 
moeder wordt verlaten. Op Kadjar's vraag waar haar vracht, 
gebleven is, beweert zij van een dood kind bevallen te zijn; 
zg heeft het weggebracht en het is zeker door de honden 
verscheurd. Namroed, aan wien Kadjar de zaak vertelt, wil 
bet kind zien en werkelijk vinden zij het doode en halt 
verscheurde kind van een djin, op Allah's last door Djabrail 
op aarde neeiigelegd. — 

Volgens 122 zuigt Ibrahim zijn voedsel uit Djabraifs vin- 
gers; in 66 duidelijk uit zijn eigen vingers (maka kaloear 
ajar soesoe dari pada segala djari dirinja). 

(^^). T. A. heeft alleen, dat het kind na eenigen tijd door 
de ouders naar huis wordt gehaald en den naam Ibrahim 
krggt. Dan volgt het verhaal van de avondster enz. en ont* 



337 

vaDgt Ibrahim den naam vau Kalilloellah (vrieud vau God). 

Volgens 122 komt Ibrahim's moeder bij hem eu vraagt 
by haar: „wie is uw Heer?'* ^^^ijn Heer heet Azir'', is het 
antwoord. ^En wie is de Heer van Azir?" „Koning Nam- 
roed, want deze geeit hem macht", ^^^fie is dan de Heer 
van Namroed?'' „De sterren'\ „En wie is de Heer der ster- 
ren?" Hierop wist zijn moeder geen antwoord te geven; ver- 
legen keerde zij naar huis terug, vertelde aan Azir de vra- 
gen, die haar zoon haar gedaan had en deelde hem haar 
vrees mede^ dat Ibrahim werkelijk het kind was. van wien 
Namroed het gevaar dreigde. 

(^^). Mënjëngoetoek&n hak soebahanahoe wa ta'ala. In 
zgn vormveranderingen geeft de Hr. H. von de Wall dezen 
vorm op als een eenig voorbeeld, dat twee medeklinkers in 
de overeenkomstige nasaal overgaan; zoo ook in zijn Wrdb. 
ménjöngoetoei. De Hr. v. d. Tuuk keurt aldaar (ziesékoe* 
toe, dl. II. p. 259) dien vorm af^ die evenwel evenals më- 
njéngoetoekftn ook voorkomt in 122. een ms. dat zeker niet 
onder den invloed van v. d. Wall geschreven is. 

(^^). In 122 is het Ibrahim's moeder zelvC; die hem naar 
huis brengt. 

Het verder volgende tot aan het vernielen der afgodsbeel- 
den in den tempel door Ibrahim ontbreekt aldaar. 

(^^). In plaats van deze periode heeft T. A. alleen, dat Ibra- 
him de afgoden haat en daarover door zyn ouders onder 
handen genomen wordt. 

(^^). T. A. hetzelfde maar korter. Ibrahim verminkt de 
beelden en sleept ze over den grond. Toch worden zij ge- 
kocht. Daarna houdt hij nog een korte redeneering tot zijn 
vader en tracht hem met een vers uit den Koran van den 
afgodendienst te bekeeren. Het volgende tot aan de vernieling 
der beelden in den tempel ontbreekt. 

Q^). In T. A wordt op aansporing van Ibrahim bet heel 
gebleven beeld ondervraagd; het antwoordt door den mond 
van Iblis, die er ingekropen was, dat Ibrahim de andere 
beelden heeft stuk geslagen. 



338 

(^^). T. A. Een patzwengel {senggot). In 'teeral waadeze 
niet in beweging te brengen, daar de engelen hem tegen - 
bielden. Toen er echter op raad van Iblis veertig naakte 
vrouwen op afgezonden waren, namen de engelen de vlocht 
en kreeg men Ibrahim op den brandstapel. 

(^^^). T. A. De steenen vormen met den rook wolken, 
waaruit een zware regen ontstaat, die de planten besproeit. 
Van de vuuraanbidders wordt eerst na het verhaal der prinses 
gesproken, zonder dat de naam madjoesi genoemd wordt. 
Een van die vuuraanbidders is Hoeman, die daarom ver- 
brandt. 

0^^). Deze last ontbreekt in T. A. 

(^^*). Deze naam wordt in T. A. niet genoemd. 

("«). T. A. Een zakdoek. 

("^). T. A. Van Ibrahim s schoonheid wordt hier niet 
gesproken. 

(1^*). T. A. Niet terstond. Eerst moet de vorst zich met 
zijn volk bekeeren. Het overige ontbreekt. De prinses beet 
Dewi Sara; zij is schoon evenals Ibrahim. 

Q^^\ T. A. Ibrahim wil naar Baboel gaan om Namroed 
en de zijnen te bekeeren en krijgt van zijn schoonvader een 
leger mee. — De genoemde stad heet bier Oemoes, terwijl 
van de dwingelandy van deu vorst niet gesproken wordt 

(^^7). T. A. Ibrahim wil niet zeggen wat er in de kist is, 
tot zij op bevel van den vorst geopend wordt en hij dezen 
meedeelt, dat die vrouw zijn vrouw is. ,,Je hebt ze zeker 
geschaakt, zegt de vorst, daarom neem ik ze je weer al''. 
T. A. spreekt niet van gevangenis, wel van het bezoek van 
Djabrail, die Ibrahim verwijt^ dat hij Sara zelf heeft wil- 
len * bewaken, in plaats van haar aan Allah's hoede toe te 
vertrouwen. 

0>»). In T. A. blijft het bij ééne poging. 

P«). T.A. Handjar. 

(iM). T.A. Betalmoekadas. 

Q^^y Ook 122 noemt nu de verblijfplaats van Namroed 
Babil, maar voegt er bij: jaitoe Koesa. 



33y 

(i««). T. a' rédjant. 

(1^. De maDier^ waarop Namroed de vogels doet opstijgen 
en neerdalen; wordt in T. A. niet vermeld, alleen dat hij een 
pgl afsehiet. 

(^<«). T. A. Op last van Allah laat Djabrail het bloed van 
den visch als regen neervallen en werpt den pijl met wat 
bloederig (vissehen-) vleesch naar Namroed. 

(*^^). I)e omdnikeling van het gevaarte ontbreekt in T. A. 

(^^). T. A. Lamoek. Later wordt vermeld^ dat zij zoo 
groot waren als zwaluwen (kédali), 

i}^). T. A. En de wijk te nemen in een ijzeren kamer 
igé^ong west), waar hij met zijn vrouw gedood wordt (zooals 
in den tekst), maar door twee heel kleine lamoek's. 

Q^% Ontbreekt tot aan het eind dezer periode in T. A . 

(»»). In 122 f^}fó gespeld, lu T. A. wordt van dien 
rook en die steden niet gespreken. 

(^^^). T. A. Ter voldoening aan een gelotte^ indien Ibra- 
him ongedeerd uit den strijd mocht terugkeeren. 

('^n. T. A. De verminking van Handjar heeft plaats, reeds 
voordat Ibrahim haar tot zich neemt; haar tanden worden 
geygld (?) en haar gelaat geverfd, maar Handjar wordt er nog 
veel mooier door. 

C'"^). T. A. In het land Mëkkah. Handjar bevalt op den 
kameel, waarop zij met Ibrahim de reis gedaan had, van 
een zoon Ismangil. Op last van Djabrail worden moeder 
en kind in de vlakte neergelegd. Toen zij dorst hadden, ging 
Ibrahim water zoeken en liep daartoe zevenmaal te vergeefs 
tusschen de bergen Marwan en Sangapa op en neer. 

(iw). T.A. Djandjam. 

\}^). T. A. „ Velen komen op den roep van het ongemeene 
kind af", maar van de aanstelling van Handjar tot j^an^oeA^e 
wordt niet gesproken. 

i}^^). T. A. Ibrahim 's hart was verdeeld tusschen Isma- 
ngil en Dewi Sara. Was hij te Mëkkah, dan verlangde hg 
naar Sara, was bij te Betalmoekadas, naar Ismangil terug. 

(***)• T. A. Maakt geen melding van droomen. Djabrail 



340 

komt Ibrabiui eenvoudig deu last vau Allah brengeo om 
lamangil en geeo ander te ofiereu . Sara raadt hem liever Han- 
djar te offeren; maar Ibrahim slaat geen acht op die woorden. 

(^^^). Vraag van Handjar en antwoord daarop outbzeken 
in T. A 

(*«ö). T.A, steeds Bodja (.^) Mina. 

(^^°) T. H. Toen het mes niet sneed, verzocht Ismangil 
zijn vader hem het hoofd te bedekken, en toen dit ook niet 
hielp, met afgewend gelaat toe te stoeten; op dit oogenblik 
legde Djabrail voor Ismaugil een ram in de plaats. Het 
overige tot aan de alinea ontbreekt. 

Q^\ No. 66, het hier behandelde, heetl f!^. tilam, 
No. 122, f^ (?). 

(^**), No. 66, ^f, waarvoor ik#^;^ heb gelezen: 
No 122, i^ji,, sluiei' voor ^^ oan^e^tcAl, iets waartoe een tilam 
moeielijk dienen kan. 

(1^^). Volgens T. A. krijgt Ibrahim aanstonds na het oStr 
van Ismangil last de Kakbah te bonwen. 

(*^). Het verhaal van de slang komt ook in T. A. voor. 
maar niet zeer duidelijk. 

(^^). T. A. Van drie: de Toersina, de Djoeldah en de 
Djoeldi. — No. 122 heeit ^j^y, i. pi. v. ^i*» ; Selan i. pi v. 
Sarindib; Hara (|;»-) i. pi. v. Harah (^'^). 

(^^^). T. A. heeft alleen den last van Allah, dat alle ge- 
loovigen in dien tempel moeten komen bidden. Het overige 
van deze periode ontbreekt. 

(**•). De tekst heeft ^^*^ en ^ji^^*^ (lees in den tekst 
Madain), No. 122 alleen ^*^ 

{**7). I. pi. V. bidara heeft No. 122, v-r^j^ stabib, rozgn. 

(^^). In plaats van deze periode heeft T. A., dat Ibrahim 
na 7 dagen gevast te hebben Sara zwanger maakt. Zg be- 
viel van een zoon Iskak, die de schoonzoon van Loet wordt. 
Eerst daarna komen de engelen, waarna het verhaal in 
hoofdzaak gelijk is aan het Mal. Door Sara opmerk- 
zaam gemaakt, dat de gasten niet eten, vraagt Ibrahim hui 
de reden. ^Wg zgn engelen, zeggen zij, en gaan de god- 



341 

deloozen verdelgen en Loet redden, maar Allah heeft ons ge- 
last even bij u aan te gaan'\ Het waarom van dit bezoek 
geven zij niet op. 

(^**). T. A. Loet' s vrouw nl. was by een der buren vuur 
gaan halen en had daar verteld, dat haar man 7Ailke mooie 
gasten had gekregen. 

(^•®). T. A. Toen zij Loet gewond zagen, maakten de en- 
gelen zich als zoodanig bekend en gaven hem vergunning 
hen aan de kapir\s uit te leveren. Als ze buiten zijn, willen 
de kapir s hen te lijf, waaruit een hevig gevecht ontstaat, 
waarin de engelen overwinnaars blijven. Op raad van Dja- 
brail en door dezen geholpen neemt Loet met zijn familie 
de wyk en begeeft zich met Ibrahim op een berg. Loet's 
vrouw moet achterblijven^ daar zij de aanwezigheid der en- 
gelen verklapt had. 

(^^^). In T. A. heeten die steden: Ngëdjam, Soedoem^Rë- 
djasa; de vierde wordt niet genoemd. Van een gespaarde stad 
wordt niet gesproken. 

('*•). T. A. Het verwijt van Djabrail en de daarop vol- 
gende vraag van Ibrahim met het antwoord ontbreken. Ook 
het nu volgende tot aan den dood van Ibrahim komt in T.A. 
niet voor. 

^ {}^^). Beide mss. hebben J^*^\ waarschijnlijk de Kedar 
van Genesis. 

(**♦). De tekst heeft ^^^, No. 122 ji^, beide waar- 
schijnlijk schrijffouten voor^^^^* 

0«), T. A. 195 jaar. 

Q^^. T. A. Ibrahim deelt aan zijn kinderen mee, dat Allah 
hem den naam Kalilloellah en 10 kitaVs heelt gegeven. Op 
Ismangil's vraag, waarom hij zoo beweldadigd is, noemt hy 
de drie punten op als in den Mal. tekst. Tusschen Ibrahim 
en Noeh liggen 1140 jaar: 42 maal kreeg Ibrahim een be- 
zoek van Djabrail. 

(1^7). Hoe lang Iskak weende wordt in T. A. niet vermeld. 
Djabrail troost hem met de belofte, dat uit hem de iV(7Ai J#o^- 
9al zal voortkomen. 



342 

(1^»). T. A Van Kei (==E8au) wordt alleen gemeld, dat hy 
evenals Jakoeb een dochter van Loet tot moeder had en vorst 
werd van Parasi. 

(15») T. A. 300 jaar oud. 

Q^), T. A. Het voorafgaande ontbreekt Het volgende is 
niet zeer duidelijk: Jakoeb had 7 vrouwen en 12 zoons ge- 
naamd: Jahoeda, Sëmangoen, Jasdjar, Roja, Loen, Bobil, 
Djedoen, Lawe, Djenah, Joesoep, Badan en Nalaka. Ineen 
tweede opgaaf komt Jasdjar niet meer voor. Alleen Joe- 
soep en Djenah met hun zuster Boejamin zijn van ééo 
vader en moeder. Oeen dier moeders wordt genoemd en 
over den aard der eigennamen wordt niets meegedeeld.— 

De verklaring Ishak; de lachende, is uit den tekst van 66. 

No. 66 en 122 geven wel op; dat Jakoeb 12 zoons heelt, 
maar noemen er slechts 6 : Jahoeda, Roebil, Lawi en Sama- 
^ oen, zoons van Lea, Juesoef en Benjamin, zoons van Kabil; 
bij Zijn bijwijven had hij er drie. namen ongenoemd. In 66 
is daarenboven een lijn (ot meer) overgeslagen (pag. 126). 
waardoor te dier plaatse Joesoef en Benjamin zoons vaneen 
goendik worden, ofschoon later hun moeder Bahil heet. 

(^^1). Van hier af tot aan 153 ontbreekt in T. A. 

(^•*). Deze droom wordt in No. 66 niet vermeld. 

(*^^). In T. A. droomt Joesoep niets anders, dan dat zon 
maan en elf sterren voor hem buigen. 

(1^^). T. A. spreekt slechts van Joesoep's stiefmoeder. 

(^'^), T. A. Ontbreekt tot aan de alinea. 

^i66j rp ^ Ontbreekt tot aan de alinea. 

(1^7). T. A. Ëen wilde hond of jakhals {asoe alas)^ maar 
afgewisseld met matjan. 

(i^^J. T. A. Ontbreekt tot aan de alinea. 

(1^). T. A. Eenvoudig Malik, wiens landaard niet genoemd 
wordt. Hij is op reis naar Miskin, vroeger ook al eens op- 
gegeven; zal wel een fout zijn in pi. v. Mësir, zooals het 
verder heet. De slaaf heet hier Basar. 

(^^^). Van die restrictie men talis wordt in T. A. niet gerept 



343 

(^7^). Het volgende verhaal, evenaU de droom van Malik, 
ontbreekt in T. A. 

Q'^^). T. A. zegt slechts ^zijn moeder", zonder haar naam 
te noemen. 

(Ï73). T A. Die bewaker heet Pelak. 

(^74). T. A. Voordat Joesoep in Mësir aankomt volgt 
een verhaal, hoe hij onderweg de bewoners der desa Tesan 
en vorst Djijan van Koedoes met de zijnen tot den Islam 
bekeert. 

p). ]ieide mss , No 66 en No. 122, hebben fioi. 

(*^®). T. A. Djaleka, prinses van Temas. 

(167). T. A. Slechts: „dat hij in Egypte woont". Hiermede 
schijnt echter de vorst bedoeld te zijn, want de koning van 
Temas doet zijn dochter den vorst van Egyte als vrouw aan< 
bieden. De naam Potifar wordt in T. A. niet genoemd; ook 
wordt niet verteld, dat hij slechts onderkoning is. 

(1781. T. A. „een geraimen tijd". 

(17*). T. A. Dit verhaal van den visch Daloedj ontbreekt. 

(1^). Het verhaal van den handelsgeest van dezen slaaf 
ontbreekt in T. A . 

(1^1). In T. A. ontbiedt de vorst Malik ; de ontmoeting 
met Djaleka heeft eerst plaats na den koop. 

(*82j Van den ring wordt in T. A. niet gesproken. 

(1^*). Malik's verzoek aan Joesoep ontbreekt in T. A. 

(1®*). T. A. Want Djaleka was door Allah voor Joesoep rein 
gehouden, zoodat de koning meenende Djaleka te omhelzen 
het een op haar gelijkende djin deed, evenals verderop de 
Mal. tekst verhaalt. 

(*^^). De historie van het paleis ontbreekt in T. A. ;daar 
laat Djaleka eenvoudig Joesoep ontbieden. 

(1^). In T. A. is Joesoep feitelgk voor de verleiding van 
Djaleka bezweken, ofschoon Djabrail in de gedaante van 
van Jakoeb nog tydig genoeg komt om het overspel te ver- 
hinderen. 

(1^). T. A. maakt geen melding van die zweep. 

(»««). T. A. Van 40 dagen. 



trxrx 

i}^). Deze daad van Rian ontbreekt natnurlijk in T. A. 

(^•®). T. A. Een djêroelc inanis. 

(^•-). In T. A. bereidt Djaleka de vrouwen voor op de 
komst van Joesoep. 

(*'^). In T. A. bondt Djaleka de moraal van 't geval voor 
zich. 

(>^^). In beide bss. wordt deze naam telkens verschillend 
opgegeven; )^U».. ^Ui^» jSm, .!«. Ik heb gelezen jUi., 
kabbaz, bahkei\ in den tekst getranscribeerd kabaz. — In plaats 
van het hier volgende verhaal vermeldt T. A. alleeOi dat 
Joesoep 's medegevangenen waren 's vorsten schenker en deur- 
wachter, verdacht van hem te hebben willen bedriegen. 

(^•*). Die cipier wordt in T. A.. niet vermeld. 

(^•*). In T. A. zeer verward. De deurwachter droomt, dat 
hi{ zich bedrinkt aan arak. De droom van den schenker is 
die van den bakker in Gen. Joesoep belooft hun de droomen 
uit te leggen, maar eerst moeten zij den Islam aannemen. 
De deurwachter doet dit, waarop Joesoep hem voorspelt, dat 
hij na ^ dagen in zijn vorige ambt zal herateld worden. De 
schenker wil niet, waarom hem door Joesoep wordt aange- 
zegd, dat hij den volgenden dag zal gekrist worden. In T. A. 
komen zij niet meer op die droomen terug en ontbreken dus 
de diepzinnige beschouwingen omtrent de kracht van droomen 
van het Maleische verhaal. 

(*^). T. A. De verschijning van Djabrail ontbreekt; zijn 
beschouwingen worden door den auteur meegedeeld. 

0»7). T. A. Allah. 

(i»8). T. A. 5 jaar. 

^^). Volgens T. A. was de koning den geheelen droom 
vergeten. Volgens No. 122 eveneens. 

{^Y Waar de tekst Saki heeft, staat in T. A. natuurlijk 
de deurwachter. 

{^^). T. A. den geheelen droom. De arm van Gen. zgn 
hier blaren geworden. 

{^^). In T. A. stelt Joesoep geen voorwaarden, maar volgt 
onmiddellyk de door den vorst afgezonden mantri's, die hem in 



345 

staatsie en met groote eerbewijzingen uit de gevaogeois ko- 
men halen. 

(***). T. A. heeft i. pi. hiervan, dat de koning Joesoep 
plechtig als vorst over Egypte installeert, daarna kluizenaar 
wordt en spoedig sterit. 

(^). In T. A. is Djaleka van al 't huilen over Joesoep 
een leelijke oude vrouw geworden. Toen zij zich aan Joesoep 
aanbood, wees deze haar ai, omdat zij zoo oud en leelgk 
was en daarbij de afgoden diende. Toen sprak Djabrail: 
„Neem haar toch maar^ want het staat op de taiel van het 
noodlot geschreven, dat gij met haar trouwen zult''. Zoo 
komt het hnwelgk tot stand, nadat Djabrail Djaleka haar 
vroegere schoonheid heeft teruggegeven, door met zijn vleugels 
over haar heen te strijken. Met een beschrijving van Joe- 
soep's wijsheid en macht, van de welvaart van Mésir onder 
zijn regeering, en hoe het geheele rijk den Islam aannam, 
eindigt Joesoep's geschiedenis abrupt. 



T^diebr. lod. T. L. ea Vk., deel XXXV. ^3. 



\J 



STUrnËiv 



OVER 



Af JtBSCil KLAM- EN SCHRIFILEER. 

DOOR 

Dr. C. SNOUCK HUR6R0NJE. 



INLEIDING. 

Gedarende mijn verblijf in Atjèb had ik gelegenheid tot 
verzameling van veel lexicographisch en grammatisch mate- 
riaal betreffende de taal des lands en van de belangrijkste pro- 
ducten der litteratuur. Niets zou mij aangenamer zijn dan 
al dadelijk vooral dat taalkundig materiaal in zoo beknop- 
ten en eenvoudigen vorm te verwerken, dat mgne studiën de 
vooialsnog zeer moeilijk te beoefenen Atjèbsche taal meer on- 
der hèt bereik brachten van hen, die daarginds in dienst der 
Regeering verblijf houden. Echter moet om verschillende re- 
denen aan de gewenschte beknopte uiteenzetting van klank- 
en vormleer (de syntaxis moet uit voorbeelden, aan de levende 
taal ^) ontleend, geleerd worden, daar het materiaal voor stel- 
selmatige behandeling harer wetten nog ontbreekt) eene meer 
uitvoerige bespreking van beide vooralgaan, waarnaar dan 
later kan verwezen worden. Het eerste gedeelte dier ietwat 
uitvoeriger studiën wordt den lezer thans aangeboden. 
De eenige ernstige verzameling van bouwstoffen voor de 

*) Nagenoeg alle Atjèhsehe getchriflen zyn in gebonden styi \ de levende taial 
leert men daainiit in geenen deele kennen. 



347 

kennis van het Atjèhscb^ waarover bet publiek beschikt, Tor- 
men de Spraakkunst en bet Woordenboek dier taal van K. 
F. H. VAN LangeK; in 1889 door het Koninklijk Instituat 
voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandschlndië 
uitgegeven. Natuurlijk is zulk eene eerste proeve, nog wel 
afkomstig van iemand, die voor gebeel ander werk dan taai- 
studie in Atjèh bescheiden was en alleen zijn vrijen tijd daar- 
aan kon besteden, niet alleen vatbaar voor aanvulling, maar 
heeft zij ook aan] velerlei verbetering behoefte. 

Hoe kon het bijv. anders, bij de wanhopig irrationeeie 
spelling der Atjèhers, of de schrijver moest, uitgaande van 
geschreven teksten, een in menig opzicht onjuist beeld ont- 
vangen en wedergeven van het Atjèhscbe klankstelsel. Zeer 
verklaarbaar is het, dat hij, evenals de Atjèhscbe schrijvers 
zelve, dikwijls denzeif den klank op verschillende plaatsen door 
verschillende teekens afbeeldt, of ook weer verschillende klan- 
ken nu er dan met hetzelfde teeken aanduidt. Wie zal het 
den auteur euvel duiden, dat hij ook in de vormleer dikwerf 
mistastte, de prae- en infixen niet altijd juist verklaarde, en 
bijv. onwillekeurig zoekende naar het passief, dit eindelijk 
meende te ontdekken, waar het niet te vinden was? Dit 
zullen alleen lieden kwalijk nemen, die geen begrip hebben 
van de moeilijke omstandigheden, waaronder de schrijver dit 
onontgonnen veld moest bewerken, en die zelve nooit hunne 
krachten hebben beproefd aan de ontdekking der wetten eener 
nog niet grammatisch onderzochte taal, die daarbij het voor 
haar minst geschikte schrift op de meest stelsellooze wijze 
gebruikt. 

Wij zullen ons wel wachten voor den onbillijker toon, dien 
Joh. S. A. van Dissel ten aanzien van van Langrn's werk aan- 
sloeg in zijne bespreking ^) der door hem cacographisch zoo- 
genoemde „Aljinee8clie-SpraakkwisC\ Terwijl die schrijyer 
immers nog zijn eerste blijk van eigen geschiktheid voor de 
wetenschappelijke waarneming en beschrijving eener gespro- 



') In de Bydrageu van het Koninklijk Instituut voor de Taal-, Laud- eu 
VoUceokunde ^an Nederlandschludië, Jaargang 1890, bladz 604 — 516. 



' 



348 



ken taal moet leveren, bewijst b^ in l>edoeld stuk, dat hy 
zijne moedertaal niet beboorlijk sebrijven kan. Of wat zegt 

men van zinnen als deze: onjuistheden, i^aro^p 

ik hieronder wijzen sal, efi, naar ik hoop, bijdragm mogeti 
enz." (bladz. 504) ; ,,ik zal nu blz. voor blz. nagaan en wat 
aan zinnen onjuist mag zijn^ vertaaldy of waar minder juiste 
grammaticale regels worden gegeven^ die trachten te wederleg- 
gen" (bladz. 505) ; „wel heeft v. L. wat voor den geest ge- 
zweefd^ doch er niet verder over nagedacht' enz. enz. 

Dat zijne voorstellen tot verbetering bijna alle belachelgk 
zijn, ligt voor een deel aan het onvoldoende materiaal, waar- 
over hij beschikte; maar daarom had hy zich van zulke my- 
meringen, oi althans van de openbaarmaking derzelve, voor- 
loopig moeten onthouden. Dit had hij althans moeten zien, 
dat VAK Langen's voorbeelden bijna alle ontleend zijn aan 
hikajats in gebonden stijl \ dan had hij de dwaze opmerking 
niet gemaakt, dat »men" in plaats van pet droi péntjoeri 
-verwacht had" : pentjocri pel droi (bladz. 505). En hy bad 
niet naar aanleiding van de woorden; pakat Brakman ge- 
kemeng moeprang durven schrijven : > De Atjineesche zin dengt 
niet (m. a. w. de Atjèber, die dit schreef, moest bij Joh. S. 
A. VAN Dissel les komen nemen in zijne eigen taal!), er is 
geen reden voor een ge-kemengy we zullen maar denken aan 
een drukfout voor me-kemeng en de {sic) zin liever laten lui- 
den : „dji moepakat Brakman mèkemeng moeprang'\ Inderdaad 
is de gewraakte zin volkomen zuiver; letterlijk vertaald: >het 
plan van den Brahmaan was, dat hij oorlog wilde voeren". 
Zóó drukken de Atjèhers zich uit, en hetgeen van Dissel in 
plaats daarvan ernaar liever zal laten luiden'' is eene onge- 
rijmde verzameling woorden zonder zin. 

Op bladz. 516 had hij van Langen kunnen verbeteren door f 

op te merken, dat in het Woordenboek de gewone beteekenis 
van djaroi, nl. kand, niet is aangegeven. In plaats daarvan 
vertaalt v. D. geheel onnoodig een eenvoudig raadsel, en 
wil ons in die vertaling wijsmaken, dat Atjèhsche jassen 
vingers hebben I 



349 

Nog een staaltje van het gezond verstand des sehrijvers. 
Een Atjèhsch raadsel, dat NB. zeer wel van vreemden oor- 
sprong kan zijn, en waarvan de kracht der liefde, die moeder 
en kind vereenigt, het onderwerp vormt, geeft v. D, deze 
ontboezeming in de pen: „Zoo iets geeft een hoog denkbeeld 
van de beschaving van de Aijéërs*\ Ben trek dus, dien 
nagenoeg alle zoogdieren en vogels met elkander gemeen 
hebben en die misschien op de lagere trappen van beschaving 
(in het algemeen gesproken) den mensch in hoogere mate 
eigen is dan in de middelpunten van de hoogste ontwikkeling 
der maatschappij, geldt als bewijs van beschaving! 

Wij houden ons met dit weerzinwekkend document van 
onbevoegdheid en eigenwaan niet langer bezig, maar geven 
thans een en ander van hetgeen locaal onderzoek, waarbij 
wij met veel nut van Langen's eerste proeve als legger ge- 
bruikt hebben, ons opleverde. 

Voor eene juiste waardeering van den aard dezer studiën 
moeten wg echter eenige opmerkingen over klankleer in het 
algemeen doen voorafgaan, die wel vrij eenvoudig zyn, maar 
geiyk meer eenvoudige waarheden, zich niet in algemeene 
bekendheid verheugen. Althans in de studiën over de talen 
van dezen Archipel zijn slechts bij wyze van zeldzame uit- 
zondering sporen van die kennis te ontdekken. Schrift- en 
klankleer bijv. worden in den regel op treurige wijze door 
eengeward, zoodat de gezamenlijke behandeling van beide, 
in plaats van tot beider voordeel te strekken, gewoonlijk de 
klankleer èn onvolledig èn onjuist doet voorstellen. 

De klanken, waarvan een volk of een stam zich bedient 
om zijne gedachten uit te drukken, zijn immers de resultaten 
der werking van zekere bewegingen der menschelgke spraak- 
organen op het menschelijk oor. Zij zijn bij geen volk stand- 
vastig of onveranderlijk; zij wijzigen zich, nemen toe, ver- 
dwijnen, stooten elkander af of trekken elkander aan, geheel 
onafhankelijk van de pogingen, die dat volk al of niet doet 
om de ontvangen klankiudrukken door letters af te beelden; 
met andere woorden, de natuurwetten van elk klanksteliel 



350 

werken önafbankelijk van de kuostregelen van het daarop 
toegepaste Bchriftsysteem. 

Het ontstaan en de ontwikkeling der klankwetten van 
elke taal verklaren zicb in verband met deu bouw des licbaams 
van ben, die die taal spreken, missebien ook van klimaat 
en omgeving; zij werken in booidzaak onbewudt De deugden 
en gebreken van een lettersebritt bangen samen met de kennis 
en ontwikkeling van ben, die bet voor buuue taat in orde 
brachten; de fijnheid hunner analytische waarneming; de 
gesctiiktheid van bet alfabet, dat zij leerden kennen, voor 
de klanken, die zij gewoon zijn te hooren. Een paar voor- 
beelden mogen dit ophelderen. ^ 

Het Arabische schrift kent aan klinkers alleen a, i en oe: 
toch is het aan geen twijfel onderhevig, dat de Arabische 
taal oudtijds, evenzeer als thans, ook bijv. de verschillende 
nuances van o en e gekend heeft, maar die zijn ontsnapt 
aan de waarneming van hen, die bet schriftsysteem vaststel 
den. Toen men later die vocaalverschijnselen nauwkeuriger 
observeerde^ wist men voor die veronachtzaamde vocalen 
geene betere aanduiding dan die van ..afwijking'' {imdlah), 
zoodat bijv. de è eene met „afwijking'' uitgesproken koile 
a, de é eene met „afwijking" uitgesproken lange a werd 
genoemd, enz. Ofschoon dus het Arabisch een in menig 
opzicht bewonderenswaardig schriftsysteem beeft, is dit toch 
een zeer gebrekkig middel om ons de klank wetten zelfs der 
Arabische taal te doen kennen, o. a. door deszelis onachtzaam- 
beid ten opzichte der vocalen 

Een ander voorbeeld zij aan onze Ëuropeesche talen ont- 
leend. Deze hebben — om van andere speciale gebreken der 
schriftsystemen te zwijgen — bijna alle dit gebrek gemeen, 
dat hare alfabetten uitgaan van de onderstelling, als waren 
er woorden, die met klinkers beginnen. Toch bestaan deze 
niet, en begint elke syllabe met een consonant. Deu klinker 
van het woord uur kan men niet uitspreken, tenzy men eerst 
als met een ruk aan de opening der stemspleet, een zachten 
luchtstroom uitgelaten heeft, en hetgeen op die wijze wordt 



351 

voortgebracht, heeft evenzeer recht op den naam van mede- 
klinker als bijv. de op dezelfde plaats gevormde g of k. 

Eenig bewustzijn der aanwezigheid van dien medeklinker 
toont men bij ons door bijv. geëerd met een trema te schrij- 
ven , maar gewoonlijk denkt men. bij dat teeken (ten onrechte) 
meer aan een hiaat tusscben twee klinkers dan aan eenen 
medeklinker. Aan het eind van een woord of van eene 
syllabe komt die klank in onze taal in het geheel niet voor, 
evenmin als de h, tenzij in enkele interjecties; maar in die 
zeldzame gevallen verwaarloost men hem toch in het schrift. 

In andere talen — met name in vele Semitische cd Indo- 
nesische — speelt bedoelde consonant eene grootere rol dan 
bij ons, komt hij namelijk niet alleen in het begin, maar ook 
aan het einde van syllaben voor. De Semieten hebben dan 
ook dezen klank zeer fijn waargenomen en drukken hem in 
hun schrift uit; in het Arabische alfabet door de ). Deze ] 
dient echter bij hen tevens om de verlenging van den a- 
vocaal aan te duiden, en wordt daarom in vele gevallen, 
waar hij als beeld van den medeklinker dienst doet door het 
hamzah-teeken van den vocaalletter onderscheiden: 1. Ein- 
delijk duidt het Arabische schrift in bepaalde gevallen, waar- 
in deze consonant door oe of t gevolgd of voorafgegaan wordt, 
hem respectievelijk door j of s^ aan, en beeldt hem een- 
voudig met ^ af, waar hij op een vocaalletter volgt, zoodat 
hij naar gelang der bijkomende omstandigheden op vijf wij- 
zen afgebeeld kan worden: door zijn eigenlijk beeld ), of door 
de ', welke door 1, ^ of ^ gedragen wordt, of door de ^ 
alleen. 

Het ligt in den aard der zaak, dat die Indonesische talen, 
die het Arabische schrift gebruiken, zich voor de uitdrukking 
van den genoemden gutturaal van de verschillende middelen 
bedienen, waarover het Arabisch beschikt. Wij zullen zien, 
dat zij er nog enkele aan toevoegen. Die verschillende letters 
voor éénen klank, nog wel voor eenen klank, welken wij- 
zelve gewoon zijn niet waar te nemen en niet uit te druk- 
ken, werken verwarrend voor hen, die zich op Tndonetisehe 



352 

talen met Arabisch letterschrift gaan toeleggen zonder geheel 
met Arabische klankleer en letterschrift vertrouwd te zi)ii. 
Inderdaad zoekt men in de leerboeken, bijv. van het Maleisch, 
vergeefs naar eene juiste behandeling van onzen gutturaal of 
van de letters, die hem voorstellen. 

Ten opzichte der Indonesische talen met ander dan Ara- 
bisch letterschrift^ bijv. het Javaansch, is het ook al niet 
beter gesteld. In Let Javaansche schrift bijv. ontbreekt een 
eigen letter voor onzen gutturaal, en in dit gebrek wordt op 
verschillende wijzen voorzien. In den aanvang van een woord 
schrijft men hem met hetzelfde teeken^ dat voor de h dienst 
dmi ; op het einde eener syllabe wordt hij daarentegen nooit 
met h geschreven, maar met het /c-teeken, het laatste stel- 
lig in de meeste gevallen om de historische reden, dat hij 
voor eene vroegere k in de plaats getreden is ^). Eveneens 
heeft het zijn historischen grond, dat dikwerf het verdubbelde 
A-teeken aanduidt, dat zoowel de vorige syllabe onzen gut- 
turaal tot sluiter, als de volgende hem tot aanvangsklank heeft 
(bijv. in dibèljVaké). Trouwens, ook waar het Arabische al- 
fabet gebruikt wordt, vindt men de^J" ^^ ^ op het einde 
der woorden voor den thans door ons besproken stootguttu- 
raal gebezigd, maar zelfs waar hij in die talen uit eene oor- 
spronkelyke k is ontstaan, treft men dikwerf > aan, en in 

andere gevallen de reeds besproken Arabische teekens \ h $, 
J^, en ^. Al deze omstandigheden hebben aan beoefenaars 
van Indonesische talen wel eens aanleiding gegeven tot bet 
aanduiden van onzen consonant als eene onvolledige of half 
ingeslikte k. Die benaming geeft echter aanleiding tot mis- 
verstand, hoewel zij in vele gevallen een schijn van recht 
ontleent aan de geschiedenis van den bedoelden klank Im- 
mers kan die naam, zelfs op historische gronden, alleen toe- 
gepast worden, waar de consonant eene syllabe sluit, en mis- 

1) In het modern- ArabiBch dialect van Q^iro ik de s bteeds, ook in den aan- 
vang der syllaben, de plaatsvervanger der gutturale Jk (/j\ er segt men SI voor 

iJU» haHSmh voor AAAA». Kindden, die de k niet kunnen oitaprekea, ver- 
vangen haar bij oob eveneens door ' en seggen oe> of eigenljjk foes voor koek. 



353 

kent zulk spraakgebruik dus degelijkheid van die ^ingeslikte 
/('' met den aanvangscoDSonant van een woord als ana^ ('atia*) 
of met den middelsten consonant van bet Atjèbscbe/a'tn. Men 
zon met betzelfde recht bijv. de b een onyolledige p, de h 
een onvolledige ch knnnen noemen, omdat die klanken zeer 
verwant zijn, en de een in verschillende talen uit den ander 
ootstaat. Wie met de Arabische klankleer waarlijk vertrouwd 
is, observeert, d:it de eerste en de laatste consonanf van bet 
Maleische ana^ (vollediger geschreven : ^ana*) en de middel- 
ste vad bet woord la* in dezeltde zijn, met geen ander verschil 
dan dat, hetwelk zich in de uitspraak van eiken consonant 
voordoet, naar gelang hg eene syllabe opent ot sluit, denzelf- 
den graad van verschil dus, die de Engelscbe b in cab (waar 
slechts een aanloop genomen wordt om dien klank uit te 
spreken) van die in bear onderscheidt, of ook den eersten en 
den laatsten consonant van het HoUandsche mom. 

De consonant, dien wij , bij gebreke van een Latijnsch 
ietterteeken, voor bet Atjëbsch met ^ zullen aanduiden, is dus 
in de spraakleer van onze Europeesche talen zoo goed als 
niet waargenomen : in het begin van woorden geheel aan de 
aandacht ontsnapt, op bet einde zoo goed als niet voorkomend, 
in het midden hoogstens door een trema aangeduid; door 
historische oorzaken wordt hij in de Indonesische schrift- 
stelsels op zeer verschillende wijze geschreven. Deze beide 
teiten, in verband nog met de heerscheude verwarring van 
schrift- en klankleer, hebben gemaakt, dat men in de spraak- 
kunsten der talen van dezen Archipel vergeefs naar eene 
juiste behandeling van dezen klank zoekt 

Bekend zijn de moeilijkheden, die de sluit-A der Indonesi- 
sche talen aan Europeanen oplevert, alweder omdat deze 
klank; evenals de ^, in de ons meest bekende talen zelden 
of nooit aan bet eind eener syllabe optreedt, terwijl zijne 
letter slechts om historisclic redenen in verouderde schrijf- 
wijzen voorkomt Vele Europeanen laten dan ook dien klank 
in de talen van dezen Archipel, waar hij eene syllabe sluit, 
onuitgesproken, en sommigen beweren zelfs, dat eigenlijk 



354 

ook bij de Inlaoders in uitgangen geen h gehoord wordt; 
eene volstrekt onjuiste bewering en eene nieuwe miskenning 
van bet boven reeds in herinnering gebrachte feit, dat elke 
consonant in den aanhef eener syllabe duidelijker en volle* 
diger gevormd wordt dan in den uitgang. Evenzeer als dit 
misverstand, is de nu en dan voorkomende verwarring der 
h en ^ als sluiters te vermijden, welke laatste dwaling mis- 
schien mede veroorzaakt wordt door de Javaansche spelling 
van ^ met «/n (h) aan het begin van een woord. Dit is echter 
eene zaak van schriftleer, die met de phonetiek niets te makeo 
heeit, en bovendien stelt de eind-A in het Javaansch zoowel 
als in het Maleisch nooit iets anders dan h voor. 

Üit de aangehaalde voorbeelden, die gemakkelijk te ver- 
meerderen zijn, blijkt voldoende hoe noodzakelijk de scheiding 
van klank- en schriftleer is voor het recht verstand van beide^ 
hetwelk natuurlijk geenszins wegneemt, dat een helder in- 
zicht in de eene een onschatbaar hulpmiddel is om de andere 
te begrijpen. Tevens bleek eruit, hoe onze losmaking van 
het schrift- en klankstelsel, dat ons het meest gemeenzaam 
is, noodig kan zijn, om geen der klanken eener door ons ge- 
observeerde vreemde taal te kort te doen. 

Geheel zelfstandig, dat is zonder vermenging en verwar- 
ring van beide, maar toch zooveel mogelijk in verband met 
elkander, moet men dun klank- en schrittleer behandelen 
Welke van beide daarbij als uitgangspunt zal dienen, hangt 
van omstandigheden af, die wij niet in onze macht hebben, 
maar is voor elk speciaal geval zonder moeite te bepalen. 

Zoo ligt het voor de hand, dat men bij eene d^ode of tegen- 
woordig anders dan vroeger gesproken taal, waarin schrif- 
telijke documenten overgeleverd zijn, wel van de schriftleer 
moei uitgaan, om door studie van die schriftleer, in verband 
met de bekende klanken van andere talen, die uit die taal 
ontstaan, of met haar verwant zijn, gegevens aangaande 
hare klankleer te verkrijgen. De resultaten van deze me- 
thode voor de phonetiek zullen altijd gebrekkig zgn. Het 
klankstelsel eener taal toch laat zich, evenmin als andere 



355 

natuarprodaoteo, zuiver weergeven of afbeelden in formules; 
zelfs het meest wetenschappelijk schrittsysteem geeft slechts 
bij benadering een denkbeeld van de verscheidenheid der 
klanknuances. De gebruikelijke schriftsystemen zijn echter 
niet voor de wetenschap gemaakt; zij wilden gewoonlijk met 
behulp van een beperkt aantal teekens hem, die de taal 
reeds kende, in staat stellen het door anderen gesprokene of 
gedachte nogmaals te spreken of te denken, en voor dit doel 
is geene bijzondere nauwkeurigheid of uitvoerigheid vereischt. 
Verder bracht de geschiedenis der menschelijke beschaving 
mede, dat het eene volk het schrift van het andere met 
meer of minder wijzigicfg overnam en op] zijne eigen taal 
toepaste, ook al was dat schrift voor die taal allerminst ge- 
schikt. Eindelyk ontwikkelt zich de schrijfwijze of spelling 
evenzeer kunstmatig; als zij kunstmatig is ontstaan. Terwijl 
de klanken zich als ongemerkt ontwikkelen of wijzigen, 
leven en vergaan, wijzigt zich eene spelling bij sprongen, 
ten gevolge van den wil dergenen, die haar gebruiken. 
Daarom vindt men dan ook te allen tijde in elk spelsysteem 
nuancen niet uitgedrukt, die met de beschikbare hulpmidde- 
len zeer wel afgebeeld kunnen worden, en omgekeerd vindt 
men rudimentaire afbeeldingen van klanken, die] nu niet 
meer uitgesproken worden. Alleen eene op streng weten- 
schappelijke grondslagen berustende hervorming in de spel- 
ling (die evenwel practisch meer last dan voordeel zou op- 
leveren) zou in staat zijn voat- een aogefihlilc het gebrek aan 
overeenstemming tusschen de klanken en hare schriftelijke 
beelden tot op zekere hoogte te verhelpen, maar weldra zou 
de taal, na eene nieuwe periode van haren groei, andermaal 
hervorming van het schrift eischen 

in de beste gevallen komt men dus, door uit de geschre- 
ven taal de klankleer af te leiden slechts tot een zeker aan- 
tal relatief juiste gegevens omtrent de klanken; hunne on 
derlinge verhouding laat zich eenigszins bepalen, maar de 
aard van eiken klank blijft verborgen. Deze methode zal men 
dan ook alleen bij gebreke van andere hulpbronnen toepassen. 



356 

Zeer gebruikelijk is het eveowel, bij de behandeling van 
levende talen, die een eigen schrift hebben, de bespreking der 
klankleer aan die van het alfabet vast te knoopen. Degeen^ 
die dan zulk eene taal te beoefenen heeft, yemeemt niet in 
de eerste plaats, welke klanken die taal bezit en wat zij 
daarmede doen kan, aan welke wetten zij daarbij gebonden 
is, maar hem wordt vóór alle dingen geleerd, welke lellers 
zij, de Hemel weet langs welken toevalligen en irrationeelen 
weg, heelt opgedaan of uitgedacht, en daarna hoe „elke dier 
letters' wordt uitgesproken/' Heeft die taal klanken, die geene 
afbeelding in het schrift gevonden hebben, dan worden deze 
in het voorbijgaan, of ook wel niet behandeld ; van sommige 
letters verneemt de leergierige, dat zij ,.nief\ van andere, dat 
zij op verschillende plaatsen zeer verschillend worden uitge- 
sproken. Moge zulk eene methode voor sommige doeleinden 
practische voordeeleu opleveren, het ligt voor de hand, dat zg 
feitelijk de paarden achter den wagen spant en het verkrijgen 
van heldere phonetische begrippen bemoeielijkt. Het is immers 
duidelijk, dat langs dezen weg alleen dan eene bevredigende 
uiteenzetting der klankleer te verkrijgen ware, wanneer het 
schrift der te behandelen taal eerst onlangs, en wel naar 
zuiver phonetische regelen ware vastgesteld; tenzij de be- 
schrijver der klankleer ieder oogenblik in den loop zijner 
uiteenzetting het door hem als uitgangspunt genomen schrift 
verbetert. Maar dan is het toch veel eenvoudiger, eerst de 
levende klanken en daarna hunne zoo onvolkomen beelden 
te doen kennen. 

Ieder zal verder inzien, dat de studie der klankleer tot 
haar object moet hebben eene spreektaal of een dialect of 
hoe men het noemen wil; hieronder kan men desnoods ook 
de eenigszins kunstmatige dialecten verstaan, die als „be- 
schaafde spreektaal" gelden (zooals het Nederlandsch of het 
Hoogduitsch) maar niet de alleen uit beelden bestaande 
schrijftaal, die hare eigene kunstmatige schrift- of spelregels 
heeft. Ook die beschaafde spreektalen kunnen slechts tot op 
zekere hoogte voorwerpen van phonetische studie ziju, name- 



357 

lijk slechts in zooverre als zij zich door raste, locaal niet 
te zeer verschillende phonetische verscbijnseleD onderscheiden 
van de dialecten^ die zij trachten te beheerschen. 

Nemen wij tot voorbeeld het Maleisch. Bene behandeling 
van de klankleer dezer taal, die zich bindt aan het Arabisch- 
Maleische schrift, kan niet anders dan zeer gebrekkig uitval- 
len. ELene klankleer van een algemeen, beschaafd of zuiver, 
Maleisch is echter ook buitendien uit den aard der zaak on- 
mogelgk, want de Maleische taal is, zoolang wij die kennen, 
over een zoo wijd gebied verbreid, en de Maleische spreek- 
talen hebben zich zoo verre en daardoor zoo onaihankelyk 
van elkaar ontwikkeld, dat hare samenvatting tot één geheel 
niet uitvoerbaar is dan door geheel onwetenschappelijke wille- 
keur. Ook al Wijst men bij zoodanige behandeling op aller- 
lei leemten van het schrift en op allerlei eigenaardigheden 
der uitspraak, men zal steeds een mengelmoes voor den dag 
brengen, waarvan de werkelijkheid overal enkele deelen, 
nergens het geheel te hooren geeft. Men treedt zoodoende on- 
bevoegd als schepper op, daar men deelen van verschillende 
organismen tot een nieuw pseudo-organisme samenknoeit. 

Zou men wellicht met het oog op practische voordeden 
nog kunnen aarzelen over den te volgen weg van behande- 
ling bij eene taal met een eenigszins rationeel letterschrift, 
bi) de Atjèhsche kan de keuze geen oogenblik twijfelachtig 
zijn. De Atjèhers toch hebben het Arabische alfabet met 
toevoeging van een paar, ook in het Maleisch gebruikelijke 
teekens ( ^ , ^ of u^) zonder eenige regelmatigheid op hunne 
taal toegepast. De oorzaken der bijzondere slordigheid van 
het Atjèhsche schrift liggen voor de hand. 

In de Maleische spelling brachten twee omstandigheden 
zekere regelmaat, al moge dan ook de consequentie der spel- 
regels evenveel te wenschen overlaten als bare trouwe opvol- 
ging. Vooreerst het gebruik dier taal voor wetenschappelgk 
godsdienstige doeleinden; kitabsy die als handleidingen vooi 
de geloofsleer, de studie der wet, de mystiek, de Arabische 
spraakkunst enz. dienden, bewerkte men in het Maleisch en 



368 

voor zalke doeleinden bedient men zich bij voorkeur niet 
Tan eene spelling, die telkens tot dabbelzinnigheid of onze- 
kerheid leidt. Als voertuig der heilige wetenschappen moest 
de Maleische taal regelmatiger geschreven worden dan voor 
bet proiane gebruik noodig ware geweest. In de tweede 
plaats werkte de groote verbreiding van het Maleisch als 
kanselarij taal tot meer uniforme atbeelding harer klanken 
mede; de officieele brieven, de staatsstukken, werken over 
locaal recht enz. werden en worden in alle Maleische en vele 
niet-Maleische landen in de Maleische taal gesteld. Het ge- 
wicht van zulke stukken vereischt van zelf ook in den 
.uiteriyken vorm zekere sierlijkheid; die zich met anarchie in 
zake^|der spelling niet laat overeen brengen. 

De Atjëhers hebben de gewijde wetenschappen steeds in 
het Maleisch beoefend, en ook hunne staatkundige litteratuur 
en officieele documenten in die taal gesteld. Zelfs voor 
hunne intieme particuliere briefwisseling bedienen zij zich 
altijd van het Maleisch; brieven in de Atjèhsche taal zal 
men vergeefs zoeken. 

Men zou oppervlakkig hieruit kunnen concludeeren, én dat 
de kennis der Maleische taal in Atjëh zeer verbreid is, én 
dat het Atjèhsch zich niet tot den rang eener litteraire taal 
heeft verheven; beide gevolgtrekkingen worden echter door 
de werkelijkheid gelogenstraft, 

Maleisch kennen zeer weinige Atjèhers, en de meesten 
dier weinigen vermengen het sterk, zoowel sohriftelyk als 
mondeling, met Atjèhsche woorden en constructies. Zelfs 
in den bloeitijd des rijks waren zij, die ter hoofdplaats 
Maleische boeken schreven, welke zekere vermaardheid ver- 
worven hebben, geene Atjèhers. Er wordt in Atjèh uiterst 
weinig gecorrespondeerd, en wie een brief verzenden moet, 
neemt zijne toevlucht tot den „geleerde'' zijner kampong, 
die dan zoo goed of kwaad als hij het kan, de bedoelingen 
van zijnen lastgever in zijn mengelmoes van Maleisch en 
Atjèhsch uitdrukt. De beste secretarissen van voorname 
hoofden zijn Klinganeezen en Maleiers. De heilige weten- 



369 

schappen worden door betrekkelijk weinigen beoefend^ en 
b^ dezen is eenige kennis van het Maleisch tot het verstaan 
der kitabs in denzelfden zin onmisbaar, als voor de Soen- 
daneesche santri's die van het Javaansch ; maar evenmin als, 
ja nog minder dan wezenlijke kennis der Javaansche taal 
onder de Preanger stadenten, is die van de Maleische taal 
onder de Aijèhsche moetids verbreid, en evenmin als gene 
het Javaansch, kannen deze het Maleisch practisch gebruiken. 

De gewone Atjèher, die niet aan het strand woont, en 
zelfs de meerderheid der havenbewoners, kent nagenoeg geen 
woord Maleisch ^). 

Hoewel de Atjèhers zich voor gewijd-wetenschappelijke, 
officieele en epistolaire geschriften van eene vreemde taal 
bedienen, hebben zij toch in hanne eigene taal eene, ofschoon 
niet bijzonder omvangrijke, wel zeer belangwekkende littera- 
tuur* Op nietige uitzonderingen na zijn alle letterkundige 
voortbrengselen der Atjèhers in een eigenaardigen gebonden 
stijl geschreven. Zij hebben hunne, deels historische, hel- 
dendichten, hunne panlons en andere voor de raléVs ^) ge- 
bruikelijke zangen; deels aan de Maleische ontleende, deels 
uit dezelfde bronnen als Maleische voortgekomen, maar al- 
tijd eigenaardig veratjèhschte hikajals, hunne godsdienstige 
legenden, leerdichten, stichtelijke werken enz., alles in hun- 
ne eigen taal en meereudeels echt populair, getuigende van 
den staat hunner beschaving en denkwijze en tevens daarop 
invloed oefenend. Later hoop ik dat alles uitvoeriger te be- 
handelen: thaos zij het genoeg, op eene bonte populaire 

^) De vooTstelUDgen, die meu zich buitenaf van de verbreiding der kennis 
dezer taal maakt, zfja trouwens over het algemeen fabelachtig. Op Java bijr. 
19 volstrekt niet alleen de gewone désaman, maar zijn de vooruaamste prijaji's 
in de Vorstenlanden voor het meerendeel zelfs niet gebrekkig met het Maleisch 
bekend, en er zijn ook, om maar niet meer te noemen, in de Goavemements- 
landen vele districtshoofden, wien het overmatige inspanning koit, zich schrifte- 
lijk of mondeling in het Maleisch te moeten uitdrukken. 

*) Eigenlijk is de raié6 een soort van 4'^r, gemeenschappelijk opgedreunde 
godsdienstige litanie. Hel.alve de Arabische raiéb's heeft men echter in Atjèh 
eene navolging daarvan, die men haast eene caricatnnr mag noemen : paniönê 
en andere, dikwerf onzedel^ke zangen worden daarbij door half-vrouwemk uitge- 
dosehte dan^ongens en hunne bewonderaars voorgedragen. 



360 

litteratuur gewezen te hebben^ die sebriiteliik. overgeleTerd 
wordt. 

Nu is het Arabische schrift ten eenen male ongeschikt ooi 
de Atjèhsche klanken ook maar bij benadering weer te geven. 
Met de consonanten zou het nog gaan, ofschoon het aan mid- 
delen ontbreekt om de nasale varianten, die vele Atjèhsche 
medeklinkers hebben, van de niet nasale klanken te onder 
scheiden. Maar tot al beelding van de rijke verscheidenheid 
van gansch eigenaardige vocalen der Atjèhsche taal is nao- 
welijks een minder geschikt schrift te bedenken dan hel Ara- 
bische, dat zelfs in het weergeven der klinkers van het Ara- 
bisch zoozeer te kort schiet. 

Voor de Atjèhers levert dit nu geeu groot bezwaar op. 
Ter aanduiding van elk hunner vocalen bezigen zij nu eens 
deze, dan eens die Arabische vocaalletter, vaak ook geeoe. 
maar dit alles zonder de minste consequentie. Hunne in- 
tieme bekendheid met de taal, gesteund nog door rijm en 
maat der Atjèhsche werken, kan het zonder zuivere afbeel- 
ding der klanken doen en heeft genoeg aan de vaagste aan 
duiding. De syllabe, die wij met peue zullen weergeven, 
vinden zij in huune boeken afwisselend J, ^J j, U of zelts, 

in verbindin gen, alleen ^J geschreven, maar zelden of nooit 
geeft dit hun zwaiigheid, ofschoon toch de bedoelde letter- 
verbindingen, ook naar Atjèhsch schrijfgebruik, evenzeer po, 
pocy poej'f poeëj pt^ pè^ pè, pn kunnen beteekenen. 

Het lezen valt er hun niet moeilyker om, dan ons bijv. 
het kennisnemen van een slordig excerpt met allerlei inconse- 
quente afkortingen over een ons gemeenzaam onderwerp. 
Alleen natuurlijke zin voor orde had hen kunnen bewegen, 
eenige vastheid in hunne spelling te brengen, maar die zin 
is hun in het huiselijk, maatschappelijk en staatkundig leven 
zoo vreemd, dat het een wonder zon mogen heeten, wanneer 
hij zich in hun schrift openbaarde. 

Bij de ongeschiktheid van het Arabische schrift voor de 
Atjèhsche taal, het ontbreken der behoefte om dat schrift dan 



361 

tocb op de Yoordeeligste wijze te gebrnikeD, de afwezigheid 
▼an zin voor orde en regel onder de Atjèhers, komt nog eeuc 
omstandigheid; die het Atjèhsche schriit onbruikbaar maakt 
als nitgangspunt bij de behandeling der Atjèhsche klankleer. 
Dat schrift zelf toch, zoo gebrekkig als het is, bewijst ons, 
dat de klanken der Atjèhsche taal zich aanmerkelijk gewijzigd 
hebben sedert den tijd, toen men ze voor het eerst met Ara- 
bische letters afbeeldde. Had bijv. het Atjèhsch voorheen 
evenmin als thans sisklankeu bezeten, dan zon men niet in 
een zeer groot aantal zuiver Atjèhsche woorden de s^ ge- 
schreven vinden, daar de Arabische letter «^ veel beter den 
thans door ^^ afgebeelden klank l'' (meer palstaai dan in 
't Engelsche thing) weergeeft. 

Ook zon zelfs geen Atjèher op het denkbeeld komen, den 
klank èëj zooals in het ons bekende Atjèhsch meestal ge- 
schiedt^ door de vocaalletter ^ aan te duiden ; de vergelijking 
van verwante talen, zoowel als de in dialecten, van het Atjè&sch 
voorkomende uitspraak èw of ivo leert ons, dat vroeger 
die vocaal althans veel dichter bij de oe gestaan heeft dan 
thans. En waar de vocaal óé, met ^ geschreven, de dia- 
lectische varianten ój en aj naast zich heeft, mag men alwe- 
der aannemen, dan ook die klinker tot eene latere ontwik- 
kelingsperiode der taal behoort dan die, waarin men op de 
genoemde wijze begon te spellen. 

Zoo zou er nog meer te noemen zijn, waaruit blijkt, dat 
de Atjèhsche spelling niet alleen zoo gebrekkig en inconse- 
quent mogeiyk klanken afbeeldt, maar dat bovendien de door 
haar afgebeelde klanken voor een goed deel door andere zijn 
vervangen. 

Uit het boven medegedeelde vloeit van zelf voort, hoe men 
de Atjèhsche klankleer zal hebben te bestudeeren. Met een 
welgeoefend gehoor heeft men de klanken van een Atjèhsch 
dialect, de wijzigingen, die zij onder bepaalde invloeden on- 
dergaan, de combinaties met andere klanken, waarvoor zij al 
of niet vatbaar zijn, te observeeren. Met behulp vaneenige 
ervaring op dit gebied zal men daarbij weten te onderschei - 

TQdMlir. Ind. T. L. nu Vk., deW XXXV S4. 



362 

den tofischeu phonetiscbe verschynBeleD; die werkelijk karak- 
tertrekken Tan het dialeet mogen heeten, en andere^ die slechts 
individneele eigenaardigheden uitmaken van sommigen, die de 
taal spreken. Gaat ons streven das veel verder dan dat eener 
gebruikelijke schrijfmethode, wij blijven toch binnen zekere 
enge perken, daar ons waarnemingsvermogen veel te grof is 
om de oneindig fijne en ontelbare klanknuances eener levende 
taal in zich op te nemen en te verwerken. 

De resultaten van zoodanige phonetiscbe studie laten zich 
eigenlijk slechts mondeling behoorlijk mededeelen. Immers 
by schriftelijke uiteenzetting zijn wy weder gedwongen, met 
afbeeldingen te werken, en al blijven wij daarbij verre ver- 
heven boven de slordigheid en gebrekkigheid van het A^èh- 
sche schrift, ja al zijn wij geheel vrij in onze keus van let- 
ters, wy kunnen toch niet veel meer doen dan oit een be- 
staand alfabet teekens kiezen, die dienen om klanken van 
eenê andere taal te reproduceeren, welke op de bedoelde 
Atjëhsche klanken zooveel mogelijk gelijken. Eenigszins 
belangrijke verschillen kunnen wij slechts door beschryving 
duidelijk trachten te maken, en dan door supplementaire tee* 
kens (als puntjes onder de letters) of andere typen daaraan 
herinneren. Dat men met dat al ver beneden de theoretisch 
gewenschte nauwkeurigheid blijft, behoeft geen betoog. 

Wil men de eischen der practijk niet geheel uit het oog 
verliezen, dan zal men zelfs nog iets verder beneden die 
nauwkeurigheid moeten blijven dan in abstracto mogelyk 
ware. Men mag immers de toch reeds groote moeilykheid 
der kennismaking met een klaukstelsel uit schriflelyke me- 
dedeelingen niet op afschrikwekkende wijze vergrooten door 
vermenigvuldiging van het aantal teekens; allhans wat mij 
betreft, ik wensch dit steeds te vermyden, waar bet nienwe 
teeken den aandachtigen lezer eenvoudig een nieuwen onbe- 
kenden factor zou voorstellen, en slechts dan ga ik tot ver- 
meerdering van onderscheidingen over, wanneer ik meen, dat 
men zich met eenige inspanning een ongeveer juist denk- 
beeld van den aangeduiden klank zal kunnen vormen. 



363 

De keuze der letters \h altijd tot op zekere hoogte wille- 
keurig; heeft men jnist besehreven, dan is het eene teeken 
eigenlijk zoo goed als het andere, maar liefst kiest men na- 
tuurlijk letters, die de lezer reeds gewoon is voor soortgelgke 
klanken te gebruiken, en voegt daaraan in geval van nood 
nadere onderscheidingsteekens toe Daar nu het Atjèhseh 
voorloopig wel hoofdzakel^k door Nederlanders beoefend zal 
worden, heeft het dus zijne doelmatigheid, met Nederlandsche 
spelgewoonten een weinig rekening te houden. Daarom 
bijv schrijf ik oe en niet u: de gewoonte is eene tweede 
natuur, en ik heb Nederlandsche geleerden van Qoransuren 
(uitgesproken als y^zuren*) en den profeet Hud (uitgesproken 
als ffhur) hooren gewagen, hetwelk bij de transcriptie met 
oe vermeden zou zgn. Ook hecht ik weinig aan de dikwijls 
aangeprezen enkelvoudigheid van teekens, die een enkel von- 
digen klank voorstellen, wanneer men daarbij toch tot aller- 
lei hulpteekens zgne toevlucht moet nemen, die voor ieder, 
behalve den professioneelen linguïst, verwarrend zijn. Verre 
van by zonder ingenomen te zijn met de straks door mij te 
volgen schrijfvfijze der Atjèhsche klanken, die slechts het 
resultaat is van een compromis tusschen allerlei eischen en 
wensehen, acht ik haar echter geschikter dan andere voor 
het beoogde doel. 

De dialecten van het Atjèhseh zijn zeer talrijk; eene veel 
nauwkeuriger kennis van de taal der binnenlanden, dan thans 
bereikbaar is, wordt vereischt om te kunnen beslissen, welke 
daarvan wegens hun eigen phonetisch of etymologisch karak> 
ter als hoofddialecten, welke meer als locale variëteiten te 
beschouwen zijn. 

De Atjèhers zelve onderscheiden wel nauwlettend de in 
kleinigheden van spraakgebruik van elkander afwijkende 
tongvallen der verschillende districten of zelfs kampongs. 
maar ook eenige hoofddialecten, welker onderlinge verschillen 
hun het meest in bet oog vallen. Zoo onderscheiden zij van 
de taal der Benedenstreken (Baroh) die der Rovenstreken 
(Toenóng), onder welke laatste benaming zonder meer steeds 



364 

de sagi der XXII Moekims wordt yerstaan, hoewel men ook 
de bewoners der gebergten van de XXV en XXVI MoekimB 
oei'euèng Toenóng hoort noemen. Ieder kent eehter van dat Toe- 
nöng-dialect weder e^nige onderaf deelingen bij name, en ieder 
weet, dat het eigenaardige dialect der oereuëng Boeèng |), der be- 
woners van de VII Moekims Boeëng in de sagi der XXVI, 
zoowel in spraakgebruik als in phonetische eigenaardigheden 
met het Toenöng-dialect veel overeenkomst vertoont, maar 
in andere opzichten ook weer daarvan verschilt. De taal van 
Pidië (valgo: Pedir) wordt ook wel die van het Oosten (7imoe) 
genoemd, en met Timoe duiden de Atjèhers de geheele Noord- 
en Oostkust aan, daar zij van de hoofdplaats, Banda Atjèh 
(ons: Kotaradja) uit rekenen. De onderscheidini^ van een 
eigen dialect van Pal^è (vulgo : Pasei) behoort tot de speciale; 
ook op de Noord- en Oostkust zijn de plaatselijke dialecten 
zeer talrijk. Het Pidië-dialecl heeft alweder met de tong- 
vallen van Boeëng en de Toenóng velerlei trekken van nauwe 
verwantschap, zooals de uitspraak oj van den klank, die elders 
óé of aj luidt, de lioguale r, de vervanging, in sommige ge- 
vallen, van de elders voorkomende p door /*, allerlei in 
het spraakgebruik. Hebben de Atjèhers der Benedeustreken 
nog al moeite om de echte oet^euëng Toenóng dadel gk te ver- 
staan, nog veel zonderlinger klinkt hun het dialect van Ihga 
in de ooren; de studie van het Dajasch zou, geloof ik, voorde 
behandeling der Atjëhsche vormleer vruchtbaar kunnen zijo. 
De taal der Benedeustreken {Baroh) is alweder verre van 
uniform Zoowel in de XXVI als in de XXV Moekims heeft 
men eigenaardige locale dialecten, waaronder vooral dat der 
IV Moekims van de sagi der XXV en dat der strandstreken 
van de XXVI Moekims (Lamnga en omstreken) genoemd 
mogen worden. De volkstaal dier districten is dan ook geens- 
zins het zoogenaamd beschaafde Atjèhsch. 

') Het woord boeëng zelf behoort tot dat dialect; het beteekeot nameliik moe- 
rasgrond, welk begrip in andere dialecten door pétfë wordt aangeduid. lodsdaad 
bestaan de Moekims Boeëng uit moerassen, welke omstandigheid op de methode 
der rijstcultuur aldaar oatuuriyk haren invloed oefent. 






365 

Om den Dalam (de verblijfplaats van den vorst, door ons 
onjuist Kraton genoemd) ot de Koeta radja (de vorstelyke 
versterking, d. i. de Dalam, welke naam door ons ten onrechte 
aan de hoofdstad^ is gegeven) lagen echter vóór den Atjöh- 
oorlog een aantal voorname en welvarende kampongs, welker 
centrum met moskee en markt de Banda Aljèh d.i. de hoofd- 
of handelsstad des rijks heette^ en die voor het geheele r^k 
op het gebied van taal, kleeding, manieren enz. den toon 
aangaven. De voornaamste dier kampongs waren: Gampötig 
Djawa, Pandé, Peunajotig^ Lambhoe^, Loeêng hata, Lam t^eu- 
peuèng^ Ateuëng^ Batóh, Meura^l^a, De bewoners dezer en 
der naastbij liggende dorpen zoowel als hunne taal en zeden 
duidde men met het adjectief banda, d.i. steedsch, beschaafd, 
aan, en evenzoo noemde men alle elders woonachtigen, die 
zich zooveel mogelijk naar die toongevera richtten. Daar- 
tegenover stenden de overigen, die hun eigen volksdialect 
spraken ep de steedsche manieren niet kenden; zi) heetten 
doel^on (evenals in het Soendaasch doesoen) d.i. dorpech, 
onbeschaafd. 

Het banda dialect is dus iu de Ben edenstreken ontstaan 
en, als de taal der voornaamste, toongevende deelen des volks, 
ook wel in sommige opzichten onder den invloed van eene 
kunstmatige verfyningszncht geraakt. In de omgeving van 
den Dalam hebben de meesten van hunnejeugd af niet anders 
dan banda gesproken; verder vindt men overal (het minst in 
de eigenlijke Toenöng) lieden, die zich ervan bedienen, en 
hoofden en geleerden van alle streken doen hun best, zich 
zoo batida mogelijk uit te drukken. 

De geschreven taal is, gelijk men reeds uit den gebonden 
stijl van nagenoeg alle litteratuurproducten kan opmaken, in 
vele opzichten eene kunsttaal ; zij bevat bovendien tal van 
archaistische vormen en woorden. In spraakgebruik en andere 
bijzonderheden vertoont zij bijna altijd het stempel van het 
by zondere vaderland des auteurs of afschrijvers ^). 

') Ook in Atjèh namelijk is ieder afftchrijver min of meer mede-aotenr, en 
hoe meer werkelijke of vermeende kcnni» een afiichrijver bejsit, dei te minder 



366 

Toch staat zij in hoofdzaak onder de heerachappij of con- 
trole van het banda dialect, gelijk ieder hoofd^ voorname of 
geleerde in zijn spreken, /.oo vertoont gaarne ieder auteur of 
copÜHt in zijn schrijven, dat hij de bafida taal machtig is. 

Om al' deze redenen begrijpt men van zelf, dat wij dit 
handa dialect tot voorwet p onzer studie gemaakt hebben: er 
komt bij, dat de politieke toestand des lands aan de gezette 
studie van andere dialecten vooralsnog groote zwarigheden 
in den weg legt Overigens ben ik overtuigd, dat wel het 
handa dialect uit een practisch oogpunt verreweg het gewich- 
tigste is, maar dat de studie van andere dialecten voor de 
geschiedenis der taal vruchtbaarder zal blijken, want in geeu 
dialect zijn de klanken meer verloopen dan in het beschaaf- 
de Atjéhsch ; men vergelijke hierover bijv. de bespreking 
van den vocaal euë. Ik heb my moeten bepalen tot het 
hier en daar mededeeien van eenige voorname dialectische 
afwijkingen. 

Bij de studie der klankleer van het Atjéhsch heeft mij een 
hulpmiddel gediend, dat mij steeds ook bij de observatie van 
phonetische verschijnselen in andere talen van Mohammedaan- 
sche Inlanders het onden^oek bijzonder vergemakkelijkte. Ik 
wijs hierop, omdat, zoover ik weet, 'onze linguisten tot dus- 
verre deze toch zoo voor de hand liggende hulpbron geheel 
onbenut hebben gelaten. 

Het Ih wel algemeen bekend, dat de inlanders van vorm- 
leer eu syntaxis hunner eigen talen öf geene voorstelling ple- 
gen te hebben, öï eene zoodanige, die ons eerder in de war 
brengt dan dat zij ouk onderzoek in het rechte spoor leidt. 
Minder bekend schijnt het te zijn. dat bij alle Mohamme- 
daansche Inlanders de klankleer min of meer beoefend wordt, 
dat juiste begrippen omtrent de phonetiek bij hen in veel 
minieren kring verspreid zijn 'dan bij Ëuropeesche volken, en 
dat de besten onder hen zou wel in zuivere klank waarneming 

Ijcvuelt bij zich aao zi)n urigioeel gebonden. Het veryaardigen van e«n getjrottw 
afêchrift in onzen /lu levert den Aijèher een bewijs up van de onkunde deageoeo, 
die bet maakte. 



367 

als in juiste iormnleering daarvan den meesten op letters broe- 
denden Ëaropeeseben linguisten een nuttig lesje zouden kun- 
nen geven. 

Hetgeen hen tot die studie noopt, is het feit, dat de 
elementaire opvoeding van den Mohammedaan begint met 
het leeren reciteeren van den Qoran volgens de uiterst fijne, 
in alle détails uitgewerkte regelen der reciet-wetenschap 
(tadjwïd). 

De schooljongens moeten zich dus de hun vreemde en 
voor hunne organen meestal lang niet gemakkelyke Arabi- 
sche klanken eigen maken ; de geoefende schoolmeester doet 
bun de uitnpraak eindeloos voor, wijst hun de plaats in den 
mond aan, waar elke dier klanken gevormd wordt, en leert 
hun tevens met nadruk het verschil kennen tusschen eiken 
Arabischen klank en den daarmede naast verwanten klank 
hunner moedertaal. Want, terwijl het begrijpen van den 
inhoud des Qor&ns b^ dit onderwijs als geheel overbodig 
geldt en de leeraar daarvan dan ook dikwerf niet veel meer 
weet dan de leerling, wordt met de klanken eene soort van 
afgoderij gedreven: eene kleine fout in de uitspraak maakt 
het reciet, hetzij als onmisbaar deel eener sembahjang of 
als op zichzelf staand vroom werk, geheel ongeldig. Op 
nauwkeurige kennis van en oefening in de klanken komt 
dus alles aan. 

Over de wetenschap van den tadjwidy d. i. de klankleer 
van den Qoran, zijn uitvoerige werken geschreven, waarvan 
de beste Qordn-goeroes een of meer hebben bestudeerd ; allen 
kennen zij echter de voornaamste daarin vervatte regels en 
prenten die hunnen leerlingen in. 

Het ligt in den aard der zaak, dat bij die inscherping van 
zelf in het voorbijgaan vrij gedetailleerd de klankleer van de 
moedertaal der leerlingen ter sprake komt. „Gij spreekt 
de s::j\ zoo zegt bijv. de Atjëhsche Qoriln -goeroe verbete- 
rend tot zgne leerlingen, „alsof het eene Atjöhsche was, met 
^de punt der tong tegen het gehemelte gedrukt. Dat mag 
„niet; daar vormen de Arabieren de n. De v«j moet gy 



368 

^door zacbteri drak van het geheele voorste deel der tong 
^tegen het gehemelte voortbrengen.' Kd zuo voorts. De 
phoneti8che waamemingsgave van den leerling wordt op 
die wijze meer gescherpt dan bij eenigerlei taalonderwgs 
in Ënropa het geval pleegt te zijn, en tevens worden hem 
de plaats, waar en de wijze, waarop de voornaamste klan- 
ken zijner moedertaal gevormd worden, door den ervaren 
goeroe aangewezen. 

Ieder ziet dadelijk in. welk eenen schat de onderzoeker 
eener klankleer in zulke leeraars of intelligente leeriingen 
van het Qoraureciet be^it, voor hoeveel geknoei zij onxe 
gram matieaschrij vers hadden kannen behoeden, wanneer de- 
zen hen niet hadden veronachtzaamd en liever gebouwd op 
eigen ongeoefend gehoor en geringe kennis van phonetisch 
materiaal. 

Hetgeen wij boven omtrent het Atjëhscheschriit opmerkten, 
zal voldoende zijn ter rechtvaardiging van zekere beperking, 
die wij in acht nemen bij de bespreking der Atjèhsehe 
spelling. Wij behandelen eiken klank afzonderlgk, geven dieu 
dooj een zelfgekozen teeken weer^ en deelen ten slotte 
mede, welke de meest gewone Atjèhsehe letters zijn, die 
te zijner atbeelding gebruikt worden. Volledigheid in deze 
ware even nutteloos als onbereikbaar. 

ThaoH gaan wij dan tot de bespreking der klanken van 
het handa Atjèhsch over. 

M E D K K L 1 N K E K Ö. 

Onder de 19 eousonaiiteu van het Atjèhsch treft men geen 
eigenlijken sisklank aan. Ken aantal Atjèhsehe medeklinkers 
hebben sterk nasale varianten: de S A. /. tj, t\ 6, p, w '), 
ff in (Ie combinatie <jt\ en misschien nog enkele meer; deze 
komen alleen als openaars van geaccentueerde syllaben voor. 



*) ih: QMftle bijvurm der /, uamelijk im', kan müciUjk andera dan ais ation- 
di'riijke cootonant behandeld worden. 



369 

Ëigeolijk zou men die yarianten als andere klanken kannen 
besehouweB, maar zij zijn met hunne niet-naaale dubbelgangers 
te nauw verwant om hen daarvan door geheel andere teekens 
ie onderscheiden. Vfij beelden ze dus met dezelfde letters, 
maar andere typen af (k, t, tj, t^, p, w); alleen voor de ^, 
den in onze alfabetten veronachtzaamden stootgntturaal, ma- 
ken wg eene uitzondering en geven z^n nasalen variant, 
evenals de Atjèhers, met e weer. 

Tn alle talen merkt men zeker verschil op tusschen de uit- 
spraak van denzelfden consonant als openaar eener syllabe 
en die als sluiter; de eerste l van tuit is noodwendig voller 
dan de laatste, tenzij men deze door een vocalischen nagalm 
steunt en dus feitelgk tuilé uitspreekt. In het Atjèhsch is dit 
verschil bijzonder sterk; tot de uitspraak der sluitoonsonan- 
ten wordt een krachtige aanloop genomen, die echter niet 
doorgaat. Daarmede hangen verschillende, straks uitvoeriger 
te behandelen verschgnselen samen: het feit, dat 11 van de 
19 consonanten niet als sluiters van syllaben kunnen optre- 
den; het nu en dan wegvallen van ^, h of ng als sluiters; 
de verzwakking van / tot *, alles in niet of zwak geaccen- 
tueerde syllaben; de vervanging van vele sluitd 's in vreemde 
woorden door h 's, de gelgkmaking van verwante consonan- 
ten (6 en Pf d en /), waar zij als sluiters optreden, enz. 

Men behoeft slechts te hooren, hoe vreemde woorden, waarin 
twee of meer consonanten op elkander volgen, door de Atjèhers 
worden vervormd, om in te zien, dat hunne taal zulke com- 
binaties liefst vermijdt; vergelgk bijv. éi^eulamy Maleisch 
intam-j él^eutirij Mal. i>/ri; al^eutana of atanüf Mal. astana, 
hakeutiy Mal bakli ; peureukara of peuhara Mal. perkara. Er 
wordt 6f een vocaal tusscbengescboven 6f een der consonan- 
ten valt weg. 

Toch zgn medeklinkerverbindingen in het Atjèhsch niet 
zeldzaam, maar zij zijn dan van dien aard, dat de twee (of 
somtyds zelfs drie) opeenvolgende consonanten in de uitspraak 
gemakkelijk samenvloeien^ zooals de vtoeiklanken / en r met 



370 

een der consonanten ft, g, d '), p, Ie, t *), dj, tj\ I* *), ng, 
vóór zich, de gutturaal h, wanneer daaraan b, g, d, p, k^ t, 
dj, tj\ nj of / voorafgaan; de nasalen m, n, ng, wanneer 
daarop eene hun verwante media (6, g, d) oi tennis (f?, ft, /) 
of wanneer op de w een dj, Ij of /*, of op de ng een t of 
(* volgt. Wat deze laatste combinaties aangaat, valt nog op 
te merken, dat mb, nd, ndj, ugg als tot nieuwe klanken sa- 
mensmelten, die respectievelijk het meest met m, n, nj, en ny 
overeenkomen, maar met dit verschil, dat die consonanten 
niet nasaal klinken, terwijl dat viertal anders in het Atjèhscb 
gewoonlijk nasaal is. Somtijds echter is de samensmelting 
zoo innig, dat het tweede deel der combinatie eenvoudig in 
het eerste opgaat en dus een nasaal overblijft, of, wat ndj 
betreft, een nieuwe nasaal nj optreedt. 

Bij deze combinaties van nasalen met andere consonanten 
kunnen zich de vloeiklanken r en /, of de gutturaal h nog 
aansluiten, zoodat opeenvolgingen als mpr, mhr^ n(r. ndr, 
nljh '), ngkl, ngkt' voorkomen. 

Al de genoemde combinaties, evenzeer als de in dialecten 
voorkomende hr zijn in de Atjèhsche taal mogelijk, omdat 
zij in den Atjëhschen mond als tot éénen klank kunnen sa- 
mensmelten. Met andere woorden: in voorbeelden als (/ïn/ra, 
indréng, boendri wordt niet de eerste syllabe door n gesloten 
en de tweede met eene consonant- verbinding geopend, maar 
de eerste syllabe eindigt op een vocaal en de tweede begint 
met de tot één geheel samensmeltende ndr. Van daar dan 
ook, dat die consonant-verbindingen zonder bezwaar aan het 
begin van Atjèhsche woorden voorkomen; men spreekt mpèë^ 
ngkóng even gaarne zonder als met den vocaliscben voorslag 
eu, en mbdt-miöl wordt altijd zonder voorslag uitgesproken; 



M De combinatie dl schynt niet voor te komen, althans niet aan het bogin 
▼an een woord; de il en IH schijnen voorheen gebmikelijk te zjjn geweest, 
maar /ij zijn in het tegenwoordige Atjèhsoh bijna altijd in IA overgegaan. 

') Men vergete niet, dat in gevallen aU nij'k het vttfrtal consonanten denk- 
beeldig is, daar dubbele teekens als df, tj, «t;, ng ten gemakke van den lenr 
gekoieo zijn om enhtlvoudige klanken weer te geven, om hem ulet door min ge- 
bmikel^ke teekens te verwarren. 



371 

de 8ohri)iwiJ3se met een ) als beginletter is eene ionter gra- 
phisehe eigenaardigheid, die op Arabisebe spelbegrippen berust, 
en in afwijking daarvan vindt men bijv. nggang zoowel ^ 
als èü) of êUcl geschreven. 

De nasalen, die met volgende consonanten gecombineerd 
voorkomen, vormen dan ook niet veel meer dan een nasale 
voorslag vóór deze; de A. die met voorafgaande consonanten 
wordt verbonden; aspireert deze eenvoudig; de overgang 
tnschen de vloeiklanken / of r en een aantal andere con- 
sonanten vindt in de meeste talen gemakkelijk zonder hulp- 
middel plaats. Al deze combinaties heeft men steeds als be> 
gin van syllaben te beschouwen. 

Gevallen, waarin op een sluitenden consonant onmiddellgk 
een andere volgt, doen zich slechts voor, waar de ' of A 
sluiters zijn (metira^^^a, bahlé, héhlra). maar dikwijls verdwij- 
nen dan ook die sluiters van ongeaccentneerde syllaben 
{balè^ bétra). 

Verdubbelde consonanten komen in het Atjèhsch evenmin 
voor als in het Maleiseh oi in het Nederlandsch; onze gewoon- 
te om zekere vocalen schriftelijk aan te duiden door den 
daarop volgenden consonant te verdubbelen; zullen wij by 
het schrijven van het Atjèhsch niet volgen. 

Wij gaan thans tot de bespreking van eiken consonant 
afzonderiyk over. 

K£ ELKLANKEN. 

1. Over den eersten gutturaal, dien wij bij gebreke van 
een daarvoor bruikbaar teeken in ons eigen alfabet, met het 
Arabische teeken ^ schrijven, ziju wij reeds in onze 
inleidende beschouwingen eenigszins uitvoerig geweest '). Hij 
is dus de door uitstrooming van lucht na plotselinge ope- 
ning der gesloten stemspleet ontstaande klank, die syllaben 

') Om verwarring t« voorkotneo, schijnt bet mij bet«r, dezen oousoDant ook 
met den naam AamzmA te noemeu, daar alif aan deo vocaalietter xon kanoen 
do«n denkeo, en wij nn eenmaal in onxe taal geen naam voor dien klank bentton. 



372 

opent, welke bij ons ten onrechte met een klinker of (als 
in geëerd) met een biaat heeten te beginnen, en dien onse 
taal niet, maar andere talen, zooals het Atjèhseh, wel dege- 
lijk ook als sluiter van syllaben kennen. Gemakshalye ma- 
ken wij ons aan de onschadelijke inconsequentie schuldig, 
dezen consonant in den aanvang der woorden ongeeehreren 
te laten: wg schrijven dus anett* = kind, in plaats van 

^aneu^. 

In het begin van woorden komt het wel eens voor, dat 
A en ^ met elkander afwisselen ; somtijds zóó, dat het eene 

dialect ', het andere A uitspreekt, somtijds zóó, dat de keuze 
van den consonant aan den smaak des sprekers is overgela- 
ten, zooals in liapoïh of apdih = geheel ondergedompeld, 
weg, hantjd of antjö = smelten, vergruizeld worden. In de 
meeste gevallen staat het echter vast, of een woord met 
A of ^ begint, ofschoon de Atjèhers dikwyls h («) in plaats 
van ' (I) schrgven in den aanvang van woorden; omdat 

nn eenmaal wel eens onzekerheid in deze heerscht, achten 
zij zich gerechtigd, in al zulke gevallen naar willekeur 
A of ^ te schrijven. 

Als sluiter van syllaben is de * in het Atjöhsch, gelgk in 
verwante talen, bijna altijd uit k ontstaan. In woorden 
van Arabischen oorsprong vervangt hij als sluiter ook 
de a, bijv. édjeutna* = overeenstemmend besluit, Arab. 
cU*.); aè^tidaj = zekere positie in de sembahjang, Ar. 

jijüici; ba*doe = later, verder. Ar. j^ ^). 

In enkele woorden, die op l of n eindigen, worden die 
sluiters door ' vervangen, vooral wanneer de door hen ge- 
sloten woorden met een volgend woord in zoo nauwe ver- 
binding staan, dat zij iets van hun accent verliezen ; zoo 
wordt Ihal = zeer, tot fha* in uitdrukkingen als gèt iha* 

fioe = zeer goed van stem; adat = indien wordt meestal 

') In sommige woordeo valt die sluit- G weg, b\JT. Baèoe(ay^ )=. Woens- 
dag; in andere gaat h^ in A oTer, b^v. tjarmk (fjm) = goddel^ke wet. 



373 

ada^; Mal (uit Moehammad) wordt Ma' in sameDgestelde 
eigennamen als Ma^ Amin; fenreula' (voor leureulaf) = 
achterlaadgeweer, uit ieflaad] han = niet, wordt ha^ in Au ^ 
è* = het is onvoldoende, ondoenlijk. 

In de meeste talen komt het voor, dat een * met den hem 
voorafgaanden vocaal wegvalt, wanneer een andere vocaal 
erop volgt, vooral wanneer die vocaal geen accent heeft en zwak 
of onbepaald is. Men denke slechts aan ons dezel voor 
de ezel, onteerd voor mt^eerdy aan het dialectische garmd of 
geerd voor gearmd of geëei*d\ trouwens ons spelonder- 
w^s met zijne loopjes ald y^be-aek boek'" berust op de 
onderstelling der bekendheid van het gemakkelijk en 
sans conséquence wegvallen der in 6e-oe^ voorkomende '. 
Ook in het Atjèhsch komt deze samentrekking nu en dan 
voor, waar de vocaal euy zonder accent, van een volgenden 
vocaal door * gescheiden wordt, bijv. mapél = de 1H« maand 
van het Mobammedaansche jaar, meu^apél; moeréh = dagen, 
het aanbreken van den dageraad, uit met<'o^eA;moeróA = uit- 
noodigingen doen, uit meti^oeróh; meuntal en peiiitto/ = gelei- 
den, brengen, van eaniat; fMi/o0 = bepraten, uit /o^^ajoe; poe- 
d^ naast ;^u^oe(fó6 = levend maken; maneu' uit meti*aii6u^= 
baren ot kleine kinderen hebben ; poenggah ssz lossen, uit peu- 
^oenggah. Somtijds geeit'het spraakgebruik aan den samen* 
getrokken vorm eene andere beteekenis dan aan den vollen, by v. 
pa f*óê= vullen, volpakken, peu^al^oë =s vetmesten, vana^^ó^ 
= isi =r inhoud, vleesch ; pirol = scheve gezichten trekken, 
peu^iröi ^= iets scheef maken, van irot = scheef ; poelang = 
terugbetalen, teruggeven, peu^oelanq == terugbrengen. 

Zooals men ziet, heeft die samentrekking gewoonlgk plaats, 
waar een met' beginnend woord een der praefixen peu of 
meu krijgt. Men heeft echter ook freu^J^ naast 60/ = optillen. 

Tn enkele vreemde woorden heeft het Atjèhsche taalbewust- 
zyn, door de frequentie van bedoelde samentrekking misleid, 
baar ondersteld, waar zij niet bestaat, en haar dan weer op- 
gelost, bijv. in plaats van moeii j*t (uit Arab, wioewirir) = eene 
schuld ontkennen, zegt men Y9iBk meu^oenglci. 



374 

Ëeoe enkele maal verdwijnt de ' na een voorafgaande oe, 
waaruit dan de met dezen voeaal zoo innig verwante aemi- 
vocaal w ontstaat, namelijk in de nitdrukkinir /*<i voateuëh 
uit ka oe ateuëh =sr het (anker) ia al boven (water). Men ziet, 
dat bier eigeniyk tweemaal ' nitgevallen ia, want zniver pbo- 
netiflcb ware te scbrijven ka ^oe 'ateuëh. 

Wy zeiden reeds, dat de ^ als sluiter door een anderen 
consonant gevolgd kan worden : ra^t^a ^ kwik, cè'tikeuëi 

( Jlilfl) =s geloof, enz. Soms valt die sluit' dan weg, by v. 
in wateé naast wa'tèë = bepaalde tgd (wakloé)^ in heuna uit 
ba' na SB laat het zgn. het moet zyn ^). Door dergeHjke 
verwarring, als die wy boven naar aanleiding van den vorm 
meu'oengld constateerden, komt nu in ontleende woorden die 
sluilr' wel voor, waar zy oorspronkelyk niet bestond, byv. 
in la'lèm (uit Arab JU^) s tyranniek, onrechtvaardig. 

De Avxi'k in de eerste syllaben van vreemde woorden 
wordt soms ^, soms blyft hij staan, maar wordt dan door den 
voeaal eu versterkt, byv. baheuii = hulde, naast iV/i »= bo- 
vennatuurlyke kracht (bakti, sakti); la'l^a^=^\(XiOO (laksa), 
maar Lökeuman, Arab. eigennaam, Loeqman. 

Zelden verdwynt een ' met zyn vocaal in den aanhef van 
een woord, byv. an^u's» kind, klein onderdeel eener zaak, 
wordt in sommige beteekenissen nen* : hoe doen nett' = een 
paar korrels gekookte ryst. 

De nasale variant van de *, dien wy evenals de Atjöhers 
met e zullen afbeelden, komt (zie boven, pag. 368) alleen als 

openaar van geaccentueerde syllaben voor, en deelt natuur- 
lyk zyne sterk nasale uitspraak aan den volgenden vocaal 
mede. De Arabische a, die volstrekt niet nasaal, maar zuiver 



^) WeUicht heeft men dergelijke gevallen te zien in baröë ^= f^ttnn, dat ik 
voor ba* oerbë ^=. pada êiang aanzien (immen het etmaal begint met zonaooder- 
gang, en in tegenstelling met den nienw begonnen dag of eigeniyk nacht, kan 
de vorige zeer wel oerb'é heeten); beuklam =s^tïi vorigen avond (wij zonden zeg- 
gen : gisteravond, maar naar de Inlandsche beschouwing behoort die voorafgaande 
nacht tot den hnidigen dag), dat wel uit ha* klam =^pada kelam ontstaan zal 
zQn; 60M^' =9 zooeven, dat ik voor ba% nbe, letterlek: peida mi* hond, enz. 



376 

gntturaal is, komt in het Atjèhsch niet voor, maar is met 
den consonant ' l)ijna even verwant als diens nasale broeder; 
daaruit laat zich de keuze van liet teeken verklaren. Waar 
de Arabische ^ in uit het Arabisch overgenomen woorden als 

openaar optreedt, maken de Atjèhers er dikwijls eenvoudig * 

van ; zoo spreken zij nooit anders dan oemoe (^) = leven, 
leeftijd, alam (JLc) = standaard, al^a {^) = namiddag. 

Somtijds hangt het van de pedanterie des sprekers af, of hij 
in zulke gevallen de Atjëhsche nasale ^ in plaats van de ^ 

uitspreekt; zoo hoort men aoelama evenzeer als oelama = 

geleerde, maar met de echt-Arabische c wordt zulk een 

woord alleen in het QorStnreciet of bij het voorlezen van ki- 
tabs gesproken. 

Br zijn eenige Arabische, in het Atjèhsch overgenomen 

woorden» welker eerste syllabe door een ' (respectievelijk )) 
geopend en dooreen & gesloten wordt; meest infinitieven 

als o\Slxc), jléUfl Wilde men daarin de Arabische ^ door 

de Atjèhsche (d. i. de nasale ^) vervangen, dan zou men 
dezen nasaal als sluiter der syllabe krijgen, hetwelk tegen 
de natuur van zulke Atjèhsche nasalen strijdt. Toch wil 
men in zulke gevallen den nasaal gebruiken, maar laat hem 
nu de syllabe openen, en sluit deze dan met ', zoodat men 
fè*ltdaj, aè*likeuël ^) uitspreekt. 

Voorbeelden van den Atjèhschen nasaal zijn: ^oh = tot 

aan, ter hoogte of grootte van, aèl = ter laagte of kleinte 
van, aeuj = kruipen, meuaoeë = land bouwen, on aoeë^= 
een levend klapperblad (daarentegen oeëf niet nasaal = in 
de brokken blijven steken), aoeët = inslikken (daarentegen 

aeët, niet nasaal, 9= afschuren) enz 

Merkwaardig is het verschijnsel dat, terwijl de zachte 
Arabische h (s) als aan vangsconsonant ook in het Atjèhsch 

h blijft, de zwaar geaspireerde h (^) dikwijls tot ' wordt, 

') Vergemk beneden ooder de k een dergelijk verschijnsel in woorden aU 
kai^aA, roelnoei^. 



376 

bijv. A/*aw (Uagac), Oet^én (Hoesaiu), a/^#i/S (hab«8)i), at^ï 
(hadji), aphaj (hafaz, )ak»^) enz. ^). 

Geen consonant wordt op meer veracliillende wijasen in het 
Atjèhsch geachreveu dan deze. Voor een deel is de Arabische 
spelling zelve daaraan schuldig; vermelden wy hier van 
die Arabische spelregelen slechts een en ander, dat tot ver- 
kUring der Atjèhsche schrijfwijzen kan dienen: 

De Arabieren schrijven onzen consonant in den aanvang 

eener syllabe met 1, wanneer hij nooit voor samensmelting 
vatbaar is, met ], waar hy tasschen twee vociüeii kan 

verdwgnen. De Atjëbers gebraiken beide sohrgtwyzen naar 

willekeur; ui"^^^ = oeroé, sj»«>' = adoëf ^^j) =«ttreiAo»i, 

iJicl% = meu'angkóL Soms schijnt zich in den aanvang 

van wooVden eene zekere voorliefde voor de schrgtwyze Ite 
openbaren^ wanneer de consonant den vocaal en na zich 
heeft. 

De Arabieren schrijven den consonant in vele gevallen met 
^f waar hij volgt op een der lange vocalen a, i, oe (geschre- 
ven respectievelijk met de vocaalletters ), ,^ ; j) ^^^^ ^'^^ 
gesloten syllabe, dus bijv. ^^ = mör^oe, *U = 'Wö'i, > -^= 
fljt^a, ^y^ = soe^oei in Atjèhsche woorden wordt dit teeken 
dikwijls voor den consonant als sluiter gebezigd, bijv. ^y = 
/ó'. *^ =: hhoe*, en somtijds neemt het ook de plaats van 

' of ] in. 

Waar onze consonant in het Arabisch een lange t of oe v&ór 
zich en een korte a na zich, of een lange t of oe na ziob 
en een korte a vóór zich heeft, of wel tnsschen een korte en 
een lange t of tusschen een korte en een lange <mï voorkomt 
schry ven de Arabieren hem eveneens met >, maar deze wordt 
dan dikwijls boven de verlengingsletters . ot ^ geschreven 

zoodat men, om slechts het hier toepasselyke te vermelden, 
^ocen 't geschreven kan vinden j en ^ of .*en J. Het 



') Durentogen byv. Aimat (Aa»), kami l^)^). 



377 

Atjéhscb heeft deze schrijfwijze overgenomen bijv. JX »= 
la^in, c;^^ = peu'iugatf qJ^ of jji of ' y = pae^oeè^^ 
maar het gebruikt ^ tevens, waar de ' gevolgd wordt door 
vocalen, die min of meer met de oe, en J^ waar die conso- 
nant gevolgd wordt door vocalen, die min of meer met de » 
verwant zijn (zooals respectievelijk ö, 6, e. eu, en é, è, eu, e.) 
bijv. ïjï = la'öt, iy, = ihuVU. 4>M^ oï ^JH^ = ^'**^'' 
j^ SS /a'ai/. Ëene enkele maal komt de schrijfwijze «^ ook 
voor, waar de consonant ^ eene / vóór zich en eene a na 
zich heeft, bijv. y^^^.r = tM>aJ. 

Dit alles echter zonder eenige standvastigheid:^ men vindt 
bijv. Iceu^oerenèng even vaak c \S als ^ Ai geschreven , en 

meu>alön even zeer ^^Al^ als ^JU Ook wordt in al de 
aangegeven voorbeelden de ' gaarne weggelaten en schrijft 
men Jt, iJ, hoewel de stootgntturaal (bij ons vulgo : hiaat) 

steeds duidelijk gehoord wordt. 

De schrijfwijzen Jr en i dienen in het Atjébsch ook dik- 

wijls om de ' als sluiter voor te stellen, waar hij vooraf- 
gegaan wordt respectievelijk door een met de i of de oe 
verwanten vocaal. Zoo schrijft men /ö* evenzeer ü als \jOt 

i^y, fté* evenzeer ^ **** .«^ ^'^ CS^)* (/^'^ zoowel 

c^y^ als ^ -^ of ^jji^' enz 

Aan het begin van syllaben wordt onze consonant, gelijk wij 
zagen, ingeval hij nasaal is of in uit het Arabisch overgenomen 
woorden, die met de echte a beginnen, met e geschreven. Vele 

neuswijze schrijvers doen dat evenwel ook nog in andere geval- 
len, waar eigenlijk alleen) ot ) op hare plaats zouden zijn. 

Evenzoo gaat het met de ^, die eigenlijk alleen in aan het Ara- 
bisch ontleende woorden onzen consonant kan voorstellen; ge- 
woon de aanvangs-' nu en dan met h ($) te zien afwisselen, 

vervangt men die * uit pseudo-geleerdbeid weer door ^ en 
schrijft bijv. au^ of ^mjjj^ = (J^béh (Mal. abis). 

r^diohr. Ind. T. L. en Vk.^ deel XXXV. 20. 



378 

Al0 slaiter eeoer «yliabe vinden wij onzen gnttoraal «oms 
phonetisch ^, souih historisch ^ geschreven, of ook j^, en dit 

laatste niet alleen, waar hy uit de Arabische gnttarale ^ 
is ontstaan (als in ha^ uit ^^ :=£ recht), maar ook in oor- 
spronkelijk Atjèhsche woorden als ^1, ê' = opgaan, jy, tö* 

=« aankomen. Verder i, j, ^f wanneer hij wordt vooral- 
gegaan respectievelijk door de vocalen a, ae of t of hunne 
verwanten bijv. LiL«== meura'i^a !u =/Aö' c|j=poe- 
Ué^ Ook kan een a liem als sluiter voorstellen, eigenlijk 
alleen in vreemde woorden, en vinden wij soms (zie boven 
bktdz. 312) ^ of CL9 geschreven, waar ' wordt gehoord. 

2 De h s^elt voor het Atjèhsch denzelfden consonant 
voor als voor onze taal, met dien verstande, dat hij in het 
Atjèhsch, evenals bijv. in het Maleisch of Javaanscb, ook 
aan het einde der syllaben kan optreden. Het schijnt, dat 
die sluit-A voor Nederlanders, wier gehoor niet bijzonder 
fijn en geoefend is, bezwaarlijk valt waar te nemen. Dik- 
wijls schrijven en zeggen zij bijv. ga(/ja voor gaJjahy of, waar 
zij de h willen laten boorcn, verharden zij die tot de Hol- 
landsche g of ch en zeggen bijv. roemachnja voor roemahnja; 
of schrijven de A, waar zij niet behoort, bijv. in Oeleh of 
Oleh voor Oeléë. 1'och moet men zich bij de beoefening van 
talen als het Atjèhsch oi het Maleisch aan het feit gewennen^ 
dat daarin eene gewone A of ^ zoowel sluiter als openaareener 
sjUalie kannen zijn en dat die consonanten als sluiters in te- 
genstelling van dezelfde als openaars geene andere eigenaardig- 
heid hebben dan die van minder geaclieveerd te zijn, wegens 
gebrek aan klinkersteun achter zich. De h van haf^oes en 
die van moerah staan in dezelfde verhouding tot elkander als 
de b 's der Engelsclie woorden bow en cah. 

Onder ) zagen wij reeds, dat de h als aanvangsklank in 
sommige woorden met ^ afwisselt. Evenals de ^, heeft de 
h een nasalen variant (h), die slechts in den aanvang van 
accentsyllaben voorkomt, bijv. hièm = raadsel, hièh = snuiten 
(den neus), meuhehè = zwaar ademhalen, hóng = werpen, 



379 

hoeëfig = eebe keveraoort, fireuhéin --=- opzettelijk kaeheo, 
meuhetU = verlangend zijn, n?evlión = verzoeken, smeeken, 
meuhóng = stinken, roèhóng = zonder neus. Wordt de nasale 
^ vrij regelmatig met ^ geschreven, slechts somtijds vindt 

men de nasale h door de ^ (in het Arabisch, gelijk men 
weet geen nasaal, maar eene zeer diep uitgehaalde, sterke 
aspiratie) voorgesteld. 

Gelijk de ^^ kan de h zonder vrrbindingsvocaal als sluiter 

vóór de meeste andere consonanten optreden: bélifra = wagen, 
tjahdat == geloofsbelijdenis, kahndaf^ (vergelijk over de nd 
boven bladz. 370) = verlangen, pahla = goddelijke belooning, 
maar waar die h aldus in syllaben zonder klemtoon staat 
(hetwelk zeer dikwijls het geval is), valt zij vaak weg. Zoo 
Tjakoehal voor Tjah Koehal [Sjah Koehad); bah = Maleisch 
biar, wordt ba in balé = b\arlah\ de h van blah = kant. 
zijde, verdwijnt in blanoë en bladèh ^) = aan deze, aan ge- 
ne zijde, die van t^eumah = eerbiedige groet, in l^'eumajang 
= ritueele godsdienstoefening; de h van (i/ïA = hij, valt weg. 
waar dit woord als toonloos praefix vóór het werkwoord komt, 
bijv. djipóh = hij slaat. Verder zijn hier te noemen de toon- 
looze woordjes ken (naast het geaccentueerde kah) = 2*^ pers. *), 
teu = 2^ pers. en 1" pers. plur., neu = 2^ en 3^ pers., 9<?u en 
het zooeven genoemde ((/'t, beiden = 3^ |)er8. die zoowel als geni 
tiei- en objectssuffixen als ook, hoewel zelden, als zelfstandige 
pronomina voorkomen, maar steeds zoo, dat het voorafgaande 
woord een bovenmate zwaar accent heeft, hetwelk het kleine 
daarop volgende woordje als het ware bijna verslindt. In dji 
en Iceu staat hier wegens de volle vormen djih en hah het 
wegvallen eener h vast; maar, ofschoon men naast teu het 
praefix ta en de volle vormen gala en geula(njóë) heeft, of- 



') Op dergelijke wqze valt de t weg in roenb'é en roedéh, dat in de Bo- 
venlaoden hetzelfde beteekent als blanvé cu hladéh-, dit roe is namelijk ontstaan 
uit rbtt Boveolandsche uitspraak van rèt =: weg, en men vindt ook wel 

Jl^. of ^A3Ri. en S4\».. of SJ^^. geschreven. 

^) Ook valt de h van kah weg, waar dit pronomen vócSrgevoegd wordt (bijv* 
kajiik ==> bUI) 



380 

schoon geu van gób is afgeleid en neu in de tegenwoordige 
taal op zichzelf staat ^), meenen de Atjëhers zelve toch, dat 
in al deze woorden de k als sluiter is weggevallen, ja som- 
migen gaan verder en beweren^ dat de h ook in die accent 
looze woordjes gehoord wordt. Feitelijk moesten dezen lie- 
ver zeggen: ^gedacht wordt', want die woordjes worden door 
het voorafgaande zware accent zoo benadeeld, dat zelfs de eu 
niet geheel te voorschijn komt, en malen «= uwe of onze 
moeder, koepohkeu = ik sla je, pófeu — onze Heer (God ot 
de Sultan) feitelijk klinken als maaal\ koepooohk\ pooói. 
Zeker wordt de h achter al die woordjes gehoord, wanneer 
zij in pauze staan, bijv. wanneer de Atjëher u wil zeggen, 
dat men in een bepaald geval Iceuh en niet feuh gebruikt. 
Het kan dus zijn, dat het Atjèbsche taalbewustzijn de h 
door zucht naar uniformeering eener klasse van woorden 
hier ook in die gevallen aangebracht heeft, waar zij oor- 
spronkelijk niet behoorde; Iceuh en djih hebben dan als mo- 
dellen voor de geheele klasse gediend. 

Bij geafiecteerd of zeer langzaam spreken keert eene weg- 
gevallen h soms terug, en zegt men bijv. djih pok = hij 
slaat, en bahlé = biarlah. 

De h van Inih ondergaat nog andere wijzigingen, waar 
dat woord met andere woorden dan U innig verbonden wordt. 
Vooreerst gaat zij over in ^, bijv. in ba^na = laat het 
zijn, het moet zijn; ba* rimoeëng Icab = laat den tgger 

[mij] bijten [als ik lieg] ^); of zij verdwijnt geheel, waar- 
bij dan tevens de vocaal a in eu overgaat, bijv. beufia = 
ba^na] beugel = laat het goed zijn, zoo goed mogelijk; en in 
dit laatste geval gaat die en, evenals die van de voorvoeg- 



^) neu treedt nooit xelfdtandig op, eu behoudt ook ali praefix den vocaal eu. 

*) In den vorm ba^ it dit woord dus formeel volkomen gel\|k aan de praepo- 
litie ba^f die in betcekeuis met het Maleische pada overeenkomt In sommige 
gevallen trordt het nu zeer moeilijk of onmogelijk te beslissen, met welk van 
beide woorden men te doen heeft, bijv. in het zeer frequente ba*" iheii, dat zoo- 
wel szeer, sterk", als 'laat het krachtig zijn", als «laat het zoo wezen, het is 
tay 'Onverschillig" kan beteekeneo, en soms nog meer genuanceerd vertaald moet 
worden. 



381 

sels peu, meu en (somtijds) ien vóór lipklanken in oe orer, 
bgv. boebèf^ (= beuhè"^ = ba'- ftè* = bah 6^')^ het zij dan 
„niet'^ laat liet dan „niet' zijn, bijv. als antwoord aan een 
pruilend kind, dat op alles, wat men het aanbiedt of voor- 
stelt, met frè* (= Maleisch djangan) antwoordt. 

Een ander voorbeeld, dat waarschijnlijk als overgang van 
^ in ^ verklaard moet worden, levert het woordje irSih (Ma- 
leisch: troes) = aankomen. De eind-A met de vooraf gaande 
fnrtieve i' is daarin ontstaan nit t^ (zie sub 9), maar deze 
uitgang xh wordt nu in dit woord dikwijls door * vervangen, 
waarbij dan tevens de r verdwijnt ^). Men vindt geschre- 
ven ^^jy» jy, Ciy» Vi py öö al die schrijf wijzen gaan 
naar believen samen met de uitspraak Irolh of tö*. 

Met f" wisselt de h zonder onderscheid van dialect al 
in de woorden iHnoë of hinaë = hier of van hier; tHnan 
of hinan ss= daar of van daar; t'^idèh of hidéh s» ginds of 
van ginds. 

Uit /* ontstaat h overal, waar eerstgenoemde consonant 
als sluiter eener syllabe zou optreden; in bepaalde gevallen 
heeft zulk eene h als spoor van haren oorsprong een der 
furtieve vocalen i of ë vóór zich, gelijk men sub 9 uitvoe- 
riger zal zien. Verder in de dialecten der Toenöng, der 
VII Moekims Boeëng en van Pidië overal, waar t^ on- 
middellijk na zich r heeft, bijv. hröt voor /Vö/ = vallen, 
hramoë voor l^ramóë = voorgalerij (soerambi), hréng voor 
f^réng = ineendraaien. 

Zoowel / en tj als /* zijn in h veranderd, waar zg on- 
middellijk na zich / hadden, maar althans in het tegen- 
woordige Atjèhsch heeft daarbij omzetting plaats en hooren 
wij Ih in plaats van hl. Zelden, zooals in hliö (niet, zooals 
in van Langen's Woordenboek, bladz. 251, Uö) naast l'^liö 
= slaperig, bleef die omzetting achterwege. Zoo dus /Aö^ nit 
ttój' = ankerplaats, Ihèé uit tlèè (= tëloe) = drie, Ihó uit 



« Ben ander voorbeeld vaa het wegvalien van r na M» irm$*. nerentirm 
oog; i^%at teut. of irem^ = nog een oogenblik. 



382 

tflö = trappen op iets, Iheuëiig uit i^leuèng = tii88chenraimte. 
Behalve de vergelijking van verwante talen en het terag- 
keeren der oorspronkelijke consonanten in afleidingen, waar 
zij van de / door een iniix geHcheiden worden (bijv. t^eu- 
neulat van //m/, ijeumeuló van Ihó), getuigt nog drieerlei 
gangbare spelling van deze klankontwikkeling. Men vindt 
toch woorden als Ihat^ Ihèe afwisselend geschreven als volgt : 

Behalve d^ combinatie Ihy heelt men nog bh {bheuè* = 
deel, bhöm = familiegraf^ Icahha = akur bahar); ph {pheuèi = 
beitel, /ra/^Ac = ongeloovige) ; dh {d hóe = Yoorhooid, dheuèv =^ 
boomtak): th {tho = droog, thèè = weten, haihéb = klemmen. 
katheuëf' eene gai naalsoort) ; djh ((//Aew/ -slecht); ijh ((/A»* 
= oud, kaijhébf evenals halhéh = klemmen), gh (reugha*' = 
io massa), kh (kheun ^zeggen, oe/rAa/èc^ wortel), tyh me 
de nasale h en duH met nasaleering van den volgenden vocaal 
(ii/hdfr of njah ^--- eene soort van vischnet, ttfhób oi tijób = nat, 
/*tiyhó* of i^irtjó* ^ heen en weer schudden, 9i/héA=^ schaaf). 

Gelijk boven (bladz. 370) in het algemeen van alle com- 
binaties werd gezegd, heelt men ook al deze A-combinaties 
als één geheel uit te spreken, en openen zij steeds de syllal>e, 
ook waar zij midden in een woord optreden. Toch hoort 
men de A even distinct als bijv. in o^^Aakken, on^Aalzen, 
paAAuis, en bereikt men de ware aitspraak door bijv. van 
deze drie woorden respectievelijk o, mt en pa weg te nemen. 

Die A-verbindingen komen alleen voor in syllaben met den 
klemtoon; waar zij door innige verbinding met andere woor- 
den het accent verliezen, gaat ook de A weg. Zoo bijv. ver- 
liest thèë {^^ Maleisch tahoe) zijne A, waar het in den vorm 
/oe ') als eerste deel van een aantal samengestelde werk- 
woorden verschijnt; bijv. toepeuë= weten, wat ; /oe/*óè" weten, 
wie ; ioehó === weten, waarheen ; ioedoem = de hoeveelheid 
kennen, enz. 

In echt Atjélische woorden zijn die A- verbindingen mees 

*', Dat èt wegens accentverlies oe aioet worden, viudt men bij de bespn- 
king Tau dien vocual aèug«toekend. 



383 

tal ontstaan door Jiet wegvallen van den klinker der voor- 
laatste syllabe onder den invloed van het sterke accent, dat 
op de laatste syllabe rust. Vergelijk bijv. Ihèë met bet Javaan- 
scbe teloe, ihèë niet MaleiscU tahoe, dhoè met dahi, pheuël 
met pahaf, djheuël met djahai. De bewoners van sommige 
deelen der Benedenlanden, bijv. Oeleé /Aauè' (valgo Olehleh), 
spreken die h niet meer uit; zij zeggen lèë, ièë, dèëf peuëi, 
djeuëlj en de naam der zooeven genoemde plaats luidt bij ben 
Oelèë leuë, 
In woorden van Arabiscbeu oorsprong dienen de combinaties 

ph en AA nu en dan om de f (<^) en ch (^) weer te 
geven, bijv. aphaj = van buiten kennen (laó».), Icaphé »» 

ongeloovige ( Jl5^), waplieuët naast wapeuël r=3s overlijden (Slj«)i 
AAafe'A = zuiver (^U.), AAató' = schepper (^U-). Even- 
zoo wordt de ij\ waar die eene Arabische ^ voorstelt, nu 
en dan door eene A versterkt, bijv. Ijhèh «s geleerde ifKkm)t 
^iijha s» avond ('Lmc). Er zijn echter ook zulke woorden, 

waar de c-*, ^ en ^ altijd eenvoudig door p, *, tj ver- 
vangen worden, bijv. pat^è^ «s van slechten levenswandel 
(4>M«U)i péieunah of peuleunah ^ kwaadspreken (ajuü), Icadam 
= dienaar L)s^)Jialoeël »» godsdienstige afzondering (iJL^-), 
Tjakoebat, eigennaam (jUi «U); altijd heeft dit plaats in de 

dialecten, waar men ook in zuiver Atjèhsche woorden de A 
der combinatie laat vallen 

Nog eenige A's, moeten hier vermeld worden, die in het 
Atjèhsch verschillende Arabische klanken vertegenwoordigen. 
Behalve voor de Arabische «, die met de Atjèhsche volkomen 
gelijk is, staat de A nog in den aanvang van sommige woor- 
den voor de diep geaspireerde ^ M> bijv. hii^ab = astrono- 
mische berekening (wU^), AorfiA =' overlevering (o^J^); 
verder voor de ^ in Hatidjah, eigennaam (*^j^ hatib^ 



') Bofm h\adi. 876-S ugto fr\), dat dtM ^ nden dikw^Ia door « vorriagm 
wudt 



prediker ^ ^ ^^u^ y Devena kahh in de beteekenis van hawe- 
l^kaslaiter. 

In plamts van ^< ^* alnoiede voor ^ komt de h ook aan 
het einde der woorden voor, bijv. /*a/P/i = vroom (^L^), f^ah 

= geldig {^^). tarèh = dagteekening. geschiedenis (jS^.U). 
m/irèA = slokdam i jk>^ '. 'w/^A = volwassen ( óJb); steeds ver- 
vangt zij de Arabische ,^ als sluiter, bijv. harah = letter 
(t.J^), alêh = de letter alit i^JÜ')- ftti^euëh =: medelgden 

C^L^I), tvakeuêb = sultansgrond (c^.). 

Waar Arabische woorden nitgaan op ^-„ ^» ^, v£>*. 
worden al deze in het Atjèlisch ontbrekende sisklanken als 
/* behandeld, waarin zij trouwens ook in den aanvang eener 
syllabe ovei^aan ^); zij luiden dus naar omstandigheden, 
die sub 9 gespecificeerd worden, A, ïh otèh, bijv. meudjeulih^=^ 
deftig, ordelijk (^m*!»-»)- 'i'ft/'A = de goddelijke troon (^^), 
AaraïA 3» eene huidziekte (<-öj)< hadih= overlevering (^^^»v^). 

In een enkel woord komt de A als sluiter voor de Arabi- 
sche j in de plaats; het is namelijk een der woorden, waar-* 
in die - bij uitzondering door de Atjëhers behandeld wordt 
als ^j^ ^: d[;V?;VA = geringgeschat (yU.). Regelmatig ware 
hierd;'a>^7 of djajot^ daar de : in </ pleegt over te gaan, en 
de d als sluiter / wordt. 

Uit een en ander is reeds gebleken, dat ook deA op zeer 
verschillende wijze in het Atjèhsche schrift wordt afgebeeld. 
De meest frequente, tevens zuiverst phonetische schrijf wgze 
is die met s, welke dan ook zoowel aan het begin als aan 
het einde van syllaben voorkomt, ook daar, waar de A uit 
andere klanken, bijv. /^ is ontstaan; men schrijft echter in den 
aanvang van worden ook ^. niet alleen voor de Arabische 

') Wij ngoi looeTeo, dat de /^ vaak door ij of ijk wordt waergcgevon 
In een aantal woorden luidt cq echter ook b^ het begin eeoer syUabe /A, waar- 
scb^nlijk wijl die woorden in het Atjèhsch kwaroen door tuMohen komst eener 
andere taal (b^r. het Maleifch\ waar de /^ tot » wordt. AU tlniter wordt 

de /^ echter altijd ala M {,= ») behandeld 

M Vergelijk het nadere bQ de f^, die in het Atj^bsch de ArabiftrJie /^ 
verteiren woord i Kt . 



385 

k ot waar men de nasale uitspraak wil aanduiden ^), maar 
ook zonder eenige reden, ja zeHn eene zuiver Atjèbscbe eind- 
k komt aldus geschreven voor Verder vinden wij, hoewel 
zelden, ^ voor de aanvangsA geschreven. In de com- 
binatie Ih wordt de h dikwijls ót door /, /; en /* (*^, ^. 
^^) vóór de /, óf door eene phonetiscb verkeerd geplaatste 
% weei^egeven (jJLa voor l^at). Niet gesebreven wordt zij in 
de combinaties ph, ijh en kh in vreemde woorden ; men moet 

dan maar bij ervaring in elk geval weten, ot de <—•' ^^ en ^p- 
met of zonder aspiraat weergegeven worden. 
Als sluiters vinden we % en _^ (dat is t^, waaruit aan het 

eind altijd h wordt) zeer frequent geschreven, maar ook ^^ j^y ^. 
*^ » (J^i {jo^ 4^ 9 ja zelfs • , kunnen, gelijk wij zagen, de h 
voorstellen; ofschoon nu deze mogelijkheden eigenlijk door de 
historie en den oorsprong der woorden bepaald zijn, passen 
de Atjèhers die uit een phonetiscb oogpunt zonderlinge schrijf- 
wijzen ook zonder historische of etymologische reden toe, en 
schrijven velen bijv. gaarne keudéh = derwaarts, met de letters 
ijmJóSf al0 ware die h uit /* ontstaan "). 

3, Met g stellen wij den Atjèhschen gutturaal voor, die 
klinkt als de Fransche g in gar/i of de Duitsche in guf. 

Hij komt nooit aan het einde eener syllabe voor, en heeft, 
zoover wij konden nagaan, geen nasalen variant; wel komt 
de combinatie gr nasaal voor in gró^:' snorken, en iugrang- 
gring (ook ^Lvang'^Lving of prang-jfring) = het geluid van val- 
lend aardewerk. Als beginklank van enkele woorden, bijv. 
gaii of 7^/1(1 = de vlerken van een vlerkprauw,flfo^//t of /focri- 
tji = sleutel, wisselt de g met k af, en enkele malen vindt 
men de g als woordvormend element bij met k beginnende 
stammen gebezigd, waar overigens herhaling van den begin- 



1> De Arftbiicbe ^ wordt in overgenoiiMD woArden, ook wau s\} niet in 
overgaat, xelden nataal nitgeiproken : wel f mnhiedt dit in nahof t=^ spraak- 

kvnst (ftSüV 

2) Zoo hoort men ook dikwijk Aljèhen. die byzooder fraai Maleiach wiUen 
«preken, voor rotw uih , tamoA, saÓlaA xeggen rotwtmi*, ihawmih, tkaóUt^. 



386 

consonant (das in casa van de Jt) regel zou zijn ; zoo geunoe- 
koe ^^TQspf van /roe == raspen, geunoekoeë ^=^ k\n\i, yan koeë =^ 
knoopen^ terwijl iénneukóh e=r snijding, van lioh ^ snijden, 
regelmatig is. Zeldzaam in wisseling van g met k in het 
midden van een woord, zooals in oegoh of oeköb = genri- 
ge haarolie maken. Op de Oostkust is de vervanging der i 
door g als beginklank van niet-geaccentneerde syllaben bg- 
zonder frequent, bijv. geutjht* voor keuljhi> = kampongboofd 
enz« 

In het banda dialect is wel de keuze tusschen k en g als 
beginklank in de meeste gevallen beslist, en beginnen zeer 
vele stammen en afgeleide vormen met k, maar talrijk zijn 
de woorden, die in liet Maleisch met k, in het Atjèhsch daaren- 
tegen met g beginnen : goeda =c paard, gampöng =» dorp , 
gaki = voet, gapeuéh (tms[i] = boomwol, gapoe (.yU) = kalk, 
geunlöl = scheet, goekèë {J^) = nagel. 

Combinaties zijn gh (reeds sub 2 besproken), ngg (waar 
over meer bij de nasalen) bijv. nggang = eene soort vogel. 
linggang = zwaaien, barauggopal = waar ook : gr en gl, 
welke laatste verbinding soms met djl afwisselt (zie bij 
de dj). 

Vóór g komt n niet voor; deze klank zon noodwendig in 
ng overgaan. 

De c in den aanvang vau Arabische woorden, die gewoon 

lijk in de Atjèhsche uitspraak met de r vereenzelvigd wordt, 
heeft in enkele woorden den klank der g : garib = vreemde* 
ling, zwerveling (^,^^), moegréb = zonsondergang (s,j> n,f, 

gajéb = verborgen, in de uitdrukking ba^ gojéb = heimelijk 

(daarentegen éleumèë rajéb = de geheime wetenschap of de 
wetenschap van het verborgene). 
Schriftelijk wordt de g door v^ voorgesteld ; zeer zeldzaam 

zijn handschriften, waarin nu en dan een punt of streep wordt 
aangebracht (vl/, ^) om haar van de k te onderscheiden. 
Verder, gelijk wij zagen, in sommige vreemde woordcD de 
a als aanvangsletter eener syllalie. 



387 



V 



4. /( stelt hier denzelfden klank voor als bij ons. Sub 1 
zagen vvij^ dat deze klank op het eind van syllaben niet voor- 
komt; daar hij dan altijd in * is overgegaan^ en sub 3, dat 

hij soms in den aanvang, zelden in het midden van woorden 
met g afwisselt 

In niet geaccentueerde syllaben wisselt de k wel eens, 
hetzij willekeurig of met dialectisch verscbil, met l of/^af; 
zoo luidt ieumeung = willen, in Pidië leumeung^ en wisselt 
ieupo^ willekeurig met keupos^ = met de vlakke hand op iets 

slaan. Of keimeulheuëh = slot^ ten slotte, een bijvorm van 
t^mneulheuëh (vorm met het infix eun van Iheuéh = ^Ü)\h, 

of wel uit de praepositie keu en nenlheuèh (vorm met bet 
praefix neu van Iheuëh) bestaat, blijve onbeslist, daar de wor- 
tel Iheuëh beide afleidingen toelaat. 

Combinaties: kh. kwam sub 2 ter sprake ; verder heef t men 
ir, /f/, ngkf figkr, ngkl: kriel = overdreven zuinig, pakri = hoe, 
klik = fluim, klal = wran^, soekla = geheel zwart, ngkdng ^) 
= Lampongsche aap, ngka (Toenóngsch voor fingka of 
tiia) = mat, bangké = kreng van beesten of niet-moham- 
medanen, iHngltreuël = een band voor de voeten, met behulp 
waarvan men klappers beklimt; iHngkla =r in boeien verward. 

Evenals vóór de g, gaat ook vóór de k de n in ng over 
bijv. ingkmë (Arab. Uil) = een bond verbreken, malingkan 
(uit Mal. ^UjIU) = uitgezonderd ; ook de m ondergaat die 
verandering, bijv móngkén = mogelgk (Arab. JU^)- 

Als aanvangsklank eener syllabe vertegenwoordigt de k 
in oorspronkelijk Arabische woorden zoowel de diep gntturaale 
q (^), die in het Atjèhsch niet voorkomt, als de ons gewo* 

ne k (^^): ka^oj = gelofte (J J), kama = maan (in bloem- 
rijken stijl; ^). Verder is de k de gewone vervanger 

der Arabische ^ : kadam = dienaar {^'•^^), kianat = nijdig, 
wangunstig (\£^iU»>)y kaith = hnwelijkssluiter '^] r«^^.h^)j 



*) Laogzum uitgetprokeD, krijgt zulk een woord den voorslag etk eunglAng. 
'^ In «ene andere beteekenTs luidt dit iroord hai^, gel^k snb 2 is aangt> 
teekod. 



388 

koteiibah = preek (/a]b>-)- Dücwgls krggt zulk een k dao 
h na zich om de aspiratie der ^ na te bootsen : khaU = 
ledig ( JU-)« khimah = tent (iu*^), (^khé = laat Li.tK 
akhirat = de andere wereld (ü.i>»)); vergelijk snb 2. 

De k vervangt voorts somtijds de Arabische ^, altyd de 

^, waar deze als sluiters eener syllabe optreden, die niet 
de laatste van een woord is *); de gesloten syllabe wordt 
dan in bet Atjèhsch door den vocaal m geopend, bijv. èkeu- 
lit^a = verkorting ( Laid.), ichfisar), ékeufietië = eigen 
werkzaamheid des menseben (.Lu».), ichlijarV ékeuldih = 

volkomen toegewijd (-jöXi-t ic/ttac). akeuma* = niet wel- 
willend gezind {^y^^) ahmaq). 

Een nasale k is zeldzaam ; wij vinden dien klank in 
fceudeukèt, dat in de verbinding trü'l keudeukèt = aartsgie- 
rig, voorkomt, in het vreemde woord lia^bah = het Mek- 
kaansche heiligdom, waar hij verklaard moet worden als 
eene gebrekkige poging om het eigenaardige der Arabische 
^, die de eerste syllabe eigenlijk sluit (aaa()> weer te geven, 
daar dit in den sluiter zelf niet geschieden kan '); verder 
volkomen om dezelfde reden in roekoeë^ (Arab. qS.) = 

vooroverbniging van het bovenlijf (in de sembahjang). 

De combinaties kh en kr komen nasaal voor in krè-kró 
=s: verward geschreeuw ; kré/ = snijden, splijten (van pi- 
nang, stokvisch enz.), khöb en khè6 = verschillende graden 
van stank van bedorven zaken ; khM = slaan boven den 
neus, zoo dat meestal de dood erop volgt. 

Merkwaardig is de overgang eener vreemde /( in b in 
het woord höh = schrijfboek, dat uit Eng. booi of Nederl. 
boei is gevormd. Later zullen wij zien, dat ook de sluit-^^ 
van sommige vreemde woorden tot b wordt. 

De gewone letter voor dezen klank is (jj; dikwijls vindt 

men echter cjr, ^, en in hel midden van enkele woorden 
^, terwijl aan het einde van syllaben wel zeer dikwyls 

') It z\j de laatste, dan worden ^ en 4^ gewoonlgk A; zie boven bladx. $S4 . 
> Vergel^k hierover Uiidx. 375. 



389 

{^ en ^ in bet schrift voorkomeD^ die dan steedH aU his- 
torische schrijfwazen voor > te beschouwen zijn. 

Qaasi -geleerdheid doet na en dan 4/, meer vooral ^voorde 
k in echt-Atjèbsche woorden schrijven ; zoo vindt men mees- 
tal ^^^^ = h^adjeuëfi (Mal. karadjadn), yuii. of .•aaI^ 
= kleumboe (gordijn). 

De nasale gutturaal ug komt sub 16 ter sprake. 

TONGKLANKEN- 

ó. De d stelt hier eenen linguaal voor, die wel na 
aan onze d verwant, maar veel fijner is dan deze, 
ja fijner ook dan de Arabische. Hij ontstaat door druk 
king met het puntje der tong tegen bet gehemelte, dichtbg 
de wortels der boventanden, of, zooals de Atjèhers het uitdruk- 
ken, hij ontstaat op de plaats, waar de Arabische n, de 
A^ëhsche / gevormd worden, is meer palataal dan dentaal. 

Als sluiter van syllaben komt wel zijne letter voor in het 
schrift, waaruit misschien mag worden opgemaakt, dat oud- 
tijds de «{-klank ook aan het eind eener syllabe gehoord 
werd, maar in het tegenwoordige Atjèhsch is eene 8luit-(/ 
even onmogelijk als in het Nederlandsch ; hg gaat dan in / 
over, zoodat men zelfs in uit het Arabisch overgenomen woor- 
den, die op o eindigen, vaak in plaats daarvan ksj geschre- 

ven vindt. Merkwaardig is de overgang van sommige zoo- 
danige Arabische d\ 'm^ b ^), bijv. Jadib, eigennaam, Arab. 
jc|y, moeiib = leerling, Arab. jj-«, terwijl daarentegen de 
Arab. b tot / wordt in het Atjèhscbe djabét = rozijnen (Arab, 

De overgang der sluit-dj in / zal ook wel door tusschen- 
komst van de d plaats gehad hebben, en men vindt dan ook 
woorden als ré/ = weg, zoowel -pu en j^ als oJt geschreven. 

Somtijds wisselt d met / af. bijv. in letingö = hooren, dat 



') Vergelijk over hetzellde versehijiibel bij de k bladx. 3S8. 



890 

zelden deuuyö luidt, maar meestal Jj ol ^cJ getichreveii 
wordt; in IM^ naast cit^e = godsdienstige litanie, uit het Arab 
<0j in lamideuën, naast damideuën en ranwleuën komt nog 

de r als variant daarbij. Dialectisch wisselt de d nog met 
r in doè == toch; dat in de taal van de Toenong. Pidië en 
de Yll Moekims Boeëng röj luidt. 

Zelden komt d als dialectische wijziging van n voor in 
woorden, die met het infix eun gevormd ziju. Eigenlijk is 
mij slechts bekend het voorbeeld geunoekoe = rasp (afgeleid 
van den verdubbelden staan koe = raspen; vergelijk boven 
bladz. 386), dat in Pidië geuloekoe oïgeuloengkoeengeudoekae 
ot geudoengkoe luidt ; maar de verhouding van het woord geu 
doemba'^ = tene soort van tamboerijn, tot goemba^ = een haar 

bos op de kruin vau een overigens kaalgeschoren hoofd, is 
formeel dezelfde, ofschoon ik in de tegenwoordige beteeke* 
nissen geen verband zie. 

Misschien is ook de afwisseling van ni met di = van, van . 
uit, een phonetisch verschijnsel: niba' = diba'. Mal. dari pada, 

ninóèf dihinoë of dü*iNÓë= van hier; evenzoo nil, in Pidië ge 
bruikelgk voor dit = weinig (ook mit wordt gezegd). 

Arabische klanken, die in het Atjëhsch als d gehoord wor- 
den, zgn behalve de gelijk geschreven Arab. dentale c(, de 
interdentale «>, bijv. dt^e' = litanie, Wa/ = lekker (iiJ), en in 

zeer vele gevallen de : {z)y bijv. ladém = noodzakelyk (^jj). 

rf/arfam = stel lig(^*^), rfeaA = eene soort van moskee (^J:) 

Waar de \ in het Atjèhscb als dj wordt uitgesproken, mag 

men aannemen, dat de ontleening door bemiddeling eener 
andere taal, bijv. het Maleisch, heeft plaats gehad; djeubeuél = 
civet (jbj), djabét = TO'iynen (v_^i«?). (//ai^t^'l = de beken- 



2) Hierby is echter te bedenken, dat dit een vreemd woord i«, hetwelk in 

zyne oorspronkelijke gedaante de iuterdentale 4 (J) als aanvangsklank heeft, 

welke men in de Enropeeschc transcriptie van het Maleisch door de voor Arabie 
ren zoowel als Maleiers onmogelijke dt pleegt te rcprodaceeren. Die interdentale 
^ is met de / nader verwant dan de palatale ; in het Hadhramantsch xegt men 

zelfs ila voor i«^r. 



391 

de godsdienstige belasting (i\S:)f maar de eebt Atjèhsohe 
reproductie is die met d, gelijk ook de naam der letter : in 
bet Atjëhscb ddë luidt. Zoo bijv. naboe:=zde Psalmen (o:)» 
damdam, de beilige put te Mekka Lj^:)i ^ttvi/ ^ krankzin- 
nig ( jU :); diarah = bezoek van een beilig graf (< .bj), aèdra^é = 
AzraYl ( JuiLic), tnirfan == goddelijke weegscbaal (^Ux«), ia^di 
arbitraire correctie Uyö) O* 

Een nasale variant van dezen tongklauk komt niet voor. 
Combinaties: dr, bijv. driën = Mal. doerian, dröë = Mal. 
diri *); dh bijv. dAdé=Mal. dahi, boedhèë = een soort van 
traai, van biléb-viscb gemaakt en in Daja veel gegeten; nd 
(waarover meer in de Inleiding en bij do nasalen) bijv. ndöfig oi 
eundong = eene soort van slang, indah = fraai; banda se 
steedscb, beschaafd ( j^b)) f^'^'<'^' = dwergbert; ndn bijv. 

indréng = de naar buiten uitstekende opstaande planken rand 
der vloerzoldering van een Atjëhscb huis, njindra = slapen 
(in bikajats), baendri = krullend (als negerhaar). 

De medeklinker d wordt gewoonlijk met j geschreven, 

soms (zie boven) door i^ of j voorgesteld. 

6. De medeklinker, dien wij I schrijven, is evenals de 
d meer palataal dan dentaal, en dus van onze en de Ara- 
bische / onderscheiden ; hij wordt gevormd op dezelfde plaats 
als de Atjèhsche d en verschilt van deze alleen door den 
kracbtigeren druk, waarmee hij wordt voortgebracht. 

Hij treedt op als sluiter zoowel als aan bet begin van 
syllaben, en vervangt de sluiters d, dj, /;, waar deze 6f 
bigkens het schrift en de vergelijking van verwante talen 
6f blijkens den vreemden oorsprong der woorden oorspron- 
kelijk de syllabe sloten. 

* ') in enke'e gevallen wordt de : als /am behandeld, dus in het A^èhtch ala M, 
en aan het e nd van een woord aU A gesproken, nl. in rat^uH en dJaJéA uit 
cJii ^^ H^' ▼ergelijk by de A en de /A. 

2) In het woord metinasaA of meulasaA, dat aan het Arab. matiraêaA 
{üstêjó^) ontleend is, ging de vreemde dr ia / of m over, in mandemraiA {:= 

Madras) worden de consonanten gescheiden en komt vöér de d een «. 



392 

Op bladz. 372 — 3 /ügcii wij. dat de / als sliüter feu eenige 
woorden wel eens in ^ overgaat, en bladz. 379^ dat hy, al- 
thans in sommige dialecten, wel eens wegvalt. Daarentegen 
verscbiJLt hij in het, aan het Engelsch of Nederlandscb 
ontleende woord dèt = dek van een schip, waar men een 
' zon verwachten, en vervangt hij de Arabische fj in dj&- 

^f i^^m^jji) = rozgnen. 

In den aanvang van sommige woorden, vooral van driesyl- 
labige, die dan meestal 6f van vreemden oorsprong 6f met 
een infix afgeleid zijn, wisselt hij met /^, bijv. ieuneulheuèh of 
i^euneulheuëh ^) = einde, van Iheuéh (= lleuëh, ^mJU); ieu- 
noeban of i^eunoeban = kennis, van loeban = den aard 
kennen; leunimang of l^eunimang s= overweging, van /t 
mang\ teulangké^ (eunangké, l^etdangké of l^eunangké == kop- 
pelaar ; leulampèë of t^euUimpèë = naar beneden openslaande 
,dear van een keudè (winkel); teunoengkèë, ieuloetigièëj i^eu- 
noengicèë of t^euloengkèë = treefb (Jav. loengkoe)\ ieuladau 
of l^euladan &= model: teuleupo* of t^euleupo' s= gebloemd, 
teuUuün of l^euileukin = zekere formule, die men bij eene 
begrafenis reciteert, [n woorden van twee syllaben is die 
afwisseling zeldzaam: laröm = eene hagedissoort de indi- 
goplant, laidt ook l^arom of iaiöng of t^arong ^). 

Combinaties: tr bijv. iriëng = bamboe, tréb = laat, 
tHhèë = vijandy poeiröë = prinses; //, welke echter, gelijk 
ons bladz. 381 bleek, eerst in A/, eindelijk in Ih is overge* 
gaan, bgv. Ihèë == drie, Iheuëh = klaar, vrij, alhaïh ^=^ 
atlaszijde (^mJL^)); n/, bijv. nlèë of eunlèë ss spoor, rest, 
hantaj = kussen, beunteuëng = dwars spannen, poentêng = 
verminkt; nfr, bijv. nlreut of eunlreut = wrijven, schuren. 
tjinira = veer, bijv. van eene van zelf dichtslaande deur. 

Somtijds kan de r der combinatie Ir verdwijnen; zoo 
in ^f. mt tmh (boven bladz. 381), /cu* nevens trm> = nog, 



^) Vergelyk nog keuneulheuëh eu andere voorbeelden der wiiaeliiig yku k 
eu i op bladz. S87. 

*) De in dit woord willekenrige slniting met tn of ng wijkt echt» ook 
van het gewone af. 



393 

meer, ata nevens aU^a als possessief-aanwijzer, bijv. ata 
Ion = het mijne. 

Yan een nasalen /-klank is mij o. a. het voorbeeld tiet 
•SS pijnlijk, bekend. 

Dialectisch, o. a, in Oelèë Iheuë, (vulgo : Oleh-leh), Peu- 

najöng en Loeëng bata, komt een variant van de t voor, 

die evenals de gewone Atjèhs'^.he; palataal is, maar dikker 

dan deze, daar hij voortgebracht wordt door sterke drukking 

tegen het voorste deel van het gehemelte, niet slechts met de 

punt der tong, maar met het geheele voorste deel der tong 

tot op het midden, zoodat hij in klank veel gelijkt op de 

Arabische ^. Deze dikke palatale / vervangt namelijk in 

die dialecten de /^, waar die in het banda dialect vóór 

eene r optreedt, zoodat t^röt = vallen, daar trol, l^dm = 

werpen, daar trom, l^réng = ineendraaien, daar tréng luidt. 

Die fr neemt daar dus de plaats in, die kr in de dialecten 

van de Toenöng, Fidië en de VII Moekims Boeëng bekleedt. 

Waar in afgeleide vormen de eerste consonant van den stam 

herhaald wordt (zooals t^eumeulhom uit ih^èm), komt in die 

dialecten, die de / hebben, deze consonant tweemaal voor, 

bijv. teumeittrdmf terwijl de dialecten, die Ar hebben, niet de A, 

maar den oorspronkelijken consonant herhalen, bijv. t^eumeu- 

hrom, 

Eene enkele maal schijnt die combinatie tr de plaats van 
een eenvoudige (* in te nemen, namelijk in peu f ra*, dat in 

Oelèë Iheuë enz. hetzelfde beteekent als elders peul^a' =« ver- 
stoppen, opdringen, indringen (/^j). 

De Arabische dikke palatale ^ wordtdoorde gewone Atjèh- 
8che / weergegeven, waarmee zij inderdaad nader verwant 
is dan met de Arabische kzj • Idbib = geneesheer (v.^*jut), ta- 
leuë^ = verKtooling eener vrouw door haren man (^jXt). 

•) Het Maleische Aarta = eigendom, goed, laidt in het Atjèliscli met den 
ferbiodingsTocaal eu, areuUi, of, met omzetting: aira. Alleen deze laatste Tonn 
en het daaro't ontdtune ata treden in den zin der modern «Arabüche woorden 

PUJf pljUf (jLo als poisessief-w^izers op. 

TfldBchr. Ind, T. L. en Vk., deel XXXV. 26, 



894 

De gewone letter voor den /-klank is cl^, soms vinden wij k, 

of op het einde van syllaben j of ^ (welke zoowel c^'als 
ij vertegenwoordigt), eene enkele uiaal j, bijv. in ldiz= 

amandel (Arab jj). De ^ in L»..^: (djabél) en derge- 
lijke kan men nauwelijks eene spelling der l noemen. 

7. Met dj schrijven wy den consonant, die de meeste 
overeenkomst heeit met g in het Engelsche gin^ maar droger 
klinkt. Hij wordt (evenals de Arabische ^ bij den Hadh- 
ramieten) bijzonder zacht gesproken, zoodat hij soms zeer 
nabij komt aan de Hollandsclie j (niet te verwarren mei den 
Atjëbschen semi vocaal ƒ). Men maakt zich onverstaanbaar 
door hem uit te spreken als hetgeen wij dj schrijven bijv. in 
bau^e, waar feitelijk in het Hollandsch ij gesproken wordt 
Als syllabesluiter komt dj niet voor, maar is daar, vermoe- 
delijk eerst iu d, ten slotte in t overgegaan ; vergelijk boven 
bladz. 389. Dus gel = goed (g^f, jaf , c:^)» ^^^ = weg (g^ 

ójj^ Oi^) mè^reuël = hemelvaart (Arab. r*!;*^)- 

Combinaties: djh (zie sub. 2), djr, bijv. djróA = schoon, fn^- 
djrdm s= in massa, opeengehoopt, djroekhd = eene bedekking 
van pinangbladschede om het lichaam bij den veldarbeid te- 
gen zon en regen te beschutten ; djly bijv. djloeè = glibherig 
(van kiedorven visch en vleesch), djloeëng :== met den opge- 
heven voet schoppen, dfldng = insteken, djliké = zeker voor- 
werp van buffelhoorn of dergelijk materiaal, waardoor het 
touw gestoken wordt, waaraan men een stuk vee vastbindt, 
om dit touw vry te laten di aaien en het aldus voor uiteen- 
rafeling te bewaren. In de combinatie djl. kan dj bijna 
altijd met g afwisselen : gloeëj gloeèng^ g^^g^ gl^^é^ en van 
dit laatste woord komt zelfs de vaiiaut klikè voor ^). Ver* 
der heelt men ndj (waarover meer in de inleiding en bg 
de nasalen), by v. Ndjöng of Eundjöng = de havenplaata ter 
Oostkust, die op de kaarten Endjoeng heet, landjoet as lang- 
durig, langzaam wegstervend, van een geluid, atidjong = em 






') Tegenover enkele voorbeelden, wurin djl niet in ffl pleegt over te 
•tMu xcer vele, waarin gl geeue afwiaeeling met djl gedoogt. 



395 

aan de Oost- of Westzijde van een buis, als verlengde der 
achtergalerij, bijgebouwd vertrek, koetidjong = condoleeren. 
Deze combinatie luidt ongeveer als een niet nasale nj\ in 
sommige woorden gaat zij in de gewone Atjèbscbe (d. i. na- 
sale) vj over, en dan is natuurlijk ook de volgende vocaal 
nasaal, bijv. toenjö^ (dikwijls gesebreven (jj^röjj) = aanwijzen. 

Met / wisselt dj in djodiö of loehö = aarsdarm, uit Arabisch 
dodïr (ook Soend. heeft djoeboe^' naast doeboer). 

Een nasale variant komt niet voor. 

In uit het Arabisch overgenomen woorden neemt de «(; 
altijd de plaats in der meer liquide Arabische ^, en in een 
aaifCal woorden (zie boven bladz. 390) vertegenwoordigt zij de 

j. De gewone lettter is^^, soms wordt ^ geschreven. 

8. In dezelfde verhouding als t tot d staat ij tot dj-^ 
de tj wordt op dezelfde plaats als dj vooii;gebracht, maar 
met sterkeren druk der tong vóór bet uitlaten van den 
luchtstroom. 

Op het einde van syllaben komt bij evenmin voor als dj, 
maar de meest gebruikelijke schrijfwijze van een woord 
als beml = voordragen, voorlezen ('^)) in verband met batja 

in verwante talen, doet onderstellen, dat hij in eene oudere 
periode der taal wel als sluiter kon optreden, maar dat hy 
later, evenals de dj, op die plaatsen in / is overgegaan. 
Combinaties: Ijr, bijv. tjré = uiteengaan, meuijrè^ tjrè* 
^^ kabbelen, tjrong = putten; van een volgende / is tj 
veelal door den verbindingsvocaal eu gescheiden, maar in- 
tieme verbinding komt voor, en dan wordt tjl, op dezelfde 
wijze als (l en /^/, tot Ih (vergel. bladz. 381), bijv. Iho 
(soms A^ geschreven) = stampen op, waarvan tjeumeulö 
= aan het stampen zijn ; Ihöb = in verfwater dompelen en 
dan weer ophalen, nevens tj&iireutob en tjeulob ^); verder 
tjhy bijv. IjhÖHy nfjhön of intjhon = springen, (jhi^ = oud, 
keuljhi-^ = kamponghoofd, ijhén = medelyden, hoetjho = 

') Het gewone Atj. woord ?oor het verwen ran stoffeD is lAaöy in weUu 
afleidingen de oonpronkelgke conaoDant niet te voonohija komt, want ▼erwing, 
verf is, met het pntefix nêu: tmUM, 



396 

nat; n'j bijv. ntjièn of eunljiën =■ ring^ kanljé = onden- 
gend (JasuO eu Let bovengeuoetude nljhön. 

Men zal de vormvariaoteQ gawö of f/atiró = omroeren 
wel niet pboDetisck moeten opvatten. 

Een nasale Ij komt voor in tlocëh = afkoelen, i^oeèt == 
in de war (van touw). De combinatie ijr is nasaal in 
tjroeé'A, dat betzelfde beteeken t als iiocèhy i^vièh = door den 
neus uitsnuiveuy meui^viè = sissen, van water in vaar ^);en 
eveneens de combinatie Ijh in ^ham-ljhoem = hét gelaid 
van plassen door bet water, i^Yïoeéug = pislacbt, tjhö 2= 
het spreken van iemand, die geen of een zieken neus heeft, 
^hé (Toenöngscb) = een gat maken in oor of neas '), leu- 
Aeti^haïA of teakeafjha^ = mal; coqaet (in bet synonieme tjaik 
of is de Ij niet nasaal), alles natunrlijk met nasaleering van 
den volgenden vocaal. 

Soms zonder, soms met h achter zich, neemt de (;klank; 

gelijk wij bladz. 383 aanteekenden, de plaats in der sj van 

vreemde woorden, waar die eene syllabe opent, bijv. tjhèk 

sas geleerde (^A), ijarikat = vennootschap (üTji), TJapi&i, 

eigennaam = Sjafi'i, Ijeuroega = paradijs, mmijeurol =b iet% 
dat aan eene voorwaarde is gebonden (Js^Jl^), 

Is zulk een woord door bemiddeling eener andere taal, bijv. 
van het Maleiscb, in btt Atjèbscb gekomen, dan verandert 
de sj in l^ (uit s), bijv. T^ami^oe, eigennaam (|w-iJi), meu" 
/*^A:e s: moeilijk, onaangenaam ( Jj^ii^), ineu/^awara/ = over- 
leggen, meut^euhd =s vermaard ( ^4^^), ral^otal == omkoops- 
prijs. In een aantal woorden komen beide vormen naast elkan- 
der voor, bijv. l^èëdara oiijèëdara = broeder, l^é^l^a of Ijét-i^a = 
straf (Mal. silma)^ l^aréh of //'jieA = sjariet, i^aras- of /;'ani^= 
goddelijke wet, t^adoe of tjadoe = bet verdubbelingsteeken in 

het Arab. schrift, Ijhö^ of /*ó* = verdenking (<Ii^^), maijha 
of mai^a ^)=: de plaats des laatsten oordeels ( JL»^). 



') Daarentegen niet nasaal b(|v. in ijriet = heet, gloeiend (ran eene wond). 
^) Daarentegen niet nasaal bijv. giijhè^ of liijkè^ *= trappen io ieta. 

') Hier Terdwynt dos de diep geaspireerde Arabische h l«^) spoocloos: ver- 
geiyk boven bladi. 375. 



397 

I 

De gewone letter is ^; evenmin als g van k^ wordt tj 
yan dj in het schrift onderscheiden. Somtijds wordt onze 
klank door ^ voorgesteld, alweder door verwarring of pe- 
danterie ook wel in zuiver Atjèhsche woorden* 

9. Het /* (ter onderscbeidint; van /A, waarmede eenvoudig 
de werkelijk uit / en h samengestelde klankverbinding be- 
doeld is) schrijven wij den consonant, die wel verwant is met 
de interdentale kIj der Arabieren % (d. i. ongeveer de Eq- 

gelsche th in lhink)j maar toch niet daaraan gelijk Hij 
wordt namelijk meer boven in den mond gevormd door druk- 
king met het voorste gedeelte (niet de punt) der tong tegen 
het gehemelte, boven de tandwortels. 

Aan het einde eener syllabe, gelijk alle consonanten, meer 
aangege^eu dan volledig uitgesproken, kan deze ^*, die juist 
bij den eersten aanloop eene krachtige inspanning der tong 
Tereischt, geen stand houden, en gaat over in de eenvoudige 
aspiraat (A). In vele dialecten bewaart deze h geen spoor 
van haren oorsprong, en hoort men dus bijv. bagah =s goei 
(i/^^)' 6r5A = droog vuilnis (/m».^), roedoeh = eene soort 
van klewang /^.j..); alleen na de ó hoort men daar den iurtie- 
ven klank ë als bewijs, dat men eigenlijk iets meer dan h wil 
uitspreken, bgv. boèh ^=^ wegwerpen {tmo)> betidoèh ^ op- 
staan (^^^jj). 

In het grootste deel der streek om den Dalam heen, die 
den toon aangeeft in zake taal en zeden, hoort men vóór 
dien uit /* outstanen A-klank eene furtieve i', behalve na de 
f, na hare naaste verwanten ^ en è en na vocalen, die reeds 
een furtieve ë achter zich hebben; bijv. fra^atA = snel, broïk 
SS droog vuil, 6otA = wegwerpen, balaih == vergelden, iHblaih 
sss elf, meuih sa goud, boengköih sss siribzak, iroih == aankomen, 
boeïh SS wild, woest, boengioeïh ss eene vischsoort, roedoeïh 
eene soort van klewang ; daarentegen : breuëh = ontbolsterde 

') Zeer ten onrecbte lehrljft men m MaleÏMhe leerboeken dien klenk mtütt, 
sooali h$ nooh in bet Arabieob, nocb in bet Mtleiiob klinkt. Vergelijk blads. 

S90 oyer 4e J* 



898 

rgsty aietiëh ^ boven , Iheuëh = klaar, patjih = schelp, ook 
zeker spel, nadjih =, oDrein, reukièh = oneffen, beuiéh = knit^ 
baréh =» streep, paléh = ellendig 

In Meura^l^a en Fandé, die ook tot het banda gebied be- 
hooren, spreekt men waarschijnlijk derhalve aèh, omdat men 
den samengestelden klank oi (in woorden als bèih^ beudóUt) 
vereenzelvigd beeft met ó/, en dit oj gaat, gelijk beneden 
nader blijken zal, in het banda Atjèhsch over in 6é. 

Combinaties: eene h kan de zelf reeds geaspireerde l* na- 
tanrlijk niet achter zich hebben, wel daarentegen r en /^). 
Boven (bladz. 393) stipten wij reeds aan, dat IV in de batula 
tiutl onveranderd blijft, in de Toenóng, Pidië en de VII 
Moekims Boeëng hr wordt, en in eenige andere streken /r, 
met de dikke, palatale /: 

/Vofr hrah tral) voorgevoelend 

<*ni* hra* Ira^ bestijgen 

t^ramoë hramoë Iramóë voorgalerij 

/Vó» hrön ir on bijl 

leul^euëng tmhr&uëng fettfreuëng op 't land geloopen zgn 

(van een vaartaig) enz. 

Ook zagen wij reeds, dat IH eerst in hl ') (waarvan nog 
een enkel voorbeeld bewaard is in hlw) en verder in Ih is 
overgegaan (bladz. 381). De oorspronkelijke consonant komt 
in afleidingen, waarin de eerste twee consonanten van den 
stam gescheiden worden, weder te voorschijn; zoo i^efêneulat 
of t^euneulJiat = haak of kapstok, van Ihat {z^l^lai) ophangen; 
l^mneidhaïh == de bij het dunnen uitgetrokken padi, van Ihaih 
SS padi dunnen ; l^eumeulhöh = bezig zijn met kunstlicht te 
zoeken, van IKoh (uit /*/oA, vergelijk Mal. 5o<;/oeA) = iets met 
kunstlicht zoeken; t^eunetdóh = isim, van ^/ió& = af dammen: 
l^eunetdönff =: kweekbed, van Ihóng = ineen kweekbed zaaien: 
vergelijk ook Iheiiëng en t^eulefiëng (Mal. sèlang) beide = 
tusschentijd. 

^) In Tivemde woorden worden fA eo / wel door den rerbindinf^s voctal em 
l^eseheiden: étJtewUm {Ulam), étheutiri {itiri). 

^) fu den dialeetuchen overgang van ^V in Ar vindt deze wtjsiging, gelgk 
men net, een treffenden tegenhaneer. 



399 

Gelijk men uit deze voorbeelden ontwaart, ia de A na de / aan 
sommige dier gewijzigde stammen zoo inliaerent geworden, 
dat zij blijft staan, ook wanneer de consonant, waaruit zij 
ontstond, naar voren verhuist; zoo in t^euneulhaïh, maar niet 
in t^euneudh. 

De wisseling t'^ met i in niet geaccentueerde syllaben kwam 
bladz. 392 ter sprake. 

Onmiddellijk vóór l^ komt zelden n voor, meer ng, waarin dan 
ook de n op die plaats wel overgaat: ;'aii,9/^an=» bewusteloos, 
hangl^at = los van zeden, panglHë =^ toespelingen maken, lang- 
hal •= eene vrucht, PrangiHh = Franscb, pengt^é = potlood 
{peficil). Soms gaat ook de m vóór /* in wj over; zoo wordt 
de kampongnaam Lam t^eufmiëng gemeenlijk Lang l^eupeuëng 
uitgesproken. 

In het dialect van Pidië neemt onze t^ dikwijls de plaats 
der gewone Atjèlische p in, als be<::iucoi)8onant van vormen, 
die met het infix eum (of oem) zijn afp:eleid van verba, die 
met p beginnen, om het even, of die p (gelijk in poela en 
poegn) tot den stam, of (gelijk in poebettêly jyengèi) tot het 
praefix peu (ot poe) behoort. Zoo heeft men dus in Pidië 
t^etimoega (voor poemoe^a) = peperplanter zijn, van poega^=^ 
peper planten, i^eumoebeuël (voor poemoeheuèl) = onderwijzer 
zgn, van po«Ö6uéY = onderwijzen (causatief van 6eti6/ ss reci- 
teeren of lezen), l^eumeugól ^= mnken van peugóloipeugèt,^- 
geleid van gèt = goed, vergelijk békin), i^eumadjoh «: eten, 
van padjohf <*6timoe^ s= planter zijn, van poelay t^eumeudiëng 
bevrachten, van peudtëng. Soms heeft die wijziging plaats, 
waar een causatief-vorm roet peu is afgeleid van een werk- 
woord van twee syllaben, dat met m begint; zoo i^eumanoj 
= een kind baden, voor poemanóè, van manóè ss zich baden. 
Formeel is immers poetnanóê niet te onderscheiden van eene 
afleidiuic met het infix oem van eenen stam panóë. 

In de Bovenlanden van Pidië moet l^eMóe == verkoopen, 
voor poebloè (causatief van bloë = beli) in gebruik zijn, maar 
overigens is zulke wisseling in woorden van twee syllaben 



400 

ODgebrtiikelijk. In- het gewone Atjèhsch heeft men i^Uè* 
naast poelté' = Bcliillen, pellen. 

Sisklanken in het begin van syllaben van vreemde woor- 
den, gaan bij de opname dezer laatHte in het Atjèhsch in 
t^ ovetf met uitzondering van de sj in die gevallen waarin 
deze klank door /ƒ of tjh wordt voorgesteld (bladz. 396) 
en van de z, die gewoonlijk in d, soms in df overgaat 
Die klanken zijn .dns de Arabische ^m*, ^jo» k1j% de^ 
in sommige gevallen, en de * (z) in enkele woorden, waarin 
zij als j behandeld wordt, namelijk in j^j, dat in het Atjèhsch 

rat^euki (= levensonderhoud) luidt; in ^^uJl S->>^> ^^ ^^^ 
gebruikelijk gebed, dat de Atjèhers él^euboe b^a noemen, 
en )j|U.i dat tot djajéh (de i^ als sluiter wordt h) is ge- 

worden. 

Volgt in een vreemd woord op den syllabesluitenden sis- 
klank een andere consonant, dan neemt het Atjèhsch den 
verbindingsvocaal eu te hulp: mót^eulimin (moeslimin), mó- 
l^euiaha^ (uit moeslahaqq, eigenlijk moeslahiqq) = rechtheb- 
bende, meut^eutö} = pistool, cthutiri = Mal. istri, él^eniam- 
60; = Stamboel. In enkele woorden van deze soort gebruikt men 
die verbinding niet, en dan valt de l^ (die men zich wel ak 
eerst in h overgegaan te denken heeit) weg, bijv. ataxui 
(uit ahlana) naast athutana = Mal. asiana, meutoeli. Mal. 
masfoeli = zijden garen, manggöhta (nevens manggofla) nit 
manggoiHaj Mal. manggoesla = de bekende vrucht. 

Nasaal is de /* in meut^ah of meut^ah-t^ah = fluisteren, 
t^oeèb s=s long, en metd^oeëh «= eene bepaalde manier om 
het tjato-spel ^) te spelen (daarentegen thoeëè, niet nasaal, 
SS met de handen eten, toetasten). 

De gewone letter voor /^ is ^^; uit de voorkeur, aan deze 
letter boven de veel meer met l^ verwante kIj geschonken, 
leidden wy (bladz. 361) reeds af, dat waarschijnlijk de Aljèhsche 
taal in den tijd, toen men haar met Arabische letters begon 



*) Dit ijfftó u wel formeel = ijatoer, maar beduidt inhet A^èliicligvwooa- 
igk een ander spel dan het bekende schaakipel. 



401 

te schrijven, nog sisklanken had. Verder vindt men i*^, 

^ , /^ geschreven, te rechter zoowel als te onrechter plaatse; 

en bij uitzondering j. 

De tongklauk { wordt bij de vloeiklanken, n bij de nasalen 
behandeld. 

VLOEIKLANKEN. 

Deze hebben inet elkander en met de aspiraat h en den 
nensklank ti^, in tegenstelling met de overige medeklinkers; 
de gemakkelijkbeid gemeen, waarmede zij met andere con- 
sonanten in verbinding treden, gelijk wij reeds telkens kon- 
den opmerken. 

10. De Atjèhsche / wordt, fijner dan de onze of de En- 
gelsche, evenals de Arabische gevormd door drukking met 
de punt der tong tegen de wortels der boven tanden. Als 
slniter kan hij niet voorkomen, behalve in sommige woorden, 
zooals men die in de Bovenlanden uitspreekt, byv. koedél=i 
schurft, betidél = geweer, wol = terugkeeren. 

Waar hij, blijkens het schrift en de vergelijking van ver- 
wante talen oorspronkelijk de syllabe sloot, is hij in den 
semivocaal / overgegaan na de vocalen a, oe, ó, eu, bijv. boe- 
&y ( Jj^) = dom, buedjaj ( J^u) = ©ene uitstekende punt 
op het midden van overigens afgeronde voorwerpen, boedaj 
(JjJ) = eene vischsoort, iangkaj (JXaJ) = bezweringsformu- 
lier, linggaj ( JXw) = nalaten, pafigicaj (jSi&s) = kapitaal, akaj 
(Arab. J^) = verstand, list, adjaj (Arab. J^t) = levenseinde, 
metideuloej (Arab. J^s^) = aangewezen of bewezen, (öj ( J j) 
= eene soort van balk, ka^d} (Arab. J J) = gelofte, ralhej 
(Arab. J^.) = gezant. Hetzelfde is geschied na de ó, maar 

daar oj in het öanda dialect óè wordt, is ook hier de/ weg- 
gevallen, bijv wóë (uit wój\ en dit uit wol, J.) = terugkeeren. 
In de talrijke Arabisclie eigennamen, welker tweede sa- 
menstellende deel met het lidwoord [oei) aanvangt, gaat dit 
gewoonlgk eenvoudig in o over en niet, zooals men ver- 



402 

wachten kon, in bj of oef\ bijy. Abdökadé {Ahdoelqadir)^ Ab- 
ddra^öh (Ahdoelra^oef). In den naam van Alexander den 
Oroote vindt men de j: Döjlceureutioé {DoeUjamnin)^ en inde 
titels Kali malikön adé ( J jUIl ^jU ^g>c\i) eo Kali rahön djalé 
(JkAlsJÏ v-j. jt^U») is de / tot n geworden '). 

Na andere dan de zooeven genoemde vocalen valt de / 
eenvoudig weg, en het blijkt niet duidelijk, in boeverre 
zgne vroegere aanwezigheid sporen van invloed hedt na- 
gelaten in den eindvocaal '). Immers, zou men geneigd 
zijn uit voorbeelden als ha té (JjJb) ^ss drinkbakje, öeude 

(JjiX)) = geweer, iaJié (JjubU) = een goudgewicht, adé 
(Jjlr) =^ billijk, djalé (JjiU.) =« majestueus, de conclusie 
te trekken, dat de i-vocaal bij het wegvallen der / in é 
overgaat, er staan vele andere tegenover, waarin de t ge- 
handhaafd blijft, bijv. waü (Ja^.) = gemachtigde, daU 
(JLaJj) = bewijs, Djébra^t, Mika% ^èdra^iy It^rapi (de vier 

aartsengelen) 

Waar aldus de eindconsonant is weggevallen, valt het 
dikwijls moeilyk vast te stellen, of ^ of r oorspronkelijk 
de syllabe sloot, dewijl bet verdwijnen van beide in de 
uitspraak de Atjèhers verleidt, in het schrift^ en J op zulke 
plaatsen willekeurig met elkaar te verwisselen of beide weg 
te laten. Wisten wij byv. niet, dat bileué = Arab. bilal 
is, dan zouden de schrijfwijzen JLxj^luy.lui Jlo» ons geene 

betrouwbare inlichting omtrent 'den oorspronkelijken aluit- 
medeklinker geven, en eerst de vergelijking van djet4é met 
Mal djala leert, dat van de spel wij zen ^^t j^yi,^ de 
laatste de etymologische is Evenzoo varieert men wille- 



*) Vergel\)k beneden meutké» nit Anb. mühl ( JüL«) enz. 
*) Oialeetiaeh komt ook na andere Toealcn de^ wel Toor; in de Bovealan- 
den hoort men frOHjf •= beitrooien, voor froe'é (ij««^)v ^ ^® itrandatrekflB der 

XXVI Moekims djeu?j =a net, voor djeu? eni. Echter spreekt men daar dk 
J dikwylf ook, waar oorspronkelOk eene r voorkwam of zelb. waar men raat 
«ehte open syllaben te doen heeft: keubeuej = baffel, geuej «^ de raad (rotan 
of hoQt) van een net of tak. kêuij -^ voorzijde. Ueui = rystkweakbad. i^mmemèf 



403 

keurig de spelling yau manijenë = ondeugend, reujenè of 
rieuè = dollar, paweuë == maag (van filachtvee), bateuë = 
ongeldig, proeë =» bestrooien, hocë^ eene aapsoort, enz. 

Soms is door de verwarring consequente verwisseling van 
/ en r als sluiters veroorzaakt, S^l^jl^ n^en bg de r zal 
zien. 

Gevallen van eigenaardige behandeling eener vreemde 
eind-/ zijn: meul^én nevens mew/*e = al8, gelijk (Arab. Ja<), 

mèn = mail, keuretmèn = kolonel, djeundran = generaal, Nata 
(het landschap Natal); vergelijk blz. 402 mahkon en rafrön. 
Aan bet begin eener syllabe wisselt / soms met r : loedah 
of roedah = spuwen^ letifiggdl of reunggol = buigen, neigen, 
Uimbaloe of ramhaioe = eene soort van duif, landö* of ran- 
#iö' = hok, lamideuën of ramideuën ss gpin, loengkób =» 
vooro verliggen, nevens roengkób «» door ombuiging bescha- 
digd zijn (van metalen voorwerpen), l^alat^ari of l^arat^ari, 
een door de Klings ingevoerd geneesmiddel. Soms met n: 
leudjtUy in het Boeëngsch neudjeu = aal, Uirangénj Boeëngsch 
narangén := schoft van een buffel, geuloekoe nevens geunoe- 
koe a» kokosrasp, leulangké of leunangké =«• koppelaar, /eulueng' 
kèë of tetmoengkèë =» treeft ^), meulasah naast meunasah (ju* .«3w«) 

= kampongbedehuis, meulisan naast iiietini^an ss suikerstroop. 
Soms met c(: zie de voorbeelden bladz. 389 — 390, waarbij 
nog de in Pidië gebruikelijke vormen getidoengkoe en gei^ 
/oeiig/foe SS kokosrasp, gevoegd kunnen worden. 

Willekeurig verwisselen / eil r van plaats in larexië of raleuë 
= even ontkiemd padizaad op een moerassig kweekbed uit- 
spreiden. 

Een nasale variant der / is mij niet bekend. 

Combinaties: bl, pi, gl (soms afwisselend met c(;7) hl en 



9 

') In de laatste drie voorbeelden winelt dut een infix eul met etm, maar 
bijna overal, wanr dit geschiedt, is bij de Atjèhers alle bewnstz^n der af- 
leiding te loor gegaan, hetz^ wijl die afleidinf^, zooals in geuno^koe^ op zeldzame 
wijie plaats had, hetii) wQI de stam ongebmikelQk is geworden. Wel begrepen 
wordt de rerhonding in t^notmpéi of t^euloempéi ^=blaasroer. 



404 

Ih (meest ontstaan nit tl, thl, ijl) ngl komen bij de andere 
samenstellende consonanten ter sprake. 

In overgenomen vreemde woorden wordt de verbinding Ih 
liefst vermeden, hijv. éleuliam L^It)= ingeving, a^A^m («Xa»S)) 
3s het eerste lioofdstnk van den Qoran. 

De Arabische klanken ^ en I9 ^) worden bier, gelijk in 
verwante talen, als / gesproken, en daarom soms ook met 
J geschreven : /cali ( -^U) = rechter, meularat iiJi^) = el- 
lendig, meuleuha (^^a^) = vermaard, leuKö (Jo) = middag. 

De gewone letter is J ; in Arabische, en uit pedanterie ook 

in Atjèhsche woorden, ^ en I9, zeer zelden j en j. 

11. De r wordt zacht gebranwd, als de modern- Arabische 
fi, in de Benedenbtreken rondom den Dalam, in de XXVI 

Moekims (met uitz/)ndering van de VII Moekims Boeëng en 
de III Moekims Keurenkön, die in dit opzicht de Bovenlan- 
den volgen), de XX.V Moekims (behalve een deel der IX); 
scherp dentaal is deze consonant echter in de zooeven nitge- 
zonderde deelen der XXV en XXVI Moekims, inde Tocnöng 
(XXII Moekims), Pidië, de Oostkast, Daja, de Westknst, 
en als dentaal is hij iijner dan onze of de Arabische r, daar 
bij gevormd wordt met drakking van de pnnt der tong tegen 
de bovenlanden. 

Daar de gebranwde r van de Arabische k weinig veraehilt, 

is het natnariyk, dat men in de Benedenstreken die ê ook 

als r spreekt. In het gebied der dentale r is men na ech- 
ter zoo gewoon, dezen dentaal in de plaats van den elders 
gehoorden gutturaal te stellen, dat men dezelfde verwisseling 
op de c toepast, en dus bijv. zegt rarib =» vreemdeling 

(v__^^f) met twee dentale r's : lóral =s taalkundige aanteeke- 

ning (XaJ), laram = zangwij s (^), 6ara/= muilezel (Jlw) *). 

^) BTenals de boTen (bladz. 890 en 897) besproken, in Maleisehe leer^oekoi 
gebrnikemke traoaertptie met \±J en 1) met U en dt, ia die Ttn ^ en met 
dl en il betpotteiyk te noemen, daar zfj noob de Arabisebe noob de Malcitohe 
nitepraak aangeeft. 

9) BQ de A bleek ooa reedt, dat in overgenomen woorden de ó ila alnifer 
h wordt. 



405 

Op het einde der syllabe valt de r weg ; slechts in enkele 
gedeelten van bet gebied der dentale r (bijv. Daja) wordt 
bij nu en dan in uitgangen gehandhaafd, ja het komt daar 
wel eens voor, dat de r, als ware het bij reactie, als slaiter 
wordt aangebracht, waar hij nimmer behoorde, bijv. in goe- 
dar voor goeda = paard, en por voor po eigenaar ^). 

Regel is echter het verdwijnen der sluit-r.» ieiima L^J) = 

vervolgens, poela (Jy) = draaien, iaga {J\j) = zacht gerom- 
mel, oela (AJ\) = slang, glanleuë ( Jüdi^) = donder, pagmè 

(jü) = heining, en {\) = zien, pleu (Ai) = wrijven, palH 
(yu#li) = zeestran d, moetigki (.Cc*^ uit Ji\^) = eene schuld 
ontkennen. Ui {^)) = stroomafwaarts drijven, ilé LiJ)\ = 
stroom- of bergafwaarts gaan, ^a/^Ae (Jli') = ongeloovige, Ab- 
dóltadé ( oUl) Jac) eigennaam, Pic/te Looi) = het vulgo Pedir 
genoemde land, lihië Ljl^a!) = hals, ië {Jji) = water, blië{^) 
= boos aankijken, pd (y) = vliegen, koetö (J^f )== onzin- 
delijk, matijd = majoor, boe (.y ) = gekookte rijst, oe LM = 

klapperboom. 

Ook bier is de invloed, dien de r bij zijn verdwijnen op 
den voorafgaanden vocaal is blijven oefenen, moeilijk na te 
gaan, want naast voorbeelden als teulceudi (yjó£l)y t^'di (jjyu), 
Mdngkardn voanangki ^) (jSüm JjL«) staan andere als teukeuiH 
Lua£J), ta^bé (yjuJ); terwijl toch de oorFpronkelijke uitgang 
van alle tr is, en evenzoo heeft men naast kaphé (J !ƒ ), biké 
( Jo), Abdokadé ( .olill sxc^y andere als moengki {Slyt), ofschoon 
alle gelijkelijk op tr uitgaan. 

Waar in verwante talen de r als sluiter van nietgeaccen- 



') In Thealimeum is een gewoon tcheld woord aneui. tjfigewpab pbr, als het 
ware aiM^ t^igeupab poenja {thigeupab = eene vrouw, die zich door iedereen 
laat gebruiken). Vergelijk ook de in van der Toom 's Woordenboek voor het Mi- 
nangkabaotch geconstateerde locale uitspraak banoer voor banoea^=\bxA. 

') In het Atjèhsch evenals in het Javaansch komen de namen dexer beide 
grafengelen steeds vereenigd voor, en worden z\j popnkiir dikw^ls ab de naam 
van éénen engel beschouwd. 



406 

taeerde syllaben optreedt, beschermt bet Atjèhsch deze dik- 
wijls door toevoeging van den vocaal eu (of oe): peuretikara 
of peukara = zaak, beureuloïh = ontploffen, beureuleh = open- 
barsten, meureuja = sagopalm, menreudjan = koralen, men. 
reuhom = wijlen, zaliger, meurenlal (jJ-*) = afvallige, /foe- 

roe'an = de Qoran, koefvebeaën = het Qoerbftn- of offerfeest, 
Iceureutaih s» papier, maar pial^an (ait perhiasan) =s wereldseh 
feest, madika (uit mardika) = vrij, enz. 

In enkele vreemde woorden wordt de slait-r onregel- 
matig behandeld, als ware hij /, en gaat hij dos in / oven 
noemöj (in plaats van noemo) = nummer, bJwë (uit bhqj\ als 
ware het bol; men zon bo of bho verwachten) =: boor^ meuhaj 
(van Arab. ^) = hnwelijksgiit, in de uitdrukking metêhaj 
mii^é. 

De wisseling van r met / en d kwam bij de beh:uideling 
dezer klanken ter sprake ^); het zeldzame uitvallen der ma 
de / boven bladz. 3b 1 en 393, in de noten. 

Over de combinaties: 6r, pr, gY, krj dr, U\ djr, ijr, t^r 
(dialectisch hr en fr) zie men de andere samenstellende deelen. 

De gewone letter is ^, somtijds ^. Oewoon, de j io uit- 
gangen veel geschreven te zien, terwijl zij daar geene pho- 
netische beteekenis meer heeft, maken de Atjèhers veel mis- 
bruik van deze letter, door haar achter allerlei woorden te 
schrijven, die op vocalen eindigen. 

De overige vloeiklanken (r?i, n, »<ƒ) zijn alle nasaal, en wor- 
den bij de neusklanken besproken. 

LIPKLANKEN. 

Deze consonanten hebben de eigenaardigheid gemeen, dat 
zij den vocaal eu (met name in de praefixen peu en me»') 

*) Een voorbeeld als thinihüs, of ri»/^i sa rukken, trekken, kan wiarsohgn- 
l\jk niet phonetisch verklaard worden. 

2) Ook in de conjunctie meu i= indien), het verkorte verbum hms = wil- 
len (uit meung en keumeung) wordt die vocaal 00, wanneer deze woorden ia in- 
tieme verbinding treden met andere, die met eenen lipklank aanvangen. Zie ve der 
bladz. 214, en, voor een geval, waarin peuê tot poe wordt, de behandtUng Tan 
de eu. 



40t 

maar soms ook in teu en in het nit bah onstane beu), waar die 
onmiddellijk vóór ben optreedt, in oe veranderen : paeboeël voor 
peuboeël = doen, maken , poepöh = laten Yechten, paemanöèssz 
baden (een kind), poewdë = doen terngkeeren, maebri = geven, 
maepöf' = vechten (van rammen enz.), moemenaèn = spelen, 

toêwd = vergeten (uit lenwöy van wo = dwalen, verdwalen ; 
maar de Atjèhers hebben het bewustzijn dezer afleiding ver- 
loren), boebè*- uit beubès^ voor bah bè'- (boven bladz. 381) = 
het zg dan „niet"'; moebè^ voor meubèf- uit meting 6é>= in- 
dien niet onverhoopt; lön moepoh (voor meupdh uit meung pdh)= 
ik wil slaan. 

12. b stelt voor het Atjèhsch den ook bij ons zoo ge- 
schreven consonant voor, althans in het begin der syllabe. 
Terwijl wij echter de b als syllabeuitgang wel schrijven, 
maar in de uitspraak door p vervangen (ik Jiep)^ spreken de 
Atjèhers ook op het einde de zuivere b (als in het Engelsche 
cab)y en dit niet alleen^ waar die b oorspronkelijk is, maar 
ook, waar blijkens het schriit en de verwante talen vroeger 
p gesproken werd, bijv. oedéb = leven, harab = hopen, joeb = 
blazen. De verhouding tusschen b tn p als sluiters is dus 
juist de omgekeerde van die tusschen d en / in hetzelfde ge- 
val ; van de tougklanken heeft de harde den zachten, van de 
lipklaiiken de zachte den harden als sluiter vervangen. 

In het begin van sommige woorden wisselt 6 met p af, en 
in vreemde woorden worden beide vaak verward; boenijiéof 
poetifjië = zweertje op het ooglid, bha'- of phas- =s buiten adem, 
biijah s stuk gaan [pèljah], poeka = openen, badja^ uii padja^ 
(= Jav. padjeg) in den zin van pacht, beuleubah = zekere dak- 
latten (Mal. pèlépah'y peureul^èh =^ héider, onbewolkt (ftrë^iA), 
^>/aA s splijten^ kloven, ra/Mz^a = tamboerijn, P^/a«n= Ba- 
tavia, peudawi = Bedawien, deugniet, en nog enkele meer. 

Aan het einde van vreemde woorden zien wij soms de b 
in plaats van d (/) of ^ (d. i. i) optreden: Jadib^ moeriö 
(bladz. J89), Ijroeb = sigaar, uit tjroel, bob (bladz. 388). In 
het Atjèbsch wisselt moepèö-pèb met moepèl-pèl «^ veel praats 
maken en leugeutib met /eii^eu/i/ «» verzeild raken. 



408 

Nu en dan wisselt b met m af als beginklank van 
woorden, wanneer nl. de volgende consonant een nasaal is: 
hmngka = de oorgaten verwijden, Toenöngsch en Boeëngsch 
mmng/ca] beungkaj »« haltrijp, nog hard, Boeëngsch meung- 
kaj] heuneung = draad, Boeëngsch meuneung^ bamhang of 
mamhang koenèng = geelzacht. De Arabische woorden ma- 
drasah en mimbar luiden willekeurig mmnal^ahf beunal^ah, 
mimbay bimba. Zeld/^aam is dergelijke afwisseling van den 
sluitconsonant : padoem, i^adoem enz. = hoeveel, evenveel 
enz., luiden ook padoeb^ fiadoeb\ meiigab gab of meugamgam 
s= ontroerd zijn. 

Combinaties: bly bv, bh, nib (waarover meer bij de nasalen), 
bijv. hlöë = koopen, bleuël = vleclitwerk van klapperbla- 
deren, /r^6/a/ = de richting naar Mekka, iro^ .^ leeVijky bf^eiiéh 

= ontbolsterde rijst, bhoe' = eene struik, bhom = familie- 
begraafplaats, bhan = met kracht van boven naar beneden 
slaan, mbdïh of mmbóïh = op iets blazen, mbon ssdauw, 
mbol-mböt = de plaats midden boven het voorhoofd, mbè' 
= blaten (in Daja s= schaap), mb*ih =s vader. 

Een nasale variant komt voor in hdëh = het geluid van 
loeiende runderen of sissende slangen; verder is de combi- 
natie br nasaal in hrèthrdt =s babbelend, doorslaand (niet 
nasaal daarentegen in het volkomen synonieme i/é^frrd'.) 

De gewone letter is <^, op het eind van syllaben vaak 

1^, en in de enkele vreemde woorden wordt deze consonant 
door lil, j of CS voorgesteld. 

13. p is in het Atjëhsch als onze p, kan echter aan het 
eind eener syllabe met optreden, gelijk wij sub 12 zagen. 
Ook de andere wisselingen met b werden daar besproken. 

Combinaties: pi, pr, ph, mp, (welke ook eventueel voor 
np of ngp in de plaats zou treden), bijv. pldih s= losma- 
ken, plang = gevlekt, gestreept, preuë =a motregen, prang 
= oorlog, pJieuël = beitel, pha = dijbeen, pJiél = gal, 
bitter, phdn = begin, kaphê = ongeloovige, mpeuën of eti- 
mpeiiën = voeder voor beesten, wi;?èé==grootmoeder, lampong 
ïs=, dobber, rampa^ = breedgetakt, amplaïh = polijsten. 



409 

De ph als vertegenwoordigende de Arabische /kwam bladz. 
H83 ter sprake ^). Buiten bet accent wordt de f steeds al- 
leen door p vervangen : mdpeuti = moefti; napakah = on- 
derhond, rapaH = de litanie yan dien naam ; maar moenapè^ 
of moefiaphè^ = sohijngeloovige. 

Nasaal is de p met zijnen vocaal in : j^iëb ') = znigen, 
schuiven (opium) of rooken; poeéfA = goot; de /^/^ in mphaiA 
■= kraamziekte; pr in j^reut = met water uit den mond 
bespuiten, prié% = snuiven (van woedende dieren), paeprot 
=sr zeker insect. 

In het schrift wordt p met (^ weergegeven, en zelden of nooit 
door toevoeging van meer tittels (<^) van de /* onderscheiden. 

De lipklank m komt bij de nasalen, w bi) de semivoca- 
len ter behandeling. 

NEU8KLANKEN. 

Deze zijn de lipklank m, de tougklanken n en nj, de keel- 
klank ng. Zij geven alle, waar zij een woord sluiten, aan 
den vooraf gaanden vocaal zekeren galm, dien de Atjöhers 
deufigdngj d. i. gonzing noemen '), en maken hem dus tevens 
iets langer dan bij andere sluiters het geval is. 

Verder deelen zij, aan het begin eener syllabe, hun sterk 
nasalen klank aan den volgenden vocaal mede. Alleen ó, 
6 en euè zijn onvatbaar voor dien invloed of, anders uitge- 
drukt, vóór deze drie vocalen zijn bedoelde consonanten zoo 
weinig nasaal mogelijk, zoodat men er aan die klinkers 
zelve geen spoor van bemerkt. 

Eeue andere eigenschap, die deze medeklinkers hier en ook 
in sommige Maleiscbe dialecten vertoonen % is dat zij op 



• • 



') Ook ia reeds aangeteekend, dtt de ƒ als slaiter A wordt. 

^) Daarentegen niet nasaal: piëi = lais. 

') Ook in het Qoranreciet noemen zy het galmen (Arab. AAC) deungHg 
By de nj komt het natnnrlyk niet voor, daar deze nooit slaiter is. 

") My bleek bgr. dat zij de^e eigenschap in hoogo mate Tertoonen in het 
Maleiseh van Boenoet op West-Borneo. 

Tyd«ehr. Ind. T. L. «u Vk., deel XXXV. 27. 



I 
410 i 

I 

eigenaardige wijs sameDsmelten met deo bun naast Terwan- 
ten zaekten consonant. De combinaties mfr, nd, ndj en ngg 
Yormen, in onderscheiding van andere klankveriiindingen, 
nieawe klanken, die zeer nabijkomen respectievelijk aan de 
niet-nasale m, n, ni, en ng, gelijk die vóór de vocalen 5. é, 
euè geboord worden. Slecbts in enkele woorden, deels van 
vreemden oorsprong, deels samenstellingen, worden die nasa- 
len door bnune verwanten gevolgd zonder ermede samen te 
smelten, bijv. lambajong s= purperkleurig, rambaloej =s eene 
soort van djin, éwlatoe ss voorvaderen, éndaj (Arab. J^jljss 
zaaditcbieting, bandoem = allen. 

Overigens werkt de samensmelting soms op de spelling, en 
scbrijlt men mbdl^mbót sss de plaats midden boven bet voor- 
hoofd, zoowel rijLfy^ als rszjyx^), ti(fo/f9 SS eene soort van 
slang ^ J of e.jiK ndjöiig = de baveu, die op de kaarten 

Endjoeng beet, zoowel c .j als g^^\% andjdng = uitbouw van 

de acbtergalerij eener woning, è^^] of e^sót» *'gg^ffg = eene 

vogelsoort, Ali of cUc), langgéh =ss in beslag nemen sjjJi en jjJJJi. 

Het kooit ook voor, dat de verbinding zóó beeit gewerkt, 
dat de nasaal zijnen verwant beeft verdrongen, dat dus mb 
werkelijk tot m, en wel lot de nasale m, is samengesmol- 
ten, enz. Dan bebben die klanken op de daarvoor vatbare 
vocalen (a, è, èë, t, iè, d, oë, oe, oeë, eu), die bun volgen, 
den gewonen nasaleerenden invloed. Zoo bijv. l^eumah ^uum» 
oi juum) = een sembah maken '), l^eumajang = de ritueele 
godsdienstoefening, tima (UjJ of U«jü) = emmer, iamah (^uJ 
oi AuJ) = toevoegen, iiinang (a4jS of axéjü) = overwegen, 

leumó (yti of ^jul) = rund, iHiinèng (Mal. blimbing) = de be- 
kende vruebt, pinah = overbrengen en minah = verbuizen 
(vergelijk Mal. pindah), ie brani ^) = brandy, boeni naast boen- 
di {nd ongeveer gelijk de niet nasale »), eene boomsoort, 
manoë (Mal. mandi) = z\Qh baden, paneti^ (Mal. pèfidèi)^ pa- 

') Echter heet de groet zelf als substaotief iheumhak {mb bijna gelyk de 
niet-uasale m) en peuiheumbah = iete eerbiedig (aan een vorst) overreiken. 

S) De Atjèbsche volksetymulogie brengt dit woord met het Maleische bram 
in ferband, en denkt dos aan »moedwater". 



411 

É 

njang {è^\j of Asoi) = lang, mangojla (Hal. manggoesta)y de 
bekende vrucht, enz. 

Daar evenwel die vereenvoudigde spelling ook dikwijls 
plaats vindt, waar de samensmelting niet zóó innig en haar 
resultaat niet nasaal is, wijst ons het schrift in deze niet den 
rechten weg, en moeten wij elk voorbeeld afzonderlijk door 
waarneming der gesproken taal constateeren. Wij zien dan, 
dat weliswaar voor de meerdere samensmelting in het ééne, 
de mindere in het andere gevat niet altijd eene rationeele 
verklaring te vinden is, maar tevens, dat voor elk geval vast- 
heid van uitspraak bestaat, zonder weifeling. 

Opene syllaben, die met een dezer nasalen aanvangen, 
hebben in echt Atjëhsche woorden nooit eene syllabe achter 
zich, die met eenen halfklinker {w of j) begint, tenzij de 
nasaal secundair is ingevoegd, zooals in peunajah =:= in- 
spanning, van pajahf peunajdng van pajöng en dergelijke. 
In vreemde woorden wordt bij zulk samentreffen de w nasaal, 
de j gaat in den naast verwanten nasaal nj over: inanja of 
anianja van Mal. aniaja, l^ennanjan = Maandag, Mal. staiajan, 
peunganjöh = pagaai, van Mal. peungajoeh, manjèl ■= lijk van 
een Mohammedaan, uit majit] njanji = bijzit van een Euro- 
peaan, Mal. njaji of njai] manjó == majoor, mawó = rozen- 
water, Mal. mawiir, mawdt = dood, als uit mawoel gevormd, 
njawóng = ziel {njawa), mawaïh = andermans beesten onder- 
houden voor '/a ^^^ ^^ werpen jongen of zijne rijstvelden 
bewerken voor ^j^ van den oogst ^). 

Ëvenzoo zeggen de Atjèhers, wanneer zij Maleisch spreken, 
nanjè^ voor najik = klimmen, Atj. p^; manjèn voor niajin = 
spelen (Atj. meuaèn). 

Het woord t^eumajang vormt hierop geene uitzondering, 
daar tusschen de a en de j ^ne h is uitgevallen, en de 
syllabe dus oorspronkelijk gesloten was. 

Boven, bladz. 368^ teekeuden wij aan, dat behalve het hier 
behandelde viertal klanken, nog althans een negental nasale 
varianten van andere medeklinkers in het Atjèhsch voor- 

'> Vergeiyk nog over den invloed der aeosklAnken beneden bladz. 111, 



412 

komt. Deze komen echter betrekkelgk zelden voor, terwijl 
m, fty ng^ nj\ in den regel nasaal zijn, zelÜB vóór ö, é eaeuë 
hun nasaal karakter niet geheel Terliezen, en alleen door 
samensmelting met b, d, dj, g van aard veranderen. 

14. m klinkt ongeveer als bij ons of in het Arabisch, 
maar veel meer nasaal. De combinatien mh, mp, (eventueel 
mbfy mbly mpr, mpl) behoeven geene verdere bespreking. 

De afwisseling van m met b aan het begin van sommige en 
aan het eind van enkele woorden werd bladz. 408 aangestipt. 

Vóór de k pleegt m in ng over te gaan, bijv. in de kam- 
pongnamen Lang Kmneuaeuny Lang Koeeuéh enz.; soms ook 

vóór de l of /^ bijv. Lang Irièng, Lang t^eupeuëng, Barang 
l^ah voor taram l^ah (uit Behram sjah). 

De letter is ^ , soms, om historische redenen v_^^>. 

15. n wordt fijner dan bij ons, evenals in het Arabisch 
met krachdgen druk van de punt der tong tegen de wortels der 
boven tanden uitgesproken. 

Vóór k tu g wordt hij door ng, vóór p en b door m ver- 
vangen. Soms wisselt hij met n af vóór de t, bijv. in bang- 
la, naast banta = de oudste broeder of andere bloedver- 
want van eenen oelèëbalang, die de dagelijksche zaken roor 
hem waarneemt; maar in het algemeen is de combinatie 
nt frequenter dan ngl. 

Over de wisseling van n met d zie bladz. 390, met / bladz. 
403, de zeldzame met ^ bladz. 373. Naast manèi = zoet, 
komt mamèh voor. 

De combiuaties nd, ndr, ndj, nt (ntr, fi{Q, nlj komen onder 
de andere samenstellende deelen voor. 

De letter is ^. 

16. ng stelt eenen consonant voor, iets meer nasaal dan 
onze fi; in brengen. De in het Atjèbsch met dezen klank begin- 
nende woorden zijn niet talrijk en meest van ééne syllabe. 

Als sluiter van het woordje meung =s willen, indien, 
opdat, slecbts ^), valt de ng bij intieme verbinding met een 

') Wg laten hier geheel in het midden, of het woord in al die heteekeniaeen 
deaxelfdeo btam vertegen woordi($t. 



413 



volgend woord weg: hn numdja' (^^ U* \:)j^ ^f C^»>« m;J) 
as ik wil gaan, meu han ^) = iodien niet, moebè* = indien 
niet onverhoopt, tön moepdh = ik wil slaan. 

Zeldzaam is de wisseling van van ng met n als sluiter: 
teumèng of ieumèn^=zeeu stak bamboe om mee te snijden; 
dat ng de m vervangt vóór t, t\ k is ons bekend. 

Combinaties: nqg^ ngi, ngl\ alle reeds besproken; ngl: 
panglima = ofeTStdy /an^f&n^ = lantaren. 

De letter is c of k ; soms stellen^ om bijzondere redenen, 

CSif ^ of ^ onzen consonant voor. 

17. nj klinkt als gn in het Fransche oignon. Evenals 
ng komt hij betrekkelijk zelden als beginklank van Atjèhsebe 
woorden voor; als sluiter kan hij niet optreden. 

Met j, als welks nasale variant hij fungeert (boven, bladz. 
411) wisselt hij soms in het begin van woorden ; n/an^, meer 
gebruikelijk dan jang s= die, dat (relatiei), jampang of njam- 
pang = indien soms eens, jeuh of njeuh = afbijten. 

De combinatie igA (altijd sterk nasaal) boven bladz. 382; 
hoe soms nj uit ndj ontstaat, bladz. 410 — 11. 

De letter i8 i^ of ^, soms jpj* 

HALFKLINEEB8. 

Deze beide consonanten, w en /, hebben in het Atjöhsch 
hetzelfde semi vocale karakter als in de Semitische talen. De 
w klinkt als de Engelsche, de j heeft, met de onze verge- 
leken, ook een vocalischen voorslag, zoodat wa ons bijna als 
oea, ja als ia in de ooren klinkt. Beide treden slechts in 
weinige, en daaronder nog vele aan het Arabisch ontleende 
woorden als beginklanken van wootden op en slechts in en- 
kele gevallen als sluiters. Combinaties vormen zij niet. 

Den invloed, dien de semivocalen ondervinden van voor- 



*) men Aau b eenTOudig hypothetisch, moeéét (boven bltdz, 407^ tevens af- 
biddend, bgv. moebès na peuS wiarm == ala niet onverhoopt iets ta8schenb«de komt 
(ak het ware Aalo$ tyasgam). 



414 

afgaande opene syllabeD, die met nasalen aanvangen^ leer- 
den wij bladz. 411 kennen. 

18. w komt als slaiter alleen in die dialecten voor, waar 
men, in plaats van het gewoon-Atjèhsche èé^ respectie- 
velijk èw of iw (bijna èoe en ioe) spreekt, gelijk wij by de 
p zullen zien. 

Na vocalen met een f artieve è ') {eiié, èè, iè, dé, oeé) is bg 
voor Atjèhers onnitspreokbaar; in de eti, o, oe, ö zon hij ali 
slaiter, wegens zijn semi vocaal karakter^ geheel opgaan, zoo- 
dat mw, öw enz. niet anders zouden klinken dan eu, ö enz: 
met een voorafgaande a zou de w den tweeklank aoe vormeo, 
maar deze is in het Atjèhsch, waar hij bijv. in vreemde 
woorden werd aangetroffen, overgegaan 6f in o, bijv. nobat 
{hJ) öf in èè, bijv. djakalèë^ (A^^), lceumarèéLX^)ft('êbat 

{hJ), ^f opgelost in a'ö, awö of awó, bijv. ka^df ( J J)» /"»■ 

Waar op een der vocalen oe, 'ö, ó een andere vocaal direct 
(dus ook zonder scheidende *) volgt, vormt een w den nood 
wendigen overgang bij de uitspraak, zoodat oeé, loeath, t'^oe^. 
hröxh, (dé bijna klinken als oewé, loewaih enz. '); maar de 
vocalische helft van die overgangs iv ligt reeds in de oe> 
6 of o opgesloten, zoodat bet ons overbodig schijnt dien h^ 
klank afzonderlijk af te beelden. 

Een nasale w is mij, afgezien van de bladz. 411 behandelde 
woorden van twee syllaben, alleen bekend in anm* yfp'=^ 

Jonge buffel % tevens het eenige mij bekende voorbeeld der 
wisseling van w en '. want in Daja zegt men anm' ov^- 
Ëene \t\ ontstaan door het wegvallen van een ' na deo 
klinker oe leerden wij bladz. 374 kennen, en den invloed 
der w op een vooraf gaanden e//- vocaal bladz. 406 — 7. 

') De f artieve >: treedt lUeen i66r eene h op. 

*) Hier werd de v nHaal wegens de roonfgaande m, (bladr 411) en dttiem 
moest (ie voor nasaleering onvatbare o in h overgaan. 

') De uvergan^klaok tasaehen eu en een volgendeu vocaal klinkt anden. v- 
lyk 0D8 b^ ile behandeling der eu zal blijken. 

') lu de Toeaóng» Boeéng en Pidië heet zolk een dier enen* o*é. 



415 

De letter is .. 

19. j komt als slniter alleen voor na de vocalen a, oe^ 
óy euy en is daar in de meeste gevallen ait / ontstaan, ^a 
den iurtieven vocaal ë treft men hem alleen in sommige Bo- 
venlaudsche dialecten aan (bladz. 402, noot). 

Na dè kan natuurlijk geen / komen, daar het zelf uit d; is 
ontstaan. In de Toenöng, Pidië en Boeën;^ is trouwens dat 
d; onveranderd gebleven, en de ƒ dus ook na d als sluiter 
mogelijk; in de banda taal gaat het steeds in bë over, be- 
halve in enkele samengestelde uitdrukkingen, als: bardjl^a 
=s eergisteren , poe/sdf ma =s schaamdeel der moeder (bij het 
schelden gebruikelijk), lagdj na of iHlagdj na nevens hgoë 
na = zeer ^). Met een der vocalen è, éy i zou een daarop 
volgende ƒ evenzoo samensmelten als de w met o^, ö, 6 en eu. 

Tusschen een der vocalen t, è, è en een anderen, die on- 
middellijk daarop volgt, boort men noodwendig eene/, welker 
vocaliscbe helft in den voorafgaanden vocaal ligt opgesloten, 
en die wg dan ook evenmin als de zooeven genoemde w 
van dezelfde soort schriftelijk behoeven uit te drukken: /Aa6=s 
drie, déah = bedehuis, iHiö = slaperig, iè = water, tidng = 
beo, iimié = Maleiscb biar enz. klinken van zelf ongeveer als 
Ihijef déjah enz. 

Over de verhouding van de ƒ tot den nasaal nj zie men 
bladz. 411. De letter is^, maar dikwijls wordt de/ door J 
voorgesteld, zelfs waar zif niet uit l is ontstaan. 

KLINKERS. 
Het Atjèhsch heeft 9 klinkers . die wij met de letters a, eu, 



') Deie mtdrnkkiiig, die afwitselt mei Ughë é% ma (U clC^ ^')>>' °^ij 

nog niet dnideiyk. Lagb'é stemt formeel met MaleÏBch Ugi OTervên, maar de 
beteekeoifl is, ook in andere nitdmkkingen, niet dezelfde. Zie verder over bj 
blads. 111. Al« renranger van den Arabiaehen tweeklank ai biyft c^ ook onver- 
anderd in sommige woorden: ihojdina voor aaidina (too doet zieh sajjidimM aan 
de Atjèhers vooi)^=-ooze Heer, ml\jkam in den bekenden groet: at^lamoe 
alöjkdm, Mbjmoemah (ijft4ji««); in oitgangeo daarentegen oë, Dof keureimö^ roar 
Dotifomaim. 



416 

é, éf 0, i, oBj ój ó aaodniden. Zes daarvan (a, et», é, i\ oe, 
ó) wordeo sterk oasaal uitgesproken ^), wanneer zij volgen 
op een der vier nasalen of op een der negen nasale varian- 
ten van andere medeklinkers; daar al deze consonanten als 
nasalen kenbaar zijn, is het onnoodig, die eigenaardige mi- 
spraak der vocalen schriftelijk uit te drukken. Yóór de ö 
en é komen nasale varianten niet voor en zijn de van na- 
ture nasale medeklinkers zoo weinig nasaal mogelyk. 

Vyf vocalen (eu, èy t, oe, öj) kunnen in syllaben, die den 
klemtoon hebben, zekere verlenging ondergaan door aanhech- 
ting van een kleurloozen vocaal^ die ongeveer overeenkomt 
met de e in ons rijen, wanneer men dat woord snel en met 
een zwaar accent op de ij uitspreekt. Op bladz. 414 en 415 
zagen wij, dat de baltl^linkers (de «u bij oe en ó, de / bij 
è en i) onwillekeurig den dienst van verbinders bewijzen; 
zoo dus in oelèë = hoofd, bië^ :» soort, stam, i^oeèt =s uittrek- 
ken (kleederen), oeroé = dag. Over den verbindingsklank in 
euë zie men bladz. 418. 

Drie dezer samengestelde klanken [euè^ iëy oeë) komen zoo- 
wel in gesloten als in open syllaben voor, de andere alleen 
in opene ^). Wat èè betreft, laat zich dit verklaren doordien 
het in de plaats kwam van een oorspronkelijke opene oe of 
at»; dé kwam voor o;, dus voor eene gesloten syllabe in de 
plaats. 

Het trema, waarmede ik dien aangebechten vocaal è aan- 
duidt, beteeken t dus hier niet, gelijk in ons geëard, den bg 
ons onopgemerkten of als hiaat beschouwden consonant ', 

maar denzelfden zwichten overgang, die tusschen ons rij en 
en in rijen gehoord wordt. Men kan dien vocaal met een 
aan de Hebreeuwsclie spraakkunst ontleend woord furlief 
noemen, daar hij volkomen hetzelfde vluchtige karakter beeft 
als de met dien naam aangeduide a in het Hebreeuwseb. 



') Waar de eu door toeToegiog van ë rerlengd wordt, kan z^ niet nataal 
nitgetprokeo worden. 
') Sene uitzondering voor öi (öek) mm bladx. 898. 



417 

en dan ook evenmin als deze in het inbeemecfae schrift kan 
weergegeven worden. 

De vocalen, die in geaccentueerde syllaben ë achter zich 
toelaten^ kunnen echter alle ook zonder die toevoeging het 
accent hebben, bijv. aneus-, Ijoebè^, dii, hafjoety tjeumeM. 

£en andere fnrtieve vocaal is de i'; die alleen voorkomt 
vóór de A. waar de/.e als sluiter de l^ vervangt. In welke 
gevallen hij daar optreedt, bleek ons bladz. 397. 

1 . a klinkt in open syllaben als in ons ga^ bijv. ma ^^ 
moeder, //ia «== schoonouders; toeha i==ond, baf joel sss een wei- 
nig; in door neusklanken gesloten syllaben als in raam: 
lam <= in, moendam = waterkan, jampang = indien eens, 
piang = oorlog, khan «= een stuk; in andere gesloten syllaben 
als in /ra/, bijv. öa^ «= aan, bij, /Aa/ == zeer, raft «= dichtbij, 
poekat ■=. zegen (net), bagaïh = snel. 

De a, die het accent heeft, gaat in sommige gedeelten 
der XXII Moekims (Lamkra^, Lampanaïh enz.) in è over: 
mè of mès> = moeder, iH njè^j aanduiding van een klein 
kind, iHrè = zout, tjoel dè (aanspreekwoord voor oudere zuster) 
Lamkrè^y Lampanèh» 

Zelden ontstaat in niet geaccentueerde syllaben nit de a 
eene eu, namelijk in beitna (voor bana) uit 6a»9ia, beulhal enz. 
en de pronominale suffixen teu en ken (zie bladz. 379 — 80)« 

Schriftelijk wordt zonder methode de a nu eens door ), dan 
eens niet aangeduid, zoowel in syllaben met als zonder accent. 
Wel heeft het veelvuldige voorkomen van den klemtoon op 
de laatste syllaben der woorden dezen invloed op de Atjèh* 
sche spelling gehad, dat hier vaker dan in het Maleisch in 
nitgangssyllaben, ook al zijn die open, de vocalen (a of 
andere) door eene vocaalletter worden uitgedrukt, bijv. U« 

^= matay \S^ = bi^ega (een boom), ï/^ = soekla^ geheel 

zwart. 

2. Bij de eu gevoelen wg het levendigst, hoe uiterst ge- 
brekkig mededeelingen over klankleer langs schriftelijken 
weg kunnen plaats hebben. Zoolang echter nog geen phono- 
graphisch apparaat elke nieuwe verhandeling over klankleer 



418 

TergezeU, zullen wg ods tot eene benaderende besehrgving 
moeten bepalen ook van dezen klinker die eerst na veel 
oefening onder desknndige leiding voor Hollanders nitspreek- 
baar wordt. 

Het meest gelijkt de eu op den Soendaschen klinker, dien 
men wel met hetzelfde teeken schrijft; daarom hebben wy 
die letters gekozen, ofschoon de Atjèhsche eu weinig over- 
eenkomst met de HoUandsche heeft. De lippen blijven bij 
het uitspreken dier eu in haren natuurlijken stand; vooral 
brenge men ze niet naar voren, eer iets naar achteren, zoodat 
de afstand der mondhoeken liever grooter dan kleiner worde. 
De boven- en benedentanden zijn öf op elkander gesloten öf 
(dit hangt van den vooraigaanden medeklinker af) door een 
nauw reetje gescheiden. De rug der tong wordt eveneens 
zeer dicht bij het gehemelte gebracht, en langs dezen engen 
doorgang laat men nu uit de kleinst mogelijke opening der 
stemspleet een regelmatigen luchtstroom uit. Zoolang men 
den echt Atjëhschen vocaal nog niet in gehoor en geheugen 
heeft vastgelegd, kan men zich daarbij inspannen om de 
HoUandsche eu te voorschijn te brengen. Is de houding der 
organen correct volgens de aanwijzing van zooeven, dan zal 
die poging mislukken, maar de Atjèhsche eu gevormd worden. 

Krijgt de eu de furlieve ë achter zich, dan wordt als 
overgangsklank (vergelijk boven bladz. 416) iets gehoord, 
dat op eene zeer zachte HoUandsche g of eene nauw hoor- 
bare gebrauwde r gelijkt. Nederlanders, wier aandacht voor 
het eerst door dit verschijnsel getroffen wordt, zijn vaak ge- 
neigd, dien overgangsklank tot eene ware HoUandsche g te 
overdrijven, en dan bijv. Oelèë Iheuqe voor Oelèë Iheuê {vn\go 
Olehleh) te zeggen. Het best nadert men de ware uitspraak 
door met uiteengehouden, d. i. niet gesloten lippen, moeite 
te doen tusschen die eu en ë eene w te doen hooren. Natuur 
lijk mislukt dit, maar de niet nader te definieeren overgangs- 
klank wordt alduH gevormd. 

Zoo duidelijk nu deze vocaal, met of zonder ë, nasaal of 
niet nasaal, zijn eigen karakter vertoont overal, waar hy den 



419 

klemtoon heeft^ zoo klearloos wordt hij dikwijls^ waar dit 
niet het geval is; en dan behoort er eenige oefening toe om 
hem te herkennen en niet te gaan meenen, dat bijv. de eerste 
syllaben van woorden als meiigah ss beroemd, peuntal = 
begeleiden, beuleubaïh ..^=~ zekere daklatten, eenvoudig den- 
zelfden klinker bevatten, dien wij in heqin met e schrijven. 
Zoodra men die woorden echter langzaam hoort spreken, of 
de niet geaccentueerde syllabe om de eene of andere reden 
zekeren, nadruk krijgt^ verdwijnt alle twijfel aan de identiteit 
van den klank. Hij treedt dus, zonder accent, dikwijls op, 
waar verwante talen de zoogenaamde toonlooze e hebben, en 
hij is de meest gewone scheid vocaal tusschen twee op elkan- 
der volgende consonanten (areiUay Mal. Aar/a, Peureula*- = 
Perlak, édjeuUhal = Arab. idjlihad, èleumèé = ilmoty 
meureujam = kanon, moleula^ =» Arab. moetlaq enz.) 

Ter kenschetsing van dezen vocaal zij nog opgemerkt, dat 
vooral euë, maar ook wel een geaccentueerd m (dit laatste 
veelal, maar niet uitsluitend, na nasalen) in een groot aantal 
woorden beantwoordt aan Maleisch a, bijv. oereuèng => oratig, 
oeteuën =ss oetanj Iheuëh (uit lleuëhj en dit misschien uit tleuel^) 
^sssielah (of lelas)y breuëh (uit órewe/*) = 6ra5, ateuëh ^^^atany 
hirenën = hératiy beunfeuëng == bentang j iHkoereuëng (negen), 
vergel. met koerang, bajeuën = bajan, toeletiëng = foelang, bileuëng 
= bilang, hareuëm = haram, djeuëb = liapy djeuël = djad{i)y 
djaweuëh = djawab, oekheuë = akaVj pagêuë = pagar^ pheuël = 
pahaty peuël = {am)paly hieuë = ftiar, djeuë = djal{a), beuél = 
balj(a)y bheuë^ = bag{i), reudeuëb = dadap, atieu^ = anak, dja- 
fneun = djaman, manjeum = anjam, meuïh *) = mas, djheut 
= djahat \ iheun = lahan. 

Zoo is het ook niet moeielijk, in peuë = wat ? dat tot nog 
toe steeds poeë geschreven wordt, het tweede deel van apa 



*) In meuU u de vocaal eu; de foTtieve ï \a uit M ontstaan. 

*) Men ziet nit de voorbeelden, dat deze klank volstrekt niet aan nasalen 
als sluiters gebonden is (van Langen, Spraakkunst, blz. 12); daarentegen is Mal. 
oêUm^ bijv. ook Atj. oeiamg enz. 



420 

te herkennen, te minder, daar het woord als eerste deel van 
samenstellingen, waar het geen klemtoon heeft, in den vorm 
pa optreedt, bijr. palcon = waarom (wat oorsaak)? padoem 
= boeveel? pakri =s hoe (wat wijze)? enz. 

In enkele sporadische gevallen vindt men locaal de uit- 
spraak oeè ot oej voor euè. Zoo zegt men in Pidië poeè, 
terwijl euè daar verder meestal onveranderd blgft ^). In de 
strandstreken der XXVI Moekims (Lamnga bijv.) zegt men 
poq\ en evenzoo laidt maenleuè a» wilde citroen, daar. moei^ 
loef; daarentegen krijgen andere woorden, die in het hoofd- 
dialect op euè eindigen (om bet even, of die eindsyllabe 
oorspronkelijk open was of op / of r eindigde) in dat dialect 
euêj : lieubeuëj s= buffel, djeuëj = werpnet, Icetiéj = voorzijde, 
enz. In Daja zegt men poej, maar zoowel moenleué als 
andere woorden op euè blijven daar onveranderd. In de 
ToenöDg (XXII Moekims) zegt men peuè en moeuteuèf maar 
in plaats van iHnglcreuël ^= een band voor de beenen, met 
behulp waarvan men in eenen klapperboom klimt, iHngkroeël, 

In poeboeël ^) voor peuë boeël = wat werk ? wat is er aan 
de hand? is peuë phonetisch zoo nauw met boeël verbonden, 
dat het zijn accent verliest Zonder accent is echter slechts 
eu mogelijk, en dit wordt vóór een labiaal (bladz. 406-7) oe. 

Ook andere klanken dan a zijn echter in euè verloopen; 
vergelijk bijv. Iceubeuè met tërbau, l^ew^euè met »iraj (wel- 
riekend gras), maar de gevallen van correspondentie met eene 
Maleische a zijn overstelpend talrijk. 

In niet geaccentueerde syllaben wisselt eu (overeenstem- 
mend met Maleisch e) dikwijls met i of oe '): meungkhé of 
mingkhé s= op één been springen, rinijong of reunffdng se de 
Atjèhsche dolk, dji^öh of (i;ett*oA = ver, fiidjoeè^ of /*«*- 
djoeè' SB koud, meuria of meureuja :» sagopalm, bitfik otbeu- 



*) Wel heeft men dav len ook dit genl ichijnt ▼m wel opilokiélflBetMii) 
ioetoeë voor het Atjèhaohe iiti s= brag. 

2) Wel te onderdcheidea van het werkwoord poeboeü ^wttkeu, 

') Met oê regelmatig ia zekere gevaUen ^66t labialen, aooali blads. 406-7 Uaek. 



421 

^ ijoh ar bailtje, litföb of leutiöb =s blaar^es op de tong, dji- 
namèê (van djeunamèë, eigenlijk geschenk yan den ga8t = 
djamèë) = huwelijksgift, djinóh of djeunèh = genezen (van 
eene wond), eumpèë of oempdé = wieden, goeloenjoeèng of 
geuloenjoeèng = oor^ goenoekoe of getinoelcoe = kokosrasp, ii;>Mm 
of n/^em = gevoelen, meening, Icoemoendfong of keumoendjatig 
~= condoleeren. 

Schriftelijk is eti of euf!' nooit te onderscheiden; peuë bijv. 
vindt men li, .*, J, ^jy, J geschreven. 

In open syllaben 'zonder accent wordt voor eu gewoonlijk 
geen teeken gebezigd, en dikwijls evenmin in accentsyllaben, 
maar mogelijk is steeds de aanduiding door een der drie 
vocaalletters (als ware eu met a, % en oe even na verwant) 
zoowel in gesloten als in open syllaben: X[m, .Am f jULi» 

JjU , )^\m , ^^\m = t^aweué (bezoeken), ^ ^ yt, ^^^ — 

boereuë (bluffen), ^jyj, ^jJ, JyJ = lireuë (muffe kleederen 

drogen), jjjj = lireuën (omwinden), ^ J.), .^J, ^ = 

OeUë Iheuëj enz. 

3. 6 klinkt in open syllaben als in père^ bijv. m^ = 
brengen, pand = van waar? balè = overdekte zitplaats, arè »= 
een inhoudsmaat, t^oerè = eene viscbsoort, moegè ss visch- 
opkooper; in gesloten syllaben, al naar mate van den sluit- 
consonant, aU in ons pet of hen, bijv. tamèh s= stijl, langèl 
= hemel , tó' = vrouwenborst, ijeungèh = zekere stank, l^ocè^ = 
teleurgesteld, tjoebè'wmm een sitibvijzeltje, l&ubèh = uitmuntend, 
meer, oetèl=£ struik, ingèn = begeerig, angèn = wind, Atjèh. 

Met ó, ^, e en ö heeft deze vocaal de eigenschap gemeen 
van alleen in eindsyllaben van woorden voor te komen, het- 
welk eveneens van de verlengde vormen èé en oë geldt ^). 

De syllaben èn en èt wisselen vaak met dn en dt, bijv. 
wdn-wdn of wèn-wèn = in den slaap bazelen, hardop droomen, 
wdt of tt'é/sseene kleine vischsoort; tró/ 3= draaien en wol 
as omroeren. 



') Woordeo als ÜehiU, ndbët vormen tleehta «di^iiliur eene aittonderiDg, 
dier i\i au het Aiabiech ontleend sQd. 



422 

Dikwerf zijn dan de éTormen in de bandataal gebrui- 
kelijk, die met d in de Toenöng, de VII Moekims Boeëng 
en Pidië, bijv. in rèl = we}r, gél = goed, l^eufèl = venrolgen, 
pé/ = piakkeny t^eul)èl'l^etibèl = over iets mijoieren, enz. lo 
andere woorden in de verhoading juist omgekeerd; zoo zegt 
men in bet hooiddialect tardn = vang8trik, rdl = vreten, l^irdtiy 
eene boomsooit, foeldt ^ blijven steken, in de de war geraken, 
waarvoor men in de Toenöiig enz. larèny rèi, iHrèiu foefel zegt. 

Bij woordvorming door berbaling van den stam wisselen 
eveneens beide vocalen elkander vaak af, bijv. mèh-mbh = 
druk in de weer, hrèiXarit = bab()elend, palèl-paldt := tobben, 
wèt-wdl sss zich slingerend bewegen. 

De verlengde vorm èë^ die alleen in open syllaben voor- 
komt, klinkt ongeveer als iiet plat Hollandsche hèje^ voor 
heltl ge f bijv. haleè = steen, Ihèè = drie, abèè = ascb, fhèè = 
weten. o<?féé= hoofd, m//èê = grootmoeder, n/èê =s spoor, rest, 
ijèëtan ^) = duivel, malèë = beschaamd, i^iN^/réé» elleboog, 
angkèè^ssyoov iemand instaan, lagèè wijze, gelijk, A*èa = ik. 
In de straudstreken der XXVI Moekims (fjauinga enz.) luidt 
deze vocaalverbinding iw ^), dus bafiw, Ihiw enz., in de Toe- 
nöng èw ^): batèw, Ihèvu enz. Zij beantwoordt meestal aan 
de oe in verwante talen en schijnt ook in het Atjëhsch zelf 
uit oe te zijn ontstaan, daar zij altijd door y wordt uitge- 
drukt, eu in enkele gevallen, bij accentverlies, weder oe 
wordt, bijv. het accentlooze pronominaal praefix, tevens ge- 
nitief- en objectsufSx koe naast het geaccentueerde kèè {kèè 
koedjai- = ik ga, djipoh koe = hij slaat me, djipbh kèè = 
hij slaat mij) of de vorm ioe in loet^bë, toedoem enz. (zie bladz. 
382) naast den vollen vorm tlièë = weten. 

In vreemde woorden vervangt èë dikwijls dan niet door 
een consonant gesloten tweeklank aoe, bijv. ijèëJara = broe- 
der, tjèëdaga = rijk koopman, bèëhèëwan = welriekende zaken, 
/(Tfumart'é' = droog jaargetijde, rf;*a/fafóe = indien, dèëlal (van 



') Dit voorbeeld vormt eene uitzondermg op dea regel; men xoTitjbjUtm oT 
tf^bjtan verwachten. 

'-) Bijna ioe en èoe; men denke altijd aan het semivocale karaktcf der ». 



423 

Arab. daoelal) = bevestigingswoord, waarmede men den vorst 
antwooidt, ongeveer = /r^nz/eZ/ên^! mèëlana (ouderwetsch voor 
maoeldna = onze Heer, dat thans gewoonlijk mólaua Ididt, 
evenals nbhal uit naoebal) lèëmakaj ^) (uit taimkknl, welks 
semivocaal w ten oureclite als vocaal is opgevat, das ièè 
uit /au) SS onwrikbaar vertrouwen op God; kèèloehoe (Arab. 
gaoeloehoe sUJ => n^ijne uitspraak ot beslissing"; vooral in 
geleerde discussies gebruikelijk) 3= ,, praatjes, gezeur"^). An- 
dere wijzen om dieu tweeklank weer te geven worden bij 
ó en ó behandeld. 

Waar men de è schriftelijk gelieft uit te drukken, geschiedt 
dit door ^, bijv. ^-•= wè, ^ju, CJxi, CSj of '^, = 

bè^y viri of ü^=/>è^; èë wordt altijd met . geschreven. 

4. é klinkt als in zee^ zeep, been, en komt ook (bladz. 
421) alleen in eindsyllaben voor. 

Het Atjëhsch beeft dezen vccaal in de laatste syllabe van 
vele woordeu; die bijv. in het Muleisch t hebben, terwijl 
omgekeerd in voorlaatste syllaben het Atjèhsch dikwijls t' 
heeft, waar andere talen è of é hebben; dezelfde verhouJing 
bestaat tusschen de oe en de ó of ö. Zoo is bijv. uit te spre- 
ken *): al^éng = vreemd (asing), ilé^ = eend, apél = tus- 
schen twee voorwerpen vastzetten, t\ikét = ziek, poetéh = wit, 
ban eng = evenbeeld, baréh [baris] = streep^ iréh = in stukken 
snijden, ^A = liggen, e' = stijgen, moede ^ = bovenwaarts 
gaan, tlé =^ naar beneden drijven, moet^énx = jaargetijde, 
lilén = was, lil^é' = vernuftig, padé =« rijst, tjiljèm = vo- 
gel, po fóm = heer oudere broeder (bij ons gewoonlijk /}o/tm 
geschreven, bijv. in Panglima Polim) enz. enz. Üaaren- 
tegen vindt men mirah = rood. ikoe = staart, bil^an = ver- 
wantschap van ouders, wier kinderen met elkander gehuwd 
zijn, gliwang = klewang, xdanidan = kindscb. Bewijzen ge- 

') Ook tawakaj komt voor. 

'^) Men xegt byv. X Ie tkat ièëloeAoe=X heeft veel noten op zijn zang 
(eigenlijk: komt telkeni met nieawe tegen «rerpingen, aU: »zijne nitspra&k ia zus, 
zijne oitspnak ii zoo**.) 

*) ]n vin Langen'» Woordenboek ia de reprodactie dezer Tocalen, gelijk ook 
die der 0tf en ö veelal onjuist. 



424 

Doeg van de voorliefde yoor é in de laatste^ t in de voorlaat 
8te syllabe; terwijl echter i in laatste syllaben ook zeer veel 
voorkomt^ is dit met é ten aanzien van voorlaatste onmogelgk. 

In opene syllaben is é even frequent als in geslotene: /;rp= 
uiteengaan^ t^oeé = draaien, padé = ongepelde rijst, pra'é = 
erfrecht, kaphé = ongeloovige, lé = nog. 

Een aantal Atjèhsche woorden met ö hebben in Pidië é io 
plaats daarvan: irön, Pid. /mt = dalen, /ön, Pid. lén =^ mi- 
blnsschen, dooven. 

De Bovenlanders vervangen soms de eind-i door é, bijv. in 
iHriy Toenöngsch tHrè, dat dezelfde beteekenis heeft als löh. 
nl. mana in den zin van welke? van een bepaald aantal. 
Het woord béb = het gezicht vooruitsteken als een Lampong- 
sche aap, luidt hier en daar, vooral in de VII Moekims 
Boeëng: beub. 

De é wordt meestal schriftelijk uitgedrukt, en wel door 

5. e klmkt als onze zoogenaamde „toonlooze e*\ wanneer 
die door bijzondere omstandigheden gerekt of geaccentueerd 
wordt, bijv. wanneer wg zeggen : „6(;gonnen, niet ^^gonnen, 
of wanneer iemand, wien het gezochte woord nog niet te 
binnen is geschoten, al nadenkend het lidwoord „deeee'* gerekt 
uitspreekt. Het hoofddialect heeft dezen vocaal in zeer wei- 
nige woorden; hij verschijnt daar alleen in opene syllaben, 
die de laatste der woorden zijn en het accent hebben: (es= 
veel, talie = verbaasd, gatile =s mis, in de war, tjake = scheef, 
manie =s boschmensch (een stam, waarover in AtjëU allerlei fa- 
belen opgedischt worden), b^e = onversaagd, 6a'es= weeklagen. 

In sandja^ (Atjèhsche tëmbang) rijmte dikwijls op ö. Schrif- 
telijk wordt hij niet uitgedrukt, behalve in Ie, dat ) geschre- 
ven wordt; de andere woorden schrijft men, als of zij oor- 
spronkelijk op r uitgingen jtU enz.) 

Dialectisch, met name in Pidië komt deze vocaal wel in 
geslotene syllaben voor, waar hij dan de plaats der ö van 
het h jofddialect inneemt : tel (voor tol) =3 in brand steken. 



485 

bel (voor hol) = opheffien, uittrekkeD, tfei (voor ijdt) == bloe- 
men of vrachten met een haak plakken. Afin (/oeftel beant- 
woordt in het hoofddialect ijoebél ^= kngpen. 
' Voor tran as dalen zegt men in de Toenöng fren, terwgl 
het woord in Pidië irén loidt. 

De boven vem elde fartieve p kan men als een toonloosee 
e beschoawen. 

6. t klinkt als ons ie in die en ziet, nooit als in pit'^ te 
als ons ieë in harmonieèn, mits de laatste ë daar zoo snel en 
achteloos mogelijk worde aitgesproken. Over de verhoading 
van » en ^ in het Atjöhsch zie men bladz. 423; over de 
dialectische vervanging van t door é bladz. 424 ; over de af- 
wisseling met eu bladz. 420 — 21. 

Niet zelden komt de eenvoadige i in eindsyllaben voor: 
mit of dit s= weinig, tfil = slechts, naril = het gesprokene, 
abin = nier. tepel, pahn = hoe, paijih =s schelp, meul^eugit 
=s moskee, nadjih (/m^U) = onrein ; maar meer frequent is 
op die plaats iè: ié=: water, Ate» =pi8, 6ame ss wortels bo- 
ven den grond, boeliël = ineendraaien tot een bal of pil, ariël=: 
iets, dat lang en cylindervormig is, in stakken snijden, piel 
= lais^ jfiëb = zuigen, rooken, schuiven ; Ijiriè* s een pot of 
kan met tuit, miëng = wang, zoom, miê = kat; panglHè =» 
toespelingen maken, liet == vrekkig, hiëi = zeer zuinig, iliêl 
=s& vet (van aarde), keumiè^ = op de heup dragen, enz. 

Dit ië vertegenwoordigt in ontleende woorden dikwijls een 
oorspronkelijk ia of ijja, waarin de a geen accent heeft, bijv. 
niël = bedoeling, ma^lHël (^jl^m^) = ondeugd, diël = bloed- 
prgs, niëh (voor niël'') = Nias. 

Over de alleen vóór een h optredende furtieve i zie men 
bladz. 397. 

Waar men den vocaal gelieft uit te drukken (met ië ge- 
schiedt dit meestal), schrijft men ^. 

7. oe klinkt als bij ons. Deze* vocaal kan in alle sylla- 
t>en met of zonder accent optreden: toe of c/oe = vader, /a6oe 
sss zaaien, strooien, ikoe = staart, boe = gekookte rijst, ajoe- 
ajoe SS randversiering van laken, pajoe = bepraten, l^oera^ <» 

T<i4Mhr. Ind. T. L. tn Vk., dtel XXXV. SS. 



426 

icbrijveDy boeloet «= vochtig, tjoel «s klein^ tafoem as brom- 
men (van tijgers), levpotj 3= verklearen, Ijrocb =» sigaar, /;»tMs> 
asafrissen, /oefr =« beneden ; oeë natuurlyk alleen met den 
klemtoon : boeloeèng = deel, baloccm 3= zak, oeêl =» scliareii, 
ijoeêh SS afkoelen, ijrocèb sb= op den buik liggen, abocén as 
overwicht, adocen = oudere broeder, hocè' = trekken, 6océ, eene 
aapsoort, boeèl == werk, t^oré6 = long. 

Voorbeelden der boven (bladz 423) besproken verboa- 
ding der Aijèhsche oe tot de Maleische ö of ó: oebatf oe- 
renëng^ odwh, boei j^ o {bofjoi) ^). De Maleische 00 op dczelt* 
de plaats blijit ook in het Atjëhsch oe: oefeuèn^ boelat,oemoe 
(^) enz. 

Over de aiwisseling van oe en eu ziemenbladz 420 — 21. 
Waar men het noodig vindt, den vocaal schriftelijk uit te 
drukken, doet de . hiervoor dienst. 

8. o klinkt in open syllaben als in zoo^ in geslotene als 
in het Engelsche bout, of, waar de sluiter nasaal is, als in 
Eng. home^ niet als in ons zoom. 

Voorbeelden der boven (bladz. 423) bepprokeu verhouding 
van de Atjëhsche o tot de Maleische oe: ampon, bald^, (rön 
(loeroen), tenpöng (tèpoeiig)^ iandjöngy loclótig. 

Ook deze vocaal is in van Langen 's Woordenboek meestal 
onjuist (door oe) gereproduceerd. Zoo leze men bijv. ahö^^ss 
molm, aiÓMg = oversteken, af on = eene boomsoort, orldu =: 
ik, ennghoi ^s visch, oeiiön ovbon = kruin van het hoofd, bjLioh 
8s beneden, UUol = achter, job (maar ook joeb komt voor)ss 
blazen, roehön =s een stel, atol = gewricht, aio = ordenen 
(aloer)j kaphö = kamfer, prahö = vaaftuig, enz. enz. 

Bij het overnemen van vreemde woorden heerscht in deze 
geen vaste wet: naast nwulceul^ocl (Arab. maqcoed) ^=ss. het 
bedoelde, heeft men meiujein dl (masjroet) = hetgeen van eene 
voorwaarde afhangt. 

De tweeklank aoe van vreemde woorden, die, gelijk ons bleek 
(bladz. 414 en 422 — 23), in opene fiyllaben meestal èê, soms 



1) Maleucb iprekenda A^èben zeegen dan ook koei^g Toor i&a#o«y, ea der- 



427 

ó wordt, Inidt iii gesloteD syllaben a^ó, awd oi anó: ka^ój 
(Arab. J J in den zio van gelofte)^ kawdj (Arab. J J in den 
zin van geleerde beslissing) enz.; vergelijk ook laf'dt met het 
Maleisehe laoet. 

De dialeetische overgang van ö in é ot e is boven bladz. 
424 en 425 besproken. 

De ö, die alleen in eindsyllaben voorkomt^ wordt bgna 
altijd geschreven, en wel met .. 

9. ó klinkt in opene syllaben als in het Ëngelsehe nor 
oi het Fransche sort en wordt dan meestal eenigszins gerekt 
nitgesproken : randje bs krib in eene rivier, po ss heer, eige 
naar, poleu (bijna póóól') = onze Heer (God of de Saltan), 
po (uit pdr) => vliegen, boengo = eene houtsoort; in geslotene 
syllaben als in ons pot, kofi: fróA^^vrncht, iób =^ stampen, 
tjót = recht, heuvel, mèn = pnt, reulóïh (#*•.•!.) = instorten, 
bolk (/^o) = wegwerpen, ^*rdi = in den modder zakken. 
t^ron = beil, thdk = uitbotten ; öé klinkt als de open ó, waar- 
op na de noodwendige zachte verbindings-u; onze toonloozee 
volgt, ongeveer als in plat Hollandsch móive? voor : moeien wij? 

Ov^r de wisseling van ó met é zie bladz. 421 — 22. 

In een aantal woorden, die het Atjèbscb met hetMaleisch 
gemeen heeft, zien wij voor eene Maleisehe a in het Atjéhsch 
o (of, waar de a in open syllaben staat, somtijds ong) in de 
plaats treden, gewoonlijk, wanneer een nasaal aan dien vo- 
caal voorafgaat, maar in kón (= Maleisch Ican uit boelcan) ook 
zonder die oorzaak. Zoo heeit men : 

ieumèn = slaaf {lèmau), lanom^ tanók, roemókf leungok '), 
mamók, Icintgó (détigar), uiayró (mawar), boengong, Irimong^ 
ocmóng {hoema\ tanjöng^ njawóng, keunong (= /le/ia), blangóiig 

De verlengde vorm èè schijnt altijd oorspronkelijk oj te 
zijn geweest, om het even, of die j oorspronkelijk of voor 
eene sluit/ in de plaats getreden was. Trouwens in de Toe- 
n6ng. Pidië, de strandplaatsen der XXV [ Moekims zegt men 
nog steeds o/, en in enkele uitdrukkingen (zie bladz. 415) 
ook in het hootddialect. 

*) DMrtntegen bijv. iangaA^naêx boven kijkeii. 



428 

In Daja beeft men aj roor öè\ oeraj ywït oeróè ^=: iag^ njaj 
voor njdë = deze, dit, geutanjaj voor geutanjdë (kita int) = 
wij, blaj voor 6/óé'=skoopen, poet^aj M voor peué rèé (Pidië 
poeë dój) = wat toch ? eoz. 

Td ^*eti/7Ó voor t^oë po {sxapa poenja?) is t^oë door innige 
phonetische verbinding met pd zijn accent kwijt geraakt, en 
kon 06 zich das niet handhaven, Hetzelfde schijnt geschied 
te zijn met de d van po in proemdh :==: echtgenoote, wanneer 
men dit woord van po roemóh = „Herrinn des Hauses'' mag 
afleiden, hetwelk uitnemend past op de maatschappelijke toe 
standen in Atjèh. 

In zeer vele woorden beantwoordt óë aan het Maleischei: 
oerdë = Aan, peuidë =^ pë/i, talèë = /a/i, i^inoë = mi, poekèë 
= poe/a, bloe = heli, Iceumoeddë = kemoediy enz. 

Voorbeelden van overgang van den vreemden tweeklank 
aoe in ó (zie bladz. 414 en 422 — 23): nobai (nevens nèëbai en 
noebat) «= het voorheen in den Dalam b\j zonsondergang ge- 
loste kanonschot, mo'^lót (uit maoe/c^} = Mobammeds geboor- 
tefeest en de maand, waarin het gevierd wordt, molana 
(ouderwetsch mèëlaua) := onze Heer. 

De d wordt dikwijls niet, soms met . geschreven; de door 
een ^ aangeduid. 

KLEMTOON. 

De groote massa der Atjöhsche woorden bestaat uit eene of 
twee syllaben. 

Woorden van drie syllaben zijn veelal vreemde of door prae- 
of i^fixen van Atjèhsche stammen afgjeleide; de vreemde 
behouden gewoonlijk hun eigen accent, in afgeleide blijft het 
accent de plaats innemen, die het in den stam had. 2k)0 
heeft het Arabische kèëloehoe (^dJ) het accent op de eerste 
syllabe, het afgeleide, l^etinoenipèt hetzeltde accent als z||^ 
stamwoord t^oempéL 



') Hier ii poef (Dajaaeli yom p^ui) wfigeaa tfii!qmt?«;)lM tot/NW.fifOcdi 



4^ 

Er zijn ook woorden van drie tjUaben, die althans in den 
tegenwoordigen toestand der taal niet meer als afgeleid of 
vreemd kannen gelden. Vele daarvan hebben den klank ewr 
of eul in de eerste syllabe, waarop dan nog een eu (of de 
daarmede overeenkomende <7e) volgt, bijv. Peureula,^, keureuléng^ 
l^euleupói' enz. Deze hebben steeds het aceent op de laatste 
syllabe, terwijl andere, zooals getitoepal^ keudöngdöng het op 
de voorlaatste hebben; hunne zwakke eerste syllabe oefent 
geenerlei invloed op de plaats van het aecent. 

Daar bij woorden van ééne syllabe de accentqnaestie zieh 
nit den aard der zaak niet voordoet, komt das in hoofdzaak 
alles aan op de bepaling der plaats van den klemtoon in 
woorden van twee syllaben. 

Hier doet zich na eene zwarigheid voor, die haren oorsprong 
vindt in de m. i. gebrekkige methode, die bij de behandeling 
der aeeentleer in het algemeen gevolgd wordt. Gewoonlijk 
immers blijft daarb^ een hoogst gewichtige factor bniten be- 
spreking, die men de muziek der taal zou kunnen noemen. 
Toch weet ieder, die zich met wat ijver en verstand op het 
zuiver spreken eener vreemde taal heeft toegelegd, dat de 
juiste uitspraak van alle klanken en klankverbindingen, ge- 
voegd bj) voldoende beheersching van de spraakleer en den 
woordenschat en bij inachtneming van hetgeen mendenjuls- 
ten klemtoon pleegt te noemen, nog niet voldoende is om eene 
taal te spreken gelijk de kinderen des lands Hetgeen dan 
nog ontbreekt, noemt men in deze streken wel met de In- 
landsche benaming lagoe ; het is de wijs, waarop men spreekt, 
de kennis der verschillende tonen, waarin de syllaben worden 
voortgebracht 

Het verwerven van de noodige kennis van en oefening in 
de lagoe eener taal laat men geheel over aan het gehoor 
en de iniitatiegave van dengene, die onder de bevolking, 
welke die taal spreekt, verkeert; zonder zulk verkeer, zegt 
men, is het niet mogelijk, iets daarvan te leeren. Nu is 
zeker dat verkeer zeer nuttig, ja misschien volstrekt onont- 
beerlek voor hem, die zich eene taal practisch wil eigen 



480 

maken; maar dat geldt zoowel voor het practisch toepassen 
der klankleer, vormleer en syntaxis als voor het aanleeren 
van de lagoe. Toeh laat men zich daardoor niet weerhouden 
van de wetensehappelijke behandeling dier drie eerstgenoemde 
aideelingen der spraakknnst, maar sluit, ten onrechte naar 
mij dunkt, de wijs gewoonlijk uit. 

Is het niet, alsof men iemand ter instrumentale begelei- 
ding van zijnen zang of ook ter voordracht van een lied 
een papier in de hand gaf, waarop wel de woorden van het 
lied, de quantiteit en het accent der opeenvolgende tonen 
schriftelijk waren uitgedrukt, maar de keuze der tonen zelve 
en van hunne hoogte aan den zanger werd overgelaten ? De 
overtuiging, dat de juiste voordracht van een lied aanleg, ge- 
voel en practische oefening vereischt, verhindert immers niet, 
alvast de tonen ervan in notenschrift uit te drukken? 

Nu kan men tegenwerpen, dat voor de qualiteit en hoogte 
van den toon bij het uitspreken der woorden zooveel af hangt 
van individueele eigenaardigheden , gemoedsaandoeningen- 
bedoelingen enz. Doch dit geldt toch tot op zekere hoogte 
ook van de eigenlijke muziek, ja, wat meer is, het geldt ook 
van de uitspraak der consonanteii en vocalen, van den zin, 
bouw, het spraakgebruik en wat dies meer zi) 

Heeft men eenmaal formules (zooals letters en andere hulp- 
teekens) om zijne ervaringen te boekstaven, dan bereikt men 
toch in al die onderdeden der grammatica wel zekere schei- 
ding der algemeene van de bijzondere verschijnselen en dat 
algemeene besclirijft en verklaart men in de phonetiek, ety- 
mologie en syntaxis eener taal. Waarom zou datzelfde voor 
hare muziek ondoenlijk zijn, en zou men zich op dit gebied 
tevreden moeten stellen met zekere vage beschrijving van de 
kracht, waarmede eene syllabe wordt geuit (klemtoon), zonder 
acht te slaan op den daarmede innig samenhangenden toon 
(lagoé)y waarin men haar voortbrengt? 

Men zal wel willen toegeven, dat hiermede op eenegroote 
leemte in de spraakkunst is gewezen ; tot mijn leedwezen ben 
ik niet in staat die leemte voor hot Atjöhscb aan te vullen. 



431 

Wij beschikken vooralsnog niet over formnles om onze er- 
varingen op dit gebied schriftelijk nit te drukken, en mijne 
musicale vorming stelt mij niet in staat, die uit te vinden. 
Moge weldra een linguist mosicus in deze behoede voorzien I 

Hier heeft deze uitweiding slechts ten doel den lezer te 
wijzen op het noodwendig gebrekkige onzer mededeeling^n 
over den klemtoon in het Atjèlisch. Tn de bestaande formu- 
les laten zich alleen zeer grove, den minst geoefenden hoor- 
der opvallende tegenstellingen uitdrukken; ons spraakgebruik 
in deze is te vergelijken met eene taal, die voor alle kleuren 
slechts over de woorden wil en swarl of donker en lichi be- 
schikt, en in een twijfelachtig geval desnoods van tusscheu 
beide gewaagt. De fijnere onderscheidingen worden daar al- 
leen aan het oog overgelaten ; zoo hier, op taalkundig gebied, 
aan het oor. 

Het is waar, die muziek der taal komt eigenlijk alleen in 
zinnen te voorschijn^ en men bedoelt met den klemtoon van 
een woord gewoonlijk dat accent, dat het op zich zelf ge- 
sproken (in pauze) heeft. Maar vooreerst is het alleen voor- 
komen van een woord in de levende taal zeldzaam^ en heeft 
het in die gevallen ook nog zijn redeaccent ; en verder is de 
accentqnaestie, ook waar een woord eenvoudig j/ez/oemei wordt, 
lang niet altijd zoo eenvoudig als de gebruikelijke acceutleer wil. 

Ons nu, bij gebrek aan beter, maar van de ruwe licht en- 
den ker- methode bedienende, conslateercn wij dan, dat in woor- 
den van twee syllaben steeds ecu zeker zwaar accent op de 
laatste syllabe rust, wanneer 

lo. de eerste syllabe den vocaal eu ') (die daar in kracht 

met onze stomme e gelijk' staat, maar anders gekleurd is) 

beeft; 

2o. de tweede syllabe een met de f urtievo è verlengden 

vocaal (dus eitê, ie, cëy óe, oce) of ook den met a in het Ma- 

leisch afwisselenden efi- vocaal heeft (als in aneti^, Jtoemeun, 

oeneun =s iauan^ rechterzijde enz ) 



') Natavlyk gddt dit ook ria o# •» i, waar dU nMt m tfwtSMlou . 



482 

Meo beeft wei geiegd, dat ook in alle andere woorden iW 
aeeenl op de laatste gyllabe rust, en velerlei schijnt daaryoor 
te pleiten. Zoo bijv. dat de vocalen a, i, eu, oe, die dikwerf 
zonder acoent voorkomen, zoowel in de voorlaatste syllabe van 
een woord aangetroffen worden als in de laatste, terwijl ö, è, é^ ó, 

m 

e, die dikwijls een zwaar accent dragen, alleen in de laatste 
syllaben van echt Atjëhsche woorden mogelijk zijn, en dos 
in dit opzicht gelijkstaan met de door è verlengde vocalen 
van zooeven. Ook gaan de laatstgenoemde vijf nooit in de 
0u over, die met onze stomme e correspondeert; daarentegen 
is dit met a soms het geval (feuna nitAaMia bijv.) en wisselen 
f en oe dikwijls met eu af, zooals ons boven bleek. 

In samengestelde woorden of nitdrukkingen ziet men al- 
weder den vocaal der voorlaatste wegens gebrek aan klem* 
toon kwijnen, en zoo bijv. ioet^oëy foepeuë, loeban enz. uit 
i^èé Më, t^èë petiëy i^èë ban enz,, l^eupó uit t^oèpd.beuna nii 
ba^na^ halé uit bahlé^ ontstaan. 

Ook wijzen de talrijke woorden van ééne syllabey die door 
samentrekking nit woorden van twee syllaben zijn ontstaan, 
op de neiging om een zwaren klemtoon op het laatste deel 
der woorden te leggen, daar steeds de eerste vocaal bij de 
contractie verdwenen is ; vergelijk /Aön, Maleisch tahoen, trdn 

— toeroen, iheun — tahanj dheun — dahan^ droë — diW, pha 

— pahüy f^euét — pahat, kröng (^ sarong) met Mal. Jav. ioe- 
roeng, frrö* := versleten met boeroe*' , beureuhi met birahi enz. 
enz. Waar geene samentrekking kon plaats hebben, omdat 
daaruit voor het Atjèbsch onmogelijke combinaties van con> 
sonanten zonden voortvloeien, wijzen toch veel voorkomende 
schrijfwyzen als lU (maia), U^ {baia), ^ ot jbb (bahö) enz. 
op den zwaren nadmk, waarmede de laatste syllaben werden 
uitgesproken. 

Hier zeide ik opzettelijk: werden \ die samentrekkingen toch 
getuigen in de eerste plaats van het accent, zooals het vroeger 
was, en zij zijn thans de monosyllabische resultaten van een 
proces, dat afgeloopen is. Hetzelfde geldt van de vele woor- 
den van ééne syllabe, die door het wegvallen eener voacgaan 



438 

de ontstondeDy als bn — daoen, r' — naUk, lam — (Mam, kdn 
— boekan j peuè — apa, djö* — \djoe^,doe^ — doedoe^,oe — 
njioeff joeb — tioep, móh (in joeb mok = de raimte onder 
een huis) — roemah^ mpdih naaat lampoib enz. Van de an- 
dere woorden van twee syllaben, welker consonanten zich 
tegen samentrekking Terzet hebben, kan men thans niet zon- 
der meer zeggen, dat zg alle het accent op de laatste syU 
labe hebl>en. De meesten hunner hebben wel op hunne eind- 
syllabe zekeren klemtoon, wanneei' die niet door het redeac- 
cent wordt verduisterd; maar de voorlaatste syllabe met haren 
o-, t- of oe-Yocaal heeft eveneens accent, slechts in een an- 
deren toon. Daar nu die toon zich naar den gang der rede 
wijzigt, wordt de verhouding even vaak zoo, dat de opper- 
vlakkige waarnemer zou zeggen: nu heeft de voorlaatste bet 
accent, als zoo, dat hij den klemtoon aan de laatste zou toe- 
kennen. Geheel op zichzelf uitgesproken, d. w. z. eenvoudig 
genoemd^ klinken die woorden meestal zoo, dat de beide 
syllaben gelijken nadruk hebben^ maar de tweede in een hoo- 
geren toon dan de eerste uitgesproken wordt ^). 

Die hooge toon verplaatst zich echter, zooals gezegd werd, 
dikwgls naar voren. De Atjèhers spreken snel en leggen op 
het eind van den zin zekeren nadruk ; meestal worden daar- 
bij niet de enkele woorden accenteenheden, maar twee- of 
drietallen van woorden, die als tot één geheel verbonden wor- 
den. 2k>o heeft in oerdë njdë (hart ini) sas heden, de syllabe 
rèè een vrij zwaar accent, zoodat njdë het zijne bijna verliest; 
wil men echter zeggen: op dezett dag (er niet op een ande- 
ren); dan verliest oet^dë bijna geheel zijn accent, en njóë heeft 
den klemtoon. In barö is tnsschen beide syllaben, by onge- 
veer gelijken nadruk, slechts dit verschil, dat rö in een hoo- 
geren toon staat, wanneer het woord wordt genoemd, of bijv. 
in den zin: djikheun 6arö =» hij zegt: zooeven''. Zegt men: 
„zooeven pas", dan krijgt ha den hoogereo toon. en in anew' 



' ) Zonder inYloed is dttrb\) het open of gesloten i^n der eerste lylltbe; 
tioowens, wQ zigen reeds, dat «U sluiten rtn znlke syllaben alleen 4, * o/ «y 
ittgetroffni worden, en desa soms nog wegvallen. 



434 

barö nn a» een paa geboren kind, ontneemt na elk ondeneheid 
van accent aan beiden, of worden zij, als men wil, toonloos. 

In inóug njan ^sz die vronw, agam djéh = gene man, is de 
verhouding als in oeroé njóë; van de bedoeling hangt het af, 
of de nadruk op nóng en gam dan wel op njan en djéh zal 
vallen. Maar in Ie ihai agam, Ie ^Aa/tnÓMjr :== zeer vele man- 
nen, zeer vele vrouwen, valt een zekere nadruk op de syl- 
laben a en t. 

Oenlöng = tijd, fortuin, heeft ongeveer hetzelfde accent als 
baro\ in raja ihal oenlöng = zeer groot van geluk, heeft de 
eerste syllabe (oe) zekeren nadruk, in oenlöng /;oe/s=stoen ik (ot 
gij of hij) klein was, zijn beide syllaben van oenlöng bijna 
toonloos, en in oenlöng lön = mijn geluk, valt alle nadruk 
op de syllabe ntöng. In kon raja = niet groot, heeft ja 
den zwaarsten nadruk, in raja ihal = zeer groot, is ja iets 
minder dan ra geaccentueerd, maar heeft Ihal het eigenlijke 
accent. 

Waar woordherhaling ') op woorden van twee syllaben 
wordt toegepast, hebben de eerste en de laatste der vier 
syllaben zekeren nadruk: mdla-mald boeld = het oog puilt 
uit, angan-angdn =s plan, voornemen, iréng-iréng as naast 
elkander, enz. Woorden als meudoeè^-doeë> = gezellig bij- 
een zitten, moemèl-mèl = zich bewegen, hebben zeker accent 
met toonverhooging op de laatste syllabe. 

Een bijzonder krachtigen klemtoon op de laatste syllabe 
krijgen naam- of werkwoorden, waarop een der toonlooze 
genitief- of objectssufBxcn volgt; deze zijn: /roe, lön (ja zelfs 
oelön loean kan, snel uitgesproken, aldus accentloos op een 
naam- of werkwoord volgen), leti voor den eersten, keu, feu, 
neu voor den tweeden, djth, geu^ neu voor den derden persoon. 
Bladz. 372 — -^0 leerden wij sommige daarvan reeds kennen; 
zoo nog geuiipcë lön = hij bedriegt mij (waarin lön bijna 
alle kleur verliest door het zware accent van pèè, evenals 

') Deze kan dienen tot woordvorminK, zooali in imfol'ingai = steedt ge- 
dachtig lijn aao, anga»-angan = plan, voorncinco; of om d« aandacht op aan 
begrip te veitigeo, xooali in: maia-mata i^akéi aa het oog is ziek, iapaj»im' 
püj kttdjiloengka -^ het schip ia «I vertrokken. 



435 

iD hel boven aangehaalde oentong louy roemdhioe ^ mijn 
hniB ens. 

Uit de besprokeo verschijnselen mag men, geloof ik, de 
volgende conblasiën trekken. Er is eene periode geweest, 
waarin eene sterke neiging om het accent op de eindsylla- 
ben der woorden te leggen de Atjëhsche taal beheerschte. 
De resaltaten daarvan ziet men o. a. in de vele monosylla- 
bische woorden, die door samentrekking zijn ontstaan, waar 
dns de laatste syllabe de eenig overgeblevene is; in de ver- 
lenging, door toevoeging van ë^ van vele vocalen in eind- 
syllaben, die dan ook nog steeds onder alle omstandigheden 
het accent hebben; in het uitsluitend in eindsyllaben voor- 
komen van zekere vocalen (ó, o, èj é, e), die nooit geheel 
toonloos zijn, enz 

Echter heeft bedoelde neiging niet geheel doorgewerkt; 
er zijn voor samentrekking vatbare vormen aan haren in- 
vloed ontsnapt, en de andere, die vatbaar waren voor sa- 
mentrekking, hebben veelal op beide syllaben zekeren toon, 
althans wanneer de eerste vocaal niet eu, maar a, i of oe 
is. Wel heeft dan dikwijls de laatste syllabe een hoogeren 
toon, die op nadruk gelijkt, maar niet zelden is de verhou- 
ding ook omgekeerd en eigenlijk hangt het meeste van het 
rede-accent af. Eene grondige behandeling vooral dezer 
soort van woorden van twee of drie syllaben is niet moge- 
lijk zonder de muziek der taal. 

Ten slotte noemen wij nog een verschijnsel, dat thans 
alleen rudimentaire beteekenis hecit, maar wijst op eene 
oudere periode der Atjèhsche taal, waarin eene geheel andere 
accentneiging moet geheerscht hebben dan de zooeven be- 
doelde. Eenige woorden getuigen, wanneer men ze met 
hunne etymologische aequivaleutcn in het Maleisch vergelijkt, 
van de zucht om den klemtoon met zooveel kracht op 
de voorlaatste syllabe te leggen, dat de vocaal der laatste 
syllabe, waar deze niet gesloten was, er dikwijls voor 
bezweek. Zoo heeft men: heuêt (^u) = hatja, djeuèt {j^) 



486 

mm djadx M, djeué ( J^) k djala, ba^ se de Mal. praepositie ba- 
gif hheuë^ ss Mai. hagi^ deel, aandeel frAoe' eene boomaoort, 
die in bet Atjéhseli ook boega heet, Ijoeë ( ^) s=: ^yoeri, marit 
as spreken en nart( s= mededeeling, woorden, blijkbaar vor- 
men met de infixen eum en enn van eenen «tam tjaril sae /ƒ«. 
nVa. welks eerste syllabe in de afleidingen wegviel '). 

TABELLEN ENZ. 

Om het overzicht te vergemakkelijken, geven wij nog twee 
schriittaliellen, waarvan de eene onze teekens voor de Atjèh- 
sche klanken tot nitgangspant neemt en daarbij vermeldt, hoe 
de Atjèhers diezelfde klanken gewoonlijk afbeelden, terwijl 
de andere van het Arabisch -Atjèhsche alfabet uitgaat, ea tel- 
kens aanwij8t, voor welke doeleinden elke dier letten zoo al 
gebezigd wordt. 

TABEL L 

Onze af- Meest gebmikelijke teekens, waardoor de Atjèhera 
beolding die klanken weergeven, 
der Atjöh- 
sche klan- 
ken. 

' *) (a) In het begin van een woord t, S of «, ook wel 



^) Het woord djewH beteekent worden, onUUan, mogelijk iQn, cb alt aotiaf 
tvrboin: darren. Daameveai heeft meer het wellicht Uter uit h«t Maleieeh Oftr- 
genomen djadèh (a>jI*>) =« ervan komen, gebeuren. Zolk een hh vindt mei 
ook in ^«(^4 aas Mal. Iü(», i«ad,pit. 

*) Waartch^nlljk zal de vergelüking der A^èhiehe ttammen ▼■& ééneiyllabe 
met hnnne verwanten in andere talen veel meer Toorbcelden opleveren; vooral de 
•tammen, die in het sohrüt op ^ eindigen, lokken daartoe uit. HierbepnaUen 

wQ out tot betgeen vlak voor de haad ligt. 

') Waar dese oonaonant niet naaaal ia, duiden w^ hem in den aanvang dff 
woorden niet aan. Wg geven hier van de Arabisehe lettervormen telnket 
•leehta een, dair het A^'èhsch geene aanleiding geeft om iett nieuw» over ket 
Arabisch -Maleitche alfabet mede te deelen 



487 



Onse af- 
b6eIdiDg 
der Atjèh- 
flche ktan- 
keD. 



Meest gebraikelijke teekeos, waardoor de Atjèhers 
die klankeu weergeven. 



6. 

d. 
dj. 

(;• 

9' 
h. 



J 
k. 

i 

m. 

n. 

^9 
nj 

P' 

r. 



In hei begin eener syllabe midden in een woord 

ook >, y f^ 

s 

Op bet eind eener syllabe ), *, ), Jr, ^^ 

De nasale variant e. 

In het begin van eene syllabe ^^, op het eind 
zoowel 1^ als c^. 
(In het begin eener syllabe) j, soms j of *. 

(In het begin eener syllabe) ^^ , soms j. 

(Tn het begin eener syllabe) ^, soms (^. 
(In het begin eener syllabe) CJ. 

In het begin eener syllabe <, soms ^. 

Op het eind eener syllabe < of^, ^/»(ook(^> 



en 



soms •); ^, v^. 



Nasale variant soms 



C- 



^1 als sluiter ook J, zelden .. 

(In het begin eener syllabe) ^ of 4> ; ook ^^ 



zelden 



(In het b^n eener syllabe) J^ zelden j 
^, soms (vóór lipklanken) ^. 



a of A, soms ^ of ^ 

(In het begin eener syllabe) ^, u^. 

(In het begin eener syllabe) v^, zelden i^. 

(In het begin eener syllabe) . , soms ó, 

(In het begin eener syllabe) iJi^i soms ^, ^, 
%^ en zelden j. 
In het begio eener syllabe isj, soms b. 



438 

■ 

Onze af' Meest gebraikelgke teekens, waardoor de Atjèbers 
beelding die klanken weergeven, 
der Atjèb- 
•che klan- 
ken. 

Op bet eind eener syllabe ook nog j, ^, sol- 
den :. 
) 

u (In bet begin eener syllabe; dialectisch) ^^. 

tt;. (In het begin eener syllabe) .. 

(De nasale varianten, waarvoor het Atjéhsche schrift geene 
eigen teekens gebruikt, zijn hier onvermeld gebleven.) 
a. ) of niets. 

e». Meestal niets, soms ), • of ^. 

êuë. Dikwijls ), soms ^ , ,^ of de' combinatie ^^ 

In open syllaben duidt soms een geschreven 
of J (niet ondobbelziunig) dezen vocaal aan. 
è. ^ of niets. 

èë. y zelden ^, 

é. ^. 

e. Geen vocaalletter, maar bijna alle (open) sylla- 

ben, waarin deze vocaal voorkomt, worden met 
op bet eind geschreven. Zelden ^ of ). 
I. ^ of niets. 



%e. 



^f • 



oe, . of niets, 

oeè*. y 

ó. a of niets, 

óé'. ^, soms ^y 

TABEL n. 

Arabische Hare beteekenis in het Atjöhsche schrift. 
letteiB. 

) Met of zonder bamzah (), )) voor ^, zonder 

bamzah aldus slechts in den aanvang der woorden. 
Als vocaalletter.* a, eu^ euè. 



» 

J 



439 

Arabische Hare beteekenis in het At)éh8che schrift, 
letters. 

(Eigenlijk alleen in Arab. woorden); /*; ais 
sluiter h^ ih. 
^ dj\ tjf als sluiter / 

^ (Eigenlijk alleen in Arab. woorden) ', h, soms 

speciaal voor h, zelden voor k. 
• (Eigenlijk alleen in Arab. woorden) k, ih] als 

sluiter h. 
j d^ als sluiter /; zelden voor /. 

S (Eigeniyk alleen in Arab. woorden) d^ soms /; 

als sluiter /. 

r, als sluiter onuitgesproken. 
(Eigenlijk alleen in Arab. woorden) d, ^mndj, 
zelden /^; als sluiter: /, zelden l^ of h. 
t^ dialectisch soms ff als sluiter: h, tA, ëh. 
(Eigenlijk alleen in vreemde woorden) ij of fjh, 
i^] als sluiter: A, ih, ëh. 

(Eigenlijk alleen in Arab woorden) (*; als slui- 
ter: /i, ïhj ëh.^ 
(Eigenlijk alleen in Arab. woorden) /. 
t (Eigenlijk alleen in Arab. woorden) /. 

J9 (Eigenlijk alleen in Arab. woorden) l, 

a 'of diens nasale variant a. 

a (Eigenlijk alleen in Arab. woorden) r of, als 

sluiter, h. Ook in plaats van «. 

p, ph, als sluiter: b of (in Arab woorden) A. 

k] als sluiter ^. 

A; als sluiter'. 
J /; als sluiter ƒ of in het geheel niet uitgesproken. 
^ m (soms n, ng), 
^^ n (soms w, wj) 






</> 



440 

Arabische Hare lieteekenifl id bet Atjèbeche Achrilt. 
letters. 

. Als Tocaalletter: oe. oeé, ó» o, èé, soms eué ot e; 
io de comblDatie ^^. zoowel oeè^ eué als dëj en in 
sommige woorden awö, awè of a'ö. Ook met ham- 

zah (j) voor ^ö. 

Als voeaalletter: »\ tê, e, é, soms èéf of eué. Ook 
met hamzab (^) voor »i. 

Wanneer de Atjèhers het altabet leeren, noemen zg 

gewoonlijk achtereenvolgens al de letters bij hunne 

namen (dat zijn de Arabische namen, op zijn Atjèhsch 

uitgesproken : aléh^ ba, (a, /*a, djimy ka. cha, daj\ dqj\ ra, 

tièol ddëf l^in enz.) en voegen daar, om hun geheugen te 

hulp te komen, telkens bij, of de letter al dan niet met 

punten is voorzien, en, zoo ja, hoevele punten en waar 
zij die heeft, bijv. 

aléh han lité* := alif, heeft geen punt; 

ba dibaröh l^abbh tité* == ba, van onder één punt; 

la diateuéh doea tilè^ ss ta, van boven twee pun> 

ten, enz. 
De Arabische vocaalteekens heeten baréh diaieuèh 
as streep van boven, baréh dibaröh =s streep van 
onderen, baréh kiwiëng = kromme, gebogen streep, 
maar bij het spellen (meuhidja of, transitief hidja) 
drukt men zioh een weinig anders uit: aléh aleuêh 
baréh a, aléh meujoeb baréh t\ aléh kiwiëng baréh oe, 
a, t, oe, d. i. letterlijk: alif boven streep a, alif beneden 
streep i, alif krom streep oe: a, t\ oe^ en evenzoo bg 
de andere consonanten. 

Gelijk bij Javanen en Maleiers, heerscht ook bij 
de Atjèhers de opvatting, alsof een gevocaliseerde 
consonant een daarop volgenden niet gevocaliseerden 
dood had gemaakt; in de syllabe bal(jj) is de u^ 

dt moordenaar van de J, en men zegt dus: baaieuëh 



441 

óaréh djipök lam: bal = ba, van boven streep, slaat 
een lam dood: bal. Het teeken, dat een consonant 
als vocaalloos aanduidt (Arabisch djazmah). heet meu- 
nalé sr dooding. 

Het verdubbelingsteeken ^ heet teul^eudit («yij^j) 
ot l^eudit, ook l^adoe (jj^) of l^abdoe. Al spellende, 
stelt men de zaak zoo voor, als werd die verdubbe- 
ling door een voorafgaanden, niet verdubbelden con- 
sonant aan een volgenden, verdubbelden ontleend; in 
rabboel heet het dus, dat de / aan de fr verdubbeling 
ontleent ^), en men zegt : ra metU^adoe ba^ ba, aleuëh 
baréh: rob ^s= ra, die aan de ba verdubbeling ont- 
leent, van boven streep: rab. 

De eerste woorden van den Qoran : ^ Sécfi) 
worden dus als volgt door de Atjèhers gespeld : aléh 
djipöh lam ateuëh baréh: al, ha djipoh mim aleuëh 
baréh: ham, daj kiwietig baréh: doe, alhamdoe; lam 
meut^adoe ba^ lam meujoeb ^) baréh: lil^ lam aleuëh 
baréh: la^ h meujoeb baréh: hi, lillahi. 

Mad (<x«) voor het verlengingsteeken en wal^'aj 
i J^j) ^^^^ '^^^ samensmeltingsteeken van de ) zyn wel 
bekend, maar worden weinig gebruikt. 
Om kinderen aan de vormen der Arabische letters te ge- 
wennen, gebruiken de Atjèhers rijmpjes, waarin die vormen 
met voorwerpen uit het dagelyksche leven vergeleken worden, 
Ik heb niet al die rijmpjes bijeen, maar wil toch eenige 
staaltjes mededeelen: 

) aUh meutoenglcat beulde = alif als een ijzeren staf. 
v«^ ba moebaeleuën l^i^oeróè =■ ba als de nieuwe maan 

i^letterlijk : de maan van éénen dag). 
v-J \a pi meunan fjit = ta eveiizoo (als de ba), 
vi^ l a j, jj „^la„ n yj ^ . 



*) Be bedoeling is namelijk deze, dat de syllabe, die met r begint, gesloten 
is, maar ditiraal niet w^l de r een volgenden consonant heeft doodgeslagen* 
maar wijl die volgende verdubbeld is, en dos die vermeerdering aan de r kan 

leenen. 

- Ook dimtujoeb ot' dijoeb. 

T^dschr. ind. T. L en Vk., deel. XXXV. M. 



442 

^ djim moepamj/(éë keumoedóè =s d}\m als de plaats, 
waar men liet roer in vastzet, 
^en ^ ha. cha pi wcunan ijil = ha, cha evenzoo (als de djim). 
j dnj menfjeunadéiig djalö = dal als de kiel van een kano 
3 daj pi meunan /;ï/ = dsil evenzoo. 

ra moeparang laiah baJjöë == ra als een kapmes om 
eene keg of wig te bekappen, of moeparang uauggrdè 
= met een kapmes des lands. 
: zdë pi meunan fjil = zaj evenzoo. 
^^ l^in 7noemaia gdijotlföë = sin als de tanden eener zaag. 

• fjin pi mettmn ijit = sjin evenzoo. 
^ t^ad meu'idöng Aitóc = 5ad als eene lus in een touw. 
^ lad pi meunm fjil = dliad even zoo, enz. 

De laatste twee letters wonicn aldus beschreven: 

j ha meu^idong paröë ^) = ha als de neus van een rog. 
^ ja men'ilê^ meiiidè = ja als een badende eend. 



') Dae a(|) beet ook, in oniencbaiding van de andere V^^ Aa ès. Uuê"^ 
de h, die de» ▼orm beeft van drek van den leu'é^-vogeL 



EEN VERSLAG 

VAK 

PROFESSOR A. 0. VREEDE 

OMTRENT 

EENE wumim mmm ën maüoereescue uandscbrif ten , 

DOOR 



De bier volgende opmerkingen worden neergeschreven met 
het oog op den onlangs verschenen „Gatalogns van de Ja- 
vaansche en Madoereesche handschriften der Leidsche Uni- 
versiteits-bibliotheek^ door A. C. Vreede, Leiden, Brill, 1892, 
8*, VIII en 434 bladz 

In genoemd boek, dat zeer netjes is gedrukt en waarmede 
de schrijver eenigermate voorzien wil in het gemis aan eene 
handleiding bij de beoefening der Javaansche letterkunde \ 
zijn volgens het Romeiusche voigcijier, waarnaar zy gerang- 
schikt zijn, 444 handschriften beschreven en besproken^ die 
te zamen zoo om en bij een 200 verschillende boeken vertegen- 
woordigen. Het is op hoogen leest geschoeid, want er worden 
literatuur-opgaven gedaan omtrent de boeken door die hand 
schriften vertegenwoordigd, uitgaven van teksten vermeid, 
inhoudsopgaven gegeven van verschillende, talrijke werken, 

') Inl. blfldz. VII l leest men: «Daar na de collectie der JaTaaasche hn. tab 
de Lctdscke Bibliotheek de uitgebreidste blijkt te zyn der bestaande verzamelingen. 
200 ii het niet ondienstig voorgekomen deze gelegenheid aan te grepen om niet 
alleen een beschryving, maar ook de literatanr der haDdschriften (de) te geven 
en eenigermate te voorzien in het gemis aau een<> Handleiding bij de beoefening 
(Ier Javaansche Ictlerkundu ^die van Dr. de Hollander is uitverlcocht eo troawena 
eenigszins uit den tijd geraakt)." 



444 

opmerkingen gemaakt, ook van kritischen aard en op eeu 
toon van zelfvertrouwen, die vertrouwen wekt. De band- 
Bchritlen of de boeken worden naar hun uiterlijk besebreven, 
er worden vele citaten gegeven, en herbaaldelijk ziet men de 
in de HSS. voorkomend» sëngkala's (jaartallen op een bijzon 
dere wijze in woorden uitgedrukt) opgelezen en vermeld 

Zooals de titel aangeeit, bestaat de door den schrijver ge- 
catalogiseerde verzameling uit Javaanscbe en uit Madoereeacbe 
geschriften. Onder de Javaanscbe zgn, behalve uieuw> Ja- 
vaanscbe, ook oud' Javaanscbe en midden-Javaansche boeken. 
Onze opmerkingen hier evenwel zullen slechts het nieuw-Ja- 
▼aansche en het Madoereesche gedeelte betreffen. 

Kennis van het oud-Javaansch mng men veronderstellen, 
dat de schrijver zelf zich niet gaarne zag toegekend, en die 
van het midden-Javaansch mist hij evenzeer. Wij zallendos 
zwijgen over alles wat er in het boek voorkomt of niet voor- 
komt, en met deze beide oudere phasen van het Javaansch 
in betrekking staat. Het zou onbillijk zijn den schrijver 
lastig te vallen zelfs over bcspottelgke fouten in deze onder- 
deelen, hoewel men er hem een verwijt van zou mogen ma- 
ken, dat hij meespreekt over zaken, waar hij niets van weet; 
slechts veroorloven wij ons de opmerking dat het ons onver* 
standig van den schrijver gedaan toeschijnt, het te laten voor- 
komen dat hij de Rangga Lawe gelezen zon hebben '). 



^ Op bl. 898 vindt men een overvloed overbodige bewijsen van bet te- 
gendeel. Jo dit zeer byxondere geval zon men van iemand, die in de ialeidiBg 
zegt: » By de bescbrijviiig van hifttorisohe ofklatsieke werken ben ik 
daarb^' (ii). in het geven van inhoudsopgaven) nog uitvoeriger geveert» omdat 
persoon*- en plaatsnamen voor de geschiedenis wellicht waarde kunnen bebbca**. 
wanneer bij niet voor nog andere moeiel^kheden, van ingrijpender aard, badge- 
rtaaa dan die waarvoor by uitkomt, iets anders hebben ontvangen dan U. SM— 
898 geven. Daar vindt men wat Raffles reeds gaf, vermeerderd met een eitaat 

uit Friederiob*s verslag, en eeiiige gissiui^Q zonder grond, sonder doel 

en zonder eenig belang. De Rangga Lawe, ook vertegenwoordigd door bet Leidaebe 
Hs., zo.als duidelijk is uit de citaten die men in de bijdragen aantreft, ia iets 
meer. Men zuu bet een vul boek kunnen ncemen. Talrijk z^n de aUerintcraa- 
santste details, bjjv. dat ook daar de persoon, met wien de stichter van Madjapahit 
afspreekt Java (e zullen deeleu, Baujakwide heet, evenals in den door McÓDMoa 



445 

Doch ook wat het overige gedeelte van het boek aaogaat, 
ook dat zal hier om den omvang van het boek, de groote 
variëteit bemerkenswaardige zaken, en het niet uit te putten 
IMiital daarvan, voor het grootste gedeelte onbesproken moe- 
ten blijven. Om zoo beknopt mogelijk te zijn zullen wij, bij 
de enkele grepen, die wij hier zullen doen om het boek te 
kenschetflen, alles kort samenvatten, overeenkomstige zaken 
900 dit even kan bijeen groepeeren, en slechts bij enkele 
punten, waar eenige meerdere uitvoerigheid gewenscht is of 
baar nut hebben zal, iets breedsprakiger zijn. 

Onze opmerkingen dan betreJBen, zooals uit het voorgaande 
blijkt, het nieuw-Javaansche en het Madoereesche gedeelte 
van het boek, vooral het eerste, omdat het laatste (in den 
Catalogus slechts een tiental bladzijden beslaande, bl. 411 — 
42o) weinig nieuws biedt, en een paar opmerkingen voldoen- 
de zullen zijn. 

Achtereenvolgens zullen wij hier het een of ander mede* 
deelen omtrent de literatuuropgaven en de vermelde nitge- 
geven teksten, de inhoudsopgaven, de wijze waarDp de schrg ver 
kennis heelt genomen van de door hem beschreven boeken of 
studiën daaromtrent, de wijze waarop hij het niterlgk van een 
geschrift beschrijft, het verdienstelijke van zijne opmerkingen 
omtrent de sëngkala's en de metriek, de bezwaren door hem 
ondervonden bij het lezen der verschillende soorten van schrift, 
waarin de HSS. geschreven zijn, zijne classificatie en onder- 
groepeering, enz., en het Madoereesche gedeelte. Het laatste 
zullen wij laten volgen na de pericope betreffende het schrift. 

De lileraiuuropgavetif — men weet dat daarvoor ilooijkaas, 
Boelen van Hensbroek, de bijdragen van de Hollander, Pijn- 



ttitgogeren proza-tikit yan de Babad tanah pjawi, en eiden; dat Madjapahit niet 
•an sêe lag» maar een IJmaiden had, dat Tjanggoe heette, enx. Hier intossebenii het 
meer van belaag te TermeMen, dat de 152ste straphe van sang Vilde verklariog 
geeft van den in het Leidtche HS. voorkómenden titel Paodji Widjajakrama, en 
dal Rangga Lawe ook in dit boek dipati van Toeban is. Over de sèngkala xie 
men nog beneden. 



446 

appelj Niemann, Vetb, ran der Ghijs, enz., een ieder ten 
dienste staan — zijn tn geenen deele volledig. VanYperen's 
vertaling van het begin van een babad (een der interessantste 
stnkicen, omdat zijne inleiding de gegevens aan de baud doet 
om den tijd der vaststelling van dat boek (dat daarna ettelijke 
malen omgeschreven is) te bepalen) is niet genoemd. Bij de 
Abmad Mobaraad zwijgt de schrijver van de inhoudsopgave 
van dezen roman door van Bloemen Waanders, en werd ook 
niet verwezen naar het zoo scherpzinnige opstel van Cohen 
Staart in Tijdschr. Ind. T. L. en Vk. XVII, 548 volgg. 
(de balken uit de kraton van Martapoera;. Bij de Anbiais 
geen melding gemaakt van het facnimile bij Valentijn, waarop, 
al zou het slechts een tragineut zijn van eene levensbeschrijving 
van den profeet, ot een ander boek, toch in ieder geval de 
aandacht wel eens gevestigd had mogen worden. ^) Bij de 
noot op bladz. 292, waar in bet geciteerde gedeelte Katjoeng 
en Soeroeboed voorkomen, wordt Valentijn al evenmin ge- 
noemd, hoewel Prof Vetli den weg daarheen geëffend heeft, 
en wordt ook niet verwezen naar het belangrijke stuk uit 
den Gompagnie's tijd in de Biang Lala. Bij de Rëugganis, 
noch bij de Tjéntini treft men eeue vermelding aan van het 
feit, dat Winter in zijn Zamenspraken de verklaring van de 
in deze geschritteu zoo veelvuldig voorkomende wangsalans 
en praljelsans door Rangga \VarBita beeft opgenomen. By de 
Bandoeug is er niet opmerkzaam gemaakt dat Baffies een 
soortgelijk boek bespreekt, en daar blijkt dat dat geschrift 
(waarvan ettelyke redacties bestaan] Sërat kanda en pépakëm 
wordt genoemd. Ook mist men een verwijzing naar Baffles 
bij de op bl. 371 verdekt opgestelde, en met Dewaroetji, Tjarita 
kiamat, Praboe Sésana e. a in het overigens met vrij veel 
zorg bewerkte register van titels niet vermelde Astapradja. 
Van der Taak's briet wisseling met te Mecbelen over de wajang 
in de Not. Bai. Oen , en Cornets de Groot's stuk in het 
Tijdschr N. L (^nota bene) waren het vermelden zeer waard 
geweest. Bij het allegorisch zedekundig geschrift genoemd 

*> Men vindt etn oTereenkomstig verhaal in Menak \jm D>rpV VI, .SS9. 



447 

op bl. 374 (Cod 2003 (5) ) wordt niet gewe^^en op de wë^atjan 
Pantja<lrija (van van Dorp). *) Enz., enz. 

Een opgave van de keurige editie van de Rama door 
Rol ff en Co, van de nitgave van een Babad Dipunëgara % 
van do Sroeti. van de Sasana socnoe, van de Menak Poer- 
wakanda, van de Pandji Djajaléngkarai van de tëmbang- 
bewerking der 1001 nacht verbalen, van een pawoeton tekst 
in Roorda van Ëysinga's Handboek der land- en volken- 
kunde enz., van het liegin van Winter's tekst van d3 Dainar 
woelan in de Hollander's Handl. van het Jav. 1848, van — 
enz. zoekt men te vergeefs, en met geen enkel woord wordt er 
gewaagd van de vele literatuur, die als feuilleton in de 
Bramartani en als mengelwerk in de Javaansche almanakken 
het licht zag, waaronder onder anderen de interessantste re< 
dactie van het Watoegoenoeng verhaal. Nog sterker, de in- 
ventaris-catalogus vau de door Cohen Stuart 
nagelaten verzameling handschriften '), die, 
behalve meer, 148 Javaansche t)evat, is den schrijver zelfs 
geheel onbekend gebleven. Tegenover d&t feit valt geheel 
weg bijv. dat de supplementcatalogus van Mr. L. W. C. van 
den Berg, omdat hij slechts een paar {tiota bene) Jav. hss. be- 
vat, als zoodanig voor den schrijver van geen lielang was, dat 
de Hollander's Handl. v. d. Mal. taal- en letterkunde wordt aan- 
gehaald naar de editie van 1856 (de tweede), terwijl er 
een inderdaad verbeterde v ij f d e van 1882 is. dat .... enz 

De itthouisopgaveti, — ziehier een voorbeeld van een enkele, 
waarbij gebruik gemaakt had kunnen worden van een reeds 
bestaande, in bet Hullandsch geschrevene, doch die de schrij- 
ver verko/.en heelt zelf($tandig te leveren. Het betreft de 



^ Een T n tid Uorp's Javaaniohe oorreetoren. Raden Fündji pjnja Soebrata. 
wordt schrgTer thii nedt voor hem bestaande tekuten. 

*) NB. De babad Padj's^jaran van Dorp 1^85 en 188G, in de literataurop- 
gaven van Ho3^d»tnlc III, it een tn hetxeUde alt de twee eertte deelen van de 
babad Tanah Djawi 8 (lees 4) dln by den^elfden nitgever, het «ante is de 
rag- of eerste, het laat»te de tweede titel 

'3 \n Not. Bat Oen. II V (1876). 



44S 

Angling dtnna, waarran Winters referaat in orde is, maar 
uitvoeriger had kunnen zijn, bijv door vermelding van de 
wijze waarop Angling Darma betooverd raakt, nl. doordat 
bij in aanraking komt met een met een tooveriormulier be- 
Bcbreven palmblad, dat hem, terwijl hij in een mëliwifi ver- 
andert, als kuif op zijn hoofd blijft vastzitten, totdat het 
door de prinses, die hij later ontmoet, weer van zgn hoofd 
wordt afgenomen, waardoor hij zijne menschelijke gedaante 
herkrijgen kon. 

Winter geeft: 

(1« Episode.) Hangling Darma, een afstammeling van Har- 
djoeno, derden broeder der Pendowo, regeerde te Malowopati. 
Zijne gemalin, Dewi Setio Wati genaamd, was de doehter 
van een Pandito van den berg Kosomolo. Zij, wetende dat 
haar gemaal door middel van eene tooverspreuk, Hadji dipo 
genaamd, welke hij van de onderaardsehe goddelijke slang 
NogopratolO; geleerd had, de taal der diereu, vogels en insek- 
ten .verstond, drong bij hem aan« om haar deze wetenschap 
mede te deelen. De vorst sloeg echter haar verzoek af, uit- 
hoofde Nogopratolo hem uitdrukkelijk verboden had, haar 
aan anderen, wie ook te lecren, daar zulks deu dood van 
zijn leermeester ten gevolge zoude hebben. Zij werd echter 
daardoor niet teruggehouden, en hield niet op, steeds bg 
hem om de mededeeling van de bedoelde tooverspreuk aan 
te dringen; hem haar besluit te kennen gevende, dat, wan- 
neer hare bede niet werd ingewilligd, zij zich zoude ver- 
branden. De vorst volhardde in zijne weigering, en trachtte 
haar tot rede te brengen, doch vruchteloos, zoodat zij haar 
genomen besluit ten uitvoer bracht tot groot verdriet van den 
vorst, die gezworen had. nimmer meer een tweede huwelijk 
te zullen aangaan. 

(2« Episode.) Hij bleel na den dood zijner gade op de 
Panggoeog, die in de nabijheid van den brandstapel, opgericht 
was, met het doel om daar in onthouding en zelfskastijding 
een afgezonderd leven te leiden. Dit plan werd echter verg - 
deld door de godin Hoemo, die hem in verzoeluDg 



449 

bracht; en een vloek tegen hom nitfiprak, dat hij, 
tot strat zijner zwakheid, gedurende acht jaren niet 
mocht regeren en een zwervend leven zoude leiden. 
Na het uitspreken van dezen geduchten vloek, zag hij zijn 
vorstendom eensklaps in eene wildernis veranderen. Hij ging 
daarop van de Panggoeng af, liep dag en nacht door zonder 
te weten waarheen, tot dat hij eindelijk in eene verblijfplaats 
van reuzen verdwaalde. 

(3« Episode.) Terwijl hij voortwandelde kwam hij in een 
paleis, door drie gezusters, dochters van een reuzen vorst 
bewoond, welke hij tot vrouwen nam, doch die hem later, 
door hare bovennatuurlijke macht, tot wraak eener onder- 
gane beleediging, in een' witten Mliwis (eene soort van 
taling) veranderden. 

(4e Episode) In deze vreemde gedaante vloog hij weg, 
en kwam hij in het vorstendom Bodjonegoro. Hij hield op 
in een meer, waar hij door zekeren Djoko gedoeg in een 
strik gevangen werd. Deze bracht hem bij zijn' vader, De- 
mang Kloengsoer genaamd, die met hem zeer ingenomen was, 
omdat hij als een mensch kon spreken. Demang Kloengsoer, 
die in een' armoedigen staat verkeerde, werd van lieverlede 
rijk, en deze lots verbetering schreef hij toe aan de zegenende 
kracht van zijn' Mliwis. Een gendroewo (eene soort van 
booze geesten van het mannelijke geslacht) verliefde op de 
vrouw van een' over/.eeschen Fandito, die zich in het gebied 
van Bodjonegoro met der woon vestigde. Hij nam de- ge- 
daante aan van den Pandito, en geleek dezen zoo volmaakt, 
dat men hen niet kon onderscheiden, zoodat er eene hevige 
twist ontstond omtrent het bezit van de vrouw, en zij het ge- 
raden vonden, om de zaak ter beslissing aan den vorst voor te 
dragen. Dit geschiedde, doch de vorst kon haar tot zijn 
groot leedwezen niet beslissen. Ue witte Mliwis deelde het 
geval van den gendroewo en den Pandito aan Demang Kloeng- 
soer mede, onderrichtte hem de wijze, waarop hij de zaak 
zou beslechten en ried hem aan, om tot dat einde zijne ver- 
schijning bij den vorst te doen. Hij bracht deze raadgeving 



450 

ten uitvoer^ en het gelukte hem, de zaak tot klaarheid te 
brengen en te beëindigen. Uit dankbaarheid, en aU eene 
belooning, voor zijne wijze beslechting, verhief de vorst hem tot 
zijn' eersten staatsdienaar, onder den naam van Djeksonegoro. 

(5^ Episode.) Op een zekeren dag vloog de wiite Mliwis 
naar den vorhtclijken tuin. alwaar hij door de prinses Dewi 
Srenggoro Wati, doehter van den vorst, ontdekt werd. Zij 
liet alles in het werk stellen, om hem te vangen, doch zon- 
der vracht. Deze mislukking trok zij zich zoodanig aan, 
dat zij zich geheel aan hare droefheid overgaf. Ue vorst 
kreeg daarvan kennis, en droeg Djeksonegoro op, om de 
bedoelde Mliwis op te sporen en in zijne macht te krijgen* 
De staatsdienaar begreep al dadelijk, dat het zijne Mliwis 
geweest was, die den tuin bezocht had. Hij bood hem der- 
halve den vorst aan, die hem aan zijne dochter praf. i>e8 
nachts nam de witte Mliwis de gedaante aan vaneen' menscb 
en over dag die van een' Mliwis, enz. 

In den catalogus vindt men, bladz. 154 en 155. 

^De redactie is behoudens een enkel woord dezelfde 
als die van de Winter'sche uitgaaf M; de inbond 
kortelijk deze: 

ffAfigling dermay vorst van Melawapati, is gehuwd met 
Setyawati, dochter van een pandita. Zij laat zich verbranden 
(88), omdat hij haar niet deelgenoot wil maken van een 
wonderdadige macht, die hem in een tooverspreuk geschonken 
is door zekeren Naga Pratala, op wiens vrouw Naga Gini 
hij geschoten had, daar hij haar in verboden gemeenschap 
had gevonden met een Oeia tam par (soort slang). Zoo doodt 
hij ook een vrouwelijke Koetilang (een soort vogel). Ten 
derde versmaadt hij de liefde van Dèwi Oema (105), enten 
vierde heeft hij minnehandel met de dochter [sic] Dawanendra 
[sic) van zekeren Boeta-vorst Wredati, totdat hij haar betrapt op 
het eten van menschenvleesch, en zich van haar verwijdert (sic) 
(143). Deze vier gebeurtenissen {sic) zijn oorzaak, dat A. D. acht 
jaren moet lelana (reizen). 16H lutusschen heeft hij bet ver- 



451 

mogen gekregen om allerlei gedaanten aan te nomen; in 
de gedaante van een Meliwis (soort eend) benadert hij de 
prinses van Bodja Negara en krijgt haar tot vrouw, enx/' 

Of men neme, om nog een staaltje te noemen, de Dewa- 
roetji en vergelijke wat men daar zeil vindt met hetgeen er 
als de iniioud in den eatalogus, bl 249, van gegeven wordt. 
Het boekje is niet groot en dus gemakkelijk spoedig door 
te lezen. - 

Ëen derde voorbeeld tot kenschetsing vun de naawken- 
righeid, waarmede de schrijver zijne iiihoadsopgaven ver- 
vaardigd heeit^ ontkenen wij hier aan die van de Ahmad 
Mohamad. In dat geschrift komt een zeer belangrijke 
passage voor, vooral met het oog op de zoogenaamde folk- 
lore. Men vindt daar nl. het knuppeltje-uit-den-zak, het 
talehjedek-je en de zevenmijlslaarzen. Als Ahmad in de 
wildernis getrokken is, ontmoet hij twee djiu's. Deze had- 
den van hnn vader drie zaken geërfd (een pijl, die na af- 
geschoten te zijn weer tot zijn eigenaar terugkeert, een 
bord, waarop oogenblikkelijk alle etenswaren te vinden zijn, 
die de bezitter wenscht, en vliegschoenen). Zij zijn het on- 
eens over de verdeeliug, want zij zijn met hun tweeën en 
er zijn drie dingen, en geen van beiden wil minder hebben 
dan de ander. Zij treden in zijn voorstel, dat hij de zaak 
uitwijzen zal. De een zal de schoenen krijgen, en de ander 
het bord, zoo beslist hij, en om den pijl moeten zij om het 
hardste loopen. Als zij zich dan reppen om elkander voor 
te zijn ten einde den pijl machtig te worden, trekt Ahmad de 
schoenen aan, neemt hij het bord, en maakt hij dat hij weg 
komt, wel wetende dat ook de pi)l hem volgen zal. Zoo 
luidt het verhaal iu een H6. van het Bat Gen. ^), en wat 
van Bloemen Waanders uit een Ahmad Mohamad (zie boven 
bi] de literatuur opgaven) mededeelt komt er mede overeen. 

') Kropak B6. 641, afschr. Cohcn Staart no. 47. Do redactie komt orereeii 
met die van de kropak indeLeid«cheTerzameliDg(Cat CDXVIII =s God. 1S77). 



4Ó2 

Volgens 4en Bchrijver, zie bl 206, zou het HS. van liCideii 
(Gad. 1985 (i)=:CXXXI) geheel iets anders geven. „Uit 
scliaamte trekt hij de wildernis in (34^) on krijgt [sic) van eene 
(sic) tijin (boschgeest) tooverwapenen (meervoud, sic) en toover- 
middeleu (meervoud, sic) waardoor hij vliegen kan". Toch 
is dat niet het geval, want ook in het genoemde Leidscbe 
HS. wordt de passage op geheel overeenkomstige wijze 
verhaald. Het bewijs daarvan * vindt men in den Cata- 
logus op bl. 406, waar men eeu eitaat aantreft dat aan 
dat HS. is ontleend en toevallig een gedeelte geeft van deze 
passage. Het luidt in Latijnsch schriit, en met aanvulling 
der ontbrekende letters en verbetering der ergste fouten, die er 
in voorkomen : anoesoep angajam alaSj anoelakên sarira, poe- 
nika malth wiuoewoes^ wotifen edjim wawarisan^ nmifensoring 
panman sural (lees sari)^ edjim lor o wawarisan^ Icasaklen 
ramaue mangko, aiilar kasakfen ika, titiga ingkang warna, 
panah lawan kaos iioe, kalawan etidong poenika^^ sadina m- 
naris iii, nanging derenq kalerésan, oedjare satiake mangio. 
mrene soenwarise ika, sira doeweni patiah. Zelfs boven dit 
citaat leest men in den Catalogus: ,,Ahmad in de wildernis. 
Krijgt (sic) tooverwapenen (sic) van eene (sic) djin' M. 

Nemen wij hier ook eeu der babadsinhoudsopgaven in be- 
schouwing ^). Die twee, welke men in den Catalogus «an* 
treft sub no. LXXXIX en XC, komen daarvoor vooral iu 
aanmerking, om reden dat de HSS. van Leiden (Cod 2185 
en 2186) afschriften zijn van een paar HSS. van het Bata- 
viaasch Genootschap (Jav. HSS. BG. no. 63 en 64), dexe 
laatsten in originali door den schrijver zijn geraadpleegd en er 
dus volkomen zekerheid bestaat dat zijne inhoudsopgave en op- 
merkingen denzelfden tekst betreffen als die, welken wij hier 



^• Het HS. it niet vau Ooit- Java, looalt bl. 206 gezegd wordt, maar fia 
Weft-Java (Tjftrbon» Preanger enz.), sooaU ait de tpeUing ▼olkomen dni- 
deiyk is. 

') De lezer herinnere lieh Iderbij het gedeelte ait de inleiding bü dw Ca- 
talogas. dat boven in ue i.oot o. er de Baogga Lawe aangehaald w. 



4öd 

op onzen benrt zullen kenschetsen. Wij kiezen die, welke 
in den Catalogus voorgaat, de Babad Balambangan. Ook 
wij zullen' in ons referaat^ waarbij wij ons, om niet te uitvoerig 
te worden, bepalen tot liet eerste hoofddeel van het boek^ 
alle details van minder beteekenis onvermeld laten, onze op- 
merkingen beperken tot het strikt noodige, en daaipenboven 
taalkundige of literaire beschouwingen achterwege laten: dit 
laatste omdat het daarvoor hier de plaats niet is '). 

Wij laten voor de duidelijkheid onze inhoudsopgave aan 
éie van den schrijver voorafgaan. 

Na een korte inleiding *) 'waarin de schrijver o. a. opgeeft 
dat hij zijn boek begonnen is in 1699 Jav. jaartelling (^oenua 
mètfga obah hoemi) = A. D. 1773/74, zijn naam noemt Mas 
Poerwasastra, woonachtig ten noordwesten van Frabalingga 
(Probolinggo), en zegt dat hij op bevel (van wien wordt niet 
opgegeven) zijn verhaal vervaardigt, waarin hij de geschie* 
denis van den pangeran van Balambangan zal mededeelen 
{anoeloer sadjarawpoen pangeran ing Balambangan), brengt hij 
zijn lezers medias in res, A. D. 1762 ot 1763. ') 

Door drijven voornamelijk van Mas Tëpasana, die de 
rol vervult van Doerna (de bekende figuur in de wajang, 
den leermeester van en den twiststoker tusschen de Pëndawa^s 
en de Korawa's, die het verderf der Pëndawa's zocht), is er 
een minder goede verhouding ontstaan tusschen den vorst van 
Balambangan Pangeran pati *) en diens jongeren broeder 



') Elden zal men een enkele opmerking aantreffen. 

*) Aan deste inleiding gaat een strophe vooraf, die het cijfer vermeld van het 
jaar waarin het handschrift» waarnaar Jav. HSS. B, 6. no. 63 afgeschreven werd, 
— dat HS. zon ook het oorspronkelijk knnnen zijn — vervaarJigd is, nl. 1700 
(nnttf ilang goenoeng 6oemi)z=A, D. 1774/75. 

') Dit blijkt, hoewel er geenjnartal wordt genoemd, uit de vermelde feiten; man 
zie de Jonge, Opkomst, XT, 73 en Hageman, Handl. 1,209 (« \^ü). Sadjara A) 
moet hier „geschiedenis" beteekenen; van een tUsalah nl. ia g(«n spoor te ont- 
dekken. Men ziet dat het boek vervaardigd is door een tijdgenoot. Gede.lteiyk 
heeit hij de door hem beschreveu gebeurtenissen zelf bijgewoond, men lio zang 
XIV, strophe 4. 

') Een enkel maal wordt hg Pangeran Djingga genoemd, vgl. den naam Me* 
nak Djingga van Balambangan. De -geschtedschrgver zegt dat bij nog iCB aan> 



4ö4 

WoDg agoeng Wilis. De laatste in bij het volk zoo gelieid; 
dat men met veronaebtzamiDg van de bevelen der beide patih's 
van den vorst, Mas Soetadjiwa en Mas Soetanëgara^ alleen 
naar hem laistert. Pangeran Pati, reeds oud van jaren, wil, 
als men hem den raad geelt zijn broeder te verbannen, zijn 
rijk liever aan hem afstaan, en zich terugtrekken. Ook 
Wilis wil van zijn kant tot geen daden tegen zijn broeder 
overgaan Hij verwacht evenwel hulp van Bali, van Tjakorda 
(Tjokorda) Goesi (Goesti) agoeng van Mëugoewi (Méngwi), den 
suzerein van Balambangaii, om Tépasana en Soetadjiwa uit den 
weg ruimen. Lang laat deze zich niet wachten en nauwelijks is 
zij gekomen, met de opdracht den ouden vorst te sparen, doch 
Tépasana en Soetadjiwa onoverbiddelijk te dooden, of de strijd 
begint Tépasana en Soetadjiwa vluchten overhaast Pa- 
ngeran Pati neemt met zijne vrouwen en kinderen en Soe- 
tanégara over het gebergte de wijk naar Djémbër, en van 
daar naar Sent )ng '), waar Soetadjiwa zich weer bij hem Toegt 
Aan den raad van dezen zich naar Prabalingga te begeven 
en zijn toevlucht bij de Hollander» te zoeken, geeit hij geen 
rechtstreeksch gevolg, doch zendt brieven aan Ngabehi Djaja- 
lélana, den regent van genoemde streek, en aan Panémbahan 
Tjakraadiningrat van Madoera. (Zang IIT begin). Dadelijk 
na den ontvangst van de missive wendt Djajalélana, tot wieu 
intusschen Tépasana gekomen is, zich tot den kommandant te 
Pasoeroehan, Kapitan Kobis (die iets later Pirdisnan, lees 
Pirdinnan »" Ferdinand heet) '). Tjakraadiningrat van Ha* 
doera (Madoerétna) is zeer verheugd op het bericht en den 
brief, waarin Pangeran Pati Balambangan onder zijne suze- 
reiniteit stelt, want hij twijfelt niet of de Kompéni zal hare 
goedkeuring aan deze regeling schenken. Hij zendt de ge- 
banger was vao het geloof zijner voorvadereu, de iata of agama boeda, dm (^i- 
waict. £en andere naam voor Balambangan U Lingga manik (»om^ om den maat 
Ma&ik lingga). 

') Bexuiden Bandawaea 

') Ferdinand Carel Hogewitz, die voli^eni Hageman, Tydachr. Ind. T. 
L. en Vk., XHI, bl. 252. daar in 1759 kwam, doch reeds in 1760 door J. C. 
üartman ver?angen werd. 



455 

zanten naar den Gezaghebber (Breton) te Soerabaja, en zegt 
zelt naar Bësjoeki te zullen gaan, om Pangeran Pati te on^ 
moeten. Ondertasscben zijn tot Pangeran Pati gezanten van 
Wilis gekomen om hem te verzoeken weer naar Balambangan 
terag te keeren, wat deze weigert, en hebben de Balineezen 
overal naar hem gezocht, met het doel Tëpasana en Soetadjiwa 
in handen te krijgen, waartoe ook bevel is gezonden aan den 
regent van Loemadjang '). (Zang IV.) In de nabijheid van 
Djoerang sapi -), waar Pangeran Pati's benteng was, vinden de- 
zen hem. Op dat oogenblik was ook Tëpasana jaist weer in zijn 
gezelschap. Zij vallen de benteng aan. Ijlings zendt Pangeran 
Pati vrouwen en kinderen naar Tamban (later Tainbak) bij 
Bësoeki '). Als zij ook in den rug aangevallen zullen worden, 
vluchten Tëpasana en Soetadjiwa weer het eerst, door het ravijn, 
en later ook de Pangeran, naar Tambak. (Zang V.) De Gezag- 
hebber (Sakebëri van Soerabaja, tot wien Tjakraadiuingrat 
reeds gekomen was, heeft zich ondertusschen met Toemëng- 
goeng Tjandranëgara van Soerabaja e. a. *) naar Bësoeki ge- 
haast. Pangeran Pati, thans verblijf houdende bij de Djoerang 
arak-arak ^), wordt ontboden. Hij biedt, na, toen hem daar- 
naar gevraagd werd, gezegd te hebben, dat hij zich niet recht- 
streeks tot de Hollanders had gewend, omdat hij bang was 
zich op de een of andere wijze aan een vergrijp tegen de eti- 
quette schuldig te zullen maken, Balambangan aan de Kom- 
peni aan *j. De Gezaghebber zegt hem voorloopig hulp toe 
en belooft hem in zijn bewind te zullen heistellen. £en ieder 
keert nu naar zijn standplaats terug, terwijl Pangeran Pati 
naar Prabalingga gaat. (ZangA^l.) De beslishing, die te 8ama- 



') Dat ook het opperbestuor van Mëogwi erkent. 

*) Oosttfiyk van Bamlavrasa. 

'j Hier knoneo bedoeld zijn de vischvijvers {tambak), oostelijk van Bësoeki. 

*) £eu (of meer) Kapitan Tjina van Socrabigaf de kaptdo v. Paaoeroeban, 
Toem. Nitinegara van Pasoeroehun, de Ngabebi vao Bangi), Djajalélana van Pra- 
balinirga en Natakoesoema van Soemcnép, 

*) Zuidoost van Bcsocki. 

*) Dit ge»chiedde in 1763, xie de Jonge, Opkomst en>: . en Hagemsp, Handl., 
t. a. p. 



456 

rang^ door den G9averaeur [generaal i Deler Sémberek (de 
Edele Heer van Ossenbercb) '), genomen moest worden, valt 
geheel anders uit dan men verwaclit had. Van Ossenberch 
wil er niet van hooren, ontzegt integendeel aan Pangeran 
Pati het verblijf op 's Gouvernements grondgebied ^) Daar 
ook de Soesoehoenan hem vermoedelijk niet ontvangen zal, 
rest hem niets, dan naar (Malang of) Loemadjang te gaan, 
waar ^ Kaden Kërtanëgara regent is, maar Mëngwi's suzerei- 
niteit, evenals in Ralambangan, erkend wordt. Hij wordt daar 
goed ontvangen, doch dadelijk zendt men van daar uit bericht 
van zijn komst naar Baü, waar men reeds vernomen had, 
dat hij zich met de Kompëni in contact had gesteld, en ge- 
zanten gezonden had om hem op te sporen. Deze zendelingen, 
bij wie zich op hoog bevel lieden vau Wong agoeng Wilis 
hadden moeten voegen, ontmoeten de gezanten van Loema- 
djang, nemen dezen daarheen weer mede terug, en voeren 
dan Pangeran Pati met de zijnen naar Balambangan. (Zang 
VUL) Wilis ziet het gevaar voor zijnen broeder ernstig in. 
Spoedig worden beiden naar Bali geroepen '). Wilis wordt 
gcinterneerd bij Goesti Moerah Këtoet Kaba kaba, die over Ba- 
lambangan zal worden gesteld ^). Pangeran Pati wordt, na 
een ^verblijf van langer dan een half jaar te Eoeta lama by 
een verwante, Walang kadjëngan, waar men hem aan zgn 
lot o\erliet, wreedaardig van kant gemaakt. Met vrouwen, 



') Te Samarang van 26 October 1761 — 13 Mei 1765. 

') Aardig ii het zooals de schrijver door den iohoad van het autwo3rd vau 
van Ossenberch eerst zooveel later mede te deeleo, den lezer in spanning brengt. 

*) Dit geschiedde vóór Mei 1765. Van Oisenberch zegt in de Memorie, die 
hy voor Vos, zijn opvolger te Samarang, achterlaat: «de Baliers, onderhoorigen 
van den Koniog Goesti Agong Mangoer (lees Mangoei), spelen nit (.lees in) het 
eerste laodschap (Balambangan), vraarvan z\j voorheen en van Lama^juig slechts 
beschermers waren, thans geheel den meester, hebbende zelfs den pangeraog 
Pattj en zijn broeder Wilis naar Balie overgevoei'd/* zie de Jonge, Opkomst 
XI, 24 

'') Wilis keurt eerst einde Sept. 1767 naar Java terag, de Jonge XI, xii 
noot; UttT wordt hij gevangen genomen en naar Banda verbannen, ibid. bl. xv en 
xvii. Deze feiten worden in de babad met vermei J, omdal deze abrupt eindigt 
in Jav. aera 1692. 1693 A. J. begon Zaterdag, 30 Mei 1767 A. D. 



457 

kinderen en gevolg voeii men hem naar bet strand bij Seseh. 
Zijne vronwen en kinderen worden naar Halambangan terug- 
gezonden, waar zij later een komnuTiijk leven hebben i), 
zijne volgelingen en liy zeli worden op liet strand gedood en 
ban lijken in zee geworpen.^) BaLtmbangan krijgt een ander 
bestuur, van vreemdelingen, Goesti (in de babad meestal Goesi) 
Moerab en Koeta Uëdab, enz. ^) 

In den Catalogus vindt men, bl. 120 en 121: 

„Het oorspronkelijke is opgesteld door Mas PoerwaSastra 
te Prabalingga „volgens (stc) de Sedjarah (geslaebtlijst) v. d. 
Pangéran balambangan?'' het draagt tot sengkala: Goewa 
metiga obah boemi, *). 

„De inhoud is ongeveer deze: 

„l>e vorst van Balambangan, Pangéran Patih (sic) (nog 
BoeddliiKt) [sic), staande onder de jtaréntah (oppergezag) van 
Bali, neemt tengevolge van intrigues, die door zijn jongeren 
broeder Pangéran {stc) Wilis tegen hem {niet geheel onjuist) 
gesmeed, en van l^ali uit aangemoedigd worden, de vlucht. 
Hij houdt zich geruimen tijd schuil te Basoeki (sic) (28) en 
later te Loemadjang [mei eetiige toegeeflijkheid kan men dit 
zich op genade of oiig'stiade in de armeti der tegenpartij werpen, 
ook jfZtch schuil houden'' noemen) (40). Door middel van 
Prabalingga en Madoera zoekt hij hulp bij de Compagnie 
{niet geheel onjuist). De vorst van Noesa Kambangan of Bali, 
Tjakoeria {stc), ook, wel genaamd Dewa {sic) Mangoewi ^), 
die het gezag voert {medanant) over Valambangan en Bali, 



^) Een z^ner weduwen, vermoedelijk de voornaanute, huwt later met Tja- 
kraadioinicrat van Madoera, zie de J(*nge, Opkomst epz.. XI, 75. 

* ) Eigeniyk duodt bij zich zelf door in den kris te loopen van z\jn moot' 
denaar, d e voor de daad terngdeiust. 

^) Volgens de Junge, Upko nst enz. XT. iii, in 1764. 

") Over deze sengkala, en die an<lere door den schrijver niet ermelde, zoo' 
meJe zijne aanteekening betreffeude de eerste, zal beneden iets gezegd worden* 

*) 'Noot van den tchrijver van den Cat.) «Bij de Jonse XI, iii wordt hg 
vermeld als «de Goeati (Heer) van Mengoewi, de erkende fcbutsheer van Oost* 
Jav«**." Neen, de Jonge geeft t. a. p. jai»ter: «Over bet oostelijkste deal van 
Java waa Oa«ty Agong, van Mangoei, de erkende schntsheer.'* 

Tijdschr. Ind. T. L. en Vk., deel XXXV. óO. 



468 

18 erg kwaad, da:t Pangéran Patih zich onder beflchermiog 
?an de C^^ stelt, en zendt in vereeniging (niet geheel onjuist) 
met Pangéran Wilis troepen om den vorst op te sporen. 
Hij wordt van Loemadjang naar Balambangan teruggebracht. 
Te (gic) Uali ontboden wordt hij met al (sic) zijn bloedver- 
wanten vermoord. 59. Balambangan krijgt van Bali nk een 
nieuw beMinur...." enz. 

Ook Hageman, Vetb en de officieele stukken bij de Jonge 
spreken van Pangéran Wilis, maar duidelijk is bet dat in 
de babad Pangéran wat Balambangan betreft nog gebezigd 
wordt in zijn oudere beteekenis van „heer, vorst'", trouwens 
men is op ÜOHt- Java ^). De titel van Wilis is wong agoetig. 

Wat Tjakoeria betreit, de schrijver heelt een^i met huog 
opgaand middenstuk, in het HS. van het B. G. n» 63 overal 
de vorm van de ««n , aangezien voor een «^ . Het trekt de aan- 
dacht dat hij op bladz. 407 sprtkeude van: „De vijf laatste hss. 
die in nieuw- Javaansch geschreven zijn, vertoonen sporen van 
Balineeschen invloed, b.v. door het gebruik vanhetaan- 
hechtsel in in plaats van het Javaansche t" 'j, den titel 7)o- 
korda (Javaansch sampejan dalem) niet kent. In van Eck's Be- 
knopte handleiding bij de beoefening van de Balineesche taal 
enz., 1876, door den schrijver aangehaald o. a. in zijn HandL 
tot de beoef . der Mad. taal, 2<2 geheel omgewerkte druk, I« deel, 
bl. III (§ 4), wordt hij niet gemist, zie in genoemd boek § 105. 

Loopen wij nu, zonder ons verder om de inhoudsopgave, 
behalve de in den Cat. te vinden bijzonderheden, te bekom- 
meren, de nog geen vier bladzijden door, die de beschrijving 
van LXXXIX (Cod. 21S5}, de babad Balambangan, beslaat, 
onder de opmerking dat wij niet alles noemen. 

Bladz. 1:^.0. „De taal is Javaansch onder invloed van 
het Madoereesche dialect'' (stc), neme men voor wat h^ ia; 



') In de oriicieele stukken geschiedt dit naar het 8ch\jnt met recht, want 
Wilis heert recht op den tittl Paugeran, als h\| m Stpt. 1767 weer ia Balam* 
haugaft kumt. 

*) Ook eldern, zij het dan ook niet in den Catatogns, deed de 8chr\JTer het 
voorkomen dat hij met het Balineetohe taaieigen iet of wat vertrouwd is. 



459 

Ma» is een scbrijffout, = ^^ij» ; met „ter loops voor de curiosi- 
teit: officiers worden geassimileerd met mantri's'' wil de schrij- 
ver aangeven, dat de schrijver van de babad, niet alleen in 
dit bijzondere geval, en Oi»k zonder dit altijd opzettelijk te 
zeggen, zijn publiek de Hollandsche rangen verkiaart door ze 
aan inlandsche gelijk te stellen, bijv. elders saiig na(a Pa- 
soet'oehan^ de koning van P. = Kapitein Hogewitz, enz. 

Badz. 121. pTappanegro volgens Hageman" moet zijn 
;,Trappanegro volgens Hageman'\ zie Hageman, 11., T, 209 
(§ 159) en Tijdschr. Ind. T. L. en Vk., Xlll, 252, Trappa- 
negro en Blanke, die eerst hier genoemd worden, waren de 
leiders der troepen geweest bij Panaroekan : de laatste verovert 
eigenlijk Ualambangan. 

Bladz. 122. In plaats van ,, wordt Panegro gezonden naar 
Malang" leze men: worden Panegro en Oendelah (Gondelag) 
gezonden naar Malang. ,,Singasari en zijn zoon Aria Prang- 
wedaiia van {sic) Ngaiitang'' zijn, zoover schrijver dezes be- 
kend is, geen „afstammeliugen van Soerapati''. De Singa- 
sari, die in de babad wordt genoemd, is de bekende Pange- 
ran Singasari, die ook wel Praboe djaka heet, en een broe- 
der was o. a. van Pakoeboewaua II en Mangkoeboemi. Hij 
bad zich in Ngantang neergeslagen en zich bij de afstamme- 
lingen van Soerapati aangesloten. „Malajoe-Koesoema'' moet 
zijn Malaja-koejsoema, en de Soesoehoeiian biedt (sic) hulp, na- 
dat men hem er om gevraagd heelt. Noot 1. „Een groote rol 
bierbij speelt Alfèrès Emoep (vaandrig Imhoffj' had moeten 
luiden: in bet eind van bet botk wordt een Altcres Emoep 
genoemd (vaandrig Thomas Imhoff ), die zooals bekend is een 
groote rol heeft gespeeld bij de gevangenneming van Pange- 
ran Praboe djaka, doch hiervan blijkt in de babad niets, daar 
deze niet ver genoeg doorloopt. „Pirdimau'* moet zijn Pir- 
disuan (een Hchrijffout voor Pirdiunau); „ Liwauoeskf', moet 
zyu Li\iën Oe?ki (.aiJl^^^oS); „Kouimandant van Madioen 
Djanduuir', moet zijn Kommaudaiit van Madoera Djan- 
dauil. Alle namen zijn terecht te brengen, miu» men 
er zich maar even de moeite toe geelt. Voor Piidisnau zie 



460 

men biiven, Liwën-oeski is Alesaoder Maximiliaan Lich- 
Douwski, DjaiidaDil zijn de yooriiamen vao Oendellah, deD 
kommaDdant van Madoera ^Jan Daniël Goodelag), en Oenol 
18 Frans Bernard van Honnold^ in 1767 op commando naar 
Java; men vindt hem ook bij de Jonge, Opkomst, XI, bL x 
(Ilaanod) Het aaixiuiden van Hollandera met 'ban voor- 
namen alleen, waarvan deze babad twee sprekende voor- 
beelden leverde, is in haast alle Javaansehe babads frequent. 
Van noot 2 is het begin wartaal. Er staat: ,,Ue Commis- 
saris (dit slaat op Goudelag in den tekst) onder wiens lei- 
ding de krijgsoperatien verricht werden (Veth 501); intusschen 
met de uitvoering is ook thans belast Panegro en hier die 
tegen Malang, want Loeinadjang is reeds onderworpen" 
enz. Dat in de babad Punegro alleen tegen Loemadjang, en 
met Gondelag samen tegen Malang ageert, — zoo iets wil 
de schrijver van den Catalogus hier zeggen, — vindt men 
ook hij de Jonge. „De aardigheid tegen den gezant van 
{sic) Sata ' (heiloeld is de secietaris van Samarang, die den 
Soesoehoenan een brief van den Gouverneur van Java's 
Noord OobtkuHt had gebracht en het antwootd daarop weer 
medenenien zal) : agoeiig ivauodja walal (het hs. heelt nqa- 
lab {?)) is een staande uitdrukking. Niet de Socsoehoenan 
zegt haar, maar de opperkoopman {ovpèriwep'nan) Oepro 
(Jan Lapro), het opperhootd (oeptoep d. i. resiüeui) te Soe- 
rakarta. 

Bladz. 123. Selir is geen courtisane (^ic), maar eene con- 
cubine. In den zooeven hier genoemden brief van den 
Edelen Heer van Samarang, waarvan het schrijven van den 
Socsoehoenan een gevolg is, had deze tot den Socsoehoenan 
ge/.cgd; j^afigaloerahèn goesii pedjnh gPsntig, ik geef mij, heer, 
op leven en dood aan u over'. De bescheidenheid van den 
Socsoehoenan in zijn brief heeft dus al zeer weinig te be- 
teekenen. De noot. waarin de schrijver zijne bevreemding 
uitdrukt over Mangkoeboewana in pUats van Pakoeboewana 
— voor de derde maal, want men vindt hetzelfde ook reeds 
op bl. R7 en 110. had achterwege kunnen blijven, of had 



461 

anders moeten luiden, men zie Tijdschr. Ind. T. L. en Vk., 
XXXV, bl. 128. Het is den schriJTer zeker niet bekend 
dat nog geruimen tijd na zijne troonsbestijging (in 1755) 
zich de eerste Saltan van Jogjakarta Fakoeboewana noemt, 
en niet Mangkoeboewana, zoo in zijn brieven en op zijn 
zegel. 

Hoewel wij hier misschien reeds te uitvoerig zijn gewor- 
ben, voegen wij aan het voorafgaande toch nog het volgende 
tte. Want de op bladz. 122 te vinden opmerkingen van 
den schrijver zijn niet alleen gebrekkig; maar geven ook 
ergernis. Niet, omdat de schrijver daar ook nog zegt: ;,Dit 
uittreksel (het zijne nl.) komt in hoofdzaak overeen met 
hetgeen ons uit de geschiedenis bekend is'', of ;,Minder recht- 
streeks tot het onderwerp behoorende: van bl. 69 af tot on- 
geveer 85 worden de mutatie's in het ambtenaars-personeel 
te Batavia, Samarang enz. vermeld'' Men heeft reeds gezien 
wat de Babad Balambangan (1^ gedeelte) efgenlijk bevatten 
kan, zoo men wil, de in het oog loopende geschiedkundige 
waarde van het boek nog verder toetsen aan de dezelfde periode 
betreffende officieele stukken bij de Jonge en bet pa ral Iele ge- 
deelte van van Deventer's inleiding, terwijl geheel in het mid- 
den kan worden gelaten of de schrijver met „ons" uitsluitend 
zich zelf bedoelt, dan wel ook nog anderen, uit zijn lezers. Ëven- 
zoo neemt men dat „minder rechtstreeks'' mede voor wat het 
iS; althans als men weet dat die mutatien bepaaldelijk Hol- 
landers betreffen, die in het vervolg der geschiedenis, de 
verovering van Balambangan enz , hoofdpersonen zullen 
zijn: Vos en Goopi-Groen^ en dat die benoemingen om hare 
belangrijkheid te Batavia geschieden. Maar men vindt op die 
bladzijde ook nog het volgende: „Alleen wordt niet vermeld, 
dat Pangeran Wilis den laatsten voor de Balineezen noodlot- 
tigen slag bijwoonde. Volgens Veth ^) ontkwam hij daar- 
na naar Bali. In dit h's. komt bij niet voor onder bet nieuwe 
bestuur dat van Bali uit over Balambangan wordt aangesteld", 
en hierin laat de sc^hrijver den eerwaardigen ouden Hoogleeraar, 
nog in 1892, onjuistheden herhalen, die deze zelf reeds lang 



462 

gerectificeerd heeft. Niet alleen dat Prof. Vetb io zijn Java, 
waar hij over de ook in de babad Balambangan voorko- 
mende gebeurtenissen spreekt in Deel II, bl. 499 — 502, op 
bl. 502 in noot 2 reeds gezegd had, in 1878: „Er kan in 
't algemeen omtrent de waarheid der hoofdtrekken van bet 
bier verhaalde geen twijfel zijn, maar het is zeer waarschijn- 
lijk dat latere openbaarmaking van officïeele bescheiden zal 
toonen, dat ik in de bijzonderheden, en inzonderheid in hare 
volgorde en aaneenschakeling, hier en daar heb misgetast. 
Enz.", in het Register en verbeteringen, verschenen in 1884, 
staat daarenboven ook nog, en jaist met betrekking op de zoo< 
even genotmde bladzijden: „Het hier, meest volgens traditie, 
geleverd verhaal van de verovering van Java's Oosthoek door de 
Oostindische C(>mpa»:nie, vertoont zich, meer nog dan ik in de 
noot op bl. 502 vermoedde, in een geheel ander licht, na 
de toedracht der zaken met meer juiNtheid nit de archieven 
is aan het licht gebracht door den heer M. L. van Deventer 
in het door hem, ten vervolge op de Jonge's arbeid, gele- 
verde eltde deel der Opkomst van het Nederl. gezag ia 

Oosi-ludië, hl. 1 — 35 Ook van dit gedeelte ia 

een e omwerking noodzakelijk " 

De waarde van den eersten en den laatsten zin in het laatste 
citaat uit den catalogus treedt aan den dag, als men zich herin- 
nert dat het relaas en de otfirieele Htukken bij de Jonge niet an- 
ders leeren dan men in do liabad aantreft, z.ioals de aanhalingen 
en verwijzingen boven naar de Jouge's XI« deel, dat in bet 
licht stelden. 

Hoe oppervlakkig de boeken zijn ingezien kan bijv. blijken 
nit de gelijkstelling van Roorda van Eijsinga's Uamar woe- 
lan tekst met dien van Winter; men herinnere zich bijv. de 
episode met de halmer» vóór dat Damar woelan Madjapahit 
bereikt heeft, de episode van den meestersmid Ëmpoe Loe- 
bang (elders Loembang), enz.; 



') Ik spatieer 



468 

tiit het perpetneereii van de foutieve bewering van Palmer 
van den Broek, dat de door Winter in 1853 te Semarang 
uitgegeven Ardjoena sasrabahoe die van Jasadipoera I zon 
zijn; in het eind van het boek zegt Jasadipoera II (hij 
noemt zich met name), dat hij dien tekst geschreven heeft, 
omdat die van zijn vader Jasadipoera I niet voldeed; 

nit het niet releveeren van het verschil, dat er bestaat 
tusschen den van Dorpschen Eantjil-tekst en dien van Palmer 
Tan den Broek; 

nit hetgeen men vindt bij de Adji Saka onder het 
hoofd Uitgaven en Literatuur vergeleken met hetgeen over 
de onderlinge verhouding der t. a. p. genoemde stukken voor- 
komt in de beschrijving van H3S. XL— XLIVi); 

uit het tegenspreken van het door Mounier positief vast- 
gestelde jaar 1735 als dat van de Panitisastra van Sastranégara. 

Wat dit laatste betreft, ziehier wat Mounier geeft (Tijdschr. 
V. N. ]., 5« Jg., II, bl. 236, 237, 241 en 242) en wat 
mfn in den Catalogus aantreft. 

Moanier. 

„Om mg nu te bepalen tot de Pannüisastro, zoo is het be- 
kend, dat daarvan in het jaar der Javaansche tijdrekening 
1725 (A. C. 1798) eene dicktmatige overzetting in het Kawi 
miring is gemaakt, waarop in het Javaansche jaar 1735 
(A. C le508) eene andere in het Kawi Djarwo gevolgd is, die 



*) In de Addendi et Corrigeoda vindt men: «Bl. 20 voe^ bij Jdfi Sata-. 
Cod 21 -0 en bij de Literatuor: Tijdichrift B. G, XX XIV. 1." De lezing van 
de blmlvulliiig waarop de verwijzin.< s'aat <niea zoeke haar op bl. J04'. kan 
doen zien wat den schrijver omtrent de Adji Saka-redactiee bekend was, toen 
vel 2 van den Cataloiens werd afgedrukt. Cod. 2150 ia^CCXCV «(Mede io 
mnnoficript van Winter): Javaansch leesboek vo»r de «choïen". Op biadx. 20 
heeft men dui te lezen: •De Adji Saka (Cod. 21508 CCXCV «MeJe in ma- 
nuscript van Winter): Javaansch leerboek voor de scholen) komt voor in Cat. 
Eng. onder no. XXII, en MSS Bat. Gen. Krupak's: :i6i." Dit laatste wurdt 
sleeht< gereleveerd om één voorbeeld van de waarde dier adden«U te gtrveu. Ëngeliiian's 
no. X XII is e«-n sërat Habad tanah Djawi t?), diens no. XXI II 0»ier bedoeld, zie Cat. 
bl. 19) is eeu iKmbatig tekst, aU die waaruit Wjnter's omwerking on »tonJ, de kropak 
van bet Bat, Oeu. no. 36;) (toevallig werkelijk een Adji «aka tekxt, zo<iaU in den 
inventaris ataat) een redactie van die anden Adji Saka, waaromtrent Puansen 
Ons reeds Toor lang inlichtte. 



464 

weder in het JaraanBche jaar 1746 (A.. C IS19) door Radken 
Pandji Poespo Wtlogo, in Javaansch proza op een vrij onnaaw- 
keurige wijze is overgezet. 

„De test van de Miring, die door Kijahi Ngabehi Jaso 
Dhipoero opgesteld is, en die der Djarwo, die het weik is 
van Rad hen Töeinmenggaeng Saslro Negoro, enz. 

,,Het boek der Pannitisastro of het keurig onderzoek der 
geschriften in het djarwo, of taal der uitlegging, op- 
gesteld door Kadlien Toemmeng(2;oeiig Sastronegoro. 

1746 (A. C. 1816) 1). 

, J. Om den last van den vorstenzoon >) te volbrengen breng 
ik de voortreffelijke gelijkenirtsen over, te Sb^/yiit^r^i uilkomen- 
de, in 1735 '; (A. C. 180^;), in welk jaar zij voor heteer»! 
verkondigd worden. NiUsasho worden zij genoemd, . . . '' 

Catalogus. 

De beschrijving van HS. GLXIV in den Catalogus (bl. 262) 
luidt met de aanteekeningen : 

„Dit fraaie hs. bestaat uit zeven stokken. 

,,No. 1 is groot 10 biz. groot folio. Voorin staat: Seral 
Sas I ra Panitiy lembang Kaw %, sekar agetig] panganggillipoen 
Praboe Widajaka. 

„No. 2 is de djarvva. nl. Kawi en djarwa-bewerking 



') (Noot Moumier.) iDeze datam vau 1 746, welke op m\ja bandsehrift roorlcomt, 
Ib Tan geciie beteekeois, en ia er misscbieQ bijgevoegd door dezeaof gifneocopüit, 
die zich een afs hrifl deze Panniti-Sastro maakte/' 

'^) (Noot Mouniêr.) » Deze vorstea-zoun of Krooo-prinè wia de sooa Yao Phkoa 
BoewoDO IV, en broeder vau den thans regeerenden Suesoeho naii Pakoe Hoewooo 
VII dit wifd goiehreven m 1843). Hij zelf heeft ia latereo t^jd van 1S81 tot 
1824 te Soerakarta geregeerd onder den naam Pakoeboewana F)." 

*i {Noot Moanéer,) zDii jaartal 1735 is in den text aldw geechnTen: 

Toto- Tri- Gooro- Ratoe 
dat il: regel, drie, geluid, koning. 
6 8 7 1 

aUeze vier woorden, worden volgens de bepalingen van de Javaaaaehe semghila 
of tijdrekening aldns gebezigd en gerangschikt om de vier e^itt» vaa dit jaaital 
1736 Qit de drukken. * 



466 

vau uu. 1 eu groot 25 blz. ^root tbiio. Voorin staat: Seraf 
Panili Sas tra Kawi kadj arwannau, 

„No. 3 is betiteld Sera/ Panili Saslra Kawi-mirinq, 
sekar ageug, panganggillipoen Kjai Ngabehi Jasadipnei*a .ni^Mtn^ax 
(Jav. jaar 1Ï25) in 18 zangen*, groot 12 blatiz groot folio. 

„No. 4 = no. 3, maar met een andere grootere letter, is 
groot 15 blz. groot folio. 

„No. 5 is een djarwa- bewerking naar no. 3 en no. 4. 
Voorin ntaat: „naar een MS. vau Winter'* het is groot 18 
bladz. folio. '). 

„No 6 is weder een (//Virtua-bevverking in tien zangen, groot 
15 blz. groot folio. Voorin staat Serat Panili Sas f ra 
Djarwa mawi sekar mat ja pat, panganggillipoen Raden Toemen- 
goeiig Saslra Nagara cmrué e^ (Jav. jaar 1746). 

„No. 7. ld een proza bewei king groot lö blz. groot folio. 
Voorin staat: Strai Panili Saslra djarwa lanpasekar^ 
panganggillipoen Raden Pandji Poespa Wilaga (mtunjios (Jav. 
jaar 1770). »)" 

In een zeltde lijn zijn er andere zaken, die een schier ge- 
heel passeeren van door anderen geleverde studies, van de 
inleidingen door hen toegevoegd aan door hen uitgegeven 
werken, enz., moeten doen veronderstellen. Hoe anders kan 
men er toe komen, om nog een paar voorbeelden te noemen, 
te betwijfelen dat de Jav. Tadjoesalatin gegrond zou 
zijn op de Maleische, een bock, waarvan het bekend is 
dat liet voor eeuwen door een Mal ei er werd gemaakt, 
en dan daarbij nog de Hollander voor de inhoudsopgave aan 
te halen, bij wien op de vorige bladzijde toch duidelijk ook 



') [Nooi Oai.) ^^ Wellicht is dit (m'c) de bewerking door den heer Monnier in 
sQn voorbericht (zie boven) vermeld en dagteekenende van het Jav. jaar 1735.** 

'^) {Htfoi Cai.) 'He heer Mounur t. a. p. vermeldt in plaats va no 6eii7 
(ac> e«u<i prozabewerking door R. P. Poespa Wilogo in ««av. jaar 1746 en twQfelt 
(i€rechi'\ aan de echtheid van de aaa het hoofd zijner vertaling voorkomende 
(en met ons no. 6 overeenkomende) op^rave. De opgaven in Cat. £. onder no. 
LXXIII \waarin dezelfde fout poorkomt) komen overeen met die van oasen codex*'. 



466 

dM ieit vermeld staat? of wel, wat beduidt het, op te geven 
dat de Jav. vertaling van de Mal. liikajat Ibrahim (vau 
Irak) door Koorda van Eijsinga (zie zijn voorrede) afwijkt 
van de vertaling, die later door Winter van dat zelfde 
boek werd vervaardigd, en er aan toe te voegen dat het be- 
loop van het verhaal in dien tekst van Winter overeen 
komt met het beloop van den Maleischen? Men zie den Ca- 
talogas bl. 301, en 216 en 217. 

2ielf8 waar het slechts een beschrijven van het uiterlijk 
van een geschrift betreft, zgn de fouien van een aard als bijv. 
de navolgende. 

Bladz. 264. In plaats vau: „ . . . vooral na zang III de 
twee eerste strophen zyn vrij wel gelijk, maar het 3« vers laidt 

bij R. V. E/\ leze men: vooral na zang II, de twee 

eerste versregels of vierels van de 1« strophe van zang 
111 zijn nog vrij wel gelijk, maar de 3« en de 4« regel 
luiden bij K. v. £. 

Bladz. 265. In plaats van: „De inrichting der uitgave 
van R. Y. B. is als volgt : Eerst de ATatiut-tekst in roode letter* 
met de verklaring van eenige Aatvt- woorden en dan de Djarwa 
of vertaling in nieuwer Javaansch'', leze men: De inrichting 
der uitgave van R v. E. is als volgt: Eerst de Knwi lekst, 
telkens een versregel, in roode letters, en dan in zwarte letters 
lo de verklaring der enkele Ka wi- woorden, en 2o eene vertaling 
van den versregel in zijn gelieel in nieuwer Javaansch. 

Bladz. 266. In plaats van: „de uitgave der Landsdruk- 
kerij heeft niet in den Kawi-tekst verklaring van enkele woor- 
den, doch na elke pada een soort van Kecapilulatie in nieuw 
Juvaaiiseh", leze men: de uitgave der landsdrukkerij geeft 
den tekst en de verklaring in twee kolommen naast elkander, 
de versregels daarbij uiteen houdende; links staat bet kawi, 
rechts de djarwa. Aan bet slot of den voet van iedere strophe 
(van vier regels) wordt met doorloopeude regels de djarwa 
nog eens herhaald. 

Bladz. 340 staat: „Dit fraaie hs, bestaande uit twee sa^im- 



467 

gebonden stnkken omvat volgens het opschrift ^^Djoegoel 
Moeda, Soerja Ngalam en Rodjo Kopo Kopo". Hoewel de 
redactie van dit werk hier en daar groote overeenkomst heeft 
met de eerstgemelde vertaling van de Soerjo Alam. ..." 
Er moet staan : Dit fraaie hs , bestaande uit twee saamge- 
bonden stukken, omvat volgens het opschrift vóórin „Djoegoel 
Moeda, Soeija ngalam en Rodjo Kopo Kopo". Het eerste ge- 
deelte geeft zelf evenwel als titel „Koentara Radjaniti Soerja 
ngalam Radja Kapa-kapa (en) Djoegoel Moeda \ Hoewel de 
redactie hiervan hier en daar groote overeenkomst heeft met 
de eerstgemelde vertaling van de Soerja alam . . ." 

Bladz. 123 sub Babad Basoeki leze men in plaats van: 
„Vóór in het origineel staat: koelicha liredja enz.'': Vóór in 
het origineel staat op de eerste bladzijde in Javaansche letters: 
Kanene Baxoe/a en op de 3^^ met ljSi\\}nfichG: koelieha kredja 
enz. Op bladz. 6 vindt men de eernte strophe en het begin 
van de tweede van het boek met eenige fouten er in. De 
schrijver heeft daarom daar zijn werk gestaakt en is op nieuw 
begonnen op bladz. 8. ^) 

Qaan wij verder. Wanneer men zich aangordt om een 
catalogus van een verzameling handschriften te schrijven, dient 
men in de allereerste plaats in het bezit te zijn van eciiige 
kennis omtrent elementaire zaken, o. a. dient men bekend te 
zijn met de wijze waarop de schrijvers gewo >n zijn tijds- 
bepalingen af^n te geven (sén^kala), hun metriek, het schrift. 

Op bladz. 150 zegt de schrijver naar aanleiding van de 
drie singkala's, door hem in de Hikajat prang Mëkah aange- 
troffen: boemi sa^Ja esli naga (\lnH)^roniiig wanaaksaumngsa 
(1276), boemi koeitdjaia pauija goewa (1859), waarin slechts 



') In pluU van Rad'n (t ayoe in den Catalofpu heeft men te lesen Radint 
ajoe, waarin Radiot uit den wecrointuit voor Kadin ( ss Raden) geschreven ia, 
omdat resident, kommandant e a. reaidcn, komaodan enx. i\jn geworden. 

Tea einde den lezer is staat te etellen kich een oordeel te vellen over de 
waarde der taalkundige opmerkmcen van den schrijver omtrent nu. 63 en 04 
der Jav. HSS. v. h. BaL Oen., Cat. hl. 120 en 123 volg., geven wij hier ait 
ieder een wiUekearig genomen itruphe. 



468 

het woord tvana eenige moeite geeft ^). „geeu dezer chrono- 
grammen is met de mij ten dienste staande middelen te 
verklaren/ Nemen wij aau, dat het niet de woorden zijn 
geweest, behalve dan dat wana, die hem bezwaar hebhen 
gegeven, het moeiel ijke van deze drie sengkala's, die als 
zij in het geheel geen tegenhangers hadden, zich zelf 
reeds zonden verklaren, moet dan voor den schrijver ge< 
legen hebben in de minder gewone, geenszins ongewone 
volgjrde der woorden, boemi sapla esti naga^ niet naga esti 
sapfa hoemi; enz. Maar ook dan no«?, blijft het even onbe- 
grijpelijk met wat voor reden de Rchuid geweten wordt aan 
de den schrijver ten dienste staande middelen, want zelfs al 
zou het nu ook het geval zijn, dat de schrijver, als met zoo- 
vele andere boeken, studies, enz., onbekend gebleven is !<> 
met de passage „6 e w o o n I ij k en ook hier moet de Sengkolo 
van achteren gelezen worden*', bij Roorda van Eijsinga, 
Handboek enz., 111, 1, hl. 302, waar deze een sengkala 
geeit van de verwoesting van Madjapahit; 2^ met den vol- 



No. 63. 

tji 'xï -Cl »,i ^ tA \ Ajnaif^tu^nt tnjj t,n ici n| kmês »jf r^ ki n 0^401 t»iA9sn^\ n^juta 
z^^,.") .00 o /^ 00 

No. 64. 

In het laatste HS. (no. 64^ vindt men baast fren>geld, io do. 63 sporidiseli, 
•i gebraikt io plaats van -e 'suff. 2)e pernoi terwijl in do. 64 alleeo, 4ai teeken 
i om een bgsuodere aitspraak van een laatste open syllabe met « (mkêarm ^i/am 

aan te geven, iroorkoiiit,bij v. «/n ua < t:n «j« < kaja ngapa, u» ijntt§ fnri «• * Jtaoeis m- 

ma, doch ook «Ji'ri<^<:n<4$7i< Wirabrafa. Voorts vindt men in 00. 64 voor den 
maat PaQijanir goela .leu naam Kaïjang iiljo, eu in plaats van Doerma dien vaa 
Kaleboe gêni gebruikt. 
') fTuna, iLxta schijnt een fout voor /.ajMr, m mn verkorting van Mjtmm,oo§. 



469 

genden zin, die in Hageman's Handleiding tot de kennis 
der gescbiedeniS; aardrijkskunde, iabelleer en tijdrekenkunde 
van Java (zie deel II, bl. 391) voorkomt: „de volgorde der 
cijfers is van de regier naar de liiikerband, en omgekeerd''; 
3<> met de reeks van zulke ongewone sëngkala's, die naar 
alle waarsebijnlijkbeid voorkomt in bet boek, dat in den 
Catalogus Bandoeng beet, nl. in de episode van Adji Saka, 
bet gaat toch niet aan te veronderstellen dat bem ook gebeel 
onbekend wezen zou, dat in bet Leesboek acbter de Beknopte 
Javaanscbe grammatica door T. Roonia, ook in den door 
den Heer A. C. Vreede in 1882 bezorgden druk, 
een stukje (voor eerstbeginnenden) voorkomt, dat begint met: 
KrtlauHtftoefi Adji Sa ka angedjawi^ djoedjoegtjipocn ing rédi 
Khi4engy adatnel sengkala mr awoek-latipa-Ujaloe^ in bet Hol- 
landscb. toen Adji Saka naar Java kwam, ging bij bet eerst 
naar bet Këndëng gebergte; bij maakte (doelende op bet ont- 
staan van dat gebergte, dat, zooals men weef, volgens de 
traditie der Javanen, bet oudste stuk van Java is, ten gevolge 
waarvan bet eiland ook noesa Këndëng beet) de bëugkala: 
verdwenen- vergaan-zouder- man, OUÜi. *) 

De metriek. Op bladz. 251 en 252 worden drie redacties 
van den Üewaroelji bescbreven (Cod. 1?>04, 2028 (3), 2040 
(3j en 2318). Er wordt wèl op gewezen, dat er verscbil in 



') £ene oploiitiDg in cijfers van tengkala's vindt men in den Catalogna ge- 
«rooulijk «leclita dau alt deze in *t HS. ock reeiJs vo'trkwam, of ern ander er de 
crfen reeds bij bad ge)-la tst, zuouls bijv, Rafiles naubt de t-engkala mt den 
Rangva I awe; zie zijn Histoiy t. p. Het woord wasitan in die tengkala heeft 
den feclirijver geen moeite gegeven, en onbekend in het hem vermoedelijk dat 
de IlSS. van dat boek, behalve inisbchieii het Leidtiche (P^ geen toja, umaiiaja 
hebben. Hoc sterk de schrijver is op het si uk van de cijferwaarde der «eng- 
kala>woorden ziet men uit Cat. bl. 288, wanr men lee^t: ».... de sengkala taia 
goena iwareng naia; aan het einde wordt daarvoor opgegeven obah goena Mwa- 
reng dagad, beide beantwoorden aan het Jav. jaar 1736'; bl. 323. »tata refi 
Motlang djalma of Jav. aar Iwo"; bl 7 »dc djarwa van 1790". Met dit 
laatfete kan kwalijk iets anders bedoeld zijn dan de bekende gedrukte Barna tekst, 
waarvan de sengkala luidt nrneng taia pandiieng siwi. Het zoo gewone w»ord 
voor 6 '{taia), een stuk van taiagati, wind, heefi nu ee •& de beteekenis van 6, 
van weer van 5, doch ook van 9, en moelang vleeraren, du» ■=: loeraar 



470 

redactie bestaat, maar niet dat de twee redacties vertegen 
woordigd in cod. 1804 en coJ. 2040 in zoogeu. groot e 
maten zgn gesteld. *). 

De geoefendheid van den sclirijver in het lezen van het 
Balineesch-Javaangclie 9chvi/t der kropaks blijkt gebrekkig 
te zijn. Het Tri Adjbana, met b op bladz. 399, in plaats 
van Triadjiijana, kan zijne geboorte slecbts hebben nit 
de onistandiglieidy dat hij niet wist dat de pasangan van 
nja in dat schrift er nitziet als een aksara ba, terwijl lii) ook noi; 
lungs geheel anderen weg het juiste had moeten vinden, 
want de combinatie djb is een onmogelijke, en woorden als 
adjuja (thans ognja) eüjadjnja (thans jctgnja) zijn overbe- 
kend '). 

Zijne in het oog loopende onervarenheid in bet Arabiscbe 
schrilt, .... men zie de nieuwe editie van het Javaansche Woor- 



pandita, V blijft onverklaard. Leerrijk is ook wat men aantreft op bladi. 120. 
lo. deugt de beschrgving van het HS (Babad Balambattgan> niet. Het begint 
nl. met twee iieiiu;kala*s, één die belrekking heelt op het afscnrift door den 
schrijver self vervaardigd?), sima ilang goenoeng hoemi (1700=; AD. 1774) 
êeftgirahne doek timoeraif en een tweede goetoa nitnga obah boemi (1699 ^ AD. 
1773) doek poerwani rfnoempaka, die slaat op den t\jd 'één jaar te voren) dat 
bet boek werd opg^stelJ; en 2o. geeft de schry ver daarbij deze aanteekening: «^Deie 
sengkala {de tweede) kan mceiiijk juist z\jn; rolgena du Tjundra sengkala tuch repre- 
•eiiteereu de wourden ohah en toemi de cijfera i\ en 1 ; de dtttnui van het lu. zon 
dus zijn 16. . Jav. tijdrekening, en welke waarde de woorden goeva 
en manga ^lees: menga) ook hebben, men bekunit op zijn best (nc> den tjjd 
waariii de in het hs. bebandelle gebeuneuiosen (Ht 1767) h bben plaats gehad. 
Het woord obah (6> zal wel eeu schrijffout {sic) zijn vuor een woord dat 7 votirstelt". 
Noch goewa (grut), noch menga (upenaiaan), beide 9, geven eenige moeite. Tot 
welke gevolgtrekkingen men komen muet, als me i zich één oofieublik door den 
schrijver laat leiden, is duidelijk. Het boek zon iu 1799 (AD. lt$70) gemaakt 
sijn, zoo ais blijkt uit een afschrift ervan uit 17i>0 (AD. 1774) Vermoedelijk 
zal de schrijver ook dit iaat>te gewijzigd willen hebbeu in ISOO (AD 1871). 
Nüt. K. O. V. (1867), bl. 56, bericht evenwel, dat het HS dat bjj dai ge- 
nootschap berust, het oorspronkelijk van het Lei.ische eiempluar, in April U67 
duoT den Heer Lucardie reeds ten geschenke werd gegeven. De 6éugkata*s op 
bliids. 121 kama troesing limdoe boemi en koepinge t,eleng anUoengkèr boemi 
beantwoorden beideu aan 1692 {= Al). 1766/07). 

^) Dit is de eenige platts in het boek, wy spreken hier slechts van bet 
nieaw-Javaaii«che gedeelte, waar het noudiic was er op te wgzen. 

* ) Men zie ook het gebrekkige citaat uit den Ahmad Moehamad, bl. 406 (het 



4tl 

denboek van 1886; de weinige zinnen of woorden in Arabiseh 
achrift, die voorkomen in het 3« deel zijner Handleiding tot 
de beoefening der Madoereesehe taal van 1888, bl. 349 volgg.; 
de namen door hem in dat sehrift aangehaald nit de Babad 
Bantën, Üat. bl. 112 — 119, en sta den schrijver dezes toe het 
citaat ^) nit een Anbia over te nemen, zóó als men dat in den 
Gatalogas vindt op bladz. 25. 
Wat het eeiste betrelt lezen wij hier het volgende op: 
Woordenboek bl. 84 oi^l 99 ^^c (lees ^^4x),lllijUc) 

(lees iSM)y 136 ÜLi, 139 j-y, 194 ^^..^ (lees ^U*.^) 217 
j.^,219 'b^, 265 ^Ua/, 349 Jj ( Jj dan), 457 ^Uï, 
541 C-^JlTJüu* (voor jjjl tXjUi), in de Bijvoegsels ep Ver- 
beteringen (bl. XL) leest men met het oog hierop nog „volg. 
Jb. ^J»Ui (verbetei' in loco Ja-.)"> 555 »y*.«*»^, 671 JUa 



802^^1, 844 ^^, 871 ^^, 922 Jji^, 925 j^^,enz., 
Handl. III, bl. 353 ^ym. (lees i^jl^*.), 366 Jöjvi)\,' (lees 
^^ ïl^); Catalogus ^)sS en daarnaast „Kinaja", ^^li is 

»Pasir", enz 



tweede, ontleend aan Cod. 1877). Voor ^«^^j moet men dur lezen ^^^. 

Is daar de paaangan vervrard met , het twetde soekoe mëndoct leeken? 

en ^ 

Daar hier van Javaansch schrift gesproken wordt, is het niet anders dan ge* 
p»st op te merke >, dbt de citaten, die voorkomen op blads. 3Ö3I, er vreemd uit 
sien. Terwijl er over aksara s gesproken wordt; er gezegd zal wurden welke de 
aksara*s zijn en hoe zij er nit zien, heeft de een of diiBnütTa^sard't,paMmffan's 
eu swara's bont dooreen gemengd. Als de tekst in urde u as, zon er in plaats van 

C*" QJ Cu 

CA C^ OJ' CJ ^ 

ge«taan neboen: gjni^a_-:ntirift\9^Tiit:tiu^ txxm\ (tpi^tjuotanm^ «5ni^iuiutên\ sm 

*) Het e e n i g e in den catalogns in pe^an, uit meer dan een enkel woord 
bestaande. 



472 
In den Catalogus vindt men op de genoemde bladzijde, 

^ J Am^ ^ ^»H ^y cr^^ f-^] t/*J^ ff^ ^;y ^ 

^^jt ^j &* c^-? ê*^' *r^ ^*^ óv^*^ w/^ éf ^ é>*^ 

^ >» O^ C y 4- ^ ^ ^ ^ o) i*f «Pi.* 

UyyCfi^ ^;^)l iji^UJ LLTiXAc bjj dLXc ^^yt. JLx^) ^^yLu 






Dit citaat bestaat uit anderhalve stropbe io den maat As- 
maraiidaiia. In de eerste of in de derde padalingsa van de 
strophe, die voluit gegeven is, komt een fuut tegen deu maat 
voor. Vermoedelijk in de derde. In die meening wordt 
hier het monHtrum' als volgt hersteld. 

t* liT^ *^ t^ ^SOJO l?y JU} «S^) ^jy f^ ySj:^^ 



t. ^C ^ ^ Ox Co» •^'V C/'^& C/'^ C^<^ 0<C.«' tl ^t> ^ Cf ^ Ka ^ ^ 



v)3^jt ^j er '^^ è^^ *T^ '^'*^ t-y-^ <J^ ë^ ty^ 

In Latijnsche letters zou het zijn: aioere noedjoem wéxèsi 
(wewasi), itfgfjfih wnnten orga bendjattg, kang (lees: mghing) 
rnèstih lun snug katoiig, mngtng niangfce dereng niedalj mèitth 
attetig vcelengnn, sang radja pivngon gegèloeny aiujgetém niosing 
miuiah. — Üadja ngaiuUka nnrpaliy lamoen mengkonva paman^ 
wottg me eng heljik binedel. ^) 

Stappen wij thans een oogenblik van het Javaansch ai 
om er straks nog even op terug te komen. 

*) Het pegon teekea ?oor de pèpk (de p^>fam) was hier niet voorliftiideB 
Dat men zich heeft weten te behelpen, terwijl hier geen lettert knooeii worden 
gckoteu, xiet een ieder. Mogelijk is het, dat ook de Arma Bnll het teekeu utet 
bezat, doch bij de bekende royaliteit dier firma in zulk soort zaken bad het den 
schrijver vaii dea Catalogus maar een enkel woord behoeven te kusten omi bet 
gebrek verhuljjen te zien. Dut de firma A. W. Sijtlsoff te Leiden hti re«ds 
in 1874 in voorraad bad, blijkt uit Mr. 6. J. Grashuis^ aitgave van den Som- 
daueesehen pegoH tekst Zedeleer naar Ghaziali. 



47a 



De CatalogoB biedt voor wie de |,Handleiding der Madoe- 
reesrhe taal'" en de uitgave vao de Tjareta Braknj van den 
schrijver kent, weinig Madocreesch nieuws. Slechts een vier- 
tal geschriften zijn nog niet gedrukt. Drie van dezen zijn 
schrijver dezes onbekend. Van het vierde, de Bajan boedi- 
man (bl. 412 en 413) ^), is er een exemplaar in de verza 
melingen van het Bat. Genootschap. Maar wanneer men den 
inhoud daarvan vergelijkt met wat men bij den schrijver 
vindt^ dan bestaat er, bij alle overeenkomst^ zulk een ver- 
schil, dat vergelijken slechts gedeeltelijk mogelijk is, daar 
men het Leidsche gebrekkig kan noemen. 

Zon dat intusschen wel aan het H3. liggen? Na het voor- 
afgaande over de nleuw-Javaansche HSS. spreekt schrijver 
dezes hier als zijne meeniug uit, dat dat niet waarschijnlijk 
is, en op welke wijze de schrijver vap den Catalogus gewoon 
is ook Madoereesche teksten te lezen, kan hier nog eens 
nader blijken o. a. uit het hieronder volgende staaltje. 

In IbSS publiceerde hij in het Ill^« deel zijner Hand- 
leiding, bl. 159— 16«, 177—240, 233— 238,— de bladzijden 
volgen elkander zoo op, doch tusschen 168 en 177, of 240 
en 233 zijn geen lacunes in den tekst, — een Ëntol anom 
tekst (op bl. 159 Ëntol anoman), in het voorberigt gequali- 
ficeerd als „een min of meer zelfstandige bewerking van 
Raden Djaja Koesocma, schoolmeester van Bangkallan, van 
recenten datum". „Ik heb, — zoo zegt de schrijver verder, — 
aan dezen tekst de voorkeur^) gegeven boven dien van 



') Wat op bl. 412 ea 309 fiajan Boedimaa heet ia d«i Tjantri, Ijangtri. of 
Tjatri, vgl. den briuf van Dr. van der Tuuk, Nut. XXIX (1H9I), bL 33. Deiia 
toetcetoetcd aao bet referaat over den Mudoereescheu tekit van dit boek, op 
btadx 413, duet vragen of de schrijver van din Catalugas met dien brief wel 
onbekend i» gebleven. Eigenaardig ia dat zelfs, in bet Madoereesche ^ed«elte van 
den Cat., geen melding iê gemaakt van de gedeeltelij ke uitgave van de Tjareta 
Prakaj duor Dr. J. J. van Limburg Brouwer, met bijschrifi (1&76;, boewei 
daameveDB gereleveerd moet W'>rdeu, dat thana (in 1892) de groote verdienate 
van sijne opmerkingen ook door den achrgver, zie Cat b), 838, erkend fijn. 

') Ik apatieer. 

Tijdacbr. lud. T. L. en Vk., deel XXXV. 3J, 



4)4 

andere in mijn bezit zijnde afschriften (alle in dichtmaat)| 
door dat hij uitvoeriger is en den waarborg aanbiedt van 
bewerkt te zijn door een beschaafden i) inlander. Intos- 
scben sojals gezegd is, hij bevat heel wat moeielijklieden, 
die ik door vergelijking met andere afschriften niet heb 
kunnen te boven komen; die afschriften toch verschillen 
al te veel in redactie niet alleen, maar ook in conceptie." 

Die tekst nu is een afschrift van een exemplaar yan een 
Ên|i>l anoui; waarin van voren en van achteren nog andere 
vcrhaali)es voorkwamen. Dat exemplaar^ dat, omdat de bui- 
tenste bladen door het vele hanteereu verfonfaaid waren, 
ergens open, en toen biunenste-buiten was geslagen, is daarna 
alsof de bladzijde no. zooveeli die nu boven was gekomen, de 
eerste pagina van het US. was, afgeschreven. Dientenge- 
volge bestond het afschrift uit l^ een vervolg van de Ëntol 
anom, 2^ de verhaaltjes die in 't einde van 't HS. voor- 
kwamen, 3» die welke voorin stonden, 4» het begin van 
de Êntol anom. £n aan dat afschrift nu werden nog een 
tweetal fragmenten van weer anderen aard toegevoegd, die 
zelfs nietd gemeen hebben met die in het midden voorkomende 
verhaaltjes, nl. &> een stuk van een landbouwkalender, waarby 
het woord gericht is tot een kaka (oudere broeder) en 6^ 
eeuige strophen moreele raadgevingen, die weer met dien 
landbouwkalender in geen verband staan. 

Dien tekst gaf de schrijver uit, in dien vorm. Hij maakte 
er een inhoudsopgave bij, waaruit blijkt dat hij gezien heeft dat 
bet begin van het boek in het midden (bl. 193) gezocht moest 
worden: „Op bl. 185 (= bl. 193) dan begint eigentlij k de 
Eutol Anom", en die hij eindigt met deze woorden: „Anibar 
sari belooft naar het goede te zullen trachten en smeekt om den 
zegen van haregoeroe. Eindelijk wordt aan den zoon 
van Seh en N)ai Ooenoeng Djadi een beschrijving 



') Tevens bratttl en geTit, alt die andere, Dji^a adinSgart, die (ttcii sie 
de Handl. IV, Voorbcrigt) beweerde dat het afschrift van da Raden 8ë|cara,dat 
hy Kond, genomen was naar een manoseript op luntarblad met Arabiscli kamk* 
Ws iêic). 



476 

gegeren der in de verschillende saizoenen nood- 
zakelijkef verrigtingen voor den landbouw ^); 
met een opwekking aan jongeren om de raadgevingen hunner 
onderen eerbiedig op te volgen en de deugd te betrachten''. 
De gespatieerde woorden in dit laatste (dtaat zijn sclirijver's 
interpretatie van het volgende, op bl. 236 te vinden, gedeelte: 

o / r> / 

Cy Q /^ . o 

In het Hollandsch: Bet verhaal nu in het kort samen- 
vattende. De vrouw van Seh Goenoeng Djadi overlegde 
met haren man, want zij hadden een zoon, Péiidara Sarib^ 
die de Koran lezen kon, mooi was, en den huwbaren leeftijd 
had bereikt (en dus uitgehuwelijkt moest wordenj. Zij zeide 
tot haren man: Als u het met mij eens is, dan moest uw 

zoon {hier eindigt abrupt het fragment van de Entol 

anom, dat hel begin van het verhaal is), — {En dan begint hel 
eerste der er nog bijgevoegde fragmenten^ een gedeelte van een land 
bouwkalender.) Liedje van den natten (barat, eig. westewind) 
en den droogen tijd (katega, eig. de 3^ maand). Gebarsten is 
de boomstam in het water, ais het de derde moeson is, oudere 
broeder, dan groot als een rijstschuur een getp^ing (?), is de 
oostewind hevig, telkens zijn er wolken in het oosten, de 
noordewind is nabij (?), de noordwestewind is tot rust gekomen, 
(en) in het zuid^^esten zijn er noorde(5ic)win(ljes, • . enz. 

De laatste cursief gedrukte woorden zijn vcangsulaiCs (om- 
schrijvingen van verzwegen rijmwoorden). Welke woorden er 



*> Ik spatteer. 

*) In den tektt tm»^»v De volgende padalingM ie gebrekkig. 



476 

bedoeld wordcni weet schrijver dezes niet. Ook het begin ved 
de strophe tuffrutffatKn-m^fftsnim /'iet er als een wangsalan 
uit, want Harat katiga is de staande naam van een b wdschapper 
of spion in romans enz., bij de partij, die het ondcrttpit moet del- 
ven. Lalouget Barat kahga (het soherp van Barat katiga, d. i. 
iires oi een ander woord) is hier zeker jnistom de aardigheid 
als titel gekozen, en de beteekenis van ,,liedje'', door Ujiija 
adinëgara voor bilongel op<^egeven, zal wel een afgeleide zi)n; 
misseliien is zij juist aan het geschrift, waarvan men t a. p. 
een fragment vindt, ontleend. 

Het laatste fragment, of 6», begint op bl. 23S. 

Wij moeten nog even terugkomen op bet nienw-Ja- 
vaansehe ge'^eelte van het boek, doch meer om er zoo min 
mogelijk nog van te zeggen dan om er verder over uit te 
weiden. De lezeriszonder twijfel door het voorafgaande reeds 
tot de overtuiging gekomen, dat er van het boek, dit ook 
in zijn geheel genomen, niet veel deugt, de bevinding van 
schrijver dezes. Inderdaad, het is in hooge mate onvolledig, 
en een doorloopende reeks van onnauwkeurigheden en onjuist- 
heilen, die getuigenis afleggen van een slordigheid en een on- 
kunde, — soms van betweterij en voorgewende kennis, — waar 
men verbaasd van staat; de misstellingen en misvattingen volgen 
elkanc^er geregeld op, de eene nog vreemder dan de andere. 

liet spreekt daarom dan ook van zelf dat hier slechts een 
oogenhlik wordt stil gestaan bij de wijze waarop de boeken 
geclassificeerd zijn, of in de aangenomen groepen zijn gerang- 
schikt. Dat de schrijver zijn stof niet meester kon wezen, 
is duidelijk. Hoe absurd de indeeling is, en welk een wan- 
orde er verder heersclit, hoe zeer de schrijver het onder- 
linge verband dat er bestaat tnsschen verscheidene boeken, 
zelfs categorien van boeken, miskend heeft, zou uit een 
nitvoerigen inhoud; die ontbreekt, gemakkelijk te onder- 
kennen zijn geweest. 

Evenmin is het nootiig uitvoerig te worden over het feit, 
dat de schrijver de waarde van de dubbele uommering, door 



4t7 

hem gebruikt in overeenstemming met de gewoonte ran 
sclirijvers van andere catalogi, bij vel 1 nog niet had inge- 
zien, en bij vel 27 weer vergeten wa8, zelfs nu en dan ia 
het tussclienliggende gedeelte nit het oog heeft verloren, of 
dat dezelfde b(»ekeu vóór in den Catalogus anders geordend 
zijn dan in het einde, - vóórin Ardjoenawiw&ha, Ardjoena 
Sasrabahoe, Rama, Brataj'oeda, later Ardjoenawidjaja (= Ar- 
djoena Sasrabahoe), R&m&jana, (=:E>am;i) Ardjoenawiw&ha , 

Bh&rfltajoeddha '), — of dat... enz., dit zijn, hoewel het ook het 
niterlyk betreft, toch zaken van een hoogere orde. 

Evenmin honden wij ons lang op bij de onvolledigheid 
waarmede de sëngkala's worden medegedeeld ^); bij de ge- 
brekkigheid der verwijzingen naar andere handschrittcatato- 
gnssen ^), waarbij de schry ver ook heeft voorbij gezien hoeveel 
onzekerheid er omtrent de daarin gegeven titels bestaat; bij 
de gebrekkigheid zijner citaten, die of slecht gekozen zijn, 
of, wat waarschijnlijker is, slecht zijn weergegeven, en door 
de bank alleen dan in den Catalogus worden aangetroffen, 
wanneer er meer dan één HS. in de verzameling voorhan- 
den was, waarin hetzelfde boek, in één dan wel in meer 
dan één bewerking voorkomt, of wel er een gedrukte uitgave 
naast bestond, niet of slechts bij uitzondering als er ter 
boekerij maar één exemplaar gevonden werd en de tekst 
niet is uitgegeven; altemaal eigenaardigheden in de be- 
handelingswijze, die doen zien, dat de schrijver zelfs van de 
taak, die hij aanvaardde, geen heldere voorstelling had, en 
de bedoeling waarmede meu zulke zaken pleegt te vermel- 
den, niet begrepen heeft. 



*) Het UaUta is bet jaiiU. 

*) Men mist bQv. die van de Rntajoeda, van de Ardjoena sasrabahoe 
van Jasadipoem II, van de Paoitisastra van Sasraiiè^ara (■BBjaaadipoera 11)* 
en éên van de B bad Balainbsingan. 

') Men mist bijv. b\j de l)e«a Meiido (Dewa Mandoe) een verwQzing naar 
Baffl«s's ÜSS., vindt bij de Dsmar woelan elecbts genoemd Kropnk 1^. Q. 149 
I en 361, en in de errata dit aangcvald met «no. 494 zal wel Da mar woelan tsyo", 

waar bid moeten staan «no. 494 en 427, dit laatste cal wel Damiur Woalan 
i4b"i wat bet intaMcbeo niet is 



478 

Nog minder Terwijlen wij lang bij gebrekkigheden ran 
lageren rang als bijv. dat de schrijver spreekt van gloegoe 

m 

(den naam van den heester Bronssonetia papyrifera, van welb 
bast het Javaansche papier wordt vervaardigd) in plaats van 
deloewang, den naam van dat papier; dat hij niet weet wat 
een poh djenggi (hl. 201, op bladz. S09 kepoh dfenggi)\9^i}i^ 
zie bl. 206, kas!oelfa (Skr. Itausto^ha) als den naam vanden 
Javaanschen wonderboom niet leent; spreekt van een Saltan 
Bantën Pakoengwati; bl. 84(vgl. Gat. bl. llTnoot l);en vao 
een praboe seda (wijlen de vorst) een praboe Sédah (?) gemaakt 
wil hebben, bl. 113; dat hij niet gezien heeft dat in de babad 
Bantën Salakërta (oi Soelakërta) de naam is van Djakëtn 
(s= Djajakërta, Batavia)^ bl. 1 1 3; bij het fraaie Eitab Nasi Ka- 
toel Moeleek {bis, zie bl. 20S en 210)= cLT^LJl isu^ u-^üf ^); 
of de verklaring van masidèm (dat ontstaan is nit namas sii- 
dham in de bekende uitdrukking awigknam astoe ttamas siddham] 
op bl 170; of phet gevecht van aan vals- en verdedigings- 
kunsten'' op bl. 175; bij „het 4dc punt, dat (bl 248) aan- 
vangt, loopt niet geheel ten einde" op bl. 312; bg 
immers een officie el e uitbarsting van dien vulkaan (de 
Kloet) wordt door Hageman eerst vermeld in 1785" op 
bl. 71 *); enz., enz 

Wij kunnen dat alles laten rusten, en doen dat te liever, 
omdat van het boek gezegd zou kunnen worden, wat de 
Javaansche dlalangs en dichters zich zoo menigwerf latea 
ontvallen, als zij, reeds eenige bladzijden achtereen, den M 
gezongen hebben van de bekoorlijkheden van een prinses. 
>al bleef ik een maand lang bezig met u haar te beschrijven, 
er zou toch steeds nog wat te zeggen resten". 

De schrijver van den Catalugus zou verstandig hebben 
gedaan, als hij er zich toe beperkt had slechts een ia ven- 
taris van de door hem beschreven verzameling te geveo, 



') Dat KMtoH doet, Dunt man, denken •»» hêkmtoH, fQne 48dék of 
wannmn ineo kueken niukt, een lieveHngskovt ran Seniar*t koddige wncB. 

•) Ik B|Atieer Hagenm u een kind Ten een der laiUlo jaren der vorige cf 
•ea der eente van deie eenir. 



4t9 

ordelijker en accnrater dan is gesehied^ en desnoods^ doch 
geregeld, opgeluisterd met die sengkala's en citaten^ liij zon 
op die wijze een bruikbaarder boek bebben gegeven^ en zijn 
publiek, en ziek zelf» gespaard bebben. 



WELTEVREDEN, Sept. 1892. 



BLADVULLING. 



DrIB JaYAANSCHB BAAD8EL8 UIT BfiN DaSINIMA. 

Wong kawoedan satéDgahing kali, dadi babasan: kawali 
Kalasi ilang kopjahe, dadi babasao: kalasa. 
Tjioa mali, matopoDgtopoDg, dadi babasan: mimi. 



TIJDSCHRIFT 



TOOB 



INDISCHE 



TAAL-, LAND- EN VOLKENKUNDE, 



XriTGIiOEySN DOOB H^ 

I 



BATAVIAASCH GENOOTSCHAP VAN KUNSTEN 

ËN WETENSCHAPPEN, 

OBDBB BftDAOTIB 



VAN* 



Mr. Jf. H. ABfiinDAjrOH 



SN 



P. Jf« F. IaOITW. 



m fflï. 



AFLBVEBiito 5 en Q, 



BATAVIA. 
ALBBECHT ft BÜSOBE. 



'8 UAGB. 
M. NUEOFF. 



1893. 



#•■ 



HENANBJl DER! KAOEL DAN PERIIJAKIJIAII 

DIBOEAT 

PENGAKOEWAN GAN G{ BERTEGOEHKEH 

SEGALA HAL-HAL DL\NTARA 

OLEH AKOE PADOEEA RADJA 

jrOEIANlKIS MilLlNtJE:iL. BifBIVOPO 

8IRTA MAKTRI^ KOK JIKG BERGOCMA BEKARaKO 80KDAH Ml- 

irOAKOB DA5 MENGARTi HADAT* Dl takah Karadjaan Bolaatig- 
Mottgondo dari waktok trtek-kob Radja-Radja Bi- 

NANGKOMQ, JaCOBÜB MbNOPO, FraüCISCÜS HkHOPO, 
SaLOMOB HkKOPO, EüGENlüB HbNOPO, CURIBTOFTIL 

MkmopO; Marcüs Mbhopo, Emamubl Mehopo^ Cob- 
KBLis Mbmopo dak Ibmabl Corhbus Mbbopo, 

8BKARAKG SOBDaH Dl TAMBAHI DAN DIBAHA- 

ROBWI DAB MBNGARTI PBRDJAHDJIAH DI- 

BOBWAT MBKGAKOBWAN JABG BAHAROK. ^) 



Fatbal 1. 



DiBtni sekalian kami mantri' koejaogbergoen^diBolüRDg 
MoDgendoo serta bangsa' soedahlah mengakoe dcDgao aoeng- 
goeh' hati kemoedian siapa* bangsa* ataa babatoe dan bala' 
raijat* siapa tiada maoe toeroet dan tiada pertjaja deri me- 
ngakoewan ini haroes diaoja dapat hoekoeman jang berat 

Fatbal 2. 

Sekarang oleh babatoe^ soedah mengakoe pada ini waktoe 
pada 14 hari boelan sembilan tahoen 1849 soedah nnemba- 



') Het GenooUcYiap heeft gemeend dit stnk, hetwelk Yolgeoi bericht taii dea 
Heer Dr. Siibeb eea woordeigk afichrift is, oavenuideid te moeten pttUieeereo. 

RfldaeUe. 
Tgdaehr. lad. T. L. en Vk.. deel XXX Y. 8B. 



482 

haroewi meoambahi segala perdjandjian di BolSang Mongondo. 
Djika bangsa* perampoewan kamoedian asal simpal babtni 
lamoen dapal aoak samelainken bangsa djoega. 

Fatsil 8. 

Bjikalaa asal simpal perampoewan kamoedian aaal honow 
laki' berbini djikah' dapat anak samelainkan aimpal djoega. 

Fatsal 4. 

Dan djikah aaal nonow parampoewan, kamoedian aaal 
ToempoeuSoo laki* berbini dan dapat anak aemelainkan 
honow djoega. 

Fatsal 5. 

Aaal TornnpoeiOim perampoewan djilutn agal Tahig laki* 
berbini lamoen dapat anak aemalainlLan mendjadi aaal Toem- 
poenOon 4)0^8^ 

Fatsal 6. 

Aaal Tahig perampoewan Johoeat laki* babini* dan dapat 
anak aemelainlian djadi Tahig djoega. 

Fatsal 7. 

Segala bongsa^ Radja atan Simpal aeperti: „Ifamonto'' dan 
i^Papoetoengan", „Poenoe Modejoeiig/' Kolapita, Simbala, Oi- 
noga Toelio()e, ^Beken", „Lolanguen/" 

bagitoe lagi deri aaal Nonow seperli: „oeboedia", „Dapoe- 
bela,'^ „Goemoeloegit/' ^Dakoetegelau", „Aogimoenoeng" atan 
laiu* Noenoew 

bagitoe lagi deri aaal Tainng Moenibaloe aaperti: „Sinam- 
pal" dan ,,Bentena", ^EombOoela'', Goemagio atan laiti' Tahig 
bagitoe lagi/' — dan aekarang ini aeperti Simpal mengakoe 
Madendej deiï asal Nunuw atan aaal Tahig, Joboeat ada me- 
ngakoe ihioembe kerana aoedah herteken dan bertanda atan 
beraoempah dengan nama Aliah. 



483 
Fatsal 8. 

Sekarang soedah membaharoewi dan menambabt aegala 
hoekoeman dan hadat* dt Boldang-Mongondo pada ini waktoe 
aegala bangsa' ampoeoia bini kamoedian ada oraog rampaa 
atan peoijoeri, kamoedian kadapatan beloel' haroes poekoel 
denda 40 harta pohoennja 4 laskar 30 doedoek, artiiya 15 
behagian maloe^ dan 15 asal dan 10 tiada doedoek itue Aa- 
hagian Toeding kolafag; dan deri Bijot haija dapat 2Tueija 
biroe, djika tiada Toerja dahoeloedan boleh lagt barang' jang 
laiu^ dan deri Bojot bangsa aeblah djoega haroee dapal lagi 
2 Toeqa hidjioe. 

Fatsal 9. 

Dan deri asal simpal ampoenja bini kamoedian orang ram- 
pas dan kadapatan betoel' haroes dapat deuda 90 barta 8 
Toeria biroe pohoennja 20 doedoek, artinja 10 maloe^ 10 
asaly 10 apa liada doedoek artinja toeding ktlatag, dan deri 
Bojot hanja dapat 1 Toerja biroe, dan djika tiada Toerja biioo 
dan boleh lagi trima lain* barang. 

FaT84L 10. 

Dan deri asal Nonow ampoenja bini kamoedian orang sam* 
pai dan kadapatan betoel' baroes dapat denda 2ö harta, 2 
Toerja biroe poboen nja, 10 doedoek, artinja nialoe dengan 
asal dan doedoek, dan Sapa tiada doedoek itoe toeding k6la- 
lag, dan deri Bojot satoe Toeria PatoealL 

Fatsal 11. 

Dan deri asal Toempoenoeon ampoenja bini djika orang 
lampas atan pentjoeri, djika kadapatan betcel' baroes dspai 
denda 18 harta 1 Toerja biroe poelioennja 14 doedoelc, artinja 
maloe dengan asal, dan 4 apa tiada doedoek itoe toeding ko- 
kUag, dan deri bojot 1 Toerja Patoeali. 



484 

Fatral 12. 

Dan dari asal i^Tahig" poenja bini kamoedian ada onng 
ratnpafl atnu pentjoeri dan kadapatan betoel' haroes dapat 
denda 15 harta Toerja biroe pohoennja dan 10 doedoek arti- 
Dja maloe dan asal dan ö apa tiada doedoek itoe toeding 
kolatagi dan deri bajar saioe Bastapenohan. 

Fatbal 13. 

Dan dari asal Joboeat ampoenja bini djika ada orang ram- 
pas atau pentjreri, kamoedian kadapatan betoel haroes dapat 
denda 10 barta (Patoeak pohoennja) doedoek, artinja maloe 
dan asal dan 3 apa tiada doedoek ttoe Toeding kohitag dan 
deri Bojot 1 kateba harga 5 soekoe. 

Fatbal 14. 

Dan deri hamba' fiadja ampoenja bini djika ada orang 
rampas atau pentjoeri kamoedian kadapatan haroes dapat 
denda 10 harta atau toeroet asalnja^ dan deri Bojot djika 
bapanja kassi Toeria samalainkan ikoet bapacja itoe« 

Fatsal 15. 

Dan deri Bangsa' laki^ dan simpal laki* dan honowt laki' 
dan babini segala orang (anak') samalainkan djadi tiapa poe- 
nja baogsa djoega. 

Fatbal 16. 

Dan deri bamba' Radja di BolMang-Mongando jang tene- 
boet anak Radja laki' atau Tjoeljoe Radja jang betoel laki' 
ada koewasa pada boeat goendei pada liamba' Radja em- 
poenja anak perampoewan. 

Fatbal 17. 

Tetapi kaloe koerang moetjoe^ Radja di Bol&ang-Mongoodo 
soedah tidak boleh sekali* boewat bini atau ambil isi dida- 



485 

lam roemahnja, lebab kamoe soedah djaoeh di mertabat Ra- 
dja, maka itoe sebab tiada kocwasa hamba Radja jaug ter- 
Beboet. 

Fatsal 18. 

Dan deri sekalian kamoe bangsa' di Bolftang-Mongondo 
apa soedah djaoeh di mertabat Radja dan samoewa kamoe 
berapa Sim pal atan Nonow dan aeal Toempoenoeon dan asal 
Tahig loboeaty haroes sekalian kamoe membri hormat pada 
anak tjoetjoe Radja jang betoel jang apa dekat di tainpat 
Radja, djika sekalian kamoe tiada raengenali dan pertjiya 
boeni eontractiui, haroes aken mendapet hoekoeman jang 
berat. 

Fatsal 19. 

Begitoe lagi sekalian kamoe Bangsa* atan Simpal dan 
Nonove atan lain' asai, mister baroe rapi hormat satoe pada 
lain, dan djikalaa sekalipoen kamoe bebrapa roepa asal *toe 
kamoedian tasalah pada lain, siapa' haroes dapat denda 
begimana penimbangan ampoenja maoe. 

Fatsal 20 

Sedemikian lagi sekalian kamoe Hoetjoe' Radja di Bo- 
Ittang-Mongondo soedah tiada boleh boewat goendei pada 
Simpal' atau Nonow atau asal' lain' ampoenja anak peram* 
poewan, mister kassi harta jang patoet pada iboe bapanja. 

Fatsal 21. 

Di oelang kombali deri atoeran bahagian bala raijat sa- 
perti Simpal atan asal lain' sekali' tiada boleh pakeitjelana 
pandjang kerana boekan tetek-mojang kamoe ampoenja pa- 
kejan adanja. 



486 
Fatsil 28. 

D»n deri admt dt Bolftang^Mangandoe baik bangn dan ani 
Simpal «tao asal' latii* sekali' tiada boleh pnkti leusoe {ieng- 
koeloeh) poelih atau lalaehatttnug hanja sab^itoe kamoedian 
dia dj^i babatoe dao itoe 8oedah« prij (vrij) pakei itoe ta- 
loe teneboet 

Fatsal 23. 

Di oelang poela deri bahagian adat Mongondo djikalan 
ada anak bangsa pcraropoewan kemoedian ada orang htd 
biroe artttija boenga sijang di djalan kamoedian kadapataa 
betfiel' baroes da|»at deiida 15 haiia 1 Toeria biroe poboen-oja 
10 doedütk, lamoen boengkat roalaui' itoe nanti hoèkoeman 
boleb meuilek dengan pajil pada menaroh potoesaa. 

Fatbal 24* 

Dan deri Kokap pada bangta ampoenja bini dan aoedab 
boeal maloe, haroea dapat denda 10 harta ö D. 1. Toeria 
biroe pohoen-nja tetapi djika belom bekin maloe dan dapal 
deuda 10 harta tiuda doedoek 1. Patoeali pohoen-nja. 

Fatsal 25. 

Bagitoe lagi dari Simpal ampoenja anak perampoewan» 
kamoedian ada orang hal biroe atau boengai aijang* didialan, 
kamoedian didaputan beloel' liaroes denda I O harta ö doedoek 
1. Toeria doboennja, tetapi djika boengkat malam itoe nanti 
hoekoeman boleh menilek pajil pada menaroh potoeaan. 

Fatbal 26. 

Dan deri Kokap pada Simpal ampoenja bini dan aoedah 
bóeat maloe dapat denda harta 4 doedoek satoe Toeria bi- 
roe pohoen-nja, telapi djika belom bekin maloe hanja 6 
harta tiada doedoek 1 . Toeria Patoeali pohoennji». 



487 
Faxbil 27. 

Dan lagi Kokap pada Nonow ampoenja bini dan aoedah 
boeat iiialoe haroes dapat denda 8 harta 3. doedoek Toeria 
biroe pohoen-nja, tetapi djikaa belom bikin maloe, baoja 
6 harta tiada doedoek, 1 Toeria Patoeali pohoeDoja. 

Fatsal 28. 

Dan den boengkat pada Nonow ampoenja anak' peram* 
poewan kamoedian boengkat oijaog didjalan haroea dapat 
denda sabagimana boengkat pada aaal Simpal, tetapi kaloe 
boengkat malam' itoelah nanti hoekoeman boleh tilek de* 
ngan pajii pada menarob potoesan. 

Fatsal 29. 

Bagitoe lagi den asal Toenpoenoeon dan Tahig ampoenja 
anak' perampoewan, kamoedian ada orang hal biroe, artioja 
boengkat sijang' didjalan dan didapatan betoel' haroes dapat 
denda 10 barta 4 doedoek satoe Toeria biroe poehoen-nja. 
Djela boengkat malam ifoe nanti hoekoeman tilek dengan 
pajil pada menarob potoesan. 

Fatsal 80. 

Dan bagitoe lagi loboeat dan hamba* Badja atan boe- 
dak' derideri segala orang ampoenja anak perampoewan 
kamoedian ada orang hal biroe, atan boengkat sijang didjalan, 
haroes dapat denda 8 harta 4 doedoek, 1. Toeria biroe po- 
hoen-nja djika malam itoe nanti hoekoeman tilek dengan 
pajil pada menaroh potoesan. 

• 

Fatsal 31. 

Di oeiang deri bangsa ampoenja anak perampoewan ka- 
moedian ada orang datang minta babinii kamoedian itoe 



488 

laki' oandoer, haroes dapat denda 9 harta tiada doedoèk, 
aatoe Toeria pohoen-nja djikalaa itoe bapa-nja aoedah dapal 
donda 9 harta 5. doedoek 1. Toeria biroe pohoen-nja. 

FAT84L 32. 

Dan deri asal Simpal ampoenja boentow 8 harta tiada 
doedoek 1 Toeria pohoeo-nja. Djika iboe-bapanja aoedah 
dapat maloe, haroes dapat denda 8 harta 4 doedoek 1. Toeria 
biroe pohoen-nja. 

Fatsal 33. 

Dan deri asal Nonow ampoenja boentow 6 harta tiada 
doedoek, 1. Toeria pohoennja. Djika iboe-bapanja aoedah 
dapat maloe, haroes denda 6 herta 3. doedoek 1. PatoeaH 
pohuenu)a. 

Fatbal 34 

Dan deri asal Toempoenoeon ampoenja boentow satMigimana 
Nonow ampoenja boentow. 

Fatsal 35. 

Dan deri Tahig ampoenja boentow, 4 harta tiada doedoek 
Djika iboebapauja soedah dapat maloe haroes denda 4 
harta 2 doedoek 1. Bestapouohan pohoen-nja. 

Fatsil 36. 

Dan deri hamba* Badja atan lain* Toewan ampoenja boen- 
tow 4 harta tiada doedoek^ cyika iboe bapanja aoedah da- 
pat maloe, haroea dapat denda 4 harta 2 doedoek i Basta 

poenuhan pohoennja. 

* 

Fatsal 87. 

Dan deri Joboeat ampoenja boentow 2 harta 1 kateba 
kaopat pohoennja. Djika iboe-bapanja aoedah dapat makN^ 



'JiBO 

haroes dapat maloe, haroeB dapal denda 2 harta 1. doedoek 
1. Kateba harga 1. Real Pohoen^nja. 

Fatsal 38. 

Dan deri siapa^ bangsa atau bala raijat ataa bamba' Ra- 
dja kamoedian ada pentjoeri awa Toeky samalaiDkan dapat 
denda 10 harta 5. Doedoek, 1. Toeria biroe pohoenDJa. 

Fatsal 39. 

Dan lagi djikan ada orang penljaen ipar haroes dapat 
denda 6 harta 3 doedoek 1. Toeria Patoewali p(»boennja, 
tetapi deri itoe denda pada watoek dan denda pada ipar 
mister masok pada hoekoeman. 

Fatbal 40. 

Jang pada waktoe ini di BolHang-Mongondo tiada boleh 
flckali' pada boewat bahoe rampas bajek atau denda telaling 
atas denda iain^ atau deri oetang^ tiada boleh sekali' ram- 
pas pada lain orang dan djika siapa-siapa rampat pada lain 
orang jang tiada oetang atau boedan dia ampoenja salah, 
mester minta pada siapa soedah berhoetang atau pada siapa 
lang ada bersalah, dan djikaian siapa tiada pertjaja boeni 
eontract ini haroes mester denda 6 harta 1 . doedoek 1 . basta 
poenohan pohoennja. 

Fatsal 41. 

Sedemikian lagi djika siapa boewat pengadai, kamoedian 
barang besar dan soedah langgar itoe perdjandjian sekali* 
aken tiada boleh ëmpas tetapi menoeroet soedah langgar 
perdjandjian dan haroes makan boenga sedikit sebab barang 
besar, dan djika barang gad^jan ketjil dan soedah langgar 
perdjandjian itoe misti empas. 



400 
Fatsal 42. 

Di oeiang kembali deri hal bajot baik bangsa' dan «m- 
pal ataa Nodow dan laia' asai deri lebeh dahoeloe bajerba- 
gimana biasa^ djika bajot pada itoe perampoewan jang itoe 
laki* boekan lain orang, artinja bajot jang ka doewa kali, 
miflti dapat denda itoe laki' dan itoe perampoewan. Deri 
itoe flatoe orang dapat denda 4. herta 1. basta inggria pe* 
nohan, tiada doedoek, bagitoe lagi pada perempoewao 4. 
harta tiada doedoek 1. basta inggris penohan dan itoe harta 
masok pada hoekoeman. Këmbali datang bajot jang katiga 
jang itoe laki' 4ioega itoe perampoewan jang terseboet, ha- 
roesy iboe-bapanja deri seblah laki* ataa deri seblah peram- 
poewan haroes paksa soeroh boewat laki bini. Tetapt djika 
itoe laki' ataa itoe perampoewan tiada maoe ikoet iboe- 
bapanja ampoenji soeka, haroes itoe laki* terseboet kaasi 
bontow toeroet bagimana asalnja, tiada bolèh koeruig. 

Fatbal 43. 

Dan deri hal orang pentjoeri djikalan pentjoeri barang 
ketjil dan lebeh boleh ganti boleh barang apa' boewat rekea 
sabagimana itoe barang soedah mentjoeri. 

Dan ^ika soedah pentjoeri barang jang ada berharga, 
saperti Toeria Patala^ Soetaa, Oong ataa deri pakejan amaa 
ataa batoe rantei amas ataa manik* amas ataa intan dan 
lain* barang, kamoedian iboe-bapanja ataa saoedara'-iga 
soedah tiada boleh bajar haroes dirinja kassi blajer. Djika 
bagitoe boeni ooutract kemoedian iboe-bapanja ataa kaloerg»> 
nja mengadoe bajar barang* itoe apa soedah pentjoeri, ja 
itoe baik tetapi jang terseboet ielaki jang soedah pentfoeri 
misti dapat strap belaka di bangkoe 2 dozin. 

Eatbal 44. 

Di oeiang kembali deri hal pakajan orang baik berbangaa 
jang soedah djaoeh deri mertabat Radja dan asal Simpal 
dan asal Nonow ataa asal lain* sekali* tiada boleh pakai* 



491 

pabjan Atlas atan Aladis dao kain aoetra dan aoetra aapertt 
Strip, Badjama atan Boemba,* oleh aekalian kamoe bangaa' 
di Bolliaiig-Mongondo tmda boleh pakei itoe Strip atan Satio 
jang itoe Atlas dan Aledicatan» Soetra lain* itoe nanti anakt 
Radja atan tjoetjoe Badja jang betoel boleh pakai, dan djl- 
kan siapa bangsa atan Simpal atan asal laiu' langgar boeni 
jni contract haroes mendapat hoekoem jang berat 

Fatsal 45. 

Dan den hal pakajan intan atan pakajan amas saperti 
gSlang amas atan sisir amas, körek koeptng amas baik 
bangsa soedah djaoeh di mertabat Radja dan asal Simpal 
dan Nonow atan asal lain' sekali' tiada boleh pakai itoe 
paksjan, dan djika siapa pakai itoe pakigan jang terseboet 
haroes dapat hoekoeman jang berat. 

Fatsal 46. 

Dan lagi bal bamba Ra^ja dan Toewan* lain atan bala* 
raijat ampoenja boedak*, kamoedian ban datang pada sia- 
pa' bsgitoe segrab menjoeroh rapi tahoe pada Toewannja 
pada siapa kapala disitoe kampong, djangan pegan itoe boe* 
dak haroes dapat denda 6. herta 3 doedoek 1. Patoewali 
pohoennja, masok pada Toewan boedak itoe harta. 

FaT8ai« 47. 

Sedemikian lagt den bala* raijat' djatoeh bagadai diriiqa 
atas brta atan koepang kamoedian dapat anak didalam itoe 
koepang sekali' tiada boleh ambil deri boenga koepang 

Fatsal 48. 

Dan deri orang Papan doesta atan maloe* soeka memba- 
wa kabar fitnah doesta, poetar balik pada orang ampoei^a 
bini atan orang ampoenja anak ada dalam larangan iboe 
bapanja, dan siapa boewat sabigitoe, maka dia orang dja- 
bat, haroes Padoeka Radja dan mantri* menarob hoekoeman 
jang bërat, bagimana timbangan ampoenja maoe. 



492 

Vatbal 49. 

Dan lagi kamoe babatoe^ dan bangsa* dan asal Simpal 
atau Nonow di B. Mongondo djang;an sekaii' poetar ataa 
ganggoe* apa^ pada akoe Radja ampoenja bala ataa boe- 
dak Radja. Djika siapa boewat sabagitoe haroes dianja da- 
pat lioekoeman jang börat, sabagimana timbangan ampoe- 
nja maoe. 

Fatsal 50. 

Sademikian lagi deri adat di Bolttang-Hongondo pada se- 
gala anak Radja ataa tjoetjoe Radja jang soedah djaoeh di 
mertabat Radja, jang'itoe semoea adat^ samelainken dengar 
patoet dan njala, lamoen ada orang tasalah di ajar ataa 
dibaaah roemah dan di kamar ataa dimana', ja itoe nanti 
oekoeman boleh tilek dengan pajil pada menaroh potoesan- 

Fatbal 51. 

Bagitoe lagi deri hal pajong soetra dan kain ataa kartas. 
Itoe anak Radja dan tjoetjoe Radja ada prij pakai, dan deri 
moetjoe' Radja jang soedah djaoeh deri mertabat Radja itoe 
sekali' tiada boleh pakai pajong, karna akoe Radja ada la- 
rang saboleh' pada segala bangsa di BolSang-Mongondo, 
banja dengan bagitoe kamoedian bangsa' siapa djadi kapa- 
la, haroes bermohoen dahoeloe pada akoe Radja, aken tiada 
boleh ambil ataa pakai dengan kabaroesan sendiri, dan deri 
anaknja baik laki* ataa perampoewan belom boleh pakai 
itoe piüoi^S- 

Fatsal 52. 

Sabagitoe oleh sekalian babatoe* dan bangsa' atau bala' 
raijat' di B. Mongondo, deri segala kaboen' atau tatanar 
man deri lain jang misti menaroh pagar dengan koewat 
bagimana patoet, karna soedah kabaniakan orang* jang soe- 
dah péiihara binatang dan ^ikalaa binatang karbao, sapi, 
koeda dan lain' binatang masok pada siapa' ampoenja kar 



493 

boen pada. meroessakkan segala tanaman, haroes Toewan 
kaboen membri tahoe pada Toewan binataog jang terseboet 
pada soeroh tangkap dan ikat baik^ iioe binatang; bagitoe 
lagi toewan kaboen misti sadija kembali itoe kaboen poenja 
pagar, dan djikalau masok kembali itoe binatang jang ka- 
doewa-kali, haroes toewan kaboen kembali kassi tahoe pa- 
da itoe Toewan binatang karna baharoe kadoewa kali 
masok, dan Toewan kaboen djangan dahoeloe boenoh 
itoe binatang; tetapi itoe tatanaman misti reken djikan ka- 
dapatan berapa poeloh pohoen itoe binatang soedah makan 
atan soedah bekin roesak, dan Toekan Kaboen misti reken 
dan siapa babatoe di itoe kampong panggil pada itoe Toean 
binatang soeroh bajar itoe orang poenja tatanam, atan itoe 
babatoe bilang boleh sadja lebeh koewat itoe pagar itoe ka- 
boen, bagitoe lagi itoe binatang misti menjoeroh djaga dan 
iket lebeh koewat, sedang bagitoe itoe binatang masok kem- 
bali jang katiga kali pada itoe kaboen, haroes jang itoe 
Toean Kaboen boenoh mati itoe binatang, soedah tiada satoe 
kata apa* tetapi kasi tahoe pada Toewan binatang, dan ha- 
roes Toewan binatang aken trima dengan segala baik itoe 
binatang, tiada ada sasatoe kasalahan pada Toekan binatang 
atan pada Toe wan Kaboen. 

Fatbal 53. 

Bagitoe lagi pada ini waktoe oleh sekalian mantri' dan 
bangsa' atan bala raijat di Bolfiang-Mongondo, kemoedian 
ada soedara-nja perampoewan atan anak perampoewan djangan 
sekali' trima soeroh belaki pada anakmoe atan soedara-moe 
pada satoe dagang Boegis dan djika siapa babatoe' dan 
bangsa^ atan bala' raijat di Bolfiang Mongondo maoe langgar 
boeni eontract ini, haroes dapat denda 10 herta 10 kaijoe 
pada iboc bapanja, bagitoe lagi dan babatoe dan memarin- 
tah di itoe kampong soedah boewat menoelong pada mena- 
riniah itoe kata. misti dapet lagi 10 herta 10 kaijoe, karna 
ja djadi penoenggoe di itoe negri dan deri itoe laki' terse- 



494 

boet ftkeii tiada dapat aalah, tetapi mtsti oesir pada jang 
teneboet, kaai poelaog ka negriaja. 

Fatsai. 54. 

Di oelang poela deri bahagian boedak* Radja dan boedak' 
Toewan' ataa bala' raijat ampoenja boedak, kamoediao ber* 
bini bala perampoewan dan tiada kasi herta dan mendapal 
anak 3 ataa 4 orang, •emelainkan da()at djoega aatoe orang 
terikat bahagian bapaiija, bagitoe lagi bala laki' babioi 
toewan' alau bala* eiapa ampoenja boedak perampoewan dan 
tiada kasi harta kemoedian dapat anak 3 ataa 4 orang 
baroet bapauja dapat latoe orang terikat bahagian bapanja, 
dan djikalan boedak babini bala dan bala babini boedak, 
kamoedian bakoe kaïi harta satoe pada jai.g lain, lamoen 
mendapat anak haroea aken berbehagi anak pada itoe ba- 
pauja. 

FaMal 55. 

Terkoentjikan ini contract perdjandjian deri berdjan^ji 
hoekoeman atan atoeran hadat di Bolftang-Mongondo, adalah 
beraoempah dengan nama allah, kemoedian eiapa tiadalah 
pertjaja atau tiada roengenali kaoel perdjandjian ini haroea- 
jang di haroea mendapat hoekoeman jang berat atan* me- 
ngeloewarkan namauja bangsanja atao, asalnja atan nmpal 
nonowadanja. 

Fatbal 56. 

Sademikian lagi pada sekarang waktoe )ang teraeboet 
bangsa' atan bala raijat di Bol&ang-ifongondo kemoedian 
perampoewan poenja laki pergi dimana' dan itoe perampoean 
ambil lakit lain, artinja „Maki tolaling," itoe aekali* itoe 
Toewan bini ampoenja bapa ataa ja ampoenja aoedara aa- 
il)oe bapa atan lain soedara kadapatan bctoel itoe aken tiada 
bolch boenoh itoe lelaki terseboet samelainkan aakei atan 
tanda deri barang apa* itoe kamoe boleh pegang dan bawa 
pada hoekoeman, aedang bagitoe kaloe Toewan bini aoedab 



495 

riki dimana tampat jang ada koewasa pada boenoh bagimana 
itoe ada prij. 

Fatsal 57. 

Bagitoe lagi sebarang hal talaling tertitnboel cnperti di 
Goenong lama, di Tapai bedin, di kaijoe mojondoe di Gan- 
tong dan di pantai kota boenan, di Bojat di bawah parintab 
Pangkoeloe, atan di Loensjoe di Motocngkat, di Dododaban 
di Novangan, kamoedian kedapatan betoel liada boleb di 
koerangkan dia poenja maloe. 

Fatsal 58. 

Sedang bagitoe Talaling terlimboel di Tiagidon, Doemagin 
atan di lain' tampat dimana tampat pentjarian jang baik 
kadapatan betoel dan aken tiada terikoet bagimana toelating 
di da!am negri, karna soedab menaroh di dalam oontraet 
ini, haroes aken di koerangkan itoe ja ampoenja maloe, tiada 
lagi menoeroet asalnja. 

Fatsal 59. 

Sademikijan lagi oleh sekalian babatoe* dan bangna' be- 
serta bala' rajat lamoen siapa mati baik soedaranja dan 
anaknja atan iboe bapanja kemoedian belom njatakan sabe- 
nar^ dia orang beratjoen atan belom sekali masok bifjara di 
badapan medjelit babatoe' marika itoe 8oengg«>b ja beradjoen 
sekali' tiada bo!eh ambil dengan kabaroesan scndiri pergi 
boenoh pada jang ierseboet, dan djikalaa siapa langgar 
boeni eontract ini baroes dapat denda jang herat itoe negri 
80 berta 30 kaijoe beserta dirinja akoe Bad)a soerob antar 
di Menado. 

Fatsal 60. 

Sabagitoe lagi oleh sekalian kamoe babatoe' dan bangsa 
atan bala rayat djikalan ada barang sawatoe bal tertimboel 
didalam negri atan di tampat pentjarian saperti di Bola*ang 



496 

aten di kottaboenan saperti „Tolaling, Lojot," Boeogatataa 
lain* baik diloewar atau soedah masok didalam medjelia di 
hadapan kapala^ memeriksakan ataa kadoewa merika itoe 
ampoenja hal sekali' tiada boleh baik dia babatoe* ataa 
bangsa* pada kasi ;,08tok" atau kira' pada itoe jang tene- 
boet poen demikijan lagi atas kasalahan diantara doewa 
marika itoe, kamoedian kapala soedah potoes dengan ka- 
adiian itoe bal, baik dia babatoe ataa bangsa sekaii' tiada 
boleh pada boewat merombakkan itoe boekoeman dandjika- 
lau siapa' langgar boeni contract ini baroes jang di baroes 
marika itoe dapat hoekoeman jang herat 10 herta 10 kayoe^ 
tiada boleh tidak. 

Fatsal 61. 

Dan lagi oleh sekalian babatoe^ dan bangsa* ataa bala' 
raijat esok ataa loesa kemoedian iboe bapanja dan soedara' 
nja ataa bini^nja mati, ada prij bawah deri nama bangsa 
dan asal simpal ataa asal lain pada boelsang ifcoety poekoel 
gendang atau memolangy tetapi darinama Modoendoen atao 
Babeloefoe deri kaïn bitam djangan lagi aekali kamoe boewat 
atau pakai karna akoe amat sajang sampei kamoe dapat 
berhoetang orang ampoenja karbao dan kaïn' deri bagitoe 
kemoedian bangaa mati dan nanti ambil Badja poenja ka- 
beiiaran dan itoe boleh „vabeloetoe'' tetapi nama ,, Modoendoen'' 
aekali' itoe tiada boleh lagi, dan 8iapa' tiada mengenali 
perdjandjian ini dan baroes dapat denda 10 herta lOkayoe. 

Fatsal 62. 

Di oelang kembali deri anak^ Radja atau tjoetjoe Radja 
jang betoel ampoenja ^boentor" pada sekarang ini soedah 
djadi hari boelan Maart 1857 oleh kapitan Laoet „Willeoi 
Jobannis Damapolijï soedah kasi boentor pada „Poetri Timbo 
Menopo" 9 herta kasapoeloh poeboennja 1 boedak dan 8 doe- 
doek semoewa Toeria biroe soedah tiada boleh kasidoedoek 
pada Toeria ketjil saperti Fatoewali atau deri lain deri Lasta 
penohan, dan sarasa deri piring tersoesoen 5 Gros j^Dawoeloe" 



497 

kabalos, „kadejowa" y,kapoeIoe" „dawaloe" katoedjoe laloes 
katalonapala dawaloe, kadelapan doedock Toerja hiroeja itoe 
9 harta semoewanja ada bagitoe dan deri akoe Kadju bcserta 
niantri* jang bergoena soedahlah mfisokkeniija itoe e^ok dan 
loesa aken terpegaiig seba^itoe deri auak Radja ataa tjoetjoe 
Radja jang betoel auipoeDJa boeutow. 

Fa'isal 63. 

Kombali pada mengkoe watken deri segala tetek dan hadat 
di Bol&ang-Mongondo, djikalau anak bersoedara aUia anak 
bersoedara baroe pentjooi, belikkan iboe bapanja seblah me- 
Djeblak ampoenja katahoewi, beroli itoe lelaki dapat denda 
jang lierat katoedjoe pohoennja Patoewali 3 doedoek di basta 
ponohan dau kadoewa sakasa deri katiga lakainggrio bagitoe 
lagt pada perampoewan bagitoe lagi dendanja tetapi marika 
itoe aken djadi belaki bini, tetapi haroesiioelaki^djagajang 
ba)ar itoe perampoewan^ deri itoe tali atau boentow seblah pe- 
rampoewan aken soedah tiada dapat. 

Akoe: sig Radja Bolaë.ng Mongondo: J. W. Me- 
WOPO; 

Sadaha Toempoenoön: Lasaboda; 

Hoekoem-Mayor: Si mboe wang ; 

Fangboeloe^: Mokoapn, Goenibala; 

Hoekoeni^ Mayor: Diiimoeiian, Manonta; 

Kapitan^ Radja: Balanda, Mmijampa Goenibala; 

Sengodji^: Makal, Laredo, Balansa, Kangki, Monde, 
Aboeng, Goenibala, Bajamat, Magiiaiig, Singkuelon, Beken, 
Maloeng, Lantong; 

Hoekoem^: Kendogoen, Idal, Moeli, Pakil', Lansike; 

Kemalaha^: Moula, Bale, Sandol, Si ml)oe wang, Loegigi, 
Kobidon, Egeng, Fapotoengan, Lepi^ Manpik, Beuat, Dondo. 

BOLAANG 2 Octoberl856. AhoePndoeha Radja irima con- 
tract tfi» dari/jada Radja Toewa Jacobus Makokwkl Mbnopo. 



TüdMhr. Ind. T. L. en Vk., deel XXXV. SS. 



de: KONOsrs 

VAN 

BIJDRAGE TOT DE GESCHIEDENIS EN DE KENNIS 
VAN HET WEZEN DER CHINEESCHE VEREENI- 
GIN6EN OP DE WESTKUST VAN BORNEO. 

Met eene schetskaart. 

DOOB 



Controleur hij het Binmnlandsch Bestuur. 



INLEIDING. 

De volgende bijdrage tot de geschiedenis en de kennis 
vau het wezen der Chineeschc vereen igin gou ter Westkust 
van Borneo is hoofdzakelijk samengesteld uit de mondelinge 
overleveringen, mij sedert 1886 verstrekt door de oudste 
Ghineezen in Montrado, Pamangkat, Boedok^ Seminis, Heng- 
kajan en andere plaatsen, getoetst aan de bestaande werken 
en eenige schriftelijke overblijfsels uit den kongsitijd^ als: 
correspondenties, formulieren, zieletabletten, grafschriften, mun- 
ten etc. Dergelijke overblijfselen uit dien tijd zijn er niet 
veel meer. Vele toch zijn verbrand en andere verloren gegaan 
in den tijd toen het Gouvernement die vereenigingen ver- 
nietigde; weer andere opgeruimd door de bezitters, daar velen 
vreesden door het bezit in ongelegenheid te kunnen komen. 
Zelfs na nog kostte het mij dikwijls veel moeite en tijd om 
de weinige schriftelijke gegevens te zien of in handen te krijgen. 



499 

In bet vervolg zal blgken, dat deze bijdrage in vele op- 
zichten niet geheel en al overeenkomt met de reeds be- 
staande bronnen. 

Men vergete echter niet dat de gegevens waaruit die 
werken samengesteld werden^ zelve aan vele onduidelijkhe- 
den leden en het identiiieeren van persoons- en plaatsnamen 
zeer moeilijk vvas^ daar bijv. vele plaatsen meer dan één, 
naam hebben en de transcriptie in oudere stukken veel te 
wenschen overliet, zoodat slechts een langdurig locaal on- 
derzoek eenige resultaten kon geven. 

Wat de tijdrekening betreft, steeds heb ik de opgaven der 
Ghineezen gevolgd, welke bijnu allen overeenkomen met die 
uit de bestaande werken bekend. 

Het geheugen der Cbineezen is bewonderingswaardig ; 
van sommige feiten kreeg ik zelfs opgaven van maand en 
dag waarop zij waren voorgevallen en werd die opgave na 
eenige jaren op nieuw verstrekt dan was zij geheel gelijk 
aan de vorige, — wel een bewijs dat de overlevering ver- 
trouwen verdient. 

Daar weldra door het uitsterven der oudste overleveraara 
veel voor eeuwig zoude verloren gaan, nam ik het op mg . 
ten minste iets aan de vergetelheid te ontrukken, overtuigd, 
dat het in den tekst medegedeeld^ ook van nut kan zijn 
^ot verduidelijking van eventueele latere vondsten in ar- 
chieven. Ook vlei ik mij, dat deze bijdrage veel zal kun- 
nen bijbrengen tot goed begrip van het over de Ghineesche 
kongsi's medegedeelde in het standaardwerk van Prof. 
Veth, Borneo's Wester afdeeling, dat hier en daar minder 
duidelijk is, ofschoon men zich verwonderen moet dat die 
geleerde uit zoovele verschillende gegevens zoo dikwijls de 
ware conclusie trok. 

Dat de bronnen door prof Veth. gebruikt, veel te wen- 
schen overlieten valt niet te verwonderen. Zij werden toch 
meestal verkregen door een tamelijk vluchtig bezoek of door 
informatiën. door de berichtgevers onder den invloed van 
actuëele vijandschap of eigenbelang gegeven. Ook bestaat 



500 

in die oude stukken eene verwarring van de vele corpora- 
ties, alle door het woord ^kongsi" aangedaid, welke echter 
nauwkeurig uit elkander moeten worden gehouden. In de 
geschiedeniB der Ghineesche vereenigingen kan het woord 
kongsi bv. beteekenen; 1^ de federatie Fo-Sjoen, 2^* de sa- 
menstellende deelen van Fo-Sjoen, 3^ de groote mijnen 
door die samenstellende deelen ontgonnen, 4<> de groote door 
particulieren ontgonnen mijnen, alsmede de besturen dier 
vier soorten van vereenigingen. 

Ik meende mij hooidzakeiijk te moeten bepalen tot de 
kongsi's in het Montradosche (de tegenwoordige af deeling 
Montrado), d. i. het oude brandpunt der Ghineesche vereeni- 
gingen. De van daar uitgeweken verbonden werden later 
slechts gereleveerd waar dit voor het verband noodig was. 

De geschiedenis na de uitwijking is 6f weinig belangrijk 
tengevolge van de invoering van direct bestuur in de streken 
waar die verbonden waren gevestigd 6f is elders reeds geheel 
of ten deele beschreven, zooals bv. Lan-fong in Dr. J. J. 
M. DE Groot. Kongsiwezen van Bomeo etc. 

Mocht het mij gelukt zijn een der duisterste gedeelten van 
de geschiedenis van Borneo's Westkust eenigszins te hebben 
verhelderd, zoo zal mijne moeite ruimschoots zijn beloond. 

BsaroKAJABO, Aug. 1891. 

S. H. SCHAANE 



TRANSCRIPTIE 



De Ghineesche namen op de Westkust van Borneo betrekking 
hebbende zijn weergegeven volgens de uitspraak te Montrado- 

a: wordt op het einde van een woord uitgesproken als 
in esclave^ in andere gevallen als' in chal. 

ao: ais au \\\ blauw, 

e: op 't einde van een woord als de eerste e in gewm^é 
in dat geval als e in de^ in andere gevallen ais e in ken. 

eoe: als e gevolgd door oe of als eeuw inkeuw, 

gh: als eene verscherpte Hollandsche g. 

h: achter een medeklinker duidt eene sterke aspiratie 
aan : phatig ss p'ang of péhang. 
' i: ais in Mina. 

iao: als iau in miauwen, 

iè: als ie in mieltej of beter een klank tussehen ü en ia, 

toe: als i gevolgd door oe. 

ng: als ng in engel. 

oe: als in boei. 

0%: als oy in 't Engelsche boy. 

s: scherp uit te spreken. 

tj: fils /ƒ in „beefje*\ soms met een flauw gehoorde t 
achter de i, ongeveer als de Maleisohe ^ in sommige woor- 
den. 

tjh: Deze geaspireerde tj wordt altijd uitgesproken bIs tsjh. 

Andere letters volgen de Nederlandsche uitspraak, 

In het bovenbedoelde dialect van Montrado hoort men by* 
de Ghineezen dikwijls een b in plaats van een tu bgv.: 

Loehabang voor Loehawang. 

Bong „ wong. 

Boek I, woek. 



HOOFDSTUK I. 

1; 1. GESCHIEDENIS DER KONGSI S 



VAN 



»f:orvTi:i,A.i>o 



De Chineesche naam voor Monlradon\. Ta-la-loelc ( ^ p^ ]^ 

of ^ f^ ^) is blijkbaar afgeleid van deu Maleischea ea 
DajakscbeD naam voor Montrado ui. Taradovq oi Trnd^^, 
welke door de Gbinee^en die in Borueo immigreerdeo^ daar 
zij geen r. en d, kannen uitHpreken, noodzakelijk tot Ta 
la-ioek moest verbasterd worden. (Ta-ra-doeq werd Ta-la 
loek.) 

De naam Montrado komt alleen in deftigen stijl voor, in 
den vorm j^jLiJL* (Menleradoeq). In verband met de vru< 
gere belangrijkheid der hoofdplaats Montradt>, wordt de:e 
nog dikwijls Loek-djip d i. Stad (Ta-la ) Loek, genoeuid 

(!£&) 

Daar ik omtrent de oudste geschiedenis van de koti^ 
si's in Montrado geen aaneengeschakeld verhaal heb kan 
oen krijgen en de overlevering eerst vruchtbaarder wordt 
na het jaar 1770, meen ik hier tot goed begrip der zaak 
die oudste geschiedenis te moeten overnemen, zooals zij t>- 
Vbth (^) ï. bl. 297 V. V. g. is beschreven; waarna ik de 
mij verstrekte gegevens omtrent dien tijd, zal doen volgen 



(*) P. J. Veth. Bornco's Wester-Afdecling Gcographisch. Statiitwch. Ha 
torisch, voonfgega&D duor eene aL'emeeue schets des ganschen eilaods — 2 o. 
Zaltbommel. Juh. Noman en Zoon. 1854—1856. De noten in het geciteri» 
gedeelte iQn die van Vkth. 



503 

• 

„Het is zeker, dat de kolonisatie op grootere schaal en 
tot bewerking der goad> en andere mijnen op Borneo's West- 
kust van geen vroegore dagteekening is dan het midden der 
vorige eeuw. 
#^ De Maleische vorsten, door den wensch gedreven om zicb 

^ de rijke mijngrouden in hun gebied ten nutte te maken 
V en de bronnen hunner inkomsten te vermeerderen, waren 

' zelven de eersten om de nijvere Ghineezen in hun gebied te 
roepen tot bewerking der goudmijnen, weinig vermoedende 
' hoezeer zij daardoor voor de toekomst hun eigen gezag op 

/^ losse schroeven stelden en eene macht iu het aanzijn riepen, 

die zij weldra buiten staat zouden zijn te bedwingen* Men 
zegt dat de Panembahan van Mampawa, die waarschijnlijk 
van de geschiktheid der Ghineezen voor den mijnarbeid 
gehoord had, de eerste was die een twintigtal dier fortuin- 
zoekers uit Broenei deed overkomen, om goud in te zamelen 
aan de Soengei Doen, welke thans het gebied van Mampawa 
van dat van Sambas scheidt. (^) 

De onderneming slaagde boven verwachting, hetgeen aan- 
leiding gat dat niet slechts de Panembahan voortging meer- 
dere Ghineezen in zijn rijk toe te laten, om de uitgestrekte 
goudgronden die hij zich toeschreef, te bewerken, maar dat 
ook de Sultan van Sambas, Omar Akama'd-din, zich opge- 
wekt gevoelde om zijn voorbeeld te volgen on omstreeks 
het jaar 1760 de vestiging eener Ghineesche kolonie voor 
de goudgraverij te Larah toe te staan. Van liarah breidden 
zich deze Ghineezen weldra ook tot Montrado uit, welks om- 

(') Bitter bl. 117. FraDcis bl. i9. Anderen zooals Tobias hl. 88. Ysn Ker- 
vel bl. 187 'spreken niet van de vroegere ^vestiging aan de Soengei Doeri. maar 
aUeen van die in Sambas en het betwiste Montrado. Het juiste tijdstip van de 
vestiging der Chiaeescho koloniën 'm moeijlyk te bepalen, dewgl onze schr^'vers 
sich daarover zeer onbepaald uitlaten. Tobias noemt het bl. 33, omstreeks S5 
jaren geleden, en daar hij dit stuk in 1828 schreef, wijst dit op de jaren 1740 
— 6. Ritter noemt ' het, bl. 117, ten 'hooi^ste 80 jaren geleden, en daar h^ in 
1840 schreef, voert ons dit tot 1760. Francis, in 1832 schrijvende, noemt de 
vestiging ruim 70 jaar geleden, wat t^t dezelfde uitkomst leidt. Van Kervel» 
bL 187. plaatst de vestiging in Sambas omstreeks 1760, maar die aan de Soengei 
Doeri is huor zeker slechts korten tgd voorafgegaan. 



604 

trek door den gondrijkdom zijner gronden bijzonder nitroant- 
te. (1) De grenzen tnsHchen bet gebied der Maleische vorsten 
zijn doorgaans slecbt bepaald, naardien bet bezit van onbe- 
woonde wildernissen ieder onverscbillig is; docb wanneer io 
znike streken eene vestiging ontstaat, die voor de vorsten eene 
bron van inkomsten worden kan, dan wordt de grensschei- 
ding niet zelden een twistappel. 

Manipawa maakte thans aanspraak, en naar het gewone 
gevoelen terecLt, op het be/Jt van bet land tnsschen de Sciengei 
Doeri en Soengei Kaja, waarin ook Montrado begrepen was. 
Wij hebiien reeds gezien, dat dit omstreeks 1772 een oorlog 
tnsschen Mampawa en Sambas ten gevolge had, in welken 
de Chineesche ve.stiging te Selakonw verwoest werd en dat 
de Snitau van Pontianak zich deze geschillen wist ten natte 
te maken, om zijnen invloed uit te b;eiden en eindelijk zijnen 
zoon met de hnip der Compagnie op den troon van Mampawa 
te plaatsen. Zeker is bet dat Sambas meester bleef van het 
betwiste grondgebied; doch in het contract der Compagnie met 
Hampawa in 1787 schijnt niets aangaande de grondsclieiding 
bepaald te zijn, zoodat zij eene oorzeak van voortdurende on- 
eeni^heden bleef tasschen de vorsten van Sambas en Sjcriet 
Kasim, als Panembahan van Mampawa en later ais Snltan 
van Pontianak. 

Het blijkt zelfs, dat in 1792 de Snltan van Sambas bij de 
Oost Indische Compagnie klachten over de pogingen van den 
Panembahan van Mampawa en zijnen vader, om hno gezag 
en invloed uit te breiden, heelt ingeleverd; hetgeen tevens ten 
bewijze kan strekken, dat hare betrekkingen tot de Westkust 
van Borneo niet geheel hadden opgehouden, ofschoon zij bare 
kantoren aldaar ten vorigen jare verlaten had. 

Inmiddels was het aantal en de macht der Chineezen zeer 
toegenomen De mare van de rijkdommen, die op Borneo 
te verwerven waren, had weldra de geldznebtigen telgen van 



(') Tobia«, bl. 83, (volgens wien, in fttrijd met alle andere bericbten, Seni- 
BÏ8 de eertts plaats der veitijciiig in Sambas lou geweest syn), van Kervel, U- 
1S7, Bitter, bl. 118, Francia, bl. 19. 



505 

het E ijk van het Midden bij honderden doen toestroomen 
en zij vereenigden zich in genoot8cha|)pen voor den geza- 
meniijken arbeid. De vereenigiiigen waren in den aanvang 
veel menigvuldiger dan thans. Drie jaren na het ontstaan 
der kolonie in Sambas telde men 12 genootschappen te 
Larah en 24 te Montrado, en het aantal der ki>loui»ten kon 
reeds bij da:zendtallen gescliat worden. Zoodra zij zich 
machtig genoeg gevoelden^ gaven zij maar ai te duidelijke 
bewijzen van hunne geringe geneigdheid om zich aan het 
gexag der vorsten te onderwerpen oi hun eenig deel van de 
opbrengst der gondgraverijen af te staan, en het kon niet 
missen, of de geschillen tusschen Sambas en Mampawa 
moesten hun daarbij zeer in de hand werken. De Sultan 
van Sambas had aanvankelijk de vestiging der Chineezen 
slechts toegestaan onder zeer strenge bepalingen. Hij had 
hun den landbouw en den groothandel verboden en hunne 
industiie tot den mijnarbtid beperkt, en ofschoon hij zich 
met hunne ondernemingen niet rechtstreeks bemoeide, zich 
de opbrengst eener jaarlijksche schatting van 500 tahil 
goud; eene waarde van omstreeks ƒ 32.000; voorbehouden. 
Daarbij hield hij de levering der voornaamste behoeften 
voor hunnen arbeid en hun levensonderhoud; zooals ijzer, 
blauw linneu; rijst, zout en opium geheel aan zich als een 
verder middel om van hun aanwezen voordeel te trekken, 
en verbood hun het bezit van vuurwapenen en buskruid, 
welk verbod hij ten strengste handbaafde. Eindelijk was 
aan de hooiden der Dajaks een soort van toezicht en zelfs 
van gezag over hen opgedragen Q). 

Maar reeds bij het leven van Sultan Akama'd-din kon aan 
vele dezer bepalingen slechts met moeite de hand gebonden 
worden. Wel werd de schatting, ofschoon niet zonder morren, 
gedurende een tiental jaren vrij geregeld betaald ; doch wel- 
dra achtten de Chineezen zich sterk genoeg om zich van het 



(«) Ritter. W. 119, fan Kervel bl. 187—188, Francis, W. 19.— Tobiai 
HS, bl. 60, zegt dat de recogo tie vroeger 346 tahil wat, doch dit schfjat niet 
het oorsprottkelyk, maar een reeda Terminderd c^fer to weaeo. 



506 

lastig toezicht der Dajaks te ontslaaD. Bij gelegenheid yan 
een hunner jaarlijksche feesten, wisten die van Montrado de 
naburige Dajaks over te halen dat zij hen toelieten tot 
eene door hen opgeworpen benting, om daar gezamenlijk met 
hen ieest to vieren. De Chineezen hadden zich heimelijk van 
wapenen voorzien en vielen eensklaps de niets kwaad vermoe- 
dende Dajaks op het lijf, onder wie zij een vreeselijk bloed- 
bad aanlichtten. De benting werd tot den grond toe geslecht 
en het overschot der Dajaks ontkwam slechts door de vlucht 
naar Bintanan [Bantanan?) aan het moordstaal der Chineezen. 
Dit geschiedde omstreeks 1770 (M- Sedert dien tijd schijnt 
ook de schatting die zij aan den Sultan van Sambas op- 
brachten, verminderd en slechts met moeite geind te zijn. 
Kens toen de schatting op 200 tahils bepaald was, brachten 
de Chineezen slechts 90 tahils, onder allerlei voorwendsels 
smeekende dat die som voor dat jaar als voldoende mocht 
beschouwd worden. De Sultan liet het goud onmiddellijk in 
de rivier werpen, joeg dreigende de Chineezen weg, en bin- 
nen acht dagen had hij de geheele bepaalde som (^).*' 

Wat betreft het tijdstip der vestiging van de Chineezen in 
de Chineesche districten van Bomeo, door hen de „oiide groud 
bergen, (lo-kim-san ^ ^ ^| )'* genoemd, zoo geloof ik bo- 
venstaande in de noot geplaatste opgave van Tobia n, l. 
1740 — 45 als de meest nauwkeurige te mogen beschouwen, 
daar er in den omtrekt van Montrado graven zijn gevonden 
uit het 10« jaar der periode Kien-lun^ (1736 — 179*3), hetgeen 
dus op het jaar 1745 wijst. Zeker boeit die vestiging eerder 
dan i7()0 plaats gehad; lu het laatste geval toch zouden 
± 1770 de Ohinee/.eu. in verband met de langzame wijze 
van kolouiseering, m. i. noir niet het Maleische juk hebben 
kunnen afschudden. 

Het waarschijnlijkste is, dat in Sambas de teerste vestiging 
te Semints ( ^ j|[ Ut •) ^'^* ^^^ waar de Chineezen zich 



(l) Van Kervel bl. 188. 
(8) Tobiaa» U. S., bl. 50. 



507 

oyer Lara nitbreiddeD, terwijl de kolonisten bij Montrado 
overkwamen uit Mampatva en later direct uit CAiwa, waarde 
mare der groote winsten zich weldra verspreidde. Zij voeren 
den Soengei Doeriy den Soengei Raja, den Sebangkauw of de 
Singkawang rivier op en landden te MopiTshak (JS^^)« 

te Pangkalau'Bnloc (^ |0 Tshai-mian) te Singkawany ( ^J 
P y^ O P 7^ O lil ^^ i )> t^ Selakaitw (Woen-toe-nai 

•^ ftt t^) oi te Pakoeljiiuf ( Pak- wan- toet 'Q' ^5?)» **" 
die rivieren of hare zijtakken gelegen (^). 

Venier waren de voornaamste landingsplaatsen voor de latere 
kongsi van Boedok: BaLoewan (Moek-kwan of Moek-kon 
?K ^ O tIc ^ ^ a/d. Selakauw, Panqkalan-Kongjfi a/d. Se- 
bangkauw en Pangknlan, - Hadji a/<l. Soengei Boedoek, ter- 
wijl die van de Cliineezen in Seminis, Sepang, Loemar en 
Lara, Pamamjhat (Pangkat ^ ^"^ Sd)a\vi(^^^) Ledo 

Wl ^ ^ --- ^ ^ ^" Sehalnuiv ( f:^ |l|| ) waren, alle aan de 
Sambas-rivier en de vSambas-kanan gelegen. 

De Chineesche kolonisten ter Westkust van Borneozijn, 
met enkele uitzonderingen, allen afkomstig nit de znide 
lijkste provincie van China nl. Kwang-toeng Deze provin- 
cie werd in langvervlot::en tijden bewoond door onbeschaafde 
stammen, -van welke alleen wog de Miao-lszc [^ ^ )7Ach 
in eenige ontoegankelijke bergstrekcn hebben staamde ge- 
bonden — welke stammen tol de groep der Thaivolken wor- 
den gerekend te behooreu. ('-] Deze eerste bewoners werden 

(*) Daar de tempel van PaAoetjin^ (bij Veth steeds Pa-kot jin) als de oudste 
beschoQwd wurdt, noemt men Pakoetjiiif; wel als de oudste landinghplaats. 

Waar Veth II 26 van Balik-Batoe spreekt schijnt Pangkalan-Batoe bedoeld 
te zijn. 

Vergelijk over de bovengenoemde en later in den tekst . enoemde plaatsnamen 
de bijgevoegde schetskaart. 

(,* De Thai-volkeu vormen met de JBinnaneny de Khomen^ de Annamieten^ 
de Chineezen en de Tibetanen de groep der /. o. A/iaten met eenlettergrepige 
talen. 

De Miao-tsze vormen met eenige andere onbeschaafde stammen in China, met 
de Pa-yi (Yünnan), de lai-mau ^ïünnan), de Tai (of Shan) in Birma etc. de 
N. groep der Thai- volken, de zuidelijke eroep omvat o. a. de Lao (in N. Siam) 
en de Thai of Siameezen. 



508 

in overonde tijden verdrongen, opgenomen, misschien tesa 
deele verdelgd door van liet Noorden komende Cliineesche 
immigranten, die langzamerhand de gehecle provincie in iinn 
bezit krei^en. (^) Deze immigranten worden gewoonlijk Poen- 
fi'9 (:j|C ifb inboorlingen) genoemd; terwijl zij bij vrijze 

van scheldnaam ook wel eens Sjanfin ( ^ ^ ) slang-men- 

schen), Sja-tsse [J!^^) of Sja (if^) g^^o^i^d worden. 

Gedurende de Midiieleeuwen vonden weder twee migratie- 
stroomen hnn weg naar Kwang toeng nl. die der Kheh's of 
Balska's [^ O ^^) en die der /M/o'*(jg^, in 

het Eheh dialect phonetisch weergegeven door ^ -^ ). 

De Hoklo's uit het Noord-oosten, nl. uit de provincie 
Hok-kiën (Foeh-kiën) komende, verdrongen de Poenti's 
langzamerhand uit de Noordelijke kuststreken der provincie 
Kwang-toeng, zoodat tegenwoordig bijna het geheele depar- 
tement Tsjhao-tsjoe (') ( ^ )ff| ) door hen is ingenomen^ even- 
als de kustdistricten van het dept Hwoe-tsjoe (^ ^); ter- 
wijl zij in de meer zuidelijk gelegen kuststreken en hier en 
daar elders, reeds in meer of minder groot aantal voorkomen. 

De tweede migratie-stroom voerde uit het Noorden de Hak- 
ka's of Kheh's aan, die zich — waarschijnlijk iets na de 
komst der Hoklo's — vestigden in de streken ten Westen 
van het kustland gelegen, en tegenwoordig heeft deze stam 
het geheele departement Kia-ying ( ^ Jj^) in zijn bezit, 
alsmede het district Ta-poe (dept. Tsjhao-tKJoe), beuevens 
vele gronden van de binnenlaudsche districten van het Dept. 
Hwoei-tHJoe en eenige districten van het Dept. Kwang-tsjoe 
( S iti ) [(Vergel. de Gr. K. W. v. B. bl 65 v. v. g,)] 

(*) Vergelijk Dr. J. J. M. de Groot, Kongsi-wezen Tan Boroeo bU 6S. 

Uaar vermeld wordt, dat de Chineczen zich sedert 214 ▼. Chr. orer de zui- 
delijke provinciën van het ryk (nl. Kwang-toeng, Foeh-kiën, Kwang-si en iCw«i- 
tsjoe) be^i^ounen uit te breiden, en er in 41 n. Chr. in het ten Z. Yan China 
gelegen Annam een opstand uitbrak, gericht tegen het aldaar gevestigde Chincc- 
■che bestnnr, zal de in den tekst bedoelde vestiging van Chineezen waarschijnlijk 
iets voor het begin onzer tijdrekening hebben plaats gehad. 

(*) i^an Tsjhao-tsjoe (in de Hok-lo-taal Tio-tsioe genoemd) ontleenea de t& 
Oeli welbekende Tio-tsioe*> hnnnen naam. 



509 

Uit bet boyenstaande blijkt dat de Hoklo's vooral geves- 
tigd zijn io bet beneden-stroomgelned van de rivier van 
Tfljhao-l^joe-ioe; terwijl de Uakka's hun centran liebhen ia 
het boven stroomgeüed van die rivier, welke stroom in bnar 
i)ovenloop eene N O. richting heeft om daarna, na een bocht 
te hebben gemaakt, in zuidelijke richting zijn benedenloop 
voort te zetten. 

Sedert eenige honderden jaren begonnen de Oostelijke 
grenzen van het Hakka-gebied meer en meer de Westelijke 
grenzen der Hoklo's te naderen, zoodat men op die grens 
langzamerhand eene gemengde bevolking kreeg; terwijl ver- 
der de Hakka's zich ook gingen vestigen in de bovenlanden 
der eigenlijke Hoklo streken. Hier en daar vindt men dan 
ook Hoklo-dorpen naast vestigingen van Hakka's. Deze 
Hakka's^ in dagelij kscbe aanraking met Hoklo's, leerden na 
eenige geslachten dan ook zoowel het Hakka-als het Hoklo- 
dialect spreken, wat nog bevorderd werd door huwelijken met 
Hoklo-vrouwen gesloten. Het Hakka'sch bleef echter de taal 
die in hunne huizen gesproken werd; alleen voor de veel- 
vuldige aanrakingen met de Hoklo's werd de kennis van 
het andere dialect een vereischte. Het door hen gesprokpn 
Hakka-dialect verschilt eenigszins van het in Eia-ying ge- 
sprokene. Door atstamming van de Hoklo's onderscheiden en 
door eene opvoeding in een ander land en onder andere om- 
standigheden van de eigenlijke Hakka's in Kia-yini^ verwijderd, 
vormen die Hakka-immigranten van de bovenlanden der Hok- 
lo-ge westen als het ware eene afzonderlijke groep en zullen- 

wij hen in navolging van de Chineezeu Pan-San-Uok's/^ 

[|| ^ half bergmenschen half Hoklo's d.i. half Hakka's half 
Hoklo's) noemen. In hun vaderland wonen zij soms afgescheiden 
van de Hoklo's zoowel als van de nieuwe Hakka-immigranten, 
zoodat men hier en daar afzonderlijke dorpen der drie eatego- 
riën naast elkander vindt; terwijl die afscheiding elders weer 
andere nuanceeringen aanneemt. De vestigingen der Pan- 
San-Hok's vindt men vooral in Ilo-pho (dist. Kiet-yang, dept. 
Tsjhao-tsjoe)i in de bovenlanden van het dept. Ilwoei4ai 



510 



(Tsjhao-tsjoe) en van het district Loek-foetig (Hwoei-tsjoe) en 
in mindere mate in de bovenlanden der districten Foeng-Sjoen 
(Tsjhao-tsjoe), Ilai-foeng en Kweï-siën (Hvvoei-tsjoe). / 

De Pan-San-Hok's worden ook wel eens aan^reduid door 
den naam beneden-meuschen (ha theoe-njin "f^^^) ^^ 

(ha-poi-njin "|C ^ ^ ) in tegenstelling met de eigeniyke 

Hakka's, die men dan boven mensc hen fnjong theoe-njin J^ 

^ ^ of sjong-poi-njin Jt, '^ >\ ) noemt. 

Heelt de Hakka-Chinees (tu in mindere mate ook de Hoklo) 
door zijn eeuwenlangen migratie-toestand bij uitstek koloni 
seerende eigenschappen, een stalen vlijt en een gehard lichaam 
gekregen (verg. de Gr. K. W, v. B. Tweede Hoofdstuk § I), 
niet te verwonderen valt het ook dat de Pan San-Hok's, in 
minder gunstige landstreken gevestigd en dus een z waren 
strijd om het bestaan moetende voeren, die eigenschappen in 
zeer hooge mate bezitten; terwijl juist die minder gunstige 
toestand hen tot emigratie aanspoort, waarvoor verder het 
spreken van twee talen hen bij uitstek geschikt maakt. 

De in üeli als de* beste koelies bekende Hai-liok-hong6 
behooren dan ook zoo goed als allen tot de Pan-San-Hok'8{^) 

Opmerkelijk is het, dat de zoo stoere Hakka-Clüneezen 
door de Pan-San-Hok's dikwijls als een verwijfd volk worden 
beschouwd 

Terwijl de Chineezen van Java hoofdzakelijk uit Foeh-kiëu 
afkomstig zijn, zijn die der Buitenbexittingeu meestal uit <ie 
provincie Kwang-toeng en wel voornamelijk uit de departe- 
menten Tsjhao-tsjoe, Hwoci-tHJoe en Kia-ying benevens eensire 
uit het dept' Kwang-ifejue {^j. 

(^) Hai-liuk-hon^, eene samentrekking vau de nainea der districtea Uai-boog 
en Lok-hüng, d.i. de lloklu- uitspraak van Hai-foeng en Loek-focng. De Hak- 
ka- uitspraak luidt llui-foe.ig e o Liock-i'ocug. 

(-) Emigratie uit China, Niet alleen in den Indischen Ar- 
chipel, maar over de gcheele wereld schijnt de immigratie-stroom 
der Chineezen van de beide provincies Foehkiën en Kwang-toeng 
te komen. De statistiek leert toch, dat in de jaren 1879 — 18SJ* 
1.537.367 Chineezen hun vaderland verlieten. Hiervan vertrokken: 



V 

f) 



511 

Wat betreft de Ghineesche kolonisten op de Westkust 
van Borneo, zoo is daaromtrent het Yolgende te vermelden: 

Van Foenti's merkt men aldaar tegenwoordig bijna niets 
meer, ofschoon zij er in vroegeren tijd wel volksplantin- 
gen gehad hebben. De overlevering spreekt toch: 

1®. van eene vestiging vam Poenti's bij Koelor (in het 
Montradosche). 

2°. van' eene vestiging van dien stam bij Soengei Pinjoe 
(bij Mampawa), welke door de kongsi van Mandör geabsor- 
beerd is, terwijl er 

. 3^. vroeger eene bloeiende landbouwkolonie van Poen- 
ti's by Soekadana moet gevestigd geweest zijn, welke op 

van Emoy (Foeh-Kiën) 415.074 

Swatow (Kwang-toeng) .... 458.815 

Honkong 657,478 

In genoemd tijdvak keerden naar China terug 1.167.000 im- 
migranten. 

Yoor de onderstaande streken bedroegen die cijfers de vol- 
gende totalen: 

van China gekoiaen: naar China terug: 
Straits-settlements en de 

Indische Archipel 1.167.000 810.508 (») 

Philippijnen (uit Emoy) .... 100.267 ' 95.561 (*) 

Siam (uit Swatow en Hongkong). 77.802 45.178 (») 

Noord-Amerika 144.137 107,712 (*) 

Australië :>1.450 27.218 («) 

Yerder gingen o. a. naar Hawai .... 4.800 Chineezen. 

^ Mauritius . . . 2.800 ^ 

„ Jamaica . . . 694 ^ 

„ Z.- Afrika ... 152 „ 

In onderstaande landen bedroeg het aantal Chineezen: 
China 303.241.969 in '88. 

N. -Amerika (U- S.) 109.044. 

(') 581 447 naar Hongkong. 

(*) 13.187 ♦ Swatow. 

l') 215.874 « Euïoy. 

(^) « Hongkong;. 

(*) » Hongkong. 



512 

aansporing van de Maleische vorsten, die den steeds toene- 
menden invloed der Chineexen begonnen te vreezen, door de 
Dajaks vernietigd werd. ') 

De Hakka's vormden de groote meerderheid onder de \t- 
den van de Lan fong-kong si, evenals nu nog in het land- 
schap Mandor en de vroeger daartoe hehoorende streken. Vóór 
de sticiiting der Lan fong-kongsi (1777) hadden de Hakka's 

w. o. 

Westelijke staten IOS.196 ^ '80. 

Alaska 2.1Ï5 , '90. 

N. Atlantische staten 1.669 . '80. 

Z. Centrale staten 1.428 , '90. 

N. „ „ 993 , '80. 

Z. Atlantische staten 633 , '90. 

Australië 44.207 

w. o. 

Queenslaud 14.524 , '79. 

Victoria 13.000 » '79. 

N. Z. Wales 0.500 , '79. 

Nieuw-Zeeland 4.433 , '72. 

Zuid-Australië en Port-Darwin 2.000 in '79. 

Tasmania 740 , '79. 

Siam 3.500.000 , '89. 

Nederlandsch-Indië 

Java en Madoera 237.579 , '89. 

Butenbezittingen 209.451 , '89. 

Cambodja 100.000 , '78. 

Phiiippijnen 30.800 , '78. 

Bij gebrek aan goede statistieken kan echter niet opgegeTen 
worden hoeveel emigranten uit elk der genoemde streken af- 
komstig zijn, en nog minder (wat van meer belang zou zijn) hoe 
het totaal verdeeld is over Hakka's, Hoklo's, Pan-San-hok's, 
Poenti's en Hokkien's. ^) 

') Soekadana =■- Cbin. Woet-loet-toet ( }^ iSk ^K \ eene Terba»tcnBg 

Tan den aau die plaats door de Nederlanders gegeven naatn NieMW^Brtsttl. 

*) Boveu»taand9 cijfers zijn ontleend aan 'Ibouni^-pao Vol. 1 pp. 01-412 Vol 
II p. O» — Ind. Gidi 1880 II 439.— The Elevenlh Censiu (.LUrpw's Weck 
ly, 1801 18 July) etc. 



51S 



daar echter niet de suprematie. Te Mandor toch woonden 
toen vooral Hoklo Ghineezen nit Tsjhao-ijang en Kiëh-gang^ 
(die nit laatstgenoemd district waren misschien wel Pan- 
San-Hok's uit Ho-pho). Ook te Mao-ijien, San-tsoe-ta-nga, 
Koenjit; Loengkong, Senaman en andere plaatsen in het 
Mandorsche waren Ghineezen uit dezelfde districten gevestigd. 
Te Minwong en in de omstreken daarvan woonden vooral 
Hakka's uit Ta-poe, over wie zich zekere Lioe-kon-siong, 
(zie later) die aldaar met meer dan 500 familieleden verblgf 
hield, als thai-ko had opgeworpen. (Lioe-Kon-Siong en zijne 
familieleden waren hoogst waarschijnlijk Pan-San-Ilok's). 
Te San-sim waren Ghineezen uit Ta-poe (Hoklo's) geves- 

Zelfs de veel minder moeilijke algemeene statistiek der Ghi- 
neezen in Ned-Indie is niet geheel te vertrouwen. 

Zoo vindt men toch b. v. nog in Bijl. A. van het Kol. Ver- 
slag over 1891 onder No. V. Vermeerdering en vermindering g^ 
durende 1889 van het aantal vreemde oosterlingen, ten gevolge 
van vestiging en vertrek. 





GHINEEZEN. 




Gekomen van: 


Vertrokken naar: 


andere ge- 
deelten van 
Ned. ludié. 


bet vaste 

land van 

Azië. 


andere ge- 
deelten van 
Ned. Jndië 


het TMte 

laod rao 

Axië. 


14009 
11423 


3439 
36500 


11068 
12845 


3032 
24854 


25432 


40038 


23113 


27877 



Java en Madoera. 
Bniten Bezittiugen. 

Totaal. 



Ware die statistiek goed, zoo zouden de cijfers der eerste en 
derde kolom nl. 25432 en 23413 ongeveer gelijk moeten zijn. 
Ook is het niet duidelijk waaronder Ghineezen van Serawak ko- 
mende of daar heen vertrokken, moeten worden gesteld, zoodat 
het heter ware de kolommen „van het vaste land van Azië" te 

veranderen in kolomen met het opschrift „huiten Ned. Indië." 
Tüdiohr. Xnd. T. L. ea Vk., deel XXXV. 34. 



514 



tigd. De ChioeezeD uit Kiarying (Hakka's), Hwoei4qoe 
en Tqhao-Tsjoe (Hoklo's) woondcD onder boyengenoemden 
Tenpreid, waardoor het hnn niet m<^eiijk was zich indin- 
dneel te doen kennen. (Vergel. de Groot K. W. ▼. B.) 

De toestand in de Chineescbe kongsi's van Sambas (Mon- 
trado) was eenigsdns anders. Volgens de overlevering toch 
waren aldaar de meeste kolonisten Pan-San-Hok's, oftcboon 
er ook in vroegere tijden Hakka's waren gevestigd. Deze 
laatsten echter werden + 1772— 1774 door de Fan-San-Hok's 
Terslagen, met het gevolg dat zij ten deele naar Mandorait- 
weken en van dien tijd de Pan-San-Hok's er den boven- 
toon voerden. Kort na 1825, vestig(fen zich in het Mon- 
tradosche weer eenige Hakka's, welke zich minder met land- 
ot mynbonw dan wel met handel erneerden. Betrekkelijk 
de meeste Hakka's vond men alhier in Bengkajang, tnsschen 
welke streek en Handor een drnkke smokkelhandel van 
opiom, zout, krnit eoz. plaats had. 

De weinige Hoklo's die in de eigenlgke mijndistricten woon- 
den, waren meest handelaars, terwijl zij in de omstreken van 
Pontianak en op die plaats, alwaar zij in eenigszins grooter 
getale voorkomen, meestal landbouwers, handelaars, werk- 
lieden en zeelieden zijn. (^). 

Oftchoon in de Chineesche geschiedenis der Lan-fong-kong- 
si vermeld wordt dat de stichter van die kongsi, Lo-fong- 
phakt een Hakka-Chinees, te Pontianak van den eersten dag 
zgner aankomst als een persoon van gewicht weid beschouwd 
door de twee aldaar gevestigde vereenigingen n. I. de Tsj6- 
sjin-kong-si (overwinning door vereeniging) en de Si-thai-ka- 
wi (kring der 4 groote familiën), konden de Hakka's zich 
aldaar niet krachtig genoeg doen kennen en werden zij ver- 
drukt en beleedigd, zoodat Lo-iong-phak zich met zijne vol- 
gelingen in het Mandorsche ging vestigen, (verg. de Gr. K. 
w. V. B. bl. 7. — 9.) De genoemde „kring der vier groote fa- 



(') De namen Hok-lo-nam (Hoklo-Sawah) Uok-lokai (Hoklostrut) HoUo 
pi. (Hoklo-waterrétenroir) in het MoutndoBche, moeten op Testigingen Tan Hok- 
lo's in vroegeren t^d wyien. 



515 

miliën'^ moet bestaan , hebben uit de stammen (siang j^ ) Idm, 

Kok, WoDg en Then ( jj^ O |f RO 3E O H ), de eerste twee 
Tnl. uit Hoklo's, de andere nit PanSan-Hok's bestaande. (Vol- 
gens sommigen waren de lieden van den stam Afo^ Foeh-kiën* 
Ghineezen). De lieden van de Tsjë-sjin-kong-si (ook wel Tsjë- 
sjin-/oet genoemd) waren Hakka-Cbineezen. 

Foeh-kiën-Ghineezen vindt men op Bomeo slechts in 
eenigszins groeten getale te Pontianak, terwijl hier en daar 
op de hoofdplaatsen nog enkelen wonen. Zij houden zich 
hoofdzakelijk met handel bezig. 

De Ghineezen in de Ghineesche districten Tan Sambas 
(Singkawang, Montrado, Lara, Loemar, Sepang enz.) wonen- 
de, die, zooals gezegd, hoofdzakelijk Pan-San-Uok's (of af- 
stammelingen vün de<^n) zijn, spreken een eenigszins ander 
Hakka-dialect dan die uit Mandor, zoodat men meestal de 
laatsten direct aan hun spraak kan herkennen en soms ook 
reeds aan het uiterlijk. Na de onlusten van Thai-kong 
(1850-1854) zijn er in de streken van de vroegere Lan-fong- 
kongsi, vooral in de Noordelijke zooals Karangan, vele 
Pan-San-Hok elementeui die van Montrado uitgeweken 
zgn. 

De afstammelingen van de Pan-San-Hok's die op Bomeo 
geboren zgn, spreken meestal slechts dat verbasterde Hakka- 
dialect, terwijl zg het Hoklo'sch niet meer verstaan. 

De Ghineezen van de vroegere Boedok-kong-si (waarover 
later) waren meest allen Pan-San-Hok's uit Ho-pho (Kiëh- 
yang). 

Als voorbeeld van de verdeeling der Ghineezen van de 
kongsi's van Sambas, moge het volgende slaatje dienen, op- 
gemaakt volgens de bevolkings-staten van 1858 (1) waarin 
ook de geboorteplaatsen voorkomen, getoetst aan een locaal 
onderzoek. 



(1) In 1864 werden de SambMche kongsi's opgekeYen. 



516 



AANTAL CHINEESCHE MANNEN. 



Geboobtig. 



Uit: 



Loek-foeng. 

Hai-foeDg. 

Kweï-siën. 

Hwoei-iai. 

Kiëh-yang. 

Phoe-ning. 

Foeng-sjoen. 

Kia-yiDg'tsjoe. 

TsjiiD-phiDg. 

T&jhang-loh. 

PhiDg-ynen. 

IJoeDg-ngan. 

Ho-yuen. 

LoeDg-tsjhwen. 

Tshoeng-hwa. 

Ta-poe. 



Kwang-toeDg. 

Sin-niDg. 

Pwan-yu. 

Tqhao-Tsjoe- 
foe. 

Foeh-kiën. 



Dept. 

Hwoei- 

Tfijoe. 

Dept. 

Tsjhao 

Tsjoe. 



Dept. 

Kia 

IJing. 

Dept. 
Hwoei- 
Tsjoe. 
( Dt. Kwang 

tsjoe. 

Dt. tsjhao 

tqoe. 

B. 

Dept. 
Kwang. 
Tsjoe. 
C. 

Dt.Tshao D. 
-tsjoe. 

E. 



District I District 
Lara. Loemar. 



272 


88 


4 


3 


42 


6 


95 


35 


39 


20 


2 




1 


1 


455 


153 


131 


24 


43 j 


11 


17 ! 


11 


1 





20 ■ 


2 


3 


1 


1 , 


— 


1 





16 



10 



233 5» 

14 . 

2 1 
9. 

1 


25 : 1 

21. 



1. — 



Zoo goed als alle Chioeezeo achter A. zijn Pan-San-Hok's, 
enkele Hoklo's kunnen er echter wel onder voorkomen. 

Die achter B. zijn zoo goed als zeker allen Hakka's; mis- 
schien vindt men er eenige Poenti's en Hoklo's onder. 

Die achter C. vermeld zgn Poenti's, vermengd misschieo 
met enkele Uoklo's. 

Die achter D. zijn Hoklo s, die achter E. Hokkiën's (Het 



517 



aantal Hoklo's dat onder de andere categoriën verdwaald 
kan zgn, is echter zeer gering, daar men van Hoklo-immi- 
gratie zeer weinig bemerkt.) Recapituleerende krygtmendos 
globaal : 





CHINEESCHE MANNEN. 




STAM OF 
GROEP. 


District 
Lara. 


District 

LOBMAR, 




Pan-San-Hok. 

Hakka. 

Poenti. 

Hoklo. 

Hokkiën, 


455 

233 

25 

21 

1 


153 

59 

1 

213. 




Ik China ge- 
boren. 


735. 





De geschiedenis der kongsi's in het rijk Sambas over de, 
jaren 1770 — 1818^ bij Veth in vijf bladzijden (deel 1 bl. 
300 — 305) afgehandeld, zal ons iets langer moeten bezig- 
houden. 

1760. Toen de Chineezen zich meer onaihankelgk van 
de Maleische vorsten hadden gemaakt, was het niet te ver- 
wonderen dat onder een landbonwend volk als het Chipeesche, 



(1) Ter vergelijking Tan den toestand in 1858 en den tegenwoordigen tgd 
ÏB het volgende staatje kenmerkend: 

0N0ËSAFD££UN6 LABA EN LOEMAB. CHINEESCHE 

BEVOLKING. 







Vrouwen 
en 






Totale 


Mannea 


ManiMn 


Jaren. 


Mannen. 


kinderen 
(allen in 
Ned. Ind. 


Vrouwen. 


Kinderen. 


bevolking. 


• 

m 

China 


in 
ladiè 




1104. 


geboren. 
1110. 


52;^. 






gabom. 


geboren. 


1858. 


522. 


2304. 


048. 


246. 


1889. 


1089. 


2241. 


703. 


1448. 


3830. 


458. 


681. 



518 

ook weldra op Borneo een landboawerestand ontstond. De 
groote winsten van den mijnbonw waren de oorzaak dat 
ook de landbouw voordeelig genoeg kon zijn en liefhebbers 
▼ond. Zoo bestonden dan ook bij Montrado iets na 1770 
twee groote landboaw-verbonden n.1. het Thien-thi-foei ( ^ 

J||| -^ ) en het Lan-fong-f oei ( H ^ '^ ) ^'^^ ^^^^ kleine 
mijnboaw-vereenigingen, die eveneens foei's genaamd werden 
of| wanneer zij zeer klein waren, de namen Sau-Sa ( |J[j ^ 

of palit (%|g) droegen. (*) 

(Deze naam pa-lit ^ ^ d. i. het Maleische parit (mgo) 
aan de oudste Chineesche mijnen gegeven, maakt waarsehgn- 
lyk wat door sommigen beweerd wordt, dat nl. by de 
vestiging der Cbineesehe. emigranten reeds goud door Ma- 
leiers of Dajaks gewonnen werd.) 

Het hoofd van Thien-thi-ioei was Lioe Sam-Pak ( ^ ^ ^ ) 
die een zwaard van 18 ponden *) voerde terwijl het Lan-fong 
verbond onder Lo-Thai-Pak stond. (') 

Het eerste en oudste verbond was gevestigd bij Raniauw 
(Ch. Lanto ^1^) Pakoetjing, Wong-li-toeng (Ananas heu- 
velrug 3E ^ ^) ^° Koelor (Gh. Koet-loet ^ ^), en wil- 
de deze laatste plaats, waar het reeds een passer had, toc 
hoofdzetel maken. Het Lan-fong- verbond had terreinen b§ 
den Lan-fong-foei-loeng ( H ^ '^ ^ heuvelrug van het 

{^) Ondor Smm'S» bQ Vxtr I 100 en elden S«i^-m genoemd, voet men de 
Ideme myn-ontginningen in den bovengrond, langt de helling van bergea Moge- 
legd, Yentaan. Deze ontginningen z\jn meestal van den regen af haokelgk. Onderde 

in Vbth genoemde mtm*s ( jJm ) f erataat men meer in het Ylakke laad gclegea 

m^nen, ▼oonisn van een waterréiervoir (Chin. j» ( J^ ) of Mal. futfomf 

aS\i) en md pompen werkende. Verder iQn er oog vele andere wgasB vaa 

bewerking, alle door afzonderlijke namen aangeduid. 

('2) Dné eigenaardigheid van een 18 ponds zwaard, wordt ook verhaald vaa 
Kong-Meeow-Phky thai-ko van de Lan-fbng-kongsi. vergeL de Groot K. W. v. B. 
bl 28. 

(*) Met Lo-thaj.pak f jjy yi^ ^jy ) wordt dezelfde perM)Oon aaagedoid dw 
ten reehte by de Groot bl. 6 vrg. Lthfomg'pmJt ( JB ^ "f j^ ) heet 



519 

lAD-fong verbond) en bij Thai-sjoe-san ( ^ jjff jjj ). 

± 1772 — 1774. Uit naijver ontstonden weldra tusschen de* 
ze twee verbonden twisten, welke zoo hoog liepen dat eindelijk 
na een hevigen strijd Lan-fong-ioei geheel verslagen werd, zoo- 
dat Lo-thai-pak slechts ter nanwernood, na zich een dag op den 
passer van Montrado verborgen te hebben, over den berg 
Uang-moei (Uang-moei-san J^ J^ |X| ) naar Mampawa kon 
vlachten. Later verzamelde hij weer nieuwe deelgenooten en 
gelakte het hem in Mandor de Lian-fong-kongsi op te richten. 
Daar het hier medegedeelde strijdt met de geschiedenis van 
de Mandor-kongsi, zooals die medegedeeld is in: Het kongsi- 
wezen van Bomeo door Dr. J. J. M. de Groot bl. 6 vvg., 
moet ik hierbij nog eenige oogenblikken stilstaan. 

Ten eerste wordt het mi) door de Ghineezen medegedeelde, 
bevestigd door van Kbbtbl (vide Veth I bl. 800), die verhaalt 
dat; omstreeks 1774, tengevolge van vijandelijkheden onder 
de Ghineezen, een groot gedeelte der Ghineezen van Montrado 
en Lara de vlucht nam naar het gebied van Mampawa en 
zich in het goudrijke district van Mandor vestigde. 

Volgens de Groot bl. 7 noot 1 ging Lo-thai-pak in 1772 uit 
Ghina naar de gouddistricten en wer,d hij (volgens bl. 5 en 6) 
eerst in 1777 thai-ko van het verhond van Mandor. Kan h^ 
nu niet in die vijf jaren zijn geluk in Montrado beproefd heb- 
ben? Op bl. 12 wordt bij 'de Groot een veldtocht van Mandor 
tegen Montrado beschreven welke op niets uitloopt en waar- 
mede bet ontstaan van den naam Lan-fong-foei-toeng in ver- 
band wordt gebracht. Weet men nu dat het leger van 
Mandor van het zuiden kwam en men het niet raadzaam 
achtte de kongsi's van Montrado aan te vallen, dan is bet 
vreemd dat een plaats ten N. van Montrado en dus, zooals 
wy weldra zullen zien, ongeveer aan de andere zgde der in be- 
doelde geschiedenis genoemde kongsi's gelegen, enigermate 
in verband kan worden gebracht met die gebeurtenis; terwyl 
de naam zeer natuurlijk te verklaren is door: „den heuvel- 
rug waar het Lan-fong-foei gevestigd was". Ook zoude men^ 
daar in de Ghineesche geschiedenis van Mandor steeds spra- 



620 

ke is Tan „kongsi" en niet vao „foei", den naam Lan-fong- 
kong-si-toeng verwachten. (Op den bewusten veldtocht zal 
nog worden teruggekomen). 

Bovenstaande gronden doen mij vermoeden dat de door Dr. 
de Groot medegedeelde geschiedenis omtrent Lo-thai-pak, om 
licht te bevroeden redenen, door den Ghineeschen opsteller 
eenigszins is geïdealiseerd. 

Na deze uitweiding keeren. wij terug tot de verdere lotgeval- 
len van de Montradosche vereenigingen. 

Toen Lan-fong-foei verslagen was, nam de macht van het 
Thien-thi-foei zeer toe en deed het den mijnwerkers allerlei over- 
last aan. Deze mijnwerkers; vroeger in vele vereenigingen ver- 
deeld, vormden langzamerhand door nauwere aaneensluiting 
een steeds kleiner wordend aantal verbonden, die den naam 
Kong-si (>^ IJ ) aannamen. Zoospreekt de overlevering nog 
van de „17 Kongsi's", terwijl Veth (zie boven) 24 vereeni- 
gingen in Montrado opgeeft. Ten tijde van de nederlaag van 
Lan-fong-foei bedroeg het getal der vereenigingen bij Montrado 
nog slechts 14, waaronder reeds tamelijk groote. Thai-Kong 
b.v. had reeds 500 \i 600 weerbare mannen, nl. bij Sjong-Woek 
( Jt g)2 a 300 en bij Ha-woek ( 7;: ^ ) ï?00, terwijl dit 
getal bij Kiët-liën, Sam-thiao-keoe, Sin-pat-foen en Sin-Woek 
voor iedere vereeniging ±. 800 bedroeg. 

1775. Toen dan ook in ± 1775 Thien-ti-toei, trotschop 
zyne overwinning en in het bezit van het rystmonopolie, 
eene aanmatigende houding aannam en o. a. de ryst alleen 
tegen hooge prijzen wilde verkoopen, nu en dan zelfs het 
suikerriet (vooral uit de tuinen van Kantauw) niet wilde 
afstaan en de leden zich allerlei vrijheden tegenover de vrou- 
wen der andere kongsi's veroorloofden en deze zelf is roofden, 
kwam er eene aaneensluiting der bedoelde 14 kongsi's tot 
stand. Deze aaneengesloten vereenigingen deden Thien-thi- 
foei den oorlog aan en eindelijk slaagden zij er in dit verbond 
bij den Wong-li-toeng te verslaan. Lioe-Sam-Pak sneuvelde 
met meer dan 500 der zijnen en men zegt dat de vele 
l^eendcren die in latere tijden bij genoemden heuvehrug in 



521 

den grond gevonden werden^ nog van dezen strijd afkomstig 
waren. 

Het overschot van Thien-thi-foei voegde zich by verschil- 
lende andere kongsi's. 

1776. Uit genoemde tydelijke aaneensluiting der 14 
kongsi's ontwikkelde zich weldra eene permanente federa- 
tie, de later zoo bekend geworden Fo-Sjobn-Kong-Si. *) 
Het verkozen hooid van deze algemeene vereeniging droeg 

den titel Kapitan (Kap-pit-tan ^ i|^ ^ ) en wordt, even- 
als de Kap-thai van Mandor, in Europeesche bronnen wel 
Panglima genoemd, (verg. Veth II 74,122 en elders.) Ook 
werd een algemeen raadhuis nl. de Thang opgericht. 



') AU het jaar Tan stichting van Fo^'oen werd mij door oen Chincea het 

jaar |^ "^f^ (hier 1786) opgegeven. Daar de nederlaag van Lan-fong-foei, 
die tainel^'k zeker ± 1774 plaats had, volgens de overlevering hinnen een 
paar jaar gevolgd werd door de oprichting van Fo-Sjoen, aarzel ik niet 

aan te nemen dat bedoelde Chinees zich vergist heeft en het jaar |^ ^^ 

(= 1776) is bedoeld. Deze verandering is niet zoo groot als z^ sohfjnt. Een 
Chinees toch zal bij het weergeven van een jaartal in het dagelijksche leven meestal 
alleen het eerste teeken van de twee waardoor een jaartal wordt uitgedrukt, op- 
geven en dit blijft hem dan ook het beste bij . Zoo zeggen b. v. Chineezen, die 

in het jaar kang-dji J^ ^ (1890) b. v. 13, 23, 33 43, 53 enz jaar oud 

lijn, allen dat zij in het jaar woe Iv geboren zijn. Zij noemen dus alleen het 
cgfer van den cyclus van 10, terwQl zij het teeken van deu cyclos van XII 

(in dit geval respectievelijk dji, sjin, ne, sjia, snt etc. j^ J^ "^Jh ^ f^ ) 

zullen weglaten, aan anderen overlatende het juiste tiental te schatten, waarbij z^ 
misschien het geluk hebben dat men hun 10 jaar te veel geeft. Op eene ana- 
loge wijze laten wij de eeuwjaren weg en schrijven vosr 1890 slechts '00. Wan- 
neer wij de gewoonte hadden voor '87 of '88 slechts te schrijven '6, '7 of 
'8, dan zouden 1776 en 1786 ook beide door '6 aangeduid worden en zonde het 
niet te verwonderen z^n aU de ouden van dagen zich nu en dan eens een tiental 
jaren vergisten. Zooab bekend is, zal een Chinees op de vraag: »Hoe oud z^t g^? 
steeds antwoorden als of hem gevraagd werd: «Onder (Gedurende) hoeveel jaren 
hebt gij geleefd?" zoodat een kmd van één dag wd twee jaar oud kan zijn, als 
het nl. op oudejaarsavond geboren is ( Hij kiuderen vraagt men dan ook naar 
het aantal maanden). Ook bij het aantal regeeringsjaren van een vorst wordt zoo 
gerekend, zoodat (zie boven bl. 506) het tiende jaar van de periode Kien-lung 
(1786—1796) dan ook het jaar 1745 is. Daar het Chineesche iaar in de maan- 
den Januari of Februari begint, heb ik bij de herleiding van Chineesche jaartallen 
steeds dit Europeesche jaar genomen dat voor het grootste deel met het Chinee- 
sehe samenvalt. 



522 

De veertien aaneengesloten kongsi's die de Fo-Sjobi- 
Kongsi (SfU H^ i^ tQ ) vormden waren : 
1. Thai-Koho. 'jZ VS 

2. LO-PAT-FOKK. ^ /V ^ 

3' KlOB-FOBN-THSOE ^ ^ §S 

4. Sjip-bam-foek. "f* ^ ^ 

5. KifiT-LiËN. ^ S 

6. SiirPAT-Fora. J&f A ^ 

7. Samthuoricox. ^ Ift I^ 

8. Man-fo. j^ 5fkl 

9. SiN-WOEK. ^ ^ of SlH-BJIP SI-FOBN ^ + R9 ^ 

10. HAira-MoBi. J^ J^ 

1 1 . Sjip-ng-Fobn -f^ 3t ^ 

12. Thai-fo ^$^ of Sjip-uobk-fobh-Thai-fo, -f- 5J5 

13. L0-8JIP-8I-FOBN ^ "f* E9 ^ 

14. Sjip-ngi-fobn. -(- rl ^ of Sjip-ngi-fobh-Thai-hgi 

Gezamenlijk worden zij aangednid door den naam Fo- 
Sjobn-Sjip-si-kong-si, ^If^-jr^ét^ ^ '• de veertien 
Fo-sjoen-kong-si's. 

Daar het hier opgegevene strijdt met het door Vbth I 
bl. 301, 304 en II bl. 84-8o, medegedeelde, waar gezegd 
wordt dat in ± 1774 de Chineezen van Montrado en Lara 
zich opnieuw tot 12 vereenigingen aaneensloten, die 3 jaar 
later tot 7 samensmolten, en Fo-sjoen voorgesteld wordt als 
eene federatie in ± 1820 gevormd door Thai-koni^,Hang-moei, 
Sin-woek en Man-fo, acht ik mij verplicht de overleverine 
eenigszins nader te staven: 

1*. Spreekt de Chineesche geschiedenis van de Mandor- 
Kongsi (de Groot bl. 13) van een gezamenlijk kongsi-huis 
Fo-Sjoen te Montrado in het tgdvak 1777—1795. 



623 

2^. Komt op een tablet in den tempel van getronwe 
ambtenaren ( J^ |^ ^ ) te Montrado zoowel bet jaartal 
1808 als de naam Fo-Sjoen voor. 

3*. Werd door mij eene mnnt verkregen van de Fo-Sjoen- 
Eong-si, waarop deze naam voorkomt, omgeven door 14 ka- 
racters, waarvan de leesbare bijna alle overeenkomen met 
de aanvangs-karacters der 14 genoemde vereenigingen; ter- 
wijl als zij daarmee niet overeenkomen, dit volgens de 
Ohineezen zijn oorzaak daarin vindt dat bi) gelijkluidende 
eerste karacters van de kongsi-namen, wat bgv. voorkomt 
bij Sjip-sam-foen, Sjip-ng-foen en Sjip-ngi-foen, als ook bij 
Lo-pat-ioen en Lo-sjip-si-foen enz. slechts één dier kongsi's 
het eerste karacter bezigde en de andere het een of ander 
uitgekozen karacter gebruikten. Aau de keerzgde van die 
munt komt in Mandsjoe-karaoters het opschrift: „Munt van 
Canton" voor, eene nabootsing van het opschrift van som- 
mige Ohineesche munten. (De provincie Ganton was, zooals 
hiervoor is vermeld, het vaderland van bijna alle op Bomeo 
gevestigde Ghineezen). 

Als in Veth in db ^^TJ van 12 vereenigingeu in Lara 
en Montrado gesproken wordt is dit zeker eene vergissing. 
Dit aantal bedroeg toen in Lara 7 (waarover later) en in 
Montrado 14. Ik geloof dat die opgave bij Veth moet 
slaan op de mijnkongsi's van Montrado voor 1772-1774. 
Toen waren er u\|sschien 12 van die vereenigingeu, want 
niet alleen had samenvoeging van vereenigingeu plaats maar 
ook splitsing, en de overlevering zegt dan ook dat Sin-pa^ 
foen en Lo-pat-foen benevens Sin-sjip-si-foen allen uit twee 
andere vereenigingeu Pat-foen en Sjip-si-foen zijn ontstaan. 
Dit zoude ook al blijken uit de namen. Uit Pat-foen scheidde 
zich een nieuwe vereeniging Sin fnieuw) Pat-foen af, terwijl 
de moeder-kongsi den naam Lo (oud) Pat-foen aannam. 



(') Vide over deie mant de Not v. b. Bat. Oen. ▼. K. en W. Deel XXVII 
18S9 bl. 137 V. ▼. g. alwaar ik echter het overschot vao Thien-thi-^oei in plaats 
vaB dat vaa Kiét-liën naar Pahang deed verhoizeD. terw^l andere onnanwken- 
hgheden aldaar, ook door denn tektt verbeterd worden. 



S24 

Hetzelfde gebeurde bij Sin-sjip-8i-foeu (of Sin-woek = het 
nieuwe huis) en Lo-sjipsbfoeD. Op die manier konDeo er 
dus eens 12 mynkongsi's bij Montrado geweest zijn. 

Eenige bijzonderheden over de 14 genoemde vereenigiDgeD 
volgen bier: 

1 . Thai-kokq was gevestigd ten W. en Z. W. van MoDtrado 
en had aldaar reeds twee groote mijnen u. 1 Sjong-woek en 
Hawoek. De scheldnaam der leden was y^Thai-kong-hond^^' 
terwijl zy in latere tijden, toen Tbai-kong machtig en groot 
werd, steeds werden aangesproken met „oudere öroed^''\ 
(ko, ^) De meeste Chineezen van Thai-kong behoorden tot de 

stammen (d. i. droegen den naam) I^g. ^ Wong ^ of Tf'hang 

|{P . Deze stammen noemt men de j^groote slammeti'^ ^^ j^ 
van Thai-kong. De Thai-kongers waren voornl. uit Loek-foeng 
en Hwoei-lai afkomstig. 

2. Lo-PAT-FOBic was gevestigd ten N. W. van Montrado^ 
op een paal afstand van die plaats, aan den weg Montradth 
Singkawang. De daargelegen vijver was vroeger het water- 
reservoir van deze kongsi en heet nog Lo-pat-foenpi {^^ Jf^ 

J^ ^ 1 vijver van Lo-pat-foen), ( *) 

3. EiOB-FOBN-THBOK, ten W., van Montrado, tusschen paai 
1 en paal 2 v^tn den weg Montrado-Loehawang. Ecd ded 
van den passer te Montrado draagt nog den ouden kongsi- 
naam; terwyl de tegenwoordige Pagong Pangeran, ten N. v. 
Montrado, het water-réservoir van deze kongsi was. 

4. Sjip-SAM-FO£N lag tusHchen Wong-li-taeng en ATAm^ 
theoe (^S). 



O In Veth I bl. 106-107 wordt hoogstwaanek^nmk deic rgver kei -neff 
▼ao Mootrado*' genoemd. Vurkeeidelijk is aldaar echter opi^egeTen dat Moatndr 
noordwaarts van het meer ligt, dit moet z\]q «xaidwaarti*'; TOorU wordt bet niet 
gevoed door water uit de Selakauw, terwijl het ook ilechts z\}ne mitwmierimf 
heeft in de Soen^^ci Raja. Verder mag men ook niet vit het daar beschrevene 
opmaken dat de waterloozé streken alle het water oit dat meer verkregen; ia 
het Montradosche z^n toch zeer veel dergel^ke meren. De grootere ^ip-ng- 
Iben-pi ligt wel ten Zr van Montrado maar deze kan om ▼erackiUende redi 
niet in Veth bedoeld z\|n. 



525 

5. KiËT-LifiK bij Sampasa (^fll^)- De leden van 
dit machtige verbond behoorden meestal tot den stam Phang 
'^y en hadden wegens hunne aanmatigingen den naam 

van „tijgers (j^) van Kiet-liën.' 

6. SiN-PAT-FOEN bij PangkalanBatoe, Tjapkala { J^ "^ ^) 
Soengei Doeri, [^ "j^^) Tandjan ( ;/5* M ) ®° Pang-li- 

7. Sam-thiao-kioe ten O. van Monti-adO; te Pandjawa 
( ^ g^ 5|), Phak-miofigtheoe ( Ó ^ H). ^^«^«^^ ( & 1^ 

^ ) en Seroekam ( p|J "T^^ ^^ [Hl ^ genoemd, al naar 
men zich bevindt in Montrado of in Lara.) De groote stammen 
van dit verbond waren Tjoe (^) en Woen(i^ \ terwijl 
de leden meestal evenals die van Thai-kong uit Loek-foeng 
en Hwoeilai afkomstig waren. 

8. Man-fo eerst bij Pangkalan-Batoe^ waar het de grootste 
pagong van geheel Montrado had: het meer van Pang- 
kalan Batoe, terwijl het zich later by Soengei Doeii oeloe 

(IS SI ft Jft ) '««Me. 

9. Siir-WoiK bij Khiao-theoe. 

10. HANGhMoBi bij Pangialan-Baloéy Loehawangy Koelor 
en den Hang-moei-san (Op eene onde kaart heet de Sg^^ Loe^ 
hawang Soengei Hang-moei). Onder de leden van dit verbond 
waren vele lieden uit KoeiSién (= Kwei-Sjen bij Hwoe-Tsjoe- 
foe in Ewang-Toeng (Ganton). 

11. Sjip-NG-FOEN ten Z.W. van Thai-Kong; het water-ré- 
servoir van deze kongsi, de Pagong Baoes aan den weg van 
Montrado naar Ijapkala, heet nog wel j^Sjip-ng-foen-pi*' of 
„vijver van Sjip-ng-foen." De groote stammen van dit verbond 
waren Zioe. ^ en Tjhin ^. 

12. Thai-fo bij Keoewongdjioe (>^ ^ yft)^ ten Zuiden 
van de Eiët-Liën kongsi, op de grenzen van Montrado, alwaar 
men nog eene Thai-fo-parit aantreft 

IS. Lo-sjiP-si-FOBN, de moeder-kongsi van Sin-woek, had 
bij Khiao-theoe hare goudgronden. 



526 

14. SjiP-Nei-FosK had eveoeens bare terrmen bg Ehiao- 
theoe, alwaar nog tegenwoordig; een gehucht Sjip-ngi-foen 
ligt. Deze kongsi droeg ook nog den naam Thai-Ngi ^ |ft, 
welke naam nu nog door eene mgn aldaar gevoerd wordt. 

leder van deze 14 vereenigingen, die alle een kong-ó* 
thai-pak-koeng hadden en nieuweiingeu konden aanDemeo, 
bestond uit één ot meer voor rekening van het verbond ge- 
exploiteerde mijnen (eveneens kongsi genaamd) en nit parti- 
culiere landbouwers, handwerkslieden, handelaars, mynwerkeis 
enz. Sommigen dier particuliere mijnwerkers vormden we» 
groote mijnen, óók door den naam kongsi aangeduid. Tot 
de bekendste dezer particuliere kongsi's behoorden: 

a. De Kim-fo-kong-si, ^ ^ ^ ^ i die tot 1837 Hang 
moei en later Thai-kong volgde, en gelegen was op des 
Hang-moei-san, waar nu nog een Eim-fo-mijn is. 

b. De Thai-Sjin-kongsi ^ J^ ^^ €] > welke onder Sin- 

woek stond. 

c. K<mg-fo(jj^^-) vroeger Kongdjibrngsi (|||9r 

^ ^ ), behoorde tot Hang-moei en was eene zeer oude ver- 
eeniging by Eoelor, bestaande uit Macao-Chineezen. 

d. Lioek'foen-lheoe ( ^r? ^ ® ) ^^^ ^^^^ ^^^^ vereeniging. 
de moeder-kongsi van Sjip-ng-foen, waartoe het later weid 
gerekend te behooren. 

e. Patfoentheoe. (/V^ffi)- 

/: 7>Aafi-/b(|| ^)enz. 

De veertien bovengenoemde kongsi's worden door de CU- 
neezen ter onderscheiding Khoi-Ghiono-Kono-si's ( H ^ ^ 

^ ) genoemd, d. z. kongsi's die een dorp gesticht, een ver- 
bond gesloten of een thai-pak-koeng (een der vele soorten van 
Chineesche tempels) geopend hebben. 

Het algemeene raadhuis van Fo-Sjoen, de Thang, stond op 
de plaats waar nu in Montrado de gevangenis staat en niet, 
zooals Db. De Oboot bl. 13 noot 1 vermeldt, ter plaatse d^ 
tegenwoordige controleurswoning; eene vergissing die misschien 
ontstaan is door het gebruik der Chineezen om in plaats 



527 

van „naar den controleur gaan'* te aseggen: „tot den Thang 
opgaan". 

Deze Thakg j^j (zaal) wordt ook wel Thai- Thang ( ;^ £ 

groote zaal) ot FoS/oenTsoeng-Thang (5|il Hp )|B fi de al- 
gemeene zaal van Fo-Sjoen), genoemd. 
Tot eersten Kapitan van Fo-Sjoen werd Tshia-Eiët-Pak ^ 

)fê ^ti ' ^^^ ^^^ 7VAta-/(t^/-/Mip ^ ^ ^ genoemd, (^) verko- 
zen. 

1776. Ofschoon in het eerst Sam-thiao-keoe, Kiët-liën, San- 
pat-foen, Sin-woek en Thai-kong den meesten invloed hadden, 
waren later Thai-kong, Sam-thiao-keoe en Klët-liën de voor- 
naamste vereenigingen; terwyl er nog een nadere aaneen- 
slaiting tusschen Thai-kong en Sam-thiao-keoe beeedigd was. 

Na de vestiging van Fo-Sjoen brak een tijd van grooten 
bloei aan en werden vele nieuwe mijngronden geopend; ter- 
wijl de kongsi's van Lara zich weldra naawer bij die van 
Montrado aansloten om ook te kunnen profiteeren van den 
naam der Montradosche kongsi's^ die èn Maleier èn Dajak 
ontzag inboezemde. 

Zooals boven gezegd is, hadden zich ook in Lara Chinee- 
zeu gevestigd; die zich eveneens tot vereenigingen aaneensloten, 
(Veth. I bl, 299 geeft 12 als het getal op in ± 1763), zoo- 
dat men iets na de stichting van Fo-Sjoen in Lara 7 Khoi- 
ghimg-kong'Si's telde. Deze waren: 

1 . De NjAN-FO-KONGhSi ( TC 5Rl '^ tQ ) ^® Malajoe{ ;g^ ^ 
^)bü SaUme(^^%). 

2. De TsHAK-FO-KONa-si ( ^ ^ -^ ^ ) ^ Salinse. 

3. De Djur-FO-KONe-Bi ( JlH ^ ^^ i] ) te Lioek'foen4heoe 

A^ ^ S ) ^^J Salinse, welk verbond vele Haklui Chineezen 
telde. 

4. De FoKi-FO-KONe-Bi ( j^ ^ ^^ fj ) bij Kerasauw ( ^ 

mm 

(') Kap ™ verkorting tu kapitan. Pftk ^g oaden broer van iemand's 



528 



5. De Sjik-fo-kong-81 (^$[H ^ fj ) te Sin-ha-U (^ 
"p JUSinali) bg Pakoh. ( j^ ^ ) 

6. De SOENG-FO-KONO-81 ( j$ ^ '^ ^ ) ^9 «Sapo ( ^ ||^) 

(PöAoA). 

7. De Ha-woee-kong-si "J^ ^ '^ f9 by Hawoek. 

Van deze vereenigiDgen stelde Foei-fo zich weldra onder 
beschermiDg van een der Montradosche kongsi's nl. Kiè^-liën, 
terwijl de 6 andere kongsi's dit voorbeeld volgden; Njan-Jo, 
Tshan-fo en Üjin-jo stelden zich nl. onder de hoede van Thm- 
kong'^ Sjin-fo en Soeng-fo onder die van Sinpatfoen en Ha-woek 
kwam in dezelfde verhouding tot Samthiaokeoe, waarom Ba- 
vcoek dan ook weldra wel Klein-sam-lhiao/ceoe {^^ ^ j^ j^ 
genoemd werd. Ook nadat deze 7 kongsi's zich onder bet 
protectoraat van de Montradosche vereenigingen hadden ge- 
plaatst, bleven zij in alle opzichten onaihankelijk en namen 
zelve nieuwelingen aan, wat by de bovenbedoelde particu- 
liere kongsi's niet het geval was^ daar deze de arbeidskrach- 
ten moesten verkrijgen van de kongsi waaronder zij stonden. 

De groote bloei waarin zich de verschillende kongsi's van 
Montrado weldra mochten verheugen, gaf aanleiding tot ait- 
putting der goede myngronden, zoodat dan ook weldra die ver- 
eenigingen werken aanlegden en hunne macht uitbreidden in 

Seminis, Sepang ( ^ ^ ) en Loemar ( j^ tJ^ ) terwijl zich ook 

Ghineezen uit Montrado naar Boedok ( ^|^ ^ ) begaven, wat 
aanleiding gaf tot het ontstaan der kongsi van Boedok. (over 
deze kongsi handelt § 2 van dit Hoofdstuk.) 

Uit dezen tijd leeft nog de kapitan der Fo-Sjoen^kongsi. 
met name Woen-Sam-Tshoi ( ^S. ^ >t* ) ^^^^ herinnering 
voort. 

Dat het steeds schaarscher worden van goudgronden twis- 
ten over nog niet bewerkte gedeelten bij het dicht berolkte 
Montrado deden ontstaan, valt niet te verwonderen. Zoo 
kregen in 1807 Thai-kong en Kiët-ltèn twist over gronden 
bij Sjong-woek gelegen. Van deze twee vereenigingen had 
Kiët-liën een verbond gesloten met Sin-pat-foen, Lo*s)ip-8i 



529 

foen, Lopat-foen en Sin-sjip-si-foen (Sia-woek), terwijl Thai* 
koDg nader met Sam-thiao-keoe; Sjip-ngfoen en Ilang-moet 
was verbauden. Weldra gelakte het echter aan Hang-moei 
om Sin-woek over te halen zich ook bij Tliai-kong te voegen 
en lekte het uit dat Eiët-liën, dat een. groot water- réservoir 
had ter plaatse waar na de dorpjes Pi-tje-ha, ( j^ ^ ^ ) ^^^ 

Sampaas ( ^ jQ ]^ ) Hggen, het plan had met dit water de 
mgnen van Tüai-Kong te inundeeren, wat aanleiding gaf 
dat deze laatste kongsi in zekeren nacht 400 man uitzond, 
die dezen vijver zoodanig vernielden dat de mijnen van 
Kiët-liën onderliepen (^). Dit nu was de aanleiding tot een' 
stryd tusschen de verschillende kongsi's, welke uitliep op 
de nederlaag van Eiët-liën,' dat aldus voor zijne aanma- 
tigingen werd gestraft (v. bl. 525). Vele levensmiddelen dier 
kongsi, welke deze verkreeg van hare velden te Malinsam 
(Mampawa), vielen den overwinnaars in handen, terwijl hare 
gronden bg Thai-kong gevoegd werden en het overachot der 
leden naar Pahang uitweek ('). 

De nederlaag van Kiët-liën had plaats in het einde van 
1807^ en de betreffende tabletten in den tempel van ge- 
trouwe ambtenaren te Montrado dragen tot dagteekening 
:^ SI M S T JJP ^ >^ d- i de 11. maand (29 Nov- - 
28 Dec.) van het jaar ib07, onder de periode Kia-king. 
(1796 — 1821) der T8ing-(tegenwoordige) dynastie. 

O Nog tegenwoordig vindt men ietd ten oosten ▼«! het rivier^e JihJim 
pij ^% I» de overblijfselen van de waterkeering van Kiét-lien en in de na- 

bgheid daarvaa een henvelrug van Kiét-lIën (Kiëtliën-toeng jEc jjp W^) 
(*) Bjj de Groot bl. 86 staat vermeld dat Thai-kong de kungsi Kiét*Uëa 
versloeg en meer dan 1000 van het overwonnen vo k zich in Mandor vestigden. 
Het is seer goed mogelgk dat een deel van Kiët-lien naar Mandur uitweek, 
maar xeker bevat de Cbineeiche geschiedenis van de Mandor-koogsi hier een 
anachronisme, daar z^ de veruietiging van Kiët-liën omstreeks 1850 onder 
Idoe-a-tm tteli. Als Kièt-liën in 1850 nog meer dan 1000 leden telde, zonde 
dit zeker èn door de overlevering en bfj Vete med^edeeid zyn, wat niet hit 
geval is. 

Wel weken in 1860*1834 vele Chineezen nit Montrado naar Mandor nit, zoo- 
dat ik vermoed dat het ..bericht bij de Groot een samensmelting zal zgn vaa 
twee verschillende herinneringen. 

lydMhr. Ind. T. L. «i Vk., deal XV. 86. 



530 

Ook tnsflcheD Thai-kong en Sin-pat-foen bestond reeda 
lang eeo oude wrok. Ten tijde toch dat Lo-thai-pak nog 
thai-ko Tan de Lan-fong-kong-si was, wilde deze eenyeroTe- 
ringstocht in Montrado doen. Hij zond zijne vroaw als 
bemiddelaarster naar Sin-pat-ioen om deze kongsi over te 
balen zich aan de zgde van Mandor te scharen. Aan deze 
vroQW, — die zich nog al met de politiek scheen te bemoeien 
en yolgens dk Gboot (bl. 16) baren man met alle krachten 
aanmoedigde en zelfs hare kleinodiën voor zijne zaak opof- 
ferde, — gelukte het Sin-pat-foeu gnnstig voor Mandor te stem- 
men, zoodat Lo-thai-pak weldra een' inval in Montrado deed 
maar spoedig verslagen werd. Bij dk Groot (bl. 8 — 11) wordt 
de geschiedenis verhaald van een' str^d in het Mandorsche 
tusschen Lo-thai-pak en Lioekon-sionq, (^ ^ JHQ) welke 
eindigde met het verslaan van Lioe-Kon Siong en de zijnen (^). 

(*) De Gr. K. W, ▼. B. bh 8: 

'Te Min<wong (in hel Mandor:>che) en daaromheen gelegen plaatsen woonden 
voornamelijk goudgravers uit Koeng-tsjoe iu Ta- poe en een zekere Lioe-Kon -Siong, 
die er met meer dan vijfhonderd familieleden verblijf hield, had er zich als thaiko 
opgeworpen; dit wa^ toen ten tijde wel de machtigste en bloeiendste nederzcAting 
van alle." 

Vervolgens wordt beschreven dat Lo-fong-phak zich van Pontianak naar het 
Mandoriche begaf en vele reeds bestaande ( hineesche nederzettingen onder zijn 
bestuur vereeuiKde. üe Gr. K. W. v, li. bl. 11.: 

"Lioe-Kou-Sion:; te Min-wong hield echter zijn gezig staande en weigerde on- 
bedachtzaam alle samensmelting en gehoorzaamheid. Ja, zülfs bracht hij eene 
krygsmacht op de been om tweespalt en oorlog m het leven te roepen; en tooi 
het jaar verstreken was rukte uit Minwong eene tot uit zes afdeelin gen bestaande 
troepenmacht uit (a\ met het vournemen aan eene vraatzucht gelijk aan die der 
rupsen, een verzwelgingslust gelijk aan die der walrisschen bot te vieren. Nog 
sleehts een paar honderd schreden waren zij van het raadhuis der Lanfong-kongsi 
verwi)derd, toen de verontwaardiging en toom vau thaiko Lo ten top stegen. 
In vereenigine met alle broederen zwoer h\) dat die v^Hnd zou vernield worden 
h^ gebruikte den ochtendmaaltijd, roerde den trom met eigen hand en spande al 
zijne krachten m um het eerst den vijand te bereiken. Niemand ouder de broe- 
dereu die niet schreeuwde voor tien. Het rumuer deed den hemel beven; dien 
morgen werden zr^j tcruc'te verschansingen van Lioe kon-sioag veroverd, de gaosche 
troepenmacht werd op de vlucht gedreven en uiteengejaagd, en Lioe-kon-siong, 
tot op de hielen vervol^^d, ontkwam door te i^jer-mati in de rivier te springen. 
Hij werd echter toch geJoud door lieden, die hem nai^ezonden werden. Lijken 
lagen alom over de vlakte verspreid, en het bloed vloeide tot beken samen. Dit 
was de eerste bloedige krijg sinds vele jaren, maar, dank zij de krachtsinspanning 
van de gezamenlijke broederen, kon nu de onderneming' geheel en al ten nitvoer 



581 

Nu verhaalt de overleyering io Montrado, dat Lioe-Eon- 
Siong (volgeDs de aitspraak in Montrado, alwaar ook zgn 
zieletablet berust, Lioe-Khien-Siong) zijne vestiging in Mandor 
van uit Montrado heeft gesticht vóór dat Lo-thai-pak naar 
die streek uitweek (zie boven bl. 519), en dat hij in de ver- 
schillende mgn-vereenigingen van Montrado zeer gezien was, 
zoodat hij bij het begin van zijn' strgd met Lo-thai-pak dan 
ook eenigszins door Montrado werd geholpen. Kan nu deze 
hulp door Montrado aan Lioe-Kon-Siong verleend, gevoegd 
by den ouden wrok dien Lo-thai-pak over zgne nederlaag in 
Montrado koesterde, geene aanleiding hebben gegeven tot zgn' 
bovengenoemden veldtocht, die op de nederlaag van Mandor 
uitliep. — Op bladzijde 519 van dit hoofdstuk werd reeds ge- 
sproken over een' veldtocht van Mandor tegen Montrado, be- 
schreven bij DE Groot op bl. 11 — 13, een veldtocht op losse 
gronden begonnen en op niets uitloopende (^) Ik geloof te 



worden gelegd. Thaiko Lo kwam dos wederom in het bezit Tan eent landstreek, 
die li\j uitbreidde en yergrootte en de kongsi Lanfong zag aldus haar rijkdom 
en macht meer en meer toenemen.'* 

(a) De zinsnede "en toen het jaar verstreken was rnkte nit Min-wong eene 
tot uit zes afdeelingen bestaande troepenmacht uit/* de vertaling zijnde van 

te beteekenis van den Chineescheo tekst weer te geven; m.i. zonde de vertaliog 
moeten luiden: «en toen het jaar verstreken was. richtte hij (Lioe Kon Siong) 
eene aaneengeschakelde rg van verschansingen op van Min-wong tot Lioek-foen 
theoe (eene plaats dicht bij Mandor gelegen aan den weg naar Min-wong)," 
welke vertaling dan ook beter in het verband past. 

(^) Na het in de vorige noot medegedeeld uittreksel uit de 6k. K. W. v. B., 
wordt de geschiedenis van de Mandor-koagsi aldaar (bl. 11-^13) aldus vervolgd: 

//Thaiko Lo zag echter in dat, alhoewel nn inwendig alle beslommeringen nit 
den weg waren geruimd, buiteoaf alle kommer nog niet had opgehonden, en dat 
onder al de naburen van Mandor znlks nergens zoo sterk het geval was aU in 
Montrado. Hij bracht dus opnieuw kriji^slieden op de been en trok naar Mon- 
trado op. Toen ten tijde hadden de iroadgravers aldaar zeven kongsi's, waarvan 
Tbai-kwong (Soengei Kaja) de machtigste was. Daarop volgden de kongsi's Sam- 
thiao-keeuw (drie stuks kanalen), Sien-woek (het nieuwe huis), Hang-moei (het 
achterste deel der ravijn), Sjip-ung-foen (de v^ftien aan- of onderdeelen), Sjip- 
lioek-foen (de zestien onderdeelen) en Man-fo (de volle eendracht); terwijl er nog 
bovendien hun gezamenlijk kongsi-huis Fo-Sjoen (eendracht en meegaandheid) was, 
benevens de kongsi's Kioe-foen-theeuw (negen aandeelen), Sien-pat-foen (nieowe 
acht onderdeelen), Lo-pat-foen (oude acht onderdeelen), Sien-sjip-si-foen (nieuwe 



5S2 

mogen Tennoedeii dat die yeldtocht, zooals zg in de geflehie- 
deois van Maodor medegedeeld is, sleehts eene geïdealiseerde 
▼ooratelling in van bovengenoemden op een nederlaag nitloo- 
penden toebt Tan Lo-thai-pak; welke verfraaiing zeker ge- 
«ehiedde om Lo-tkai-paky den lateren bescbern^ieilige van 
Lan-fong/ met een nog grooteren nimboa van voortreffelijk- 
heid te voorzien. Is mijn vermoeden joist, dan had die 
toebt. eene Ic^isehe oorzaak en is hetzelfde het geval met 
den temgtochty van welker noodzakelgkheid men in de door 
Dr. DB Qroot geciteerde gesckiedenis niet zoo dadelijk 
overtuigd wordt. Verder wordt mgne opinie nog zijdelings 
door eene overlevering bevestigd: men verhaalt toch dat de 
geest van Uoe-Kon-Siong, die gesneuveld was in zgn strijd 
met liO-thai-paky de heerscharen der Montradosche vereeni- 
gen aanvoerde en dezen het verslaan van Lo-thai-pak moge- 
Igk maakte, wat in gewoon Nederlandsch wel' zal beteekenen 
dat de lieden van Moutrado, door de herinnering aan het 
trenrig uiteinde van den bij hen zoo geachten Lioe-Eon-Siong 
aangevnordy vol wraakzucht op de Lan-fongers lostrokken 
en dezen versloegen. 

1806. Zooals boven gezegd is^ had Siu-pat-foen zich laten 
overhalen de partij van Mandor te steunen, en ofschoon het nog 
niet openlijk partij getrokken had, omdat de zaken van Man- 
dor niet goed liepen, het voorgenomen verraad lekte uit en 
deed veel wrok ontstaan. Toen nu hierbij nog kwam, dat 
Sin-pat-foen aan de zijde van Kiët-liën was geschaard ge- 
weest en bovendien eenige twisten over mijngrond en kwes- 



▼eertiea ooderdeeleD) ïio ijip-si^foen (onde veertien onderdeelen) enz. Toen na de 
troepen, door thaiko Lo bijeengebracht, nabij de bergen van de pauar Montrado 
waren gekomen, zag de aanvoerder in dat de nederzetting er nitzag aU een ketel 
en het niet aanging o^erijlde plannen op toaw te zetten, maar dat men wachten 
moeit totdat de ketel aan het zieden raakte, wilde men hem kannen breken. H\j 
voerde dos z^jne krijgers tern^, trof te Toho de halptroi pen aan, waarmede Kong- 
meenw-pak hem achterna was gekomen, gaf dezen te kennen dat goene macht op 
dat oogenblik de rost zoo op eens in Montrado zon knnnen herstellen, vereenigde 
de kr^gsbenden en keerde naar Mandor terng. Tut op den hnidigen dag bevindt 
sieh in Montrado nog altijd een gebergte dat den naam draagt van Lan-fong- 
lbai*toeng ol afaeuvélrag van het Lan-fong*verbond.'* 



583 

ties over water ontstonden tosschen Thai-Kong en genoemde 
kongsi; kon een oorlog niet achterwege blijven. Deze brak 
dan ook in 1808 nit. In dezen strijd schaarde Kioe- 
foen-theoe, dat evenals Sin-pat-foen vele Hai-foeng-Chineezen 
telde, zich bij deze kongsi ; terwgl Thai-kong geholpen werd 
door Sam-thiao-keoe en de andere kongsi's niet openlijk 
partg kozen of zich nentraal hielden. Tot opperbevelhebber (') 
van de legermacht van Thai-kong en Sam-thiao-keoe werd 
Tjoe-foeng-fa ( :^ J||t ^ ) verkozen. (Tjoe-foeng-fa is dezelf- 
de persoon, die onder den naam van KapiteinSing-sang dik- 
wijls in Yeth genoemd wordt. Later zal over dezen naam: 
Kapitein-Sing-sang nader gehandeld worden). 

(ïedurettde 6 maanden werd met hevigheid gestreden « 
waarbij de passer van Montrado in vlammen opging, en 
de strgd eindigde eerst met het' verslaan van Sin-pat-foen 
en Kioe-foen-theoe, weleer namen aldus uit de rg der Mon- 
tradosche kongsi's verdwenen, terwijl hunne gronden onder 
Thai-koBg, Hang-moei en Sin-woek verdeeld werden. 

Bovengepoemde strijd had plaats in 1808; de betreffende tablet 
ten in MontAido dragen als dagteekening ^ ^ ^ Jj^ ]^ 

Jg ^ -p ^ d.i. de lOde maand (18 Nov.— 16 Dec.) van het 
jaar 1808 onder de periode Kia-king der tegenwoordige dy- 
nastie. 

Lihpat'foefi en Sjtp-sam-foen losten zich ook in 1808 op. 
De gronden van de eerste kongsi werden door Thai-kong 
en die der laatste door Hang-moei én Sin-woek geabsorbeerd; 
terwijl deze twéé kongsi's ook de gronden van Sjtp-ngi-faen^ 
dat mede in 1808. te niet ging, onder elkander verdeelden. 
De kongsi Lo-^ip-si-foen was ook reeds in 1807 opgelost 
en de terreinen aan dit verbond toebehoorende, vergrootten 
het gebied van Sin-woek. De bovengenoemde (bl. 528) kongsi's 
van Bengkajang, die onder bescherming van Kiët-liën en 
Sin-pat-foen stonden, met name Foei-fo, Sfin-fo, en Soen-fo 
verspreidden zich tengevolge van de nederlaag hunner be- 



(') 



WL& 



5S4 

flcbennera^ waarna de kongsi Thai-kong ook de myaeD dezer 
yereenigingen aan zyn gebied toevoegde. 

Ten gevolge van de twisten en veranderingen onder de 
kongsi's bleven er op het einde van 1808 das slechts de 
volgende zeven bg Montrado over: 

1. Thai-koho. 

2. Sah-thiao-keoe. 

3. IfAH-FO. 

4. HAve-MOBi. 

ö. Snr-wóiK. 

6. SiiP'NGhFosir. 

7. Thai-po. 

Deze 7 kongsi's vormen de bij de Ghineezen ais de Zkvïïs 
Kongsi's tan Fo-Sjobn {$[HJI^^^1^) bekende ver 
eenigingen, welke bij de komst der Nederlander» in 181^. 
bg Montrado bestonden. — (vergel. bijv. Vbth. I. bl. 304. i 

Na de oorlogen van 1807 en 1808 brak er weder een 
tgdperk van rast en bloei aan en traden de vereenigingen 
Thai-kongy Sam-thiao-keoe en Hang-moei steeds meer eo 
meer op den voorgrond onder de samenstellende deelen der 
federatie Fo«Sjoen. 

Lioe-Koei-Pak 1814. Als kapitan ait dien tijd {± 1814) 
leeit Liob-kobi-Pak (f^"^ ^)y ^^^ Chinees van de kongsi 
Sin-woek^ nog steeds in de herinnering voort. Van hem 
wordt verteld dat hg de kongsi waartoe hg behoorde b^ 
nevens Hang-moei wilde bevoordeelen, iets waartegen Thai- 
kong opkwam, zoodat hij ten laatste, ait vrees voor het 
verontwaardigde volk, gedurende 10 dagen den Thang niei 
daride verlaten, en aftrad. 

Lioe-ljang-Po. Met den opvolger van Ltoe-£oetVPaA n. l 
Lios-TjANO-Fo (^96 Hf) betreden wij een meer bekend 
gedeelte van de geschiedenis der kongsi's. Deze persoon toch, 
is de uit Veth bekende Tan-po-ko (vergel. Veth II bl. 84 en el 
ders ) Deze naam, waartan ook nog de schrgfwijzen Tjim-bo-ke 
en Thanpoh'ko bestaan, (verg. Veth IT bl. 84 noot 2) is niec» 
anders dan eene corruptie van Tjhany-Po, gevolgd door het 



535 

woordje ko = ondere broeder; bij bet weergeven van een Ghi- 
neesehen persoonsnaam laat men in bet dagelijkscb loven 
dikwijls den familienaam (siang i. e. Lioe) weg en vermeldt 
alleen den voornaam (miang i. c. Tjbang-po, bij geëerde 
personen gevolgd door den eeretitel „oudere broeder/' 

Lioe-Tjhang-Po was een Gbinees van de kongsi Tliai-kong 
en kapitan vau de federatie Fo-Sjoen, niet zooals Veth II bl. 
84 meldt „boofd van Tbai-kong", daar nocb Tbai-kong noch 
een der oudere samenstellende kongsi's van Fo-Sjoen ooit een 
éénhoofdig bestuur had^ zooals uit bet Ile hoofdstuk zal blijken. 

Foe-A-Loek 1818. In het jaar ]j^ ^ (1S18) ging Lioe 
tjhang-po naar China en werden zijne functies daarna waarge- 
nomen door FoE-A iiOBK^ ("^ ^ j|^ ) een wapensmid, lid vau 
Sam-thiao-keoe. FoeA-Loek, (bij Veth II 84 verbasterd tot To-A- 
Lok,) was een Gbinees uit de provincie Hok-kièn ( ^ |^ ) af- 
komstig, en wist het zoover te brengen dat de aloude naam fV 
Sjoefi veranderd werd in Kong-foek ( ^ ^ ) e^ne toespeling op 
de namen der Ghineesche provinciën Hok-kiën en Kong-toeng 
( Bi Jit ^^i^^oQ) * ^AAi* hy bestaat uit de aanvangskaracters 
dier beide provincie-namen. Deze naamsverandering zette ecbter 
kwaad bloed en dit, in verband met andere zaken, noodzaakte 
Foe-A-Loek reeds na 3 maanden af te treden. Bij zijn aftreden 
kwam nu dadelijk weer de oude naam in eere. Deze 
gebeurtenis wordt echter nog iu herinnering gehouden door 
het rijmpje: de Thai-kongers hadden geen oogen, (toen de 
naam) Fo Sjoeu verworpen werd, en (deze) in Kong-foek 

werdveranderd.(;^ Jt A Ü B OÜ 5Rl Mg ^ M iS) 
Tjoe-foeng-fa 1819—1820. In 1819 ( fj- ^) verkozen de 7 
kongsi's van Fo-Sjoeu tot opvolger van Foe-A-Loek den reeds 
vroeger genoemden Sam-thiao-keoe-Chinees TJOB-FOBNO-Fi. 
(^ÜH^) (vide bl. 533) die om zijne verdiensten den per- 

soneelen titel van ^Grooi-Kaf)\lan'\ ^ ^ ^ ^) of kapthai 
[W'h) kreeg. V) 

(*) Dit is de eeoige keer dat het hoofii tib Po-ijoen dtn ütel kmfièmi 
droag; alle andere hoofden heeten 



536 

Daar hij langen tijd sin-sang (secretaris) van den kapitan 
geweest was, daidde men hem dikwijls aan m^ dieo titel, 
zoodat hij dan ook in Yeth steeds opgegeven staat ala ka- 
pitein Sin-Sang. Als bij Yeth II bl. 29 in het laatst van 
1818 reeds van een kapitein-Chinees Sing-sang gesprokea 
wordt, geloof ik dit aldus te moeten verklaren: toen Foe-A- 
Loek afgetreden was dnnrde het eenigen tijd voordat Tjoe- 
foeng-fa als zijn opvolger verkozen werd, zoodat, toen de 
beer Maller in Dec. 1818 in Montrado kwam, er geen ka- 
pitan was en Tjoe-foeng-fa, de schrijver van den kapitan en 
reeds als a. s. kapitan aangedaid, diens fonctiën waarnam. 
Hij werd nu door de Ghineezen aangeduid als kapitan-Sin- 
sang, secretaris van den kapitan,' welke titel door Maller 
zal zgn misverstaan en opgevat als de titel kapitan, gevolgd 
door den eigennaam Sin-Sang. 

Als bij Yeth II bl. 84 medegedeeld wordt dat in b^ 
begin van 1819 het hoofd van Sam-thiao-keoe, Sing-aang, 
door de gezamenlijke kongsi's tot hun groot-kapitein werd 
benoemd, mag men daaruit, in verband jnet Yeth II. 
bl. 29, (waar. reeds in Dec. 1818 van den Kapitein-Chinees 
Sing-Sang 'gesproken wordt,) volstrekt niet afleiden dat de 
kapitan van Sam-thiao-keoe verkozen werd tot groot-kapitan 
van Fo-Sjoen, alsof Sam-thiao-keoe een* éénhoofdig beatonr 
' bad, wat, zooals boven reeds gezegd is, nooit het geval 
was. Q) ' 

(') Eene vergiMing, voorkomende in Vetli II bl 27, alwaar ataat dal é» 
toestand van den heer Prediger en z^ne soldaten te Montrado zeer ▼cieig aid 
werd door den grooten toeloop van Tolk, dat samenstroomde om den Slstea 
Deoember (1818) het Chinee&che Nieuwjaar feest te ▼ieren, moge bier Terbcteid 
worden. Het op den 2 laten December van ieder jaar by de Chinee«n 
fteit is net afecat van het Wiuter-solstitinm.** tiet Nieowjaars-feest vaU bg 
eehter op den eersten daic (nienwe maan) van de (eerste) maanmaand, 
het begin valt in bet tijdperk dat de ion in het tecken dèr Visscben ia. 
w, ligt tossehen den 20»tcn Jannari en deo 20sten Februari. Als de 
iohryver dan ook in deel II bi. 86 in het begin van Jannari 1819 apreekt 
van -een antnoord der Chineezen op een' brief van den 'eommissaris Naknjf^ 
waarin gemeld wordt dat het voor de hoofden der Chineeien ^aa ICostndo 
eto. vooreerst oüdoenlük was om naar Sambas op te komen,' wegcna de wcrk- 
saamheden aan het Chineesehe nieuwjaar verbonden, moet men hier aas eaa 
a.a- Chineeseh nienwjaar denken (26 Jannari 1810). 



587 

Tjoe-ioeng-ia stond op goeden voet met den toenmaligen 
saltan van Sambas Mohamad Ali-Tsafiosdin (1815 — 1828), 
den sultan die, zooals ook in Vëth I bl. 367 vvg. .uitvoerig 
beschreven staat, vroeger langen tijd op zeer gemeenzamen 
voet met de Gkineezen had omgegaan. 

Het* is eigenaardig, dat deze VlIIste Sultan van Sambas 
(zie bijl. B) door de Ghineezen als eerste Sultan wórdt be- 
schouwd, wat hij zeker heeft te danken aan den' stènn hem 
door het Gouvernement bewezen. Zijne' voorgangers zijn bg 
de Chineèzen slechts bekend als zeeroovers. Volgens de over- 
levering is Saltan Mohd. Au-Tsafiobdin ook de eerste Sultan, 
aan wien door de Ghineezen schatting werd opgebracht, zoo- 
dat de schattingen bi) Vbth I bl. 299 en 300 (zie. boven bl. 
505 en 506) vermeld, geheel vergeten zijn; terwijl het ook be- 
kend if dat de Ghineezen onder dezen Saltan hanne verplich- 
tingen niet zeer goed nakwamen (vergel. Vbth 1 384) en zeker 
dikwijls het geld aan den Saltan gegeven werd meer als een 
geschenk dan als eene belasting. Niettegenstaande Mohd. 
Au-Tsafioedih das in de oogen van de Ghineezen verheven 
was boven zijne voorgangers, zoo duiden zij eok hem dik- 
wijls aan met den naam: Rooverhoofdman (^ ^), terwijl 

zijn officieele naam Pang-ki-a-nam ^ ^ SS ^ ^ (eene 
phonetische transcriptie van den vroegeren titel van dien 
vorst d.i. Pangeran Anam) luidde. 

Onder 1joefoeng-fa hadden de Ghineezen veel last van de Da- 
jaks vBnPanglilan (bij Paii()rAt7tn onder Sampasa), zoodat eene 
bestraffing dier lieden noodzakelijk werd geacht. Na een langda* 
rigen tegenstand werden de Dajaks eindelijk door de7 kongsi's 
verslagen ; nadat de hootdkampong door loopgraven en mijnen 
bemachtigd was, vluchtten de oude bewoners van het land 
naar Sera wak en noordelijk Sambas. 

De toenemende invloed van Sam-thiao-kioe stak die van 
Thai-kong, Hang-moei, Sin-woek en Man-fo in de oogen, zoo- 



-» 



Van de hudeliDgen vao de beeren Muller en Ptadiger te Montndo in ISIS 
(vide Veth II bl. 20— SC) it b^ de Caüneeieii gelokki^ niets VMer belmid. 



538 

dat, toen Tjoe-foeng-ia moeite deed om ook ¥Oor sgn levea, 
evenals by de kap-tbai's van Mandor bet geval was, tol kapi- 
tan benoemd te worden en niet. zooals de osance in Montrado 
meebracht, slecbts ongeveer 3 jaar aan het bestnar te blijven, 
de toestand gespannen werd. I>e beide kongsi's Sjip-ng-foeD 
en Thai-fo schaarden adch wel aan de zyde van Sam-thiao- 
keoe, maar weldra achtte toch Tjoe-foeng-(a zijn leven te Moo- 
trado niet meer zeker en ging hij zich metterwoon te Sambas (^). 
vestigen, zoodat Fo-Sjoen zonder hoofd was. (1820). 

Op vereerend verzoek van Thai-kong en de 3 andere daar- 
mee verbonden kongsi's, kwam Lioe-Tjhang-Po weldra weer 
nit China terug, zoodat de macht van Sam-thiaokeoe meer 
en meer taande en de vijandelijke gezindheid der kongsi'n 
bij Montrado het ergste deed vreezen. Toen ter tijde werdeo 
vele streken van Lara, Ijoemar, Sepang en Seminis reeds door 
de Montradosche kongsi's ontgonnen; Sjip-ng-foen had vele 
mijnen in Loemar; Sam-thiao-keoe in Sepang en Seminis; Thai' 
kong, Haug-moei en Sin-woek in Lara. Gedurende 1820 tot 
1822 hadden ook aldaar vele twisten tusschen de partgen 
van Thai-kong en Sam-tbiao-keoe plaats, waarmee zich ook 
de Sultan van Sambas en bet Gouvernement ten gunste der 
laatstgenoemde kongsi bemoeiden (expeditie onder von KiELBse 
in Mei 1822, vide Vkth U bl. 124) maar waarin de part^ 
van Thai-kong overwinnaar bleet 

1822. De 3 kongsi's, die de partij van Sam-thiao-keoe vorm- 
den en hunne mijngronden vooral buiten Moutrado hadden, koo- 
den het op den duur niet langer bij Montrado uithouden, en 
bg gelegenheid van het Draken booten-teest (öe dag van de 
5e Ghineesche maand (in 1822 ^ '^) (23 Juni) lichtten zij 
in stilte hun goud en verlieten Montrado, alwaar tot dien tijd 
hun hoofdzetel nog steeds was gevestigd. 



') Ghin. Sam-mat ( j^ jpf^ ) of ( "j^ ^jff ^ ^^^ ^*^* ^® phoneiuche tnn- 

•eriptie van het Maleiiche kotasi hoofdgtad of koe*U-ijaiig( |*| "ff fff^) <1< i- 
beafeeng der hoofdplaats. 



539 

Lioe-Tjhang-Po yoor de 2e keer 1822—1826. Gevolgd 
door de landbonwende Sam-thiao-keoe-ChiDeezeD van Pandjawa^ 
Phak-mioDg-theoe eo Sebalei trokken allen af naar den kant van 
Lara. Na deze openlijke afscheiding werd Lioe-tjhangPo, die 
reeds langen tgd den meesten invloed had gehad, voor de 2e keer 
kapitan van Fo-Sjoen, welke federatie nn bestond uit de vier 
vereenigingen. 1 Thai-kong, 

2 HANa-MOBI, 

3 Siv-woKK en 

4 Man-fo. 

Deze vereenigingen z^n bekend onder den naam »dkyi]IR 
kohgsi'b van Fo-Sjosn'' (^ is R9 ^ 9 )• 

Het eerste wat de bg Montrado achtergebleven vereeni- 
gingen deden; was het afbreken van het groote koni^i-hnis 
van Sam-thiao-keoe te Montrado. 

De drie naar den kant van Lara uitgeweken kongsi's, 
waarvan Thai-fo mijnen te Taman ( ^ j^ Tap-man) bij het 
Soetie-Gebergte in Landak, en te Salinse bezat, versterkten 
zich nu geducht en legden twee bentengs aan op het grens- 
gebergte tusschen Lara en Montrado, den Goenoeng Penaringj 
terwgl de kleine onder Thai-kong's bescherming staande 
zelfstandige kongsi's van Lara namelijk: Ojift-fo, Njan-fo 
en Tshan-fo en andere tegenstanders, naar Montrado vluchtten. 
Om zich op Sam-thiao-keoe c. s. te wreken trok weldra een 
leger van Montrado, onder het bevel van Lo-phai ( ^ K } op, 
aan welke legermacht het gelukte na hevigen strijd de ben- 
tengs op den Penaring te veroveren en vervolgens de drie 
vijandelijke kongsi's uit bijna geheel Lara te verdryven. 
Men legde nu bij Ha-woek, n. L boven den Padjan pagoeng, 
een benteng aan om op de groote mijn van 8am-thiao-keoe: 
Ha-woek, te kunnen letten; terwijl ook de grens tegen Loemar 
gedekt werd door versterkingen te Kim-San, 

Het gevolg was dat ook de mijn Ha-woek weldra door 
Sam-thiao-keoe verlaten werd en Thai-kong in handen viel. 
Daarna hield het vechten eenigen tijd op, maar weldra kwam 
het Gouvernement met eene legermacht in Loemar en ver* 



540 

dreef de 4 verbonden kongsi's uit Lara. zoodat 2e op Mod 
trado moesten terng trekken. 0) 

1823. In bet begin van IS2S (^jf^^) had aldaar opdee 
achtsten dag van de eerste Chineesche maand [18 Febnuii 
1823] eene groote vergadering plaats, waarin de vier, verbon- 
den van Fo-8joen besloten een nieuwen aanval op Lara eo 
het daar gevestigd Hollandsch garnizoen te doen eo reeds op 
den 16en dag van dezelfde maand (26 Februari 1823) trok h^ 
leger van Montrado op. Om verschillende bases van verde- 
diging te hebben, waren hier er daar kleine versterkiDgeD 
en «en groote benteng b§ Sibalei opgericht. De aanval op 
Lara mislukte echter, en de Chineezen werden door de Hol- 
landers gedwongen om naar Montrado terug te trekken, (^ 
alwaar zij nu ook weldra door het Gouvernement aangeval- 
len werden, bij welke gelegenheid de Thang door de Hol 
landers verbrand werd (*). 



(') I>0 expeditie ▼«!! het Gooveniement tegen Thai-kong e. ■., onikrhetbiW 
van den laittnant-kolonel de Staen is bij Veth II b). 167 — 178 uitroerig uk 
de officiëele rapporten bescbreven. 

Met Kem-iamf [bl. 168 aldaar] is Kim-san bedoeld; terwijl men onder LMn-m 
ia'Hoe bl. 167. TTg. moet verstaan fiam-ihiaO'keoe-la'la d.i. Ha-woek 4 psfc 
▼an Seèalauw gelegen. Thai-KoHff-Lara bl. 167 en- 171 is inderdaad Renk^saf. 

Bengkigang, dat door de Inlanders Lam (Cbin. pS PB La-i») gtwteed 

wordt, moet eene ▼erbasterin^ sQn van het Maleisebe »toewtèoeq-km^mmg". Ta 
plaatse toch Tan het tegenwoordige Bengknjang waren b^na geene na^nen nett 
maar nitgestrekte kmijung (boonen) tninen. Deze boonen nn Qn te staaapcii (/««■- 

^f) om er bgV. tao-ku [tkeoê-fóe^Jffl J^ -d.i. boonenwnmg, boosÉtakw 
van te maken, was het boofdbedr(jf van de bewoners der tot-nmalige paaaer, wsik 
prodnet bij gro <té hoeveelheden aan de nabij geleden belangrijke nmndiitricteB 
Salinse en Pakok geleverd werd. 

{'^) Bg Veth II. bl- 173 v. v. q. beschreven. Ue aanval bad plaats op 3» 
Febmari, een treffende overeenkomst dns tosschen de Snropeesche bronmea en 4i 
<>verlevering. 

' (*) Volgens Veth II bl. 18^180 geschiedde bet afbranden van des Tha^ 
bijj den afmarsch der Nederlandsche troepen van Montrado, d.i. op den SS Apifl 

18^3. De Chiaeezen geven dan ook het jaai^^l^ yjrdA. 1828 op. 

Volgens Veth. II bl. 178 bestonden toen ten tijde te ATontrado behalve het groote 
Kongsi-hnis van Fo-Sjoen id.i. de Thang) nog twee kongsi-hniien, toen bedde aan Ihsi- 
kong toebehoorende, terwgl in do noot aldaar vermoed wordt dat een deiertvfe 
hflt ooda koBfsi-hiiia van Sam*thiio*keoe is. Dit it «iet httg«val; die bsifr 



* 541 

I 

18S4« Te Singkawang lieten dezen nu eene bezetting aehter. 
De soldaten aldaar permitteerden zich weldra allerlei vrijheden 
tegenover de vrouwen van Hang-moei en bedreven er allerlei 
willekeurige handelingen, zoodat de vier vereenigde kongsi's 
in 1824 een aanval deden op die plaats, welke eindelijk in 
een stikdonkeren nacht onder heyige regens door de bezet- 
ting verlaten werd (i). 

Weldra werd nu ook de Nederlandsche bezetting te Seba- 
labw ingetrokken en kregen de 4 kongsi's van Montrado 
hunne handen weer vrij tegenover de 3 uitgeweken vereeni- * 
gingen. 

Na hevige gevechten werd nu geheel Lara en een deel van 
Loemar weer van de vijanden gezuiverd (vergel. Vith II 
bl. 415 — 416), waarna de onlusten geëindigd waren. 

Sam-thiao-keoe bewerkte na dien tijd Semiuis en Sepang; 
Sjip-ng-ioen Loemar; terwijl Thai-fo een treurig bestaan in 
Tap-man (Landaq) voortsleepte en weldra geheel te niet ging, 
waarna vele leden van Thai-fo zich bij Sam-thiao-keoe voeg- 
den. (^) Otschoon Sam-thiao-keoe en Sjip-ug-foen geen deel 
meer uitmaakten van de iederatie Fo-Sjoen, tooiden deze 
zich echter ook nog dikwijls met dezen ouden, geliefden 
naam. 

Om de macht niet te zeer te verspreiden liet men Loemar 
weldra weer aan zich zelf over, welke landstreek daarna weer 

huizen waren de bekende Sjong-woek en Ha-woek, alt^d ain Thai-kong toebe- 
hoord hebbende. Het kongti-hnia van Sam-thiao-keoe, dat te Montrado itond 
op de plaata nn ali i^Ooênoeng'* bekend, en dicht bij de Thang gelegeD, wat (vide 
boven bl. 689) reeds in 1822 afgebroken. De groote vergaderingen door de 7 
vercenigingen na en dan ter bespreking van gemeenschappelijke belangen vol- 
gens Veth II bl. 84, in het kongsi-hnis van Sam>thiao-keoe gehouden, hadden 
in den Thang plaats, terwijl de besehrijviag (by Veth I bl. 107) vandeSkong- 
si-hoizen m.i. alleen kan slaan op den Thang. Ha-woek en Sjong-Woek, (zie 
ovei' een en ander, beneden Boofdstnk II (( 2 en 3), 

(') ^ ^ 1824, vergelyk Veth II bl. 406, 4 U-- 4 16 — Singkawang 

werd den 26steo September 1824 door de bezetting verlaten, 

(>) Vq^eL Veth I bl. 306. 

Thai-fo schgnt iet» na ol in het eind van 1824 opgelost te zt)n. Volgens Veth 
II bl. 416 toeh hielden in 1824 die van Thai-fo en Sjip-ng-foen bg Scminis 
stand en dektno almo de hoofdplaats. (Samhu) 



542 

geheel onder Sjip-Dg-foeD kwam. De Thaikongera richtteQ 
echter weer een beoting te Kiin-San op, als dekking tegen 
de Loemarsche grenzen. 

In 1825 werd eene groote vergaderipg door de Montrado- 
flche kongsi's ia de Tliang gebonden, waarby geheel Laara 
onder hen verdeeld werd^ bij welke verdeeling het zeer ach- 
teruitgegane Man-fo geen aandeel verkreeg en men tot het 
volgende resultaat kwam: 

1. THAi-KoNa verkreeg: 

Ba-woek "JJ S 

Sapo ^ Ift e^y Pakok), 

Sebalauw |^ lf|f en 

Saloe^i èl^-JS^ 

2. Haiïo-mobi verkreeg. 
Lioek-foen-theoe^ J^ ^ [bij Salinsej. 

Kei-asanw i^ P^ J^T 

Sam-patjoe ^ fll jH 

SaUfise ^ ^ ^ 

Batoe-Adjing ;^ ff #' ®" 

Mimha il ^ T ('^iJ Batoe-Adjing). 

3. SiN-woKK verkreeg: 



bij Paking; 



Boven- Sawang Jl ^ ÜI 
Beneden- Sawang "7^ ^ ^ 
Pigoeti :ffi ^ 

San-toetig \ïi M (*) 

Liong-li'pan MM^ (Westelijk van Sebalauw), 

Boven- Sajoen JL ^ ^ • 

Beneden Sajoen ^^ ^ ^^ 



Siat'PialKeor ^ ^M C^^^^^V^ ^^^ Liongli-paa) 

(') By San-toeng wu de oude Undingtplaats nm Ha-wock. 



543 

Tan de drie kleine onder bescherming van Thai-Kong 
staande zelfstandige kongsi's Tshan-fo, Njan-fo en Lljin-fo^ 
had de laatste vereeniging door oplossing in Tbai-Eong haar 
zelfstandig bestaan reeds ingeboet, en weldra gebeurde dit ook 
met de beide andere; voorloopig kregen deze echter nog een 
deel van Lara en wel: 

4. TsHAN'Fo verkreeg: 

siak-pai is^moi^m 

San-Siak Ü^Ofir^ 

Saengei-Raja "ff ij^ P^ ife en 
Soengei-Beloettg [HJ "JJ 

5. Njan-fo verkreeg: 

Melajoe ,% ^^oi^V^^^ en 

Thai-nam ^ f^y beide bij Salinse gelegen. 

Uit het hier medegedeelde omtrent de geschiedenis van 
1818 — 1825 blijkt dat alleen de mililaire expedilie^s van het 
GouyernemeDt medegedeeld zijn; al de andere bemoeiingen^ 
als bet opheffen van Fo-Sjoen in 1823, (Veth II bl. 179), 
de verschillende publicaties, de grensregeling etc. werden 
wel vernomen, maar door de Chineezen niet onthouden of 
nagekomen. Om tot de kennis van deze te geraken moet 
men dan ook de Europeescbe bronnen i. c. het vierde boek 
van Vetlï, W ester- Afdeeling van Borneo naslaan. 

1825. De Chiueezen van Moutrado bleven echter niet lang 
rustig. In 1825 ( 2i @) kwam eene deputatie van de Lan- 
fong-kongsi, die toen ten tijde onder Lioe-thai wong (^), bij de 
Groot K. w. bl. 7 en 44 Lioe that-ni (^) genoemd, uaarMon- 
trado, en verzocht de kong si's aldaar, onder aanbieding van 
twee groote offerkaarsen en 2000 realen in duiten, om hulp 
tegen Mampawa^ alwaar de Mandor-kongsi reeds twee maal 
in een' strijd over mijngronden met de, door den invloed 
van het Gouvernement zich sterk gevoelende Maleders en 



')fï:^i n &^ii 



544 

Boegineexen, het ondenpit bad gedolven. De Fo-Sjoen-koDg- 
8i^8 lieten zich overhalen en weldra rakten 500 man naar 
Mampawa op, alwaar zij echter verslagen werden^ wat vooral 
te wijten was aan het aitblijven van alle hulp van Mandor, 
terwijl de Cbineezen bovendien niet bestand waren tegen de 
kanonnen en kettingkogels der Hollanders. Van ^ de 500 
man kwamen er dan ook geen 200 t^rug, de anderen waren 
aan hnnne wonden en ziekten overleden. De oorlogzuchtige 
partij van Fo-Sjoen, op wraak bedacht, 'wist nu, z^r tegen 
den zin van de gematigden, het zoover te krijgen dat alle 
werkzaamheden gestaakt werden en meer . dan 2000 man 
naar Mampawa oprukten. Deze expeditie had echter ook 
geen gunstig gevolg; terwijl de achtergebleven bevolking door 
allerlei ziekten geteisterd werd, zoodat op den passer te Mon- 
trado niet minder dan 600 Chineezen overleden. 

Sedert eenigen tijd hadden zich in het Montradosche steeds 
meer en meer Hailca-Chineezeu gevestigd en in 1825 zoude 
deze toevloed van die meer Mandor-gezinde partij bijna nood- 
lottig voor de FoSjoen-koogsi's geworden zijn. Terwyl tocb 
de 2000 man van Mootrado nog in het Mampawasche waren, 
kreeg men het bericht dat de Lan-fong-kongsi van Mandor 
tegen het bijna geheel van weerbare mannen ontbloote Mon- 
trado wilde optrekken om het te overronipelen, en dat de 
voorhoede van 200 man reeds in aantocht, was. Door het 
in aller ijl opwerpen van versterkingen te Soengei-Doeri 
Oeloe en het leggen van eece bezetting van 108 man van Thai- 
kong in die bentengs, werd de Mandor-kongsi verhinderd hare 
plannen uit te voeren, daar het haar bleek dat deze uitgelekt 
waren. Toen nu de troepen van Montrado weer uit Mampawa 
terugkwamen, wilde men eerst Lan-fong voor dit voorgenomen 
verraad strafifen, maar verschillende geruchten van aanvallen 
van de zijde van Sam-thiao-keoe te vreezen, deden van dit 
plan afzien en langzamerhand kwam er weer een goede ver- 
standhouding met Mandor tot stand. (^) 



(^) Vergcigk hierover Vith II bL 418— 423, met eene cenigtaai udtfe 
fMüteUiBg der lakea. 



646 

Lo-phai 1826— 1836. Id 1826 (p| j^) overleed Lioe- 

Tjhang-Po Q) en werd lig als kapitan van Fo-Sjoen opgevolgd- 
door den vroeger op bl. 539 genoemden Lo-phai^ die reeds lang 
vóór dien tgd als opvolger van Lioe-Tjhang-Po genoemd werd, 
daar hij zieb zeer verdienstelgk tegenover Fo-Sjoen had ge- 
maakt en speeiaal bet steeds meer invloed krggende Tbai- 
Kong, waartoe hij behoorde, had begunstigd. Hg was verder 
de speeiale vriend van Lioe-Tjhang-Po. Lo-phai is in Veth 
onder den naam Lo-pei bekend, (vergel. bgv. II bl. 409), en 
vervnlde de betrekking van kapitan tot aan zijnen dood da. 
10 jaar. Eene nitzondering makende met de vroegere kapi- 
tans, woonde hg met zijne familie altgd in den Thang. (') 
In 1828 iffi^) gelote het aan de Fo-Sjoen-kong-si door 
den invloed van de bezetting van Kim-San (108 man) en de 
bemoeiingen van het hoofd van die benting TjinHap-Sjoen 
(BH '^ 1^)' ^IJS^^^i^^^ ^^^ ^^^ Hang-moei-Chinees Li-iel 
pak(^ ^'^)die te Loémar {S/ip-ng-foen) weer geheel op 
de zijde van Montrado te brengen en Sam-thiao-keoe van 
zgn laatsten bondgenoot te berooven. De kongsi Sjip-ng-ioen 
maakte eehter vooreerst nog geen deel van Fo-Sjoen nit. 
(dit geboorde eerst in 1850) (') 

(') Volgens het oftchrift Tan i^n gnf overleed Lioe-Tjhftog-Po op denetiften 
TAB de tiende ChineeMhe mund Tan 1826 d.i. 3i October( ^ J^ ~p J^ 

(*) Uit den tekst bl^kt dat Tan-po-ko (::^ Lioe-ljhaug-Po) op den disten 
December 1828, toen It^ Tolgens Veth II bl. 498 aan den resident Terhaalde 
dat zijn gexag sedert 3 maanden niet me^r erkend werd, sleehts praatjes Tertelde. 
H^ bleef toch tot z^n dood in 1826 steeds als hoofd gerespecteerd. Lo-phai was 
in 1823, wegens deelname aan het verzet tegen het Gonvemement, met eenige 
anderen als Koe-tjm, lip-dn en M-sam verbannen (Vergel. Veth II bl. 182 
en bl. 409^, maar later weer naar Montrado «ternggekeerd. — Met As-sam wordt 

Tjhin-Sam-PdE ( 0|[ ^ ^j^ ) bedoeld, die kashouder Tan Sjong-Woek was. 

Wie Koe-Xiin en Iap*Sin waren is mg niet gebleken.— Met JtfaffisM, waar in 
182S, toen de expeditie de Stners in Montrado kwam, de Chineesehe m^nwerkers 

«ameniotten (t. Veth II bl. 171) seh^nt Malinsam (Ma-li-tim J|^ ^ ^) 
in Mampawa bedoeld te s^n. 

(') Vergeiyk Veth I 906, waar dtze oTergang Tan Sjip-ng-fben ook aange- 
stipt staat. 

Tqdsehr. Ind. T. L. en Vk., deel XZXV. 36. 



546 

Onder het bestnnr van Lo-phai nam de macht tad Tlui- 
* kong, ten koste van de drie andere zaster-vereenio^geD 
waarmede het FoSjoen vormde^ steeds toe. In 1830 (^ ^ ' 
. besloot dan ook de kongsi Mau-fo^ door slechte resultatai 
van de goud-exploitatie achteruitgegaan en den invloed vis 
Thai-kong vreezende, een ander veld van arbeid te zoeken. 
Door de drie andere vereenigingen met muziek en vaandeL< 
uitgeleid tot aan Ajer-Mad (afd. Mampawa), ging dit verbood 
zich in. Landalc vestigen. (^) 

Zoo bleven dan in 1830 bij Montrado slechta de „3 fo 
SJOEN kongsi's (^ Jlp ^ ^ ^ ) over, nl. 

1. Thai-kokg. 

2. ÜANGhMOEl. 

3. SiN-woEK; die zich nu weder geruimen tijd ongestoord 
op den mijnbouw toelegden. 

1835. In 1835 ( 2i ^(c) waren er bijna weer moeilijk- 
heden ontstaan; in da^ jaar nl. kwam een wan^ 
kang met goederen en nieuwelingen, waaronder Tihssi, 
Feu (^ ^0 ) ui^ China in Pamangkat aan, ten einde aldaar 
drinkwater in te nemen en dan de reis naar Selakauw V4M»rt 
te zetten. De Chineezeu van Pnmanqkaty tot de kongsi vas 
Samthiao-keoe behoorende; namen echter den wangkang ea 
de goederen in beslag, daarbij hopende dat dit eene uitbar- 
sting van een oorlog met Thai-kong zoude veroorzaken, die 
reeds door Sam thiao keoe was voorbereid, en waarin deie 
kongsi zoude geholpen worden door Hang-moei. Sin-woekeo 
de kongsi van Boedoek (over welke kongsi § 2 van dit hootd 
stuk handelt). Sommige Ghineezen van het overweldigde 
schip, w. o. ook Tjhang-Feu, vluchtten naar Montrado en 

(*) Bij Veth I 304 II. bl. 492 en 504. Op laatste plaats wordt «^erkeerdc 
delijk in 1837 nog gesproken van vier kongsi's van Fo-ajoen; dit sal wd eA 
drukfout zijn, daar eeuige regels lager het uitwyken van Man-fo, ala eeoigejarcs 
vroeger reeds geschied, wordt gereleveerd. 

(-) Tjhang-F£N is de later (1850—1862) zoo bekend geworden rcgt-t 
en kap-tbai van Montradü, die meestal met de namen TfOftp-pm^, Tjtut^-pm 
of TUtm^'Ping wordt aangeduid. — Hij was geboortig uit Hwoei>lai (d^artcinest 
Tsjhao-Tsjoe) en overleed den 25^^ Mei ]889 te Montrado, in den ondtfdom rui 
73 jaren . 



547 

gaveD van het gebeurde aldaar keuDis. Thai-koDg maakte 
DU geduchte toebereidselen, zoodat de drie door een geheim 
verbond met Sam-thiao-keoe yereenigde kongsi's geen hulp 
durfden verleenen en de wang-kang dan ook weldra door de 
nu op zich zelf staande kongsi weer werd uitgeleverd, waardoor 
een strijd nog ter elfder ure werd voorkomen. 

In 1836 overleed de kapitan Lo-phai *), die opgevolgd 
werd door den reeds vroeger (bl. 545) genoemden IjI-tbt-Pak 
Kort na diens optreden verzocht de Lan-fong-kong-si weder- 
om hulp aan de Fo-8joen-kong-si's, om haar n. 1. te helpen 
tegen Landak, alwaar de Mandor Chineezen mijnen wilden 
aanleggen, wat door de Landakkers belet werd. De deputa- 
tie van Mandor met vele geschenken te Montrado aangeko- 
men, verzocht kruit benevens twee vaandels en trommen 
van Thai-kong te leen, welk verzoek ten spijt van vele wei- 
denkenden werd toegestaan, zoodat de deputatie, vergezeld 
van twee tamboers van Thai-kong, weldra weer naar Mandor 
terug kon gaan. 

Aldaar aangekomen, werden nu door de Lan-fong-kong-si 
vele valsche Thai-kong-vaandels gemaakt, terwijl de beide trom- 
melslagers eenige Mandor — Chineezen den marsch van Thai- 
kong leerden. Weldra werd nu de tocht naar Landak aan- 
vaard. De Landakkers in den waan gebracht dat behalve 
Lan-fong ook Thai-kong tegen hen oprukte, verloren nu allen 
moed waardoor het aan die van Mandor gelukte zich in 
Landak te vestigen. De beide trommelslagers van Thai-Eong 
werden met veel eer naar hunne woonsteden teruggebracht en 
kregen vele geschenken. -) 

1837. In de 6e Ghineesche maand van het jaar 1837 
("J* ffi) keerde Li-Tet-Pak, na zijne betrekking neergelegd te 

') ^iji^ grafschrift draagt aU dagteekening 2e. Cbiaeesche maand (17 Maart 
15 April) van het jaar 1886 ( j^ ^ >p{t ^pj, terwijl zijn zieletablet geda- 
teerd is, Lente 1830 ( j^ ^ ^ ) 

-) Over de vestiging van Lan-fong in Landak zie ook de Gvoot K. w, hl. 29. 
Deze vestiging ging in 1842 weer te niet (vide id. hl, 81). 



hebben naar China terng. Reeds in de 5e Chineesehe maind 
(3 Jnni-2 Juli) van dat jaar was het uitgelekt dat ffoiijlf-fiMxi en 
Sin-woek een verbond met Samlhiaoieoe en Lan-fattg ge- 
sloten hadden om gezamenlijk Thai-brng te OYerweldigea. 
Het onderzoek naar de plannen van die kongsi's werd met 
veel beleid in stilte door den Chinees Woen-Kon-Sjioe 
(£ Ut Hl) S^^^^^^ zoodat Thai-kong meer en meer oTer 
tnigd werd dat de gemchten op waarheid bemstten. 

Men hoorde dat de beide vereenigingen een aanval wildeo 
doen op de beide kongsi-haizen van Tbai*kong teMonirado, 
en op den dag voor den aanval bestemd, trokken 300 man- 
nen van Thai-kong, geragsteond door troepen, die zich in 
stilte naar Loehawang en Koelor op marsch begavoD. 
naar Pangkalan-Batoe, schijnbaar met het doel om rgst 
van die landingsplaats te halen, maar inderdaad allen 
gewapend om op Sin-woek en Uang-moei te letten. Moi 
trok langs het kongsi-huis van Sinwoek te Sjip-ngi-foen en 
bereikte weldra het kongsi-hnis van Hang-moei te Pangka- 
lan-Batoe alwaar men 500 Chineezen van die vereeniging 
aantrof, die wachtten op bet signaal van Sin*woek om zich 
op weg naar Montrado te begeven. 

Dit sein bleef echter achterwege, daar Sin-woek de Tlai- 
kongers voorbij had zien trekken en te recht vermoedde dat 
de plannen waren uitgelekt. Tbai-kong gebruik makende 
van bet gunstige oogenblik, dwong nu beide kongsi's ooi de 
onruststokers uit te leveren, zoodat den volgenden dag meer 
dan 50 van de belhamels, met ketenen beladen, te Montra- 
do aangebracht werden, welke personen weldra tegen los 
prijzen van 1 tot 10 thail en uitlevering van alle wapens 
der beide kongsi's weer werden vrijgelaten. Op den 9den 
dag van de 9de Chineesche maand van 1837 d. i 8 October. 
werden beide kongsi's door Thai-kong opgeheven, waarna vele 
leden van Sin-woek en Hang-moei zich bij Thai-kong voeden. 
Het grootste gedeelte van Hang-moei verliet echter Mon- 
trado en begaf zich naar Tajan^ terwgl Sin-woek ten deele 
naar Paloh (Li-koe) (verg. Vbth II bl. 498) en later naar 



549 

. Serawak verhauide, weldra gevolgd door velen der eerst in 
MoDtrado acbtergebleveD ChiDeezen van Sin-woek, zoodat in 
dezen tijd ook de tot die kongsi gerekende partieuliere vereeni- 
ging Foek-njan verliep (*). 

Zoo bleef dan eindelijk in 1837 b^ Montrado sleehtsèöoe 
kongsi over, en bestond ForSjoen slechts nit Thai-koro, dat 
zijn macht over geheel Montrado en Lara uitstrekte. 

Woen-Kon-Syioe 1837—1839. In de 10e Gbin. maand (29 
Oct.— 27 Nov.) van dit jaar werd WoBH-KoN-SjioE tot kapitan 
verkozen. Daar de Kapitan van Fo-Sjoen nu alleen van Thai koog 
afhing en vooral van de kongsi-huizen te Montrado gevestigd, en 
dus niet meer een tegenwicht in andere kongsi's vond, kreeg van 
dien tijd af de mijnwerkers-partij van Montrado steeds meer en 
meer invloed op den gang der zaken, zoodat dan ook Woei-kon* 
sjioe, deze aaumatingen moede, in i839 (^ ^) zijne be- 
trekking nederlegde. 

Tshia-Siong 1839—1848. Hij werd opgevolgd door Tshu- 
SiOKO^jj^), onder wiens bestunr wederom moeilijkheden 
ontstonden en wel metdeDajaks Steeds toch had Thai-kong 
zgne gronden in het Larasche uitgebreid, zeer tegen den zin 
van de Dajaksche goudgravers. De Dajais opgestookt door 
hunne Maieische hoofden, trachtten zioh nu op allerlei slinksohe 
manieren te wreken, zoodat vele Chineezen aan sluipmoorde- 
naara ten offer vielen. In 1842( -^ ^ ) kwam het tot eene uit-, 
barsting. A lle vertoogen van de kongsi aan den sultan en het 
Gouvernement waren zonder gevolg gebleven, zoodat men be- 
sloot zich zei ven recht te verschaffen. Weldra bood zioh 
daartoe eene geschikte gelegenheid aan, daar een Chinees, 
(Tsen-tshe*^ ^) die genoeg spaarpenningen verzameld had 
en naar China wilde terugkeeren, op zekeren dag met zijn 
huisgezin door de Dajaks vermoord en zijne goederen en geld 
gerooid werden. De Chineezen dachten dat de Dajaks van 
Lara dit gedaan hadden, ofschoon het later bleek dat Mam- 
pawa-Dajaks uit kampong Kotja de daders waren. De 

') Vwgd. Veth. 11 564 — M5 SopCember 1887. Op bl. 69S ▼. ▼. g. viadt 
•Uaw éê vortoa gMcbiatait van Sin- Woek m Stnwrit (n dMte b«dutv«. 



560 

koDgti Thai'koDg zond on 108 Roldaten ait, terwijl Sjip-og 
foen, cUU sedert 1828 (zie bl. 645) op de zijde van Tbai-kong 
WM CD door aitbreiding van zijne goadgraverijen ook veel 
last van de Dajaks had, hetzelfde aantal weerbare mannen 
aitzond. Nadat deze twee troepen zich vereenigd badden, 
roeiden zy gezamenlijk de geheele Dajakscbe kampong Tappa 
( ^ Q ) nit. waar men vermoedde dat 'de daders waren ver- 
borgen. De Pangetan Djaja van Sambas stookte nn de Dajaks 
nog meer op en overal pleegden dezen nn slaipmoorden, 
zoodat men weer gedwongen werd een leger op de been te 
brengen, dat de Dajaks overal overwon. Pangeran Djaja 
werd ook bij den Sultan van Sambas aangeklaagd, die hem 
dan ook door Pangei-an Bandahara den kris liet ontnemen, waar- 
na hij door het Gouvernement naar Batavia werd gezonden. 
De rust was echter nog niet hersteld. De Dajaks nu opgestookt 
door Si-moel-U (d.i. Pangeran lUoeda of Ni m(M>€{a, volgens Sam- 
baache uitspraak Simoedèh) volgden nog steeds hunne oude 
manier van wraakneming, zoodat iu 1843 (J^J^P) eene 
nieuwe tuchtiging der Dajaks noodig werd, die uitliep op een 
algemeene overwinning der Cbineezen. 

Deze verwikkelingen met de Dajaks hadden plaats onder de 
regeering van Sultan Fat-tjoi ( f^ f^ de Breedmond), zoo- 
als de Cbineezen den Sultan Omar Akatnoedin (1831 — 1846) 
noemen. (^). 

Gedurende deze twisten was Tshia-Siong als kapitan 
afgetreden omdat hij het den hootdeu van Sjoog-Woek en Ha- 

M De Chineezen laten bem Sultan if^M AU TtafiogdtM {IS) b—lS'ZS) opvol- 
gen, zoodat ZIJ Sultan Oesmau Kamaloedin (1828 — 18:jl) met noemen, die de 
rader was van den uit den XtViX bekenden PaM^^ra» D.^'a wiens naam Cvoluit ^- 
schreven) P. Da ja Poet ra Kesoema Negara luidt. Panperan Bandahara was de ïoob 
▼au den » Uien vorst van Sambas d.i. Sn. Aboe Bakar Tadjot^din Marhoem Djang- 
goH 1814], die, daar hij een baard en snor had, door de Cliineeïen Foe-Si-koe 

^H ^m cT K^i^i^i^^ werd, en waarom hij ook na zijn dood aU Marfaoem 
Djanggoet fd.i. Wijlen de Haard) bij de Maleiers bekend is, — Sn. .Aboe Bakar 
Ta4joedm wordt, zooals reeds bleek, door de Cbineezen niet als vorst ge- 
noegd, ofschoon h9 bij hen zeer goed bekend is daar hij als hartstochtelijk 
speler, dikwijls de van de Uajaksche bevolking verzamelde belasting, aan de Chi- 
Aeoche speeltafels te .Montrado verloor. — Pangeran Moeda wordt ten rechte ge- 
noemd Fëmgermn Kesoema Joeda (over de vonten van Sambas vergei. bijl. B.) 



551 

woek (de beide voornaamste kongsi-huiKen te Montrado) niet 
naar den zin maakte. 
Tjoe-Loi 1843—1845. Hij werd in 1843 ($^P) op- 

gevolgd door Tjoe-loi ^) ( :^ ^ ). die echter ook om dezelfde 

reden in 1845 ( 2i B ) ^li°® betrekking moest neerleggen. 

Woen-kon-sjioe voor de 2° keer 1846 — 1848. Daar deze 
da8 weer vacant werd, verzochten de Ghineezen den ond-ka- 
pitan Wobn-Kon-Sjiob (1837 — 1839) om wederom de teu- 
gels van het bewind te aanvaarden; hij weigerde eerst, maar 
eindelijk liet hij zich nochtans overhalen en aanvaardde in 
1846 ( p^ -^ ) het bestuur. Niettegenstaande zgn hoogen 
ouderdom en de vele moeite dié bij had om de hoofden der 
beide voorname kongsihuizen en hunne mijnwerkersparty te 
Montrado te leiden, bleef hij nog tot 1848 (ffi^)' ^^ 
het bewind. Toen werd hem echter de last te zwaar en ver- 
zocht hfi zijn ontslag, hetwelk hem verleend werd, terwyi 
hem nog bi) wyze van pensioen de opbrengst van een der 
speeltafels te Montrado werd toegewezen. Twee jaren daarna 
overleed hij en nog ten huidigen dage leeft de herinnering 
aan zyne verdiensten bij de bevolking voort, 

Kon-Tji-Djoen 1848-1849. Na het aftreden van Woen- 
kon-sjioe trad Kon-Tji Djokv ( ^ J^ f^) als kapitan op. 
Deze paarde aan zwaren lichaamsbouw eene groote helder- 
beid van geest, en het gelukte hem dan ook de party 
der kongsi-mijnwerkers te kalmeeren, zoodat er een betrek- 
kelijk nistige tijd aanbrak. Hg stond op goeden voet 
met den Sultan van Sambas Ahoe Bakar Tadjoedin (1846 — 
1853) die door de Chineezen de Nieuwe SulUn ( ^ >|f; j^) 

wordt genoemd. In 1849 (^ffi) en wel in de 10 Chinee- 
sche maand (15 Nov. — 13 Dec.) ging Kon-Tji-Djoen naar 
Sambas om met den Sultan over de belangen van de kong-si te 
spreken. Op den terugtocht naar Montrado deed by Pamang- 
kat aan, waar de Sam-thiao-keoe-Ghineezen hem een groot 



^) Veth II bl. 603 spreekt echter in 1844 van een' oud kakitein Tjoe-A-Loei, 
waarmede zeker de kapitan ijoe-loi bedoeld is. 



552 

feest aanboden. Na afloop van dit feest wilde hy vertrek- 
ken, maar tien bij reeds in zijn vaartuig zat gevoelde 
bij zich plotseling onwel, waarom bet vertrek uitgesteld 
werd. Men droeg bem weer aan land, maar zyne ziekte ver- 
ergerde en weldra blies bij den laatsten adem uit. Hi) werd bg 
den Pantjoeran acbter den Passer begraven. Men vermoedt dat 
de Cbineezen van Pamangkat bem vergeven bebben, daar 
Sam-tbiao-keoe, de oude vijand van Montrado, zijn toenemen 
den invloed begon te vreezen. ') Toen zijn dood bekend 
werdy verkoos men in het begin van bet jaar(^ J^)1850 

TjHAVChFonG-DjiM (|fP^^) tot kapiUu. 

IJliang-Foeng-DJiii, 18ö0— 51. Onder bet bestuur van 
dezen ontstonden er weer groote moeilijkbeden. Reeds 
sedert gemimen tijd smokkelde men vele goederen en 
vooral opium van uit Singapoera in Moutrado binnen. 
Deze smokkelhandel bad plaats met kleine prauwen, 
die door Hoklo-Chineezen bemand waren, terwgl onder 
de smokkelaars vooral Lim-Sam-On (^^ ^ ^) ') bekend 
was. 

Om een oogje in bet zeil te houden zond de opiumpaeb- 
ter La-ioe ( Jfff^ ^ d. i. Ratoe as Pangeran Katoe Kesoema » 
de latere Sultan van Sambas Oemar — Kamaloedin (I8öS^ 
1856) zyn vertrouweling Amal naar Soengei — Rcga ten einde 
het smokkelen na te gaan en te beletten. De Cbineezen al- 
daar, natuurlgk niet met dien dwarskyker ingenomen, schoten 
Amat dood. Dientengevolge maakten bet Qouvemement ^) 
en de sultan van Sambas zich gereed om de Cbineezen te 



^ ) Dmt opgegeren wordt dat Kon-Tji-Djoen in het liMtit Tan het jaar 
Q |m oferlced Talt z^n dood in het einde Tan 1840 of het begin thiISBO. 

linde Chin. JMur Q ^ 11 Febmari 1860. 

-') Lini*Sam-On werd later bij berelsohrift van den Lnitt. Koll. Chef der Ix- 
peditie dd. 12 Jnni 1854 o. m. a. aangewezen ak een der hoofden Tan deo 
opitand, en b^ id. id. dd. 24 Oct. d. a. ▼. ter dood Teroordeeld, welke straf h« 
aog dienzelfden dag onderging, waarna zijn hoofd Tervolgens 15 dagen, op een 
«taak geplaatst, te Montrado werd tentoongesteld. 



553 

beoorlo^n en deden een aanval op Sedoaw (^ ^ ^) 
waarbij deze plaats bijna door hen vermeesterd werd. Het 
bestnar van Fo-8joen deed alle moeite om de dreigende 
gevaren af te wenden en zond door middel van Tjoe-Hao 
(^i^)y dciK kapitein van Sambas. een brief aan den 
Snltan met verzoek om vergiffenis en aanbod van scha- 
deloosstelling. Tjoe-Hao verduisterde echter in zijn ijver 
tegen Montrado dezen brief, zoodat men geen antwoord kreeg 
en alles bij het oude bleei. De ouderschepper van den brief 
ontging echter zijn straf niet, daar hij later naar Batavia 
verbannen werd. Toen het antwoord op deu brief uitbleef, 
zond men een gezantschap naar den Sultan, met Lwe-lshai 
( ff^ '^ ) aan het hoofd om een brief van verontschuldiging en 
160 thail sehadevergoeding aan te bieden. Ook deze boodschap- 
pers mochten echter hunne bestemming niet bereiken, daar 
sg te Pamangkat door de Sam-thiaokeoe Gliineezen werden 
aangehouden en het hun slechts door de hulp van Lim- 
kap^ den lateren kapitan van Pamangkat, gelukte weer naar 
Montrado te ontsnappen. Eenigen tyd daarna werd ook nog 
een prauw van Thai-kong door de Pamangkatters aangehou- 
den, maar weldra weer, op aanraden der oudsten, terugge- 
geven. 

Een duistere tijd brak nu voor Thai-kong aan, Men 
kreeg tgding dat zoowel de kongsi van Boedoek (Lim-thian) 
als die van Loemar (Sjip-ng-foen) zich bij de party van 
Sam-thiao-keoe, den Sultan en het Gouvernement wilden 
aaasloilen. Om dit te voorkomen werden die beide kongsi's 
door Thai-kong met dwang overgehaald om een deel uit te 
maken van Fo-Sjoen, zoodat deze federatie nu weer uit 
3 KOHOBi's bestond (5|ta Jff H ^ 19 ^)- 

1) Met deun nMm F(K8|joen-Sam-koiigti wordeo sQ ook geooemd ia het 
bcveliehrift vu den Lt. Kol. Chef der Sxpeditie, dd. IS Jimi 1864, wMrh(i 
de drie kongii't werden opgehe?en. De in den teket genoemde nidere laneen- 
•Initing lal wel door v. Beet in »Thni-kong bl. 108.*' bedoeld s^'n, ale doe 
•pnekt Ttn een 'Of- en defensief verbond" onder de Chineeien in 1860 tot 
•tand gekomen. 



554 

Ue drie vereeoigde kongsies vielen nu Pamatigkat aan en ver- 
dreven Sam-thiao-keoe uit deze plaats, alwaar men ook tweekee- 
ren tegen het Gouvernement vocht, en van waar men eindelijk 
met het oog op het a.s. Cbiueesche Nieuwjaar weer aftrok '|. 

Reeds bij het aftrekken van Pamangkat voldeed Tjhang- 
Foeng-Djiu niet meer als kapitau en moest hij weldra (in het 
einde van 1850 ot het begin van ] 851) aftreden. (Ghineesch 
Nienwjaar 1 Febrnari 1851). 

Nu wij reeds eenigen tijd op een meer bekend terrein zij n 
aangekomen, acht ik mijn taak volbracht, üe jaren 1S50 — 
1856 zyn in van Kees: „Thai-kong ' en ^Montrado" en door 
den Heer KieUtra in de Lnd. Gids van i88ü — 1890, al is 
het dan ook alleen uit Europeesche bronnen, uitvoerig be- 
handeld. 

Ghi-Tshit-Pak 1 851— 1 s53.— Wong-Kim-Ngao 1853— 
1854. Volledigheidshalve moge nog vermeld worden dat in 1851 
( ^ "^ ) na het Chineesche Nieuwjaar, GHi-TsHiT-Pak ( ^ ^ 

^) van Sjip-ng-ioen als kapitan optrad, in 1853 (^-^ 
wegens onderdom altrad en opgevolgd werd door den Thai* 
kong Chinees Wonq-Kim-Ngao ( ^ ^ ^ ), die tot het ein- 
de der kongsi 8 in 1854 (^ ^) aan het bewind bleei en 
nog een groote rol speelde in de woelingen van het zich in 
1854 ontwikkelende geheime verbond. 

*) De ^e▼echteo Vau Pamaogkat in 1850 zijn bij de ClimeezeD beter bekend 
als die bij Song-phi ( jB Sj, olijanisneiu) waarmede de heuvel Pamboengan 

bedoeld is. De Chiueezen uuemen ui. den Pamaogkatberg ^iongtau ( ^B l|J 
d.i. OUfanisbtrg), de Noordelijke voortzetting van dien berg d.i. de heavel Pa- 
niboeogan, waarop eens het lo-t Sorg lag, Ncrgelijken zij met den slurf van bet 
beest, terwijl aan den zuidkant van den Pamangkat uog een streek ligt bekend 

als Siomg-moei K '^^ J^ dit is OlifanU-vtaart.) 



« 3. GESCHIEDENIS 

VAN DE 



De geschiedenis van de kongsi van Boedoek (Woe-lok 
j^ ^ ) eischt eene afzonderlijke behandeling; want of- 
schoon zij in de eerste § nu en dan wel genoemd werd^ 
neemt zij eene zoo eigenaardige plaats in ten opzichte van de 
Montradosche kongsi's dat wij uitvoeriger over haar moe- 
ten spreken. 

Bij Veth I bl. 304 wordt de kongsi van Boedoek voor- 
gesteld als eene na 1837 van Thai-kong uitgegane vestiging, 
die zich later uit een administratief oogpunt van Thai-kong 
heeft afgescheiden^ oischoon zij daarmede politisch ten nauwste 
verbonden bleef. Dat de geschiedeius echter niet zoo eenvou- 
dig is, zoude reeds blijken uit Vbth II bl. 36, alwaar verhaald 
wordt, dat in het begin van 1819, de commissaris Nahüys 
aan den kapitein-Chinees van Montrado^ Sing-sang d.i. Tjoe- 
foeng-fa schreef, dat deze met de overige leden der kongsi's 
van Montrado, Boedoek en Lara ten spoedigste naar Sambas 
zou opkomen, uit welke mededeeling zou blijken dat de kong- 
si van Boedoek reeds in 1819 bestond 

Op bl. 528 werd reeds medegedeeld, dat na het ontstaan 
van de Federatie Fo Sjoen (1776) zich Chineezen uU Montrado 
naar Boedoek begaven, en reeds in dien tijd moet men het 
ontstaan van de Boedoek-kongsi stellen. De Chineezen welke 
uit Montrado naar Boedoek gingen waren meest Chineezen uit 
Ho'pho (||^ ^ dep. Tsjhao-Tsjoe) en weldra begaven zich 
dan ook vele der nieuwelingen uit Ho-pho rechtstreeks 
naar Boedoek. Onder de Chineezen die zich aldaar vestigden. 



J)^ f fll)^ ^**^ CU)- J^ («1^ - »*'-» (Hj- ^ 

± 1790 gdakle het dca Haiiho ChiMes f Aa^riAi 1 1 «j Mij 
I^^M) » Boedoek eoe TMlere orgaunlie te «hepve^ 
Het Bidddpnt der mmcBlenng werd de teapd Tn Wmf^ 

Df^(3c.M: ^^' ®^ I^'B* die ook ia het nderiaad der 
Boedoek-CimeeMB teer Tereerd werd. Aso de pbato waar ia 
Ho-pbo de Hoofdtenpd raa Woagl^ (ïfl^JS) 
ftoad bL l4m-7%«Mi(J[^p|) oaUeeadeBea dea aaam der 

▼ereeaigiBg a.l. LofTHua-Koae-Si ({[c D d^ 9 ) ''^^ ^"^ 
deriiood Taa den tempd ea voor aadere algeaMeae aitgsrea, 
dioodea eeoige belaaüagea ea de wiaat Ysa eea nfa, wdke 
aog tegeawoordig Lüa-lliiaB-KoBg-fli heet 

Beeds op bL 507 xga de laadiag^laalaea deier koagii 
Biedegedeeld. Daar aieo met grootere oehqwo sledita tot 
PangkêUm'kottgn dea Sebaagkanw koa op?area, omdat Mi 
booger midden in die rivier een rots gelegen is, Ma^-dfëga 
gebeeteO; bad men van die pUaU, welke door eenige hen- 
teogg verdedigd werd, een' weg aangelegd die laags Pelandjaun' 
(Ch l'ak- Wao-D)ao ^ H Hg) en den Goetwmg TebOioM 

(gzerboa^berg, Chin. Silo- wat ^ ]|[| ^) naar Z^oerfoofc liep. 
Kleiaere scbepen kouden den Sehangkanw en vervoigeas 
de Boedoek-rivier opvaren tot Paa4/&alaa-fla<^ï (rnim een paal 
van Boedoek gelegen). Door de afgezonderde ligging deier 
kongsi konden de leden zieb, zonder door twisten daarvan 
afgebonden te worden, met g ver op den mgnarbetd toeleggen. 
Zg bebaalden goede winsteni zoodat velen spoedig met voUen 
bnidel naar China konden temgkeeren, terwgl bnnne plaatsen 
Mteeds weer ingenomen werden door nienwe van daar komende 
fortoinzoekers. Langen tijd was Boedoek bekend door bet 
aldaar gevonden zwarte goud (<). 



') Het reoogaitit-geld yaa fioedo«k bedroex volgeos de oog aldaar aanwe- 
lige en aan mij vertoonde kiritantie, / 146 en 80 doiteo, en werd het laatft 
ia 1840 betaald. 



557 

In het gebied van Boedoek hadden ook eenige der ver- 
eenigingen van Montrado bijv. Thai-kofig en Hang^moei hier 
en daar een mijn. 

Langzamerhand en wel ten tijde dat de twisten tosschen 
Thai'kong en Sam-lhiao-keoe ontstonden, trachtte eerstgenoemde 
kongsi steeds meer en meer invloed over Boedoek te krygen 
en had er steeds een dwarskijker, om op de verhou- 
ding van Boedoek tot Sam-thiao-keoe te letten, onder welke 

gezanteii Tshai-moei (^J^)^d der bekendste is. Meeren 
meer nam de invloed van Thaikong aldaar echter toe, 
zoodat zelts in de publicatie van 1822 (verg. Veth II 126 
vvg.) het geheele gebied vati Boedoek tot Thai-kong gere- 
kend werd. Inderdaad was Boedoek echter nog in het bedt van 
zgne gronden, maar stond onder de suprematie of liever on- 
der den invloed van Thai-kong. Toen eenige jaren daarna 
(Hh 1825) Sam-thiao-keoe zich in Seminis en Sepang ge- 
concentreerd had en weer langzamerhand vooruitging, vrees- 
den de vier verbonden vereenigingen van Montrado dat Boedoek 
zich 'eerder nader met het nabijgelegen Sam-thiaokeoe dan 
met het verder verwijderde Montrado zoude verbinden^ en 
dwongen zij dan ook deze kongsi om zich door een eed van 
trouw bij hen aan te sluiten. 

Bij deze gelegenheid werd dan ook de naam Lim-thian- 
kong-si veranderd in Sin-lok-Kong-si ( ^ ^ ^ IQ ); de ou- 
de naam bleef echter steeds gebruikelijk en de benaming 
Sin-lok vond bijna geen aanhangers. Op de munt der kong-si 
(tot 1854 in gebraik) staat zelfs Tiim-Thian. Soms vindt men 
ook deze kongsi aangeduid als Sim'ThianStnLok'Kotigsi 

Even als na 1828 de kongsi van Loemar wel onder den 
invloed van Thai-Eong was, maar geen deel van Fo-Sjoen 
uitmaakte (v. bl. 545) werd Boedoek ook niet in Fo-Sjoen op- 
genomen. Men zegt wel dat dit met opzet geschiedde, opdat 
n.1. wanneer Fo-Sjoen het onderspit mocht delven tegenover 
de vele vganden die het had, de leden daarvan toch nog in 
Boedoek eene gelegenheid zouden hebben om mgnbonw te 



558 

blijven nitoefenen. De LimthiankoDg-si ofschoon met Tm 
koD^ c.8. verbonden, helde zooals ook uit het eerste deel nu 
dit booidstuk bleek, toch meestal naar de zijde van Samthuh^ 
keoe over, totdat zij in 1850 evenals Sjip-ng-foen «redwoi- 
gen werd zich aan te sluiten bij ThaiKong en een (k> 
uit te maken van Fo-Sjoerij (zie boven bl. 553) — Toen in 1^54 
de kon^i's opgeheven werden, werd de Boedoek-koogsi dan i>t£ 
niet zoD streng behandeld als Thai-koug en meer van een p. 
litiek in een particulier lichaam veranderd^ zoodat men i- 
Boedoek dan ook nog meerdere overblijfsels uit den kongsi- oj^ 
vindt, als bijv. het in 1854 nog gebruikte zegel, zilveren lepeb 
met den kongsi-naam (bij het' goud wegen gebruikt) ; terffii 
bovengenoemde tempel- mijn nog steeds onder de Chineezd 
Kong-si of Limtbian-kong-si genoemd wordt, en nog st«^ 
een deel van het onderhoud van den Wong dja tempel dra^et 
moet. Boven de deur van dien tempel hangt nog altgd ea 
bord met het opschritt: „Lim-thiankong-si.'' 



Daar door mij in geen enkel boek iets naders omtresi 
WoNG-DJA is gevonden, moge hier het mij omtrent dien heiiir:< 
medegedeelde volgen: 

Een vorst der zuidelijke Soengdynastie, Ti Piang ( ^ p^ 
geheeten, voerde in 1278 zgne soldaten aan om het zuidel.kc 
deel van China te veroveren. Hij werd echter versiageb es 
vluchtte naar het dorp Hopho (arrondissement Kiat-km 
dept. Tsjkao-Tsjoe). De drie berggeesten van de ertslagea, 
nl. Kin ( fh ) Min{V^) en Thoek(^). zetelende indeb: 
Ho-pho gelegen drie aaneengeschakelde bergen met dezelfde 
namen, verlichamelijkten zich, en vooral door de hulp vai 
Thoek kon de keizer zich redden. 

De keizer vroeg hunne namen en zy antwoordden : ^Kiii 
Min en Thoek." In zijne residentie teruggekeerd zond öe 
vorst een zijner ambtenaren Tji'foei( ^ ^ ]^ ^) ™c^ '^^ 
kabinetsorder naar Ho-pho. Deze informeerde naar de dri^ 
berggeesten ( |1| f^ )> u^sutr niemand kende hen, waarna ui 




559 

naar den Tempel te Lim-thian ging en daar in een geest ver- 
anderd werd. Toen Tji-toei niet terugkeerde zond keizer 
Ti-piang (Te-ping) nog een afgezant naar Ho-pho nl. Moek- 

hang-ioeftg-wong ( ^ J^ -^ ï ) ^^^ echter ook niet terug- 
keerde en hetzelfde lot als Tji-foei onderging. 

De drie berggeesten worden nu aangeduid door den naam 

Sam-San-Kwii-Wong (^ iJj H ^) 7?de rijksvorsten der 
drie bergen" of door sam-wang-dja ( ^ ^ ^)> terwijl Kin 
Min (Bing) en Thoek (Tok) respectievelijk, de groote, de 2e 
en de 3e vorst genoemd worden (Thai-Wong ^ ^; Ngi- 
^(^9 JU ^ ; Sam- Wong ^ ^ ) en ieder op zich zelf 
Wong-dja ( ^ ^ koninklijke prins) genoemd wordt. De 
tempels aan hen gewijd noemt men Wang-djamiao ( ^ ^^ 

), en in deze tempels wordt vooral het beeld of de schil- 
derij van Sam-Wong aangetroffen. Kin wordt voorgesteld 
met een wit, Min met een rood en Thoek met een zwart 
aangezicht. Zij worden in verband gebracht met de 
metalen ijzer, tin en lood^ die in bovengenoemde drie bergen 
voorkomen, zoodat de drie geesten veel door mijnwerkers 
worden vereerd, bij welke vereering ook de beide geest 
geworden afgezanten hun deel krijgen. 

De feestdag van deze heiligen valt op den 25en dag van 
de 2e Gbineesche maand en heet Wong-dja-Sang (^ ^ J^: ) 
welk feest bij v. Rees, Montrado bl. 64 bedoeld is. Deze 
feestdag werd in Montrado meestal op den 18^^ dag van de 
zelfde maand gevierd, daar er gewoonlijk niet genoeg wajang- 
spelers waren om op al ie plaatsen tegelijk het feest te vieren. 

In den tempel van Boedoek hangt eene beeltenis van Sam- 
Wong, terwijl in die van Montrado alleen nog zijn stoel staat, 
daar het daarbij behoorende gouden (verguld) beeldje ^ ^ 
van dien heilige gedurende de onlusten (1850-1854) waar- 
schijnlijk naar Serawak is overgebracht. 

Als Vetii op bl. 181 van het ll« deel spreekt van een 
„tempel van Sam-bo-nja/' zullen wij moeten denken aan den 



560 

WongHifa-miao of Samwong-dja-miaoy terwgl op friait IE 
Veth I b). 324 op bet onderste yaandel klaarblgkdgk öe 
titel Sam-um-kwit-wang te lezen gtaat (1). 




(1) De twee kleinere vaandels aldaar kan ik niet onte^ifereBp tenr^l ik te 
grootere aldns meen te moeten leien: 



^m 




Fo-Sjoen 


+ 


d. i. 


^'V 


£ 




Ng 


^ 




/oen. 



HOOFDSTUK IL 

INKICHTING EN WEZEN DER KONGSI'S. 
§ 1. EERSTE ONTWIKKELING. 



In het eerste hoofdstak werd reeds gezegd dat er om- 
trent de eerste vestiging der Gbineezen in de myndistricten 
van Borneo betrekkelgk weinig mede te deelen valt, en 
werd aldaar volstaan met een citaat nit Froi Veth's Wester 
afdeeling van Borneo over die tijden, aangevuld door eenige ge- 
gevens door mij bij de oudste Gbineezen verzameld» Later 
had ik de gelegenheid van Lara-Dajaks nog eenige ophel- 
deringen daaromtrent te verkrijgen, welke hier een plaats 
mogen vinden. Han verhaal komt op het volgende neer: 
Na zeven geslachten geleden, toen Marhoem Djama (Oemar- 
Akamoedin ± 1740—1800) Sultan van Sambas was, zoch- 
ten de Digaks van Lara reeds goud. Zij badden echter geen 
begrip van de tegenwoordige Chineesohe wijze van gond 
ontginning en groeven gaten, waaruit zij de goudhoudende 
aarde ophaalden om deze daarna met den doelang ait te 
wasschen. 

De Sultan nu, liet 7 Chineezen van Poelau Pinang komen 
om voor zyne rekening goud te graven en aldus meer voor- 
deel uit de goudrijke streken te verkrygen. Deze 7 perso- 
nen legden een mgn aan bij den Soengei Si Benoewang, 
halverwege Bengkajang en Sebelauw gelegen- en werden 
door den Su'tan van rijst, droge visch, gereedschappen, in 
één woord van al hunne benoodigdbeden voorzien, welke zij 
later van het gewonnen goud moesten betalen. 

Deze artikelen werden hun door den Sultan in rekening 
gebracht tegen zeer hooge prijzen, zoodat de mijnwerkers een 
groot gedeelte van hun winst moesten afstaan. De Dajaks 

Tgdaehr. Ind. T. L. ea Vk., deel XXXV. 87. 



562 

spraken de Ghineezen aan met den titel Eotjik, (}) en drie 
der mijnwerkers zijn nog in de overleTeiing bekend n. I. 
Entjik Toeiig (tonnemaker. Toeng=3 Ghin.i||) Entjiq Ka- 
joe (timmerman) en Entjiq Boeloe (kok, letterlijk bamboe- 
maker, Boo genoemd omdat men toen ter tijde derystnogin 
bamboe-geledmgen kookte.) 

01 door deu Sultan ook in andere streken Ghineezen in- 
geroerd zijn, weten de Lara-Dajaks niet zeker, oisch<K>n zij 
het wel waarschijnlijk aehtea. Niettegenstaande de Sultan 
groote winsten behaalde, verdienden de Ghineezen zelf door 
den groeten rijkdom aan goud ook nog veel, en weldra ver- 

é 

spreidde zich dan ook het gerucht van dien rijkdom tot in het 
verre Ghina. Men vertelde o. a. dat men van een kleinen 
marsch terugknmeude slechts zijne schoonen (Ghin-stroo- 
sehoenen) had uir te wasschen om een halve gulden aan 
goud te \rerk lijdeen. Z m» kwamen dan ook spoedig meer 
Ghineezen naar de Borneosche goudgronden en nam het 
aantal mijnen, elk door een aantal Ghineezen bewerkt, zeer 
toe. Behalve door hetzelfde vaderland en eenige later te 
vermelden omstandigheden, waren deze mijnwerkers met 
bepaalde banden nauwer aan elkaar verbonden, en de mgn- 
werkers van één myn elkanders „kameraden'' (fo-ki jj^ S^)- 
De immigranten mochten zich alleen met goud graven be- 
zighouden, mochten geene wapens hebben en moesten alle 
levensbehoeften van den Sultan koopen. De Sultan zag met 
vreugde zijne inkomsten vermeerderen maar langzamerhand 
begon de Ghineesche invloed hem boven het hoofd te wassen. 
De vreemdelingen probeerden zich op allerlei wgzen van de 



') EnQik, mineliiea liet Chineesclie ^* ;^itiljn oom (a respectfal term ap* 

"plidd to penons, either older or if sli^htly aequainted with) volgens Hok-lo 

«Upnak ig-tjik. (Dr. J. Pym4>pel MaL Holl. Wdabk i. ▼. ^j^\ ënt)ik:ti- 

td voor Mal. ait den iatsoenlijken stand, zoowel mannen als vronwen, waar- 
sehynl^'k het Chin. tjik, oom, jongere broeder van den vader).*' 

In: Ckinese Loanwords in the Malay Langnage bj Gustav Schlegel rTonog- 
■pao. Cebr. 1891) komt het niet voor. 



563 

afperBingen der Maleiers te ontslaan^ smokkelden zelf huane 
benoodigdheden binnen en verbroederden zich meer en meer 
met de DajakS; waardoor dezer meer op hun hand kwamen 
en den Sultan een groot deel van zijn macht en invloed werd 
ontnomen. De Dajaks herinneren zich niets van een soort 
van controle hun over de Chineezen opgedragen; ia het eerst 
beschouwden zij hen als koelies van den vorst, en langza- 
merhand wisten de Chineezen hen wel voor zich in te ne- 
men of hun macht te doen gevoelen. 

In ëén woord de Chineezen werden meer en meer onaf- 
hankel^k van de Maleiers, die zelfs over de Dajaks toen 
ter tijde geen grooten invloed deden gelden; dat de Da- 
jaksche stammen van Sambas nl. de Boekit's in het W. de 
Kendajan's in het Z. O. en de Koemba's in het N.'O. el- 
kander beoorloogden deed niet ter zake, zoolang zij allen 
door gedwongen handel den vorsten slechts voordeel aan- 
braehten. 

De invloed der Chineezen in Lara werd nog grooter, toen 
de Loemar en Lara-Dajaks samen besloten hadden (Chineesche 
invloed?) den Sultan te vermoorden daar de gedwongen han- 
del te zwaar werd. De Sultan zelf hield zich voornamelijk 
bezig met de leiding van dezen handel in het Lara-Loemar- 
sche, en had te Pangkalan-Siboeloe (Santoeng) een versterkt 
huis en magazijn, terwijl andere rijksgrooten op dezelfde wijze 
andere deelen van Sambas exploiteerden. Ingevolge hun af- 
spraak vielen nu de Loemar- Dajaks de versterking te Pang- 
kalan-Siboeloe aan en vermoordden 4 Maleiers, terwijl zij den 
Sultan verwondden, die echter door hulp van de Lara's, die 
zich ter elfder ure terugtrokken, liaar Sambas kon vluchten. 
Weldra werden nu wel de Loemar-Dajaks door andere Da- 
jaksche stammen, die tegen hen door de Maleiers werden op- 
gestookt, getuchtigd, maar dat gevolg had deze gebeurtenis, 
dat de Sultan zich niet meer in de bovenlanden waagde en 
de balei van Pangkalan-Siboeloe ophief, — terwijl eerst door 
Marhoen Anom (1815 — 1828) eene nieuwe balei te Sebalam 
werd opgericht. Dientengevolge kregen de Chineezen hunne 



564 

handen nog Trger en daalde de MaleLBeheinrloedtoteeomi- 
nimnm. 

Van eene orerrompeling van eene vesting der Dajaks door 
de Chineezen, zooals in bet bovengenoemd dtaat uit Vhh 
voorkomt, weten de Lara-Dajaks niets, wat eehter niet bniten 
sluit dat dit feit ergens anders wel gebenrd kan zgn. Het 
xon tocb te verwonderen zijn dat de langzame vrijmaking 
van den Maleiscben invloed overal zonder botsingen zonde zgn 
afgeloopen. Ook was bet bestuur van Sambas niet van dien 
aard dat overal dezelfde toestand heersebtte, zoodat het ook 
zeer wel mogelgk is dat bijv. in die Dajaksche streken welke 
diebter bij bet centrum der llaleiers gelegen waren, door de 
Dajaks een dagelijkscb toeziebt op de Gbineezen werd uitge- 
oefend. Hoe bet ook zij, de Gbineezen werden meer en meer 
onafhankelijk maar stonden, als bet niet anders kon, gaarne 
een deel hunner winst af aan de Maleische vorsten in den vorm 
van gedwongen handel, reeognitie-geld of onder welken votin 
ook; terwijl zij zich meer met de Dajaks verbrbederdeo, 
dezen een steun werden en bier en daar, al was het dan ook 
op verstandiger manier, exploiteerden. Werkten de eerste 
ChiDcezen ten voordeele der Maleische vorsten op gronden han 
daartoe afgestaan, toen zij de macht in handen kregen, he- 
schouwden zij zich zelf als meesters van den grond. Toen 
zooals bereids gezegd is, de goudrijkdom tot in China bekend 
werd, kwamen er steeds meer en meer nieuwe immigranteQ 
in Sambas aan, die of door de reeds aldaar gevestigden 
herwaarts geroepen werden of op goed geluk naar het gondland 
trokken. Daar nu in eene vestiging van Gbineezen steeds dia 
stam (naam, siang j|^ ) den meesten Invloed heeft, welke de 
meeste leden telt, en de anderen slechts geduld worden, was 
bet geen wonder dat ieder reeds op Bomeo gevestigde Chi- 
nees zooveel mogelijk slamgenooten aanschreef om over te komen; 
terwijl de nieuwelingen die uit zich zelf kwamen, ook zooveel 
mogelijk reeds aldaar gevestigde stamgenooten die hetzelfde 
dialect spraken, opzochten, zoodat men langzamerhand overal 
groepen van stamgenooten kreeg. Kon een nieuweling licb 



565 

niet bij zulke Btamgenooten aanslaiteD, dan gaf zijn taal of 
geboortestreek den doorslag bij de kenze zgner vestiging. 

Deze groepen werden patriarchaal bestuurd door de oudsten 
en eerwaardigsten en hij die do)r den algemeenen roep als 
de eerwaardigste werd aangewezen, was als primus inter pa- 
res bet ongekoz<in hooid. Locale omstandigheden waren oorzaak 
dat deze kleinere groepen van mijnwerkers zich met nabijge- 
legen vestigingen tot één lichaam vereenigden, by v. om zich 
gezamenlijk beter tegen de Dajaks te kunnen doen gelden, 
om samen groote, voor den mijnbouw noodige werken, als 
waterreservoirs, mijlenlange waterleidingen enz. aan te leg- 
gen en het gevolg hiervan was, dat het aantal op zich zelf 
staande groepen steeds kleiner en kleiner werd, terwijl de 
aldus gevormde groepen steeds meer en meer leden telden, 
en langzamerhand in een bepaalde streek slechts ééne ver- 
eeniging ontstond, die aanspraak op den grond in den gelieelen 
omtrek maakte en meer of minder afgebakende grenzen 
verkreeg. De nog niet tot zulk eene vereeniging toege- 
treden personen waren uit eigenbelang nu ook wel ge* 
dwongen zich daarbij aan te sluiten; tervvijl van uit deze 
vereeniging zich op meer of minder grooten afstand vesti- 
gende personen, zich daartoe bleven rekenen. Aldus moet 
men zich mijns inziens het ontstaan der grootere vereeni- 
gingen verklaren, waarvan zooals in het P hoofdstuk werd 
medegedeeld op een bepaald tijdstip 16 in het Montra- 
dosche, 7 in het Laraschc en één in Boedoek gevestigd 
waren. Op deze' manier wordt dan ook begrijpelijk dat bijv. 
Thai'kong vooral bestond uit Hwoei-lai en Loehfoeng Ghi- 
neezen der stammen Ng, Wong^n Tjhang\ Lim-thianmtüo- 
pho Chineezen der stammen Tjong^ Tshai.Lioeeü Woftg^Sam' 
thiao-keoe uit Hwoei-lai en Loeh-foeng Ghineezen der stammen 
Woen en Tjoe, en waarom dan ook de Lan-fong-kongsi van 
Mandor vooral uit Hakka Chineezen der stammen Soeng^ Lioe 
en Tjhin bestond. In het eerst werden de/.e grootere veree- 
nigingen (foei's) op de bovenomschreven wyze patriarchaal 
bestuurd^ en was de meest eerwaardige en invloedrijke het 



566 

eerste hoofd. Deze werd door alleo Pai genoemd, terwijl de 
Maleiers hem door kapitan (kapiteiD) aaDdaidden (^). 
Toen de inyloed der Maleiers zich niet meer zoo direct 



') Pak 4h vaders oudere broeder. M. i. was dan ook de kapitam Chi- 
oees Bapah 6oeh genoemd in de »Acte van aanstelling van den kapitein Cliinees 
Bapa Goe tot Districtshoofd te Sinaman (Mampawa) door den Panembahan van 
Manpawa (1770) (v. d. Hollander Handl. bij de beoefening der Mal. Tl. en L. K. 
Ille deel) de Pak van de Chineezen te Sinaman. 

Dit stuk nog dagteekenende van voor de sticliting der Lan-fong-kongsi (1777) 
moge bier eene plaats vinden, daar het een eigenaardig licht werpt op den toen* 
maligen toestand in een Maleischen staat. 

^•^ (^yi^ U^^^ iSj^ *^^ J^ïbUa. Jo óiS ^f> 

ty d'^- J^ •^ *^ tf*"^ *^ e;^^»i»j-» e;»l**i* ^Ji'^ 

JuiS ^ i^l^so AÜy ^OaU c:^j ^^ ^s/i J^ u/' 
^ *L1 j? ^U JxiiS ^j^CiAL, iMji J\d l^su yM^^U ^b 
tXkjmji ,j/a*U t-a«* y) v^^ V^ -^^ *S'^ u/!r?^^ 

j^ ^^^ j}^ ')¥ '^^j'^ ttT^ t^ e*^ *^/ 

d.i. «In de maand Djoemadi-el-awal op Donderdag. Op dat tijdstip heeft Z. H 
de Panembahan gelast en bevolen aan Kapitau Bapah Goeh: met betrekking tot de 
zaken van het landschap Sinaman wordt de rechtspraak opgedragen am kapitan 
Bapah. Onverschillig welke uitspraak en bevel, zy worden gegeven door kapilsa 
Bapah Goeh en door niemand anders; wel en wee bernsten bij kapitan Bapah 
Goeh. Een ieder, die de uitspraak en het bevel van Bapah Goeh niet opvolgt, 
is weerspanning tegenover Z. H. den Panembahan; a?s hij behoort gedood te wordeu, 
zal hij gedood worden; als hij behoort gestraft te worden, zal bij gestraft wordea» 
hij zij Boeginees of Maleier dan wel (behoorende tot een van) alle Dajaksche stammen 
of wel Chinees. — Aldus is het — ' 

Einde van het schrijven. Vrede en heil zijn met u. Geschreven in deplastt 
Galah Arang — .*' 

Omtrent Sinaman, ten Noorden van Mandor gelegen, vindt men het volgende 
in het Kongsi-wezen van Bornco betrekking hebbende op den üjd voor de stich- 
ting der Lan-fong-kongsi : 

V Boven Pontianak lag Mandor. Volgens de overleveringen waren aldaar door 
lieden uit de Hoklo-gCAesteu, cd wel voornanaelijk uit Tsjhao-Yang en Kieh- 
Yang, goudmijnen aangelegd; ook iets meer dan tien mijlen boven Mandor wireo 
te Mao-yien, San-tsoe-ta-nga, Koenjit, Loengkong, 6*ïim mam en meerdere plaatsen 
hoofdzakelijk nit diezelfde districten afkomstige gondgravers gevestigd.** 

Deze vroeger zeer bloeiende Chineesche vestiging is ten gevolge van het uit- 



567" 

kon laten gelden, waren er weldra onder de Cbineezen ook 
landbonw-vereenigingen ontstaan, daar de steeds toenemende 
immigratie en de groote winsten der gond-exploitatie ook de 
rijstcaltanr zeer voordeelig maakten. Op de voor landbouw 
meest geschikte gronden in Montrado ontstonden, zooals in 
het V hoofdstak reeds medegedeeld is, twee landboaw-yer- 
eenigingen nl. het Lan-fong-foei en het Tbien thi-foei. Deze 
twee vereenigingen hadden samen het monopolie, daar inde 
mijnbonw-vereenigingen zelf zoo goed als geen rijst yerbonwd 
werd, en konden das groote winsten behalen. Broodnijd werd 
na de voornaamste oorzaak dat het eene verbond (Thien- 
thi-foei) het andere (Lan-fong-foei) versloeg. De mijnwer- 
kers nu niet meer kunnende profiteeren van de eoncarren- 
tie, geraakten van kwaad tot erger, terwijl het Thien-thi- 
foei veel verdiende; zoodat het niet te verwonderen valt dat 
de 14 mijnvereenigingen bij Montrado dit verbond weldra 
aanvielen en vernietigden, toen het zich allerlei aanmatigingen 
begon te veroorloven. Na dien tijd vooral begonnen zich 
ook leden van bijna alle verbonden op rgstbonw toe te leg- 
gen en werden bijv. eerst Pandjawa, Phak-mong-theoe^ 
Sibalei en later Pamangkat de korenschuren van Sam-thiao- 
keoe. ^) De landbouw nam echter nooit zulk een hooge 
vlucht, dat de hoeveelheid rgst voldoende voor de behoefte 
werd; daarvoor was de zucht om goud te graven te groot, 
vooral toen de rijst niet meer op zeer hoogen prgs gehouden 
kon worden. Ten tijde bijv., dat alleen Thai-kong nog bg 
Montrado bestond (na 1837) werden jaarlijks alleen teSing- 
ka wang nog gemiddeld 300 kojans (12000 pikols d: 750000 
EG.) rijst van over zee ingevoerd. ^) 

gepat raken der voor Ghiaeezen ontgiDbare gondgronden geheel verraÜen, en 
wonen er nu slechts nog tnee Chineesche huisgezinnen, yan landbouw en eenig 
goud waas chen lerende. 

') De rijstfelden van Pamangkat strekten aich echter oostwaarts niet uit tot 
die van Boedoek, zooals Y. I bl. 98 Terméldt. 

Wel waren er b$ Soengei Bebal 200 sawahs van Sam-thiao-keoe, slechti door 
den Sebaogkanw gescheiden yan 800 velden van Boedoek. 

*) Eerst onder ons bestuur, b^ het zeer verminderd aantal mynbonwers, is de 
opbrengstgcwoonlijk voor de Ithoeite voldcesde en invoer niet noodig. 



568 

Handel werd door leden Tan de verschillende vereenigin- 
gen, meestal zonder afscheiding^ gezamenlyk op passen (kamp- 
marktplaats) uitgeoefend. 

De bovengenoemde vereenigingen hadden langzamerhand 
een minder patriarchaal bestuur gekregen. Dit had ten eerste 
zgn ODrzaak daarin dat in die vereenigingen meestal eenige 
bijna even sterke stammen (siangs) vertegenwoordigd waren, 
terwgl Terder de zoogenaamde „kongsi-mijnen" nog verder 
van het oude pad deden afwijken. Ieder der mijnvereenigin- 
gen had nl. een ot meer mijnen die ten voordeele van dat 
verbond werden bewerkt, waarnaast zich particuliere mgnen 
en landbouwers bevonden. De winst dezer mijnen (kong-ai- 
pa-lit) diende ter gedeeltelijke bestrijding der algemeene uit- 
gaven — terwgl die der particuliere mijnen (kak-theoe-pa-lit) 
den ondernemers ten goede kwam. In de kongsi-mijnen werk- 
ten de nieuwelingen meestal den eersten tgd, en een der voor- 
naamste plichten van de oudsten was hun zorg voor deze mijnen. 
De oprichting dezer mgnen werd bekostigd door hen die daar- 
voor eenig geld konden afzonderen. Zij kregen een aandeel in 
de winst en hadden verder het recht de technische hoofden 
dier mijnen te kiezen. 

In onrustige tgden moesten de mijnhuizen dier mijnen 
versterkt worden en deze werden dan ook langzamerhand de 
plaatsen waar de kas der vereeniging en de oorlogswapens be- 
waard werden, de hoofdtempel gesticht werd, in één woord 
zg werden de centra der samenleving, de vluchthavens in tijden 
van nood. Bij de keuze der hoofden dier mijnen lette men 

In het kort zij hier medegedeeld, dat de rijttboan der Cbioeeun deTolgeadc 
phuen heeft doorloopen: 

1 . De Chineezea mochten geen rijst planten, daar de Maleien de levering aan 
zich hielden. 

2. Chineesche Landbonw-rereenigingen planten rijst. 

3. Sommige leden van mijnvereeuigingen planten rijst. 

4. Mijnbonwers planten in den voor m^'ubouw minder geschikten tijd, eenige 
rijst voor eigen behoette. 

5. LandboQwert graven of wasschen in den vrijen tijd eenig goud. 

6. Men plant alleen r\J8t. 

In de mijnstreken komen tegenwoordig naast enkele zuivere mijnboawers, 
veelal de anb 4, 5 en 6 bedoelde toestandea voor. 



569 

niet zoozeer op ouderdom en eerwaardigheid, daar het hiw de 
kwestie was om flinke en bekwame mijnwerkers tot hooiden 
te krijgen. Deze hoofden gekozen door de aandeelhouders en 
altijd vele nieuwelingen om zich heen hebbende, zich bevin- 
dende in versterkte huizen en voldoende wapenen bg zich 
hebbende, werden dan ook langzamerhand de meest gezagheb- 
bende personen, de eigenlijke lioofden der veiecnigingen. 



§ 2. FO-SJOEN EN DE THANG. 

In 1776 vereenigden zich de genoemde veertien verbonden 
bij Montrado tot eene algemeene federatie, de Fo-/S^'o6fi-/Nm9-5i 
genaamd. Ongeveer tot dien tijd had ieder dier 14 verbonden 
den naam van foei gedragen, nu werden zg echter meer alge- 
meen ook kang-si genoemd. 

Het bestuur der Fo-Sjoen-koog-si werd belast met de be- 
handeling der uitwendige aangelegenheden, met de regeling 
der onderlinge verhouding der 14 samenstellende deelen en 
andere belangrgke zaken, terwijl ieder dier 14 vereenigingen 
geheel op zich zelf stond en eigenlgk meer eene industriëele 
dan eene politieke beteekenis had. Voor de algemeene beraad- 
slagingen bouwde men het raadhuis van Fo-Sjoen, d. i. de 
Thang te Montrado ^), en door de geheele bevolking werd 
een hoofd verkozen met den titel van Kapitan ( ^ /j^ ^ ) 

een titel, die tot de ontbinding van Fo-Sjoen in 1854 steeds 
door het algemeene hoofd werd gedragen '). De kapitan had 
een maandelij ksch tractement van 25 reaal (/ 50) en eenige 
andere wettige voordeden, en werd ter zijde gestaan door een' 
secretaris, (den THAi-THAKa-Snr-SANa of kong-si-sin-sang ook 
wel kapitan sin-sang genoemd), die een salaris van 6 real 



') De Thang is dan ook nooit oen miJnAms geweeit, zooaU bij yan Rees 
Montrado bl. 87 staat. 

*) Bij de yerkiezing van een' kapitan irerd de geheele befolking opgeroepen 
om over het nienw te benoemen hoofd te beraadslagen, de voornaamsten en in- 
▼loedrijkaten, soms gesteund door een tierenden volkshoop beslisten natnnrl^k de 
kense. Bij snik eene kenze en benoeming ontbrak het natnnrlijk niet aan feesten, 
offeranden, optochten ens. eni. 



570 

'i mtands en eenige andere voordeelen had. Ieder der 14 yer- 
eenigingen lond een afgevaardigde naar de Thang, die den 
titel yan Thakg-Tjob (jS^) droeg en een maandelyksch 
traetement van 20 realen en eenige andere voordeelen genoot 
en samen met den Kapitan het ATiGSMBBK bestüub vah Fo- 
Sjobn vormden. ^) Han stonden nog een kashonder en een 
sehrgver ter zgde; terw^l een door de federatie bezoldigd 
kok moest zorgen voor de maaltgden van bet bestanr, waar- 
van alle leden dikwijls gernimen tgd in den Tbang ver- 
bleven. 

Bovengenoemde regeling van bet algemeen bestnnr bleef, 
met eenige verandering van bet aantal Thang-tjoe's, gedurende 
den geheelen kongsi-tijd bestaan. Toen na 1820 Tbd-kong 
steeds meer en meer invloed kreeg, bad bet twee afgevaar- 
digden in den Tbang; één van Sjongwoek en één van Ha- 
woek^ zoodat er na dien tijd steeds één Thang-tjoe meer was 
dan bet aantal kongsi's waarait Fo-Sjoen bestond. Van 
1837 — 1850 toen Tbai-kong de eenige kongsi bij Montrado 
was, bestond bet bestanr dos uit den kapitan en twee thang- 
^joe's, welk laatste getal in 1850 door de toetreding van 
Lim-thian en Sjip-ng-foen tot Fo-Sjoen, weer tot vier gebracht 
werd. 

Het bestanr van Fo*Sjoen zorgde behalve voor bet reeds 
vermelde ook nog voor bet innen der belastingen, het c. q. 
betalen van schattingen en andere algemeene nitgaven, en 
was in belangrijke of verschillende kongsi's betreffende zaken 
bet uitvoerend dagelij ksch bewind. 

In belangrijke zaken werden ook de hoofden der 14c iongsi's 
en de oudsten geraadpleegd en besliste men ook soms onder den 
invloed van de tierende, samengevloeide menigte. . 

De kas der Fo-Sjoen-kongsi werd in den Thang bewaard; 
in latere tijden werd zij echter in bet kongsi-hnis Sjong- 



(' Dit beftaar U bij Veth I 320 bedoeld, terwijl by van Kees Montndo 
bl. 76, de oude toestanden met die onder ons bestuur z^n verward. Pe Sin- 
sang was een administratief ambtenaar. 



571 

Woek ^) van Thai-koDg gedeponeerd. Verden diende de 
Thang nog tot berberging der gasten en tot gerangenis, en 
stond in een der zalen een Tbai-Pak-Koeng en een altaar aan 
Rwanti gewijd. 



§ 3, DE VEERTIEN, FO-SJOEN VORMENDE, KONGSI'S. 

Boven is reeds opgemerkt dat de mijnen die in ieder der 
14 Kongsi's van FoSjoen voor rekening van die vereenigingen 
werden bewerkt, langzamerhand de middelpunten geworden 
waren waaromheen zich de ledeu groepeerden. 

De hoofden dezer mijnen werden dan ook de hooiden van 
het verbond, en daar ieder verbond gewoonlgk meer dan 
één KONGSI-MIJN had en iedere kongsi-mijn meerdere hoof- 
den, had ook ieder der 14 kon^jsi's een veelhoofdig bestuur. 

In zaken de kongsi betreflfende besliste de vergadering der 
hoofden van alle kongsi-mgnen, in kwesties één dier mijnen 
betreffende meestal de hoofden van die mijn. 

Die hoofden der kongsi-mijnen waren als volgt: 

de groote mijnen hadden: 

2 Fo-TjONa's (|^ ^) mijohoofden. 

3 Tshoi-Khos's {yjl^ J^) een boekhonder, een kashouder, 

een proviandmeester. 
8 Tnr-KOENa's ( |^ ^ meesterknechts, gootwachters), 
de kleinere mijnen hadden-. 

1 Fo-TJONa (bij Veth I 319 maHim), 

2 TshoiKhob's (bij Veth I 319 djoeróe-toelis) . 

4 TiN-EOSNa's. 



') Het oudste kongsi-hois van Thai-koug te Montrado was Ua- woek, heilage 
hais, ter plaatse waar nu de beoteng ligt. Later werd iets zaidelijker Sjong-woek, 
het hooge hais, opgericht, dat bij het begin der onlosten met Kiët-liën ▼. bl. 628 
▼vg. echter aeer f ersterkt werd en langzamerhand het voomaamtte kongsi-hnis tan 
Thai-koBg werd. Bij feesten had üa-woek echter nog altijd den foorrang, daar 
toch mochten de waiJang-voorsteUiagen het eerst geopend worden. Bij Montrado 
had Thai-kong nog een 3e. kongsi-hnia a/d. weg naar Sampasa nl. sjong-sin-woek 
d. i. het hooge nieuwe huis. 



572 

In de kongsi-mijnen van Thai-kong moest er onder de 
t?ree eerste categoriën steeds één sgn Tan de stammen Wang, 
Ng of Tjhang, terwijl de 8 tin-koeng's tot de volgende stam- 
men moesten behooren: 

2 tot den stam Ng. 

2 „ n n Wowfl' 

2 „ „ „ Tjhang, 

1 „ „ „ Kan. 

1 tot een' willeieurigen stam. 

In de kleinere mgnen met 4 tin-koeng's moesten er zijn : één 
Ng, één Wang, één Tjhang en één van een willelceurigen stam. 

Lang geleden hadden nl. eenige rijke kooplieden van 
de stammen Ng, Wong en Tjhang, die een kleinen passer 
bij Montrado hadden (nl. Sjang-pae-theae Jl ^ ® ^* ^* 
boven^passer), de kongsi Thai-kong, waartoe ze behoorden, 
▼an een bankroet gered door gelden te schenken, tot belooning 
kregen zij daarom het bovengenoemd voorrecht. Van den 
stam Kon had eens een lid n. l. Kan-min-paJcy {^ ^ ^) 
een arakstoker te Hoei-tshak wonende, Thai-kong uit onge- 
legenheid gered toen dit verbond door slechte mgnresnltaten 
bgna te niet gegaan was. 

De aandeelen van een kongsi-mgn, of beter gezegd van 
alle kongsi-mijnen van één verbond, behoorden aan verschil- 
lende pefsonen die zich op de eene of andere wijze ten 
opzichte van de kongsi's onderscheiden hadden, bijv. door 
begunstiging, opofferingen of in den oorlog. Een nieaweling, 
die ook na het afleggen van den eed (waarover later) bij de 
kongsi-mgnen bleef doorwerken, had ook kans om na eenige 
jaren bijv. een aandeel te krijgen, als hg zich goed en 
vlijtig had gedragen en voor de eer om aandeelhouder te 
worden, voorgedragen werd door de oude afgeleefde mgn 
werkers dier mijnen, die dikwgis nog in de mgn (kongsi — ) 
huizen bleven wonen en een oogje in het zeil hielden. Deze 
oxTDEN (lo-njin^^) hadden een aandeel in de mijn en 
werden met veel eerbied behandeld. Zg waren zoo met hanne 
vroegere werkzaamheden vereenzelvigd, dat zij in het vreemde 



573 

land bleven en niet naar China terugkeerden ^). Verder kon 
men ook soms nog een aandeel in de kongsi-mgnen koopen. 
Wie eens een aandeel had, kon daarvan zeer moeilyk ontzet 
worden; maakte een aandeelhouder het eohter te bont, zoo 
werd hy gedwongen voor het altaar neder te knielen en, on- 
der het branden van offerstokjes, afstand te doen van zijn aan- 
deel en zijn naam zelf op de lijst der aandeelhouders door 
te halen. In de kongsi-mgnen werkten nieuwelingen, wer- 
kers zonder- en werkers met een aandeel. Alle mgnwer- 
kers kregen den kost, terwgl de nieuwelingen na afloop der 
goudlichting een bepaalde som kregen en de andere mgn- 
werkers een vast loon. 

De winst werd, na aftrek van eene réserve, verdeeld onder 
de aandeelhouders; bg zeer groote winsten verkregen alle 
werkers in de kongsi-mijnen nog eene gratificatie. 

De in de verschillende kongsi-mgnen van de 14 vereeni- 
gingen werkende personen hadden geene belasting aan Fo- 
Sjoen te betalen; had de kas van deze algemeene federatie echter 
een nadeelig saldo, dan moesten alle 14 samenstellende kongsi's 
gezamenlgk dit nadeelig saldo aanzuiveren. 

Tot dergelgke uitgaven en om altijd contant geld te heb- 
ben diende dan ook de réserve, die, zooals boven bleek, ver- 
kregen werd door de winsten der kongsi-mgnen niet geheel 
onder de aandeelhouders te verdéelen. De kongsi-mgnen van 
een verbond hadden een gemeenschappelgke kas, die in het 
oudste of voornaamste kongsi-huis bewaard werd, zoo bgv. 
bij Thai-kong in Sjong-woek, welke kas vooral niet verward 
mag worden met die van Fo-Sjoen, die, zooals op bh 571 
staat vermeld, later ook in dat huis werd geborgen. 

In 1854, bg de opheffing der S Kongsi's, werden alleen de 



*) B^ de offennde Toor de dooden in de 7e nuuind, op Borneo Taliit- 
njiet-ptn ( ^q ^ ^p ) genoemd, wordi steeds nog op het einde der plechtig- 
heden een groote waogking van papier verbrand, welk ichip, in alie Ueinig- 
hedeu afgewerkt eo voorzien van een papieren PortugeeBchen ttnnrman, moet 
dienen om de lielen der geitorvenen eerat naar het vaderland temg te hrengeo. 



574 

kongsi-mgnen van Thai-kong verbeurd verklaard. Zalke 
miJDCD waren er toen bij Montrado 6 n.1.: 



Sjjotig-woek 


met 80 — 100 mijnw. 


Ba-woei 


„ 80-100 „ 


Sjong-rin-woek 


„ 10- 20 „ 


Pa-djülo 


. 10- 20 „ 


Na-tao-theoe 


. 30- 40 „ 


Liën-ts^-pi 


. 30- 40 „ 



behalve de niea- 
welingen. ^) 



ledere kongsi had in haar gebied nog vele personen (ook 
leden van het verbond) die voor eigeti rekening werkten, ais 
handelaars, landbouwers, mijnwerkers, enz. Deze pabticu 
UBRK17 hadden de in Hoofdstuk III te noemen belastingen 
aan Fo-Sjoen op te brengen, en werden by wanbetaling ge 
ëxcuteerd of in het „blok"' opgesloten; terwijl de kongsi waar 
toe die aehterstalligen behoorden , Fo-Sjoen bij de inning moest 
helpen. 

Deze particuliere nijvercfi waren vooral in lateren tijd bloot- 
gesteld aan allerlei afpersingen en aanmatigingen van de zyde 
der hoofden en der mijnwerkers der kongsi-mynen, vooral toeo 
van 1837 — 1850 ook, zooals in hoofdstuk I bleek, het cen- 
trale bestuur zeer onder den invloed van de koagsi-mgnen 
kwam (Als van Rees in Montrado bl. 77 zegt, dat de nietmijn- 
werkers afgeperst werden is dat dus minder juist). Hadden by v. 
particuliere mijnwerkers veel winst behaald op de hun door 
de vereenig^ng toegestane gronden, zoo werd hun weldra aan- 
gezegd om dat terrein te verlaten, opdat de kongsi er zoude 
kunnen werken, alles onder het pretext dat de kongsi „een 
grooter pot had'' (d.i. vele monden had. open te houden). 

De 14 kongsi's hadden dus niet het recht van voor zich 



') Verg. Veth I bl. 334. De in de noot aldaar genoemde les kleine gond- 
gnTer^en nl. die yan SeÖawi, Seminis, Febram (ten rechte Teierauto) Stmdon§ 
(ten N. V. Loemar) Kolor (ten rechte Kotlor) en Tamtm (of lap-wtsm), gegvveo 
aU afiEonderlijke lichamen, waren door particulieren ontgonnen m^nen (waarofcr 
in den tekat dadelijk meer). In Lara had Thai- koog ook yele kongii-mynen b. v. 
te Km-tan, te Sapo, te SaUmè, te Eawoek^ enz. Met de Veth t. a. p. ala dieper 
binnenwaarts, b^ het J?0fraj(^gebergte gelegen, vermelde kongsi-m^n is waanch^n* 
lijk die Tan San^Siak bedoeld. 



575 

zelf belastiog te heffeD, zijnde dit een der prérogatieyen 
van de federatie Fo-Sjoeo; de uitgaven dier vereenigingen 
moesten gevonden worden uit de winst der kongsi-mijnen. 

De hoofden der kongsi-mijuen, dit zyn: de fo-tjong's, tshoi- 
khoe's en tin-koeng's, werden voor 4 maanden door de aan- 
deelhouders gekozen en hunne namen moesten aan het be- 
stuur van Fo-S)oeD medegedeeld worden. Alle hoofden, zoo- 
wel die van Fo-Sjoen als die der kongsi-mgnen moesten in 
China geboren zijn. ^) 

De hoofden hadden nog een eigenaardig distinctief; zij 
alleen nl. hadden het recht uit een bepaald soort lange pijp 
met zwaren zilveren kop te mogen roeken, wat aan anderen 
op poene van boete en verbeurdverklaring was verboden. 
Deze pypen waren ware stoot- en slag- wapens, en vele luie 
koelies ondervonden dit zoo nu en dan. 

De hooiden der kongsi-mijnen van Sjip-ng-foen, Sam-thioe 
keoe en Lim-thian vereenigden in de tijden dat deze 3 
vereenigingen geen deel van Fo-Sjoen uitmaakten, in zich 
zoowel de iunctiën van het algemeen bestuur als die van het 
beheer der mynen. 



§ 4. MINDERE HOOFDEN, NOTABELEN, LEGER ETC. 

Behalve de hoofden van Fo-Sjoen en de kongsi's behooren 
nog eenige anderen vermeld te worden. Overal oefenden de 
EERWAA.EDiG£ oXTDEK ceu soort vau gczag uit over de andere 
personen zoodat men hen als ongekozen hoofden beschouwen 
kan. Dit overbiy&el van het oude patriarchale bestuur 
behield in latere tijden steeds minder en minder invloed en 
ryke en invloedrijke personen stoorden zich betrekkelgk 
weinig aan hen. 

De koogsi's hadden arakstokerijen die voor rekening van 
het verbond gedreven werden terwijl er ook particuliere sto- 



*J Vergel. voor de Lan-fong- kongsi Dr. de Groot, K. W. W. 17. 



576 

rgen waren; deze laateten moesten belasting betalen (vide 
Hoofdstak III) waarvan de kongsi-arakstokergen vrggesteld 
waren. De hoofdeit dëb kongsi-arakstoebrijsn, meestal 
in het midden van eene landbonwende bevolking wonende, 
oefenden in naam van de kongsi eenig gezag nit en beslisten 
met de oudsten nit den omtrek kleine zaken^ ook inden 
zg de belastingen, die dan meest in rgst betaald werden, 
terwijl het bedrag daarvoor dan door de Kongsi aan Fo- 
Sjoen werd uitgekeerd. Had zulk eene arakstokerg te veel 
r^st in voorraad, dan leende men deze wel weer nit 
op voorwaarde na den volgenden oogst dezelfde hoeveelheid 
in nieuwe rgst terug te ontvangen. Het gezag van de 
hoofden der arakstokergen big kt nog uit het Chineesobe 
gezegde: „De kongsi komt in de eerste plaats^ in de twee- 
de plaats de arak stokerijen" (^ ^ ^ O Zl ^ j^ ^)' 

Bij de meeste tempels van eenig aanbelang behoorden vier 
door de bevolking gekozen tbiipsleoofdsn ( j|Q '^ Fnek- 
S/ioe)j die behalve het regelen van de feesten en het admi- 
nistreeren der fondsen dat op hen rustte^ ook metdeoadsten 
kleine zaken in de kampongs afdeden (Dergelijke administra- 
teuren-ceremoniemeesters vindt men tegenwoordig ook nog.) 

In oorlogstgden werden een Oppbrbevblhebbbr *) en 
oHDBBBBVBLHBBBBRs gokozon, torwljl op vole bedreigde 
punten en aanlegplaatsen schansen waren aangelegd, bijv. 
te Soengei R^ja, te Singkawang etc. In iedere schans waren 
twee hoofden^ Schinshoofdbüt (T8hak-tjoe|||^)genaamd. 
Deae sebanshoofden waren, bgv. te Singkawang, ook belast 
met de inning der invoerrechten, waarvoor hun eenig onder- 
gesohikt personeel was toegevoegd, (verg. Hoofdstak III). 
Genoemde schansen hadden geene vaste bezetting, zoodat er 
dan ook meestal maar een paar wakers aanwezig waren; bg 



*) Het by Veth II bl. 30 in de noot genoemde hoofd yan Ptkoetjing mi 
hoogetwaancliyniyk een der beetonrders Tan de Toomadschoren bQ die Uo- 
dingaplaats. 

*) 1^ Si6 "^^S*!- H^' ^l2- S33. 



577 

gevaar werden de nabij wonende passerbewoners, landbou- 
wers en mijnwerkers ter verdediging opgeroepen. 

(Het bij van Eees, Montrado bl. 18 vooral als mijnhais 
voorgestelde kongsihais te Singkawang was zulk eene schans, 
mgnwerkers vond men aldaar niet). 

In oorlogstijden waren in de eerste plaats de mijnwerkers 
der kongsi-mijnen soldaten en men rekent dat bijv. Thai- 
kong in de laatste tijden van zijn bestaan + 3000 man in het 
veld kon brengen. Eerst bij gebleken noodzakelijkheid werden 
alle werkzaamheden gesloten en iedereen gedwongen mede 
te vechten: een meester moest dan met zijne koelies afreke- 
nen en was verplicht hen na afloop van den strijd weer 
direct in dienst te nemen, (dit geschiedde bijv. in den 
strijd tegen de Djajaks in 1843. (bL 550) Zoolang de 
oorlog duurde werden de soldaten door de algemeene Kongsi 
(Fo-Sjoen) bezoldigd eu gevoed, bij een gunstigen afloop 
kregen zij nog eene belooning, verder werden er nog premiën 
uitgeloofd. In den zoo even genoemden strijd bv., stond op het 
hoofd der vijandelijke aanvoerders 2 tahll goud, op dat van een* 
itfaleier 2 realen zilver (f 4 — ), terwijl het hoofd van een Da- 
jak 1 reaal zilver opbracht. Hy die eene Dajaksche vrouw 
gevangen nam moest haar aan de kongsi afstaan, maar had 
wanneer zg later trouwde recht op de helft van den huwe- 
lijkschat. Groote hoeveelheden rijst die veroverd werden, 
moesten aan Fo-Sjoen afgestaan worden. In oorlogstijden 
mochten door de achterblij venden geene varkens geslacht ot 
arak gestookt worden, opdat ook zg eenigszins hun deel 
hadden in de moeilijkheden van hen, die hun leven voorde 
algemeene zaak veil hadden, terwijl deze bepaling natnnrlgk 
ook het gevaar van gebrek aan levensmiddelen verminderde 

Velen die %ich zeer verdienstelijk in den strijd gedragen 
badden . of in andere opzichten zich voor de vereenigingen 
hadden opgeofferd, werden na hun dood in hunne ziele-tablet- 
ten geëerd. Deze tabletten werden 6f opgesteld in een ai 
zonderlijken tempel (Tjoeng-Sjin-miao J^ |£ ^ d. i. tempel 
voor getrouwe ambtenaren) öf in den Tbang, (zulk een tempel 

Tijdiclir. Ind. T. L. CD Vk., deel XXXV. 38. 



578 

verytDgt dm oogeyeer onze standbeeldeii). Eenige der 15 
tabletten, die na in dien tempel te Montrado staan, stonden 
yroeger in den Thang waarnit ze in 1854 in genoemden 
tempel werden overgebracht 

Het plaatsen in den Thang had meestal plaats volgens den 
bg het leven van den betrokken persoon uitgedrokten wil, 
welke persoon misschien een groot gedeelte van zgn leven 
aldaar had doorgebracht, en dan ook gaarne, al was het 
slechts in tablet-vorm, na zijn' dood de beraadslagingen in 
den Thang wilde bijwonen. Dit is bijv. het geval met het 

tablet van Tj^i^S'^J^^^'^i"^ ( ^ TC ^ )- 

Deze was langen tijd Thang-tjoe geweest, en werd later 
Tshak-tjoo te Singkawang, waar hij iets na 1824 bg het 
springen van eene hoeveelheid kmit gedood werd. 

In den tempel van Montrado zijn tegenwoordig 15 ta- 
bletten, waarvan sommige aan bepaalde personen, andere 
aan verschillende categoriën van personen in het algemeen 
zgn gewgd, als aan de eerste ontginners van het land 

(PI lil ^ ^ )' ^^° ^^ gesneuvelden in den een of an- 
deren oorlog etc. 

Deze 15 tabletten zijn; 

1) algemeen tablet voor 1850. 

2) „ „ „ „ 1807, 1808, 1822, 1823 en 1824. 
opgesteld in 1849. 

3) tablet met het jaartal 1850 ter vereering van: 
Phang-Khin-Siong ]^ ]^ ^ wichelaar van een tempel te 

Montrado nl. den Thien-së-dja-miao (^fS6^^) ^^^tdag 
5e maaud 18e dag). 

NqJ' TjofiQ ^ -y wichelaar van een tempel te Palomin (bij 
Pangliwan) nl. der kon-djin-DJong-miao. 

Kan-tji-djoeti (v. bl. 551). 

Ngan-tshe ^ ^ wichelaar van den Wong-dja-miao te 
Montrado. 

Ng-djin-isioek ^ |^ J^ opvolger van Kgan-tshe. 

4) algemeen tablet voor de jaren 1822—1823—1824. 



579 

5) algemeen tablet voor het jaar 1807. 

6) zonder jaartal^ gewijd aan Tjoefoeng-fa {v. bl 535), 
Uit het eerste hoofdstnk zonde blijken dat de Chineezen 
van Montrado hem zeker niet voor deze eer in aanmerking 
zouden gebracht hebben^ welke tegenstrgdigheid echter ver- 
dwijnt als meu weet, dat dit tablet eerst in 1866^ vooral 
door bemoeiingen van zijn' zoon Tjoe-ten-hin ^ "p ^ al- 
daar geplaatst is. 

7) Gewijd aan Lo-phai (v. bl. 545 v. v. g.) 1836. 

8) Gewijd aan Lioe-Tjhang-po (v. bl. j643) z. j. 

9) Gewijd aan Tjlnn-Kang-Sam l^ J^^^)z. i. 
Tjhin-Kang-Sam was een der meest geziene Tin-koengs 

van de Thaikongsebe kongsi-mijnen, die onder het besfaur van 
den Sultan Mohd. AU Tsafioedin (1814— 1828), naar Sambas 
ging om met genoemden vorst over de optebrengen belasting 
te spreken, bij welke besprekingen hij zich zoover vergat, dat 
hy den Sultan beleedigde, die hem nu aanhield, en van ieder 
der 7 kongsi's van Montrado 2 hoofden verzocht om naar Sam- 
bas op te komen. Toen deze personen aldaar aankwamen, 
liet de Sultan den brutalen afgezant dooden door hem een speer 
in den mond te laten stoeten. Dit geschieddeiets voor 1818. 
Het tablet is in 1860 opgesteld. 

10) Algemeen tablet zonder jaartal. 

^^) n • » ft n 

12) Gewijd aan Lioe-Khiën-Siong (v. bl. 531 v. v. g.)z.j. 

13) Algemeen tablet 1808. 

14) Gewijd aan Tjoeng-njiën-khim (zie boven) z. j. 
14) Gewijd aan: 

Tshai-moei (v, bl. ) en 

Wong-sjoeimoi ( ^ jk jjj^ ) wichelaar van de Wong-dja- 
miao te Montrado z. j. — 

De tempel te Bengltajang werd in 1854 met den geheelen 
passer een prooi der vlammen. In 1855 richtte men den 
nieuwen tempel op, waarin 2 algemeene tabletten zijn, terwijl 
er verder nog twee tabletten aan onze sedert 1S54 overleden 
kapitans TjhangSiong en Tjoeng-sioesan herinneren. 



580 

. In vele andere dexer tempels bgv. die te Boedoek en te 
Petandfauw vindt men dechts eenige algemeene tabletten. 

Behalve de op bl. 570 genoemde afgevaardigden der ver- 
schillende kongsi's van het algemeen bestutir van Fo-8joen, 
die Tbang-tjoe heetten, :werd deze titel nog gedragen door een 
persoon te Bengkajang gevestigd. Toen toch na 1837 geheel 
Lara aan Thaikong kwam, zond deze vereeniging een' per- 
soon naar Bengkajang om de algemeene leiding van die land- 
streek op zich te nemen en over alle zaken te rapporteeren. 
waarom dan ook bij Veth ± bl. 304 misschien te lezen staat, 
„dat de Gbtneezen van Lara zich uit een admininistratief oog- 
pnnt van Tbai-kong hebben afgescheiden, ofschoon zij daarmede 
politisch ten nauwste verbonden bleven/' 

De Thang-tjoe van BsKGEAJANa woonde ter plaatse waar 
nu de gevangenis staat. De gewoonte der Maleiersom byv. 
dezen Thang-tjoe en de Tshak-tjoe's kapilan te noemen, mag 
vooral geene aanleiding geven tot de meening dat er by de 
Montradosche kongsi's meer dan één kapitan was; die eene 
was, zooals vroeger bleek, de kapitan van Montrado, het hoofd 
van Fo-Sjoen. 

§ 5. RECHTSPRAAK. 

De rechtspraak was in de eerste tijden der Gliineesche ves- 
tigingen zeer eenvoudig en berustte bij de stamgenooten van 
den schuldige, die met hem in één groep samenwoonden. 

Langzamerhand werden de zware misdrijfzaken door de 
hoofden der kongsi's afgedaan, iedere kongsi wat betreft hare 
leden, en konden die hoofden zelfs de doodstraf uitspreken 
en doen uitvoeren. 

Toen zich ecliter de federatie Fo-Sjoen ontwikkeld had, 
werd het beslissen in zware misdryfzaken een der preroga- 
tieven van het bestuur van dit verbond. De kongsi's die niet 
tot FoSjoen behoorden behielden de rechtspraak door hunne 
hoofden. Toen in 1850 zoowel Lim-thian als Sjip-ng-foei 
weer tot Fo-Sjoen toetraden behielden ook deze verbonden 



581 

hanne eigene rechtopraak, daar de afstand tot Montrado te 
groot was, en de zaken ook beter ter plaatse onderzocht kon- 
den worden. In de vorige § zijn nog eenige andere personen 
genoemd die in kleine zaken beslisten. 

De beklaagden werden vóór het onderzoek in het blok ge- 
sloten, en na de veroordeeling met een schandbord, waarop 
hnn misdrijf stond bekend gesteld^ gebonden roDdgevoerd, ter- 
wijl zij dan soms onder bet loopen met een rotan geslagen 
werden; eerst daarna werd de straf ten uitvoer gelegd. De 
straffen waren velerlei, bijv. boeten in goud of geld (voorde 
kongsi); het gedwongen geven van gouden versierselen, kaar- 
sen en andere otferartikelen aan de tempels, rotanslagen, bet 
afsnijden van een oor, (^) de doodstraf etc. De doodstraf had 
gewoonlijk door onthoofding plaats, waarna het lijk ie eene 
bepaalde rivier werd geworpen, waarom men dan ook die straf 
meestal op een brng voltrok. 

In het Boedoeksche vindt men nog eene „executie-rivier" 
(Tjhi-nj in-kon ^ ^ J^); bij Montrado eene „executie. 

brag J^ ^ ^ Tjhi-njin-khiao. op den weg naar J.oeba- 
wang). Eerst in 1854, na de opheffing der kongsi's eindigde 
bet opleggen van verminkende straffen en doodstraf door de 
kongsi's; alle vroeger publicaties van het Gouvernement, hierop 
betrekking hebbende, werden nooit nagekomen. 

Als beul fungeerde meestal een door het Thang-bestunr voor 
ieder bijzonder geval aangewezen persoon, die voor deze werk- 
zaambeden eene belooning kreeg; soms verzocht een der bloed- 
verwanten van een' vermoorde verlof om zelf de straf op den 
dader te mogen voltrekken. 

Moge in den eersten tgd de patriarchale rechtspraak zeer on- 
partijdig geweest zijn, in latere tijden was dit niet meer het 
geval; de „groote stammen" werden voorgetrokken boven de 
„kleine stammen'', de volbloed-Ghineezen lioven de perana- 

(*) Een Tan de oog levende op die manier gemerkte Chiucczen, die mij onder 
de oogen kwam, deed mij zien, dat alleen hel buvcni>te ('cel der oorachclp afge- 
«neden werd. Bedoeld individu had een der muziekinstramenten (gong) van de 
koBgai gflBtolen en Terpand. 



582 

kaD| de bij de kongsimijnen geemployeerden boven depaiti 
cuUere uijvereDi terwyl ook omkooping een groote rol speelde. 
Op het dooden van een' volbloed-Chinees stond bgv. bgna 
altijd de doodstraf, en mocht de verslagene tot een' kleinen atam 
behoord hebben toch nog altijd een bloedgeld van /" 720 (360 
realen zilver); wanneer een bastaard-Chinees gedood werd, 
bedroeg de bloedprijs slechts ± / 48 (nl. 3/4 tahil goud) en 
een half pak Chineesche tabak, waarom de volbloed-Chinee- 
zen dan ook zeiden: „Als men een i)eranakan doodslaat, 
dan betaalt men 12 Mas gond en voor een half pak roode 
tabak begraaft men hem {}). 

Als een staaltje van rechtspraak uit tateren tijd (1853) moge 
het volgende dienen : „Een Chinees van den stam Koe ver- 
keerde reeds gemimen tijd met eene vrouw uit den stam Tshia 
en wilde zich met haar in het huwelijk begeven. De andere 
lieden van den stam Tshia waren tegen dit huwelijk, zoodat 
het niet voltrokken werd. De vrouw werd nu krankzinnig 
en haar minnaar aangeklaagd, als zoude hij haar betooverd 
hebben; deze werd nu daarvoor door het kongsi-bestuur (i. e. 
van Loemar) veroordeeld tot eene boete van een half tahil goud 
te betalen aan deu stam Tshia, terwijl hij een gouden ver- 
siersel van een kwart tabil aan den kougsi-tempel moest aan- 
bieden. De veroordeelde nam hiermede genoegen, niet alzoo 
de stam Tshia die vermeende, dat het tempel-sieraad een half 



(*) De bastaard -übineezen werdea op de westkust vau Borneo veelal aange- 
duid door den naam Pa» Tkong Fan ( zSu S^ ^^ ) d.i. half Chinees, half 
vreemdeling, «^halfcast ', "liplap", welk woord bij Veth eu elders tot peUmptH 
is verbasterd. 

De op Borneo geboren Chiueezeu iioemeu zich zelf JoC j||| poeu-iki d.i. in- 
boorlingen van het land. De volbloed Chineezen zagen minachtend op hen neer. 
zooals vroeger bleek, konden deze laatsten ook geen hoofd worden en Jcregeo 
bijv. ook geen aandeel in de kongsi-mijnen, als zij zich in den oorlog (gunstig 
onderscheiden hadden. £erst na deu oorlog bg Pamangkat (1850) kwamen zij 
meer in tel, daar vele peranakans zich daarin zeer gunstig onderscheiden hadden. 



583 

tahil moest wegen, in welke verandering bet kongsi-bestnar nn 
ook toestemde. Toen de beboete zich hiertegen verzettOi werd 
het bestuur vergramd; noemde hem een' ongehoorzamen zoon, 
die de kongsi schande aandeed en beter zou doen zich zelt 
van kant te maken. Den volgenden dag werd hij door den 
boekhouder gewekt en met harde woorden weggejaagd." 

Eene eigenaardige instelling, onder het kongsi-bestuur meer 
dan tegenwoordig m vogue, is de volgende: 

Wanneer iemand bemerkte dat hij zich door drank, spel 
of opium in het ongeluk zou storten en zich daartegen niet 
kon verzetten, verzocht hij den hoofden een plakaat uit te 
vaardigen, waarin bekend gesteld werd, dat N. N. beloofd 
had niet meer te spelen, te drinken of opium te schuiven, 
dat een ieder verzocht werd een oogje op hem te houden en 
dat hij bij verbreking van zijne gelofte aannam die en die 
offerartikelen aan een' tempel op te brengen m. a. w. dat hij 
als op eigen verzoek onder curateele werd gesteld. 



§ 6. HET WEZEN DERIKONGSI'S EN DE 
TOELATING VAN NIEÜWEUNGEN. 

In den eersten tijd der Chineesche vestiging op de West- 
kust van Bomeo, waren zooals in § 1 van dit hoofdstuk gezegd 
is, de toen bestaande kleine vereenigingen te beschouwen als 
groepen van ^raw*— (naam— siang— ) genooieti ^ jj^ , vast 
aaneengesloten door slam (familie — clan) geesL — 

Toen echter later het aantal verbonden steeds kleiner werd 
en er aldus in dezelfde veteeniging vele stammen vertegenwoor- 
digd varen, zou de samenhang een gedachten schok ondergaan 
hebben, indien niet een ander middel van verband was ingevoerd 
welke middel bestond uit een eed van trouw, die alle leden on- 
derltnfj verbond en aU tot stamgenooten mMkte ("). 

(*) Ook bij het onderzoeken van geheime verbonden, waarvan de leden door 
een eed van tronw en gehcimhonding zijn verbonden, krijgt men op de vraag. 
«'Waartoe dient het verbond?'*, soms het volgende antwoord; *0m hier in h^ 



584 

Weldra tocb moeBteo de op Borneo komende nienvreliogeD 
een eed Van trouw aan de vereeniging, waarin zij wilden 
worden opgenomen^ afleggen. De nieuweling kon zich bege 
ven naar bet verbond^ dat bem bet meeste aanstond m. a. w. 
meestal dat, waar bij de nieeste stamgenooten of kenniaaen 
meende te vinden— soms ook ging een der reeds op Borneo 
gevestigde Cbineezen naar Cbina terug, en betaalde dan voor 
eenige tamilie-leden den overtocht. In dit geval voegden de 
nieuwelingen (^^9 sin-bak, sin-kheb= nieuw-gast) zich 

natuurlijk bij bet verbond wsiartoe bun ^oudgast", ^ ^ 
Lo-bak; LaoEbeb) behoorde, en betaalden bem later door 
hunne diensten de voor ben gemaakte onkosten terug. Ook 
de op Borneo geboren Cbineezen voegden zich bij een 
verbond; meestal dat waartoe bun vader behoorde. De meeste 
nieuwelingen werden eerst in de kongsi-mijnen te werk 
gesteld; alwaar zij den kost en kleêren verdienden en na 
de goudliebting, d.i. om de vier maanden nog 4 reaal (= mas) 
goud d.i. + ƒ 16 kregeU; terwijl sommigen dadelijk naar 
bunne bloedverwananten gingen, die particuliere nijverheid 
uitoefenden en voor hen borg bleven. 

Eem in het jaar was er gelegenheid om den eed at te 
leggen en wel op den 13«° dag van de 8e Chineesche maand 
(feestdag van Kwan-tie, vide J. J. M. de Groot^ Feesten 
Emoy Cbineezen bl. 307). Bij Vetb I bl. 311 staat, dat er 
(wee maal in het jaar gelegenheid was om den eed afteleggen. 
eene vergissing misschien daaraan te wijten, omdat er ook 
op den 13®° dag van de Ie Chineesche maand een groote 
feestdag werd gehouden , waarbij de nieuwelingen kennis met 
elkander maakten, maar geen eed werd afgelegd. (^) 

vreemde land het gemis van vader, moeder en bloed vern^-aateo, te vei^jocdeu, daar 
de broeders vao bet Terbond datgeene zullen doeu, wat anders onze bloedver- 
wanten doeu." Jammer, dat dit ideale doel meestal bet helpen a tort et a tra- 
vers in zich sluit. 

{^) J)it feest uoemdt weu "jj^ 0* ^ : bet idlegge